Maak een selectie

727 van 727

   

Een ambulant werker heeft de grenzen van haar expertise niet (h)erkend. Ook heeft zij een tussentijds verslag opgesteld voor een juridische procedure zonder met de vader daarover te communiceren en hij is niet geïnformeerd over de wijze van verslaglegging rondom de door haar uitgevoerde module.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als ambulant werker bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam vertrouwenspersoon], zijn vertrouwenspersoon.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De voorzitter van het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 2 augustus 2018, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 10 september 2018, met de bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 november 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder aan de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een collega aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader van een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2005.

2.2

Klager en zijn ex-partner, de moeder van de zoon, hierna te noemen: de moeder, zijn gescheiden. De beschikking betreffende de echtscheiding is op 15 december 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door klager en de moeder. De zoon woont bij de moeder. Ten tijde van het handelen dat beklaagde wordt verweten heeft klager, op verzoek van de zoon, nauwelijks tot geen contact met zijn zoon.

2.3

De moeder heeft, vanwege de echtscheidingsproblematiek tussen haar en klager, voor de zoon begin 2018 bij [de instelling] een aanvraag gedaan voor de module [naam module], hierna te noemen: [afkorting module]. Beklaagde is vanuit [de instelling] de medewerker die de module [afkorting module] uitvoert.

2.4

De zoon wordt middels een verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018 verwezen naar beklaagde. De eerste versie van de verwijsbrief luidt als volgt: “[De zoon] verwijs ik voor diagnostiek en behandeling ivm een mogelijk angst- en paniekstoornis. [De zoon] zijn ouders zijn gescheiden. Sinds een half jaar slaapt hij niet meer bij [klager] en nu wil hij er eigenlijk helemaal niet meer heen. Hij voelt zich daar niet veilig. Als hij binnen komt voelt hij paniek. Hij is vandaag naar huis gegaan met pijn in zijn buik. Is oa bang dat [klager] hem ontvoerd. Hij heeft lang geprobeerd een goede band met [klager] te houden, maar het voelt nu niet goed. Zijn moeder vindt de relatie tussen [klager] en zoon ook heel belangrijk, maar merkt aan [de zoon] dat hij eronder leidt. Ook de mentor van school, waarmee [de zoon] goede gesprekken heeft, geeft dit aan. Het gaat overigens op school heel goed met [de zoon]. Ik verwijs voor basisggz, er is sprake van matig functioneren.”

2.5

Op 21 februari 2018 vindt een kennismakingsgesprek tussen beklaagde en klager plaats om te bezien of klager kan instemmen met de hulp voor de zoon vanuit [de instelling]. Klager heeft tijdens dit gesprek aangegeven dat hij toestemming verleent voor de hulpverlening van beklaagde gericht op de zoon. Voor hulpverlening gericht op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders geeft klager geen toestemming. Na dit gesprek stuurt beklaagde een e-mail naar beide ouders waarin zij onder meer het volgende kenbaar maakt: “wat ik kan bieden is : een luisterend oor voor [de zoon] die hier behoefte aan heeft en kijken of en welke vervolghulp voor [de zoon] nodig is. : onderzoeken wat [de zoon] nodig heeft om het contact met u als vader weer op te pakken en mogelijk met [de zoon] en u in gesprek hierover. : de communicatie over [de zoon] tussen jullie als ouders weer op gang te brengen in het belang van [de zoon]. De problemen die u beiden noemt zijn complex en ik wil benadrukken dat ik vanuit een vrijwillig kader werk, het zal moeten blijken of dit voldoende is.” Klager reageert per e-mail op 26 februari 2018 onder meer het volgende: “Zoals je aangaf kon je niets met de verwijsbrief van de huisarts omdat je geen deskundige bent om dsm kwalificaties te diagnosticeren en te behandelen. De moeder van [de zoon] zou een andere verwijzing regelen bij de huisarts die je uiteraard nodig hebt om je inzet vergoed te krijgen. Alvorens we dus verder kunnen ontvang ik graag een kopie van die nieuwe verwijsbrief omdat ik niet voor onverwachte kosten kan komen te staan waarvoor ik helaas de middelen niet heb.” Vanwege vakantie van de moeder volgt een gewijzigde verwijsbrief van de huisarts na 9 maart 2018.

2.6

In de tweede versie van de verwijsbrief, ook d.d. 8 februari 2018, is de eerste zin gewijzigd in: “De zoon verwijs ik [voor] begeleiding/ behandeling [afkorting module].” De rest van de inhoud van de verwijsbrief is niet gewijzigd.

2.7

Klager e-mailt op 12 maart 2018 onder meer het volgende aan beklaagde: “Ik heb het pdf bestand van de nieuwe verwijzing ontvangen. Ik kan instemmen met je inzet voor [de zoon] en hoop dat je er voor hem kan zijn zodat het hem wat lucht geeft zoals je opperde. Voor wat de communicatie betreft tussen de ouders zal het verloop van de procedures bij de rechtbank dicterend zijn.”

2.8

Op 21 maart 2018 start beklaagde met de hulpverlening vanuit [de instelling].

2.9

Beklaagde heeft met de zoon en klager een afspraak gemaakt om op 29 maart 2018 met elkaar in gesprek te gaan. Twee dagen voor de afspraak laat de zoon weten dat hij dit toch te spannend vindt, reden waarom de afspraak door beklaagde wordt afgezegd.

2.10

Beklaagde stuurt op 4 april 2018 naar beide ouders een e-mail waarin zij haar bevindingen tot dan toe formuleert. De moeder brengt deze e-mail in tijdens de kort geding procedure tussen de ouders, die aanhangig is bij de rechtbank, van 5 april 2018.

2.11

Beklaagde heeft met de zoon en klager een nieuwe afspraak gemaakt om met elkaar in gesprek te gaan op 12 april 2018. Ook deze afspraak wordt op verzoek van de zoon door beklaagde afgezegd.

2.12

Op 8 mei 2018 wordt aan de ouders het conceptverslag van de module [afkorting module] van de zoon toegezonden. Dit verslag is geschreven door beklaagde. Op 29 mei 2018 stuurt de leidinggevende van beklaagde aan klager het verslag van de module [afkorting module] van de zoon en wordt klager verzocht binnen drie weken eventuele op- of aanmerkingen op het zogenoemde meningblad te noteren. Klager reageert per e-mail op 19 juni 2018, hij maakt onder meer het volgende kenbaar in zijn e-mail: “Het mij toegezonden verslag acht ik nietig.”

2.13

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional bij SKJ geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager heeft zes klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de module [afkorting module] door beklaagde.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De hulpverlening is vanuit [de instelling] gestart zonder toestemming van klager, als zijnde gezaghebbende ouder.

3.2.2

Toelichting:
Op 15 februari 2018 heeft klager van zijn huisarts het bericht ontvangen dat zij de zoon had verwezen naar beklaagde, als zijnde medewerker van [de instelling]. Volgens klager heeft de moeder achter de rug van klager om via de huisarts geregeld dat de zoon hulpverlening via beklaagde zou krijgen. Volgens klager bleek daarna dat er reeds uitgebreid contact geweest was tussen de moeder en beklaagde. Klager stelt zich op het standpunt dat de hulpverlening naar alle waarschijnlijkheid gewoon gestart zou zijn, zonder dat hij daar in geconsulteerd zou zijn geworden. Klager meent dat van een jeugdhulpverlener verwacht mag worden dat die de wettelijke regels kent en onmiddellijk na aanmelding contact opneemt met de andere ouder om de toestemming voor de interventie te verifiëren. Klager heeft naar aanleiding van het bericht van de huisarts zelf contact opgenomen met [de instelling], toen werd bevestigd dat beklaagde de behandelaar was. Klager heeft in het telefoongesprek direct aangegeven dat hij eerst een gesprek met beklaagde wilde voeren, voordat hij toestemming voor de interventie zou willen geven. Pas na dit telefoongesprek werd met klager een afspraak gemaakt.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Volgens beklaagde is de hulpverlening (de module [afkorting module]) gestart met schriftelijke toestemming van beide (gezaghebbende) ouders en instemming van de jeugdige. In de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke start van [afkorting module] heeft beklaagde een aantal keren telefonisch contact met de moeder gehad. Beklaagde stelt dat zij de moeder uitsluitend informatie heeft gegeven over wat de module [afkorting module] inhoudt en op welke manier de verwijzing geregeld moest worden. Daarbij is steeds uitgelegd dat [afkorting module] alleen gestart kon worden indien beide ouders akkoord zouden gaan met de start en de wijze van de interventie. De aanmelding voor [afkorting module] is gedaan via de huisarts op 8 februari 2018, waarna de eerste stap van beklaagde was om in gesprek te gaan met klager. Dit gesprek heeft op 21 februari 2018 plaatsgevonden. Als tweede stap heeft beklaagde een e-mail verzonden naar beide ouders waarin de doelen voor het aanbod vanuit [afkorting module] stonden beschreven. Zowel de moeder als klager hebben hiermee per e-mail ingestemd. Op 21 maart 2018 is de hulpverlening bij de zoon en de moeder thuis gestart.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft de startdatum van de hulpverlening, volgt het College het standpunt van beklaagde dat de door haar geboden hulpverlening op 21 maart 2018 gestart is. Het College leidt dit af uit het overgelegde evaluatieverslag van de hulpverlening, waarin 21 maart 2018 als startdatum opgenomen is. Voorts leest het College in de overgelegde e-mailcorrespondentie, zoals deels weergegeven onder 2.7 van deze beslissing, dat klager op 12 maart 2018 toestemming verleend heeft voor wat betreft de inzet van beklaagde om hulpverlening aan de zoon te bieden. Hoewel klager stelt dat de hulpverlening, die beklaagde vanuit [de instelling] geboden heeft, gestart is zonder zijn toestemming, is dit het College uit de overgelegde stukken niet gebleken. Het College acht het voorts voldoende aannemelijk dat beklaagde in de periode voorafgaand aan 21 maart 2018 de moeder slechts geïnformeerd heeft over de module [afkorting module] en op welke manier de verwijzing geregeld moest worden. Voor wat betreft het eerste contactmoment tussen klager en beklaagde, overweegt het College als volgt. Gebleken is dat klager het eerste (telefonische) contactmoment tussen hem en beklaagde tot stand heeft laten komen. Het College is het met klager eens dat het wellicht beter was geweest wanneer beklaagde, nadat de zoon middels de verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018 aangemeld was bij [de instelling], initiatief had getoond om in contact met klager te komen. Bij een tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen beter had gekund. Beklaagde valt hier naar het oordeel van het College dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt in te maken. Te meer nu beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt heeft dat klager haar slechts “voor was geweest” voor wat betreft het eerste contactmoment, hetgeen het College voldoende aannemelijk acht. Het College concludeert dat ten aanzien van dit klachtonderdeel beklaagde met haar handelen gebleven is binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is partijdig geweest in haar begeleiding.

3.3.2

Toelichting:
Naar aanleiding van het eerste telefoongesprek tussen klager en beklaagde, kon klager zich niet aan de indruk onttrekken dat beklaagde reeds uitgebreide informatie van de moeder had gehad. Door deze informatie had beklaagde al een beeld gevormd over de situatie van de zoon, zonder het principe van hoor- en wederhoor te hebben toegepast. Klager bekroop het gevoel van vooringenomenheid, terwijl volgens klager een hulpverlener onpartijdig dient te zijn en zeker niet vooringenomen. Tijdens het kennismakingsgesprek van 21 februari 2018 heeft klager de voorgeschiedenis van het gezin uitgebreid met beklaagde gedeeld. Beklaagde vond het echter niet nodig om kennis te nemen van het dossier, met daarin alle bewijsstukken. Klager heeft tijdens dit gesprek duidelijk verteld dat hij uitsluitend voor ondersteuning van de zoon toestemming wilde geven en verder niets. Voor wat betreft de communicatie tussen de ouders wilde klager de uitkomst van de rechtszaken afwachten. Beklaagde gaf aan dat dit voor haar geen probleem was. Hier is zij echter gedurende haar betrokkenheid meerdere keren op teruggekomen. Klager kan zich niet aan de indruk onttrekken dat beklaagde de moeder heeft willen ondersteunen in het zwartmaken van klager als vader.

3.3.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde herkent zich absoluut niet in het verwijt dat zij partijdig is geweest. Zowel de moeder als klager hebben haar verzocht stukken in te zien rondom de echtscheiding, hetgeen zij bewust niet gedaan heeft. Als beklaagde al partijdig is geweest, ging haar partijdigheid uit naar de zoon. Beklaagde erkent dat zij getracht heeft om de ouders samen aan de tafel te krijgen, in verband met de derde doelstelling van de module [afkorting module], luidende: “de communicatie over [de zoon] tussen ouders weer op gang brengen in het belang van [de zoon]”. Klager had hier echter een andere mening over, hij had aangegeven geen gezamenlijke gesprekken met de moeder te willen voeren. Gelet op dit standpunt en omdat de zoon zo klem bleek te zitten, heeft beklaagde, na collegiaal overleg, er bewust voor gekozen om tijdens haar begeleiding van de [afkorting module] methodiek af te wijken en deze gedeeltelijk los te laten. Beklaagde heeft zich vooral gericht op het contactherstel tussen klager en de zoon. De noodzaak hiertoe werd zowel door de zoon, als door klager en de moeder aangegeven.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Van een jeugdprofessional mag men verwachten, dat deze, uit hoofd van zijn functie en professionaliteit, onpartijdig is. Klager meent echter dat beklaagde partijdig heeft gehandeld ten aanzien van de geboden hulpverlening, omdat zij volgens klager is meegegaan met de plannen van de moeder. Alhoewel klager stelt dat beklaagde vooringenomen is geweest voorafgaand aan de geboden hulpverlening en tijdens het kennismakingsgesprek met hem, heeft klager geen stukken ter onderbouwing van deze verwijten overgelegd. Gelet hierop en gelet op de gemotiveerde betwisting van beklaagde op dit punt, ziet het College geen aanleiding voor een tuchtrechtelijk verwijt richting beklaagde. Voor wat betreft het gegeven dat beklaagde heeft getracht de ouders samen om de tafel te krijgen, overweegt het College als volgt. Het is het College gebleken dat in dit verband het onderdeel van de module [afkorting module], te weten: de communicatie tussen de ouders verbeteren, in beginsel niet uitgevoerd kon worden, omdat de toestemming van klager hiervoor ontbrak. Het College verwijst hiervoor naar hetgeen klager hierover tijdens het kennismakingsgesprek kenbaar gemaakt had, zoals weergegeven onder 2.5 van deze beslissing, en naar de e-mail van klager van 12 maart 2018, zoals weergegeven onder 2.7 van deze beslissing. Desalniettemin heeft beklaagde (tevergeefs) getracht de ouders om de tafel te krijgen, hetgeen beklaagde erkend heeft. Beklaagde heeft hiervoor als reden gegeven dat dit een gebruikelijk onderdeel van de module betreft en zij het in het belang van de zoon achtte wanneer ook op dit onderdeel werd ingezet. Het College concludeert dat beklaagde aldus gemotiveerd geprobeerd heeft trouw te blijven aan de module, in ieder geval in het beginstadium van de hulpverlening. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat de gevolgde werkwijze geen partijdig handelen oplevert aan de zijde van beklaagde. Dat klager het mogelijkerwijs niet eens is geweest met deze aanpak, maakt volgens het College nog niet dat beklaagde daarmee de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt. In de beschreven voorbeelden in het klachtonderdeel en de overgelegde onderbouwing van klager ziet het College aldus geen aanwijzingen voor vooringenomenheid.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het belang van de gezondheid van de zoon is door beklaagde uit het oog verloren.

3.4.2

Toelichting:
In de eerste verwijsbrief van de huisarts stond vermeld dat de zoon werd doorverwezen in verband met een mogelijke angst- en paniekstoornis. Op verzoek van beklaagde diende deze verwijsbrief aangepast te worden, omdat zij aangegeven had op dat gebied niet deskundig te zijn en beklaagde anders de hulpverlening niet kon declareren. Hierna volgde een tweede verwijsbrief waarin de angst- en paniekstoornis niet meer vermeld werd. Dit schetst klagers verbazing; kan een hulpverlener een dergelijke verwijsbrief, waarin gevraagd wordt naar een diagnose van angst- en paniekstoornissen, gewoon terzijde leggen? Klager meent dat de focus van de problematiek hierbij compleet wegvalt. Navraag bij de huisarts leverde klager nog de informatie op dat beklaagde tegen de huisarts gezegd zou hebben dat de situatie voor haar geen probleem was. Alhoewel klager de situatie vreemd vond verlopen en hij grote twijfels had over de inzet van beklaagde, was er op dat moment geen enkele andere optie voor zijn zoon. Wanneer klager dit zou weigeren, zou de zoon compleet verstoken blijven van de noodzakelijke hulp. Klager verwijt beklaagde dat zij met een tunnelvisie heeft gewerkt, waardoor ze compleet het belang van de gezondheid van de zoon uit het oog is verloren. Volgens klagers was het doel feitelijk vooral om de omzet binnen te halen, nu ze al flink wat tijd besteed had aan deze zaak en er nog niet gedeclareerd kon worden.

3.4.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
In de verwijzing van de huisarts werd vermeld dat de zoon niet meer naar klager durfde te gaan, er zou sprake zijn van angstig gedrag en paniekaanvallen. Vanuit de huisarts werd daarom in eerste instantie de aanvraag gedaan voor diagnostiek en behandeling in het kader van angst en paniek. Beklaagde heeft in telefonisch contact met de huisarts aangegeven dat zij niet over die expertise beschikte maar dat zij mogelijk wel wat voor de zoon zou kunnen betekenen in het contactherstel tussen hem en klager, via de methode [afkorting module]. De huisarts heeft toen de verwijzing aangepast, waarmee klager akkoord is gegaan. Beklaagde heeft in de gesprekken met de zoon veel aandacht besteed aan zijn positie en relatie met klager. Gesprekken met klager om contact tussen hem en de zoon te herstellen, werden tot twee keer toe door de zoon afgezegd. Daarmee constateerde beklaagde dat haar inspanningen niet het gewenste resultaat opleverden, namelijk dat het contact tussen klager en zijn zoon zou verbeteren. Vanuit haar rol als professional heeft beklaagde alles geprobeerd om het wel te doen slagen. Toen dit alles niet lukte, is voorgesteld dat mogelijk een andere vorm van hulp beter zou aansluiten.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
Uit de overgelegde stukken stelt het College vast dat de verwijsbrief van de huisarts d.d. 8 februari 2018, zoals weergegeven onder 2.4 van deze beslissing, na 9 maart 2018 gewijzigd is. In die zin dat waar de zoon door de huisarts eerst verwezen werd voor diagnostiek en behandeling, vanwege een mogelijke angst- en paniekstoornis, dit gewijzigd is in een verwijzing naar begeleiding en behandeling [afkorting module], zoals weergegeven onder 2.6 van deze beslissing. Uit de toelichting op het klachtonderdeel begrijpt het College dat beklaagde in dit klachtonderdeel wordt verweten dat zij, doordat zij een dergelijk verzoek tot wijziging gedaan heeft, de gezondheid van de zoon uit het oog verloren is. Beklaagde heeft erkend dat de wijziging is doorgevoerd op haar verzoek, gezien zij niet beschikte over expertise rondom diagnostiek en behandeling van een mogelijke angst- en paniekstoornis. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde onjuist gehandeld en had zij, nadat zij erkend had niet over de juiste expertise te beschikken waarnaar de huisarts verwezen had, de casus niet mogen aannemen. In plaats daarvan heeft beklaagde verzocht om een andere verwijsbrief (te regelen). Dat beklaagde een verzoek tot wijziging van de verwijsbrief heeft gedaan om haar hulpaanbod passend te maken op de casus, waarmee mogelijk de gezondheid van de zoon uit het oog is verloren, levert volgens het College een schending op van artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen de Beroepscode. Een jeugdprofessional dient immers conform dit artikel de grenzen van zijn eigen expertise te erkennen. Volgens de toelichting op voornoemd artikel is de inzet en erkenning van de eigen beroepsdeskundigheid van de jeugdprofessional essentieel voor de kwaliteit van de jeugdzorg. Dat klager ermee ingestemd heeft dat de verwijsbrief gewijzigd zou worden, doet volgens het College niet af aan de professionele verantwoordelijkheid die beklaagde heeft voor wat betreft het (h)erkennen (van de grenzen) van haar eigen expertise.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft informatie met de moeder gedeeld zonder klager daarvan tijdig op de hoogte te brengen.

3.5.2

Toelichting:
Op 4 april 2018 heeft beklaagde een verslag over het hulpverleningstraject ingediend, één dag voordat de kort geding zitting zou plaatsvinden. In dit verslag stond expliciet vermeld dat klager niet om de tafel wilde met de moeder en dat beklaagde dat zeer kwalijk vond. Het vrijwillig kader waaronder beklaagde had aangegeven te werken, was volgens klager volledig omgeslagen in een bindend advies voor de rechter. Dat klager niet met de moeder om de tafel wilde, was ineens de grootste oorzaak voor de gezondheidsklachten van de zoon. Voor klager was het te laat om een verweer in te dienen bij de rechtbank. Reden waarom klager telefonisch contact opnam met beklaagde om haar te vragen waarom ze ineens met een verslag kwam. Klager deelde mede dat hij het vermoeden had dat beklaagde dit op het verzoek van de moeder had gedaan, zodat het in de rechtbank tegen klager kon worden gebruikt. Beklaagde heeft hierop ontkennend geantwoord. De dag erna heeft klager echter een e-mail van beklaagde ontvangen met een bekentenis en excuses. Hierin erkende zij dat dat het verslag op verzoek van de moeder was opgesteld.

3.5.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde erkent dat zij, op verzoek van de moeder, op 4 april 2018 een kort verslag van de voortgang van de [afkorting module] heeft gemaakt. Desgevraagd heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht te kennen gegeven dat zij wist dat de moeder het verslag zou inbrengen tijdens de kort geding procedure die aanhangig was bij de rechtbank. De moeder had aangegeven dat zij met deze tussentijdse informatie de voortgang aan de orde wilde stellen van het verbeteren van de communicatie tussen de ouders. De moeder had kenbaar gemaakt dat hier haast bij geboden was. Beklaagde heeft daarop direct een kort verslag aan beide ouders per e-mail verzonden. In het verslag staat onder meer het volgende omschreven: “De communicatie over [de zoon] tussen jullie als ouders weer op gang te brengen in het belang van [de zoon]. Dit punt vind ik een belangrijk punt voor [de zoon] maar hier kan ik niets mee doen omdat jij [klager], aangeeft niet in gesprek te willen met [de moeder]. Dus met dit laatste punt doe ik nu niets.” Beklaagde realiseerde zich achteraf dat het verslag door de ouders gebruikt kon worden in hun strijd en dat een meer neutrale beschrijving van de communicatie op zijn plaats was geweest. Beklaagde erkent dat zij in eerste instantie richting klager ontkend heeft dat zij het tussentijdse verslag op verzoek van de moeder had geschreven, daarvoor heeft zij de volgende dag haar excuses richting klager aangeboden. Volgens beklaagde tekent het echter ook de situatie, namelijk dat het op eieren lopen is tussen de ouders. Beklaagde concludeert dat er echter in geen geval sprake is geweest van informatie delen met de moeder zonder klager daarover te informeren. Beide ouders hebben het verslag ontvangen.

3.5.4

Het College overweegt als volgt:
Het College stelt vast dat beklaagde, naar aanleiding van een verzoek van de moeder hiertoe, op 4 april 2018 per e-mail een (kort) tussentijds verslag, met betrekking tot de geboden hulpverlening, aan zowel de moeder als klager toegezonden heeft. Uit de toelichting op dit klachtonderdeel leidt het College af dat beklaagde verweten wordt dat zij een dergelijk (volgens klager partijdig) verslag op verzoek van de moeder geschreven heeft, en niet dat haar verweten wordt, zoals strikt genomen het geformuleerde klachtonderdeel luidt, informatie met de moeder gedeeld is zonder klager daarvan tijdig op de hoogte te brengen. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat beide ouders tegelijktijdig het tussentijdse verslag, in de vorm van een e-mail, toegezonden hebben gekregen. Gelet op de door klager geformuleerde toelichting op het klachtonderdeel, acht het College zich bevoegd om een oordeel te geven over het handelen van beklaagde met betrekking tot het door haar opgestelde tussentijdse verslag van 4 april 2018. Het College is van oordeel dat beklaagde met betrekking tot dit handelen op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft en overweegt hiertoe als volgt.
Allereerst heeft beklaagde erkend dat zij, direct na het verzoek van de moeder, het tussentijdse verslag, in de vorm van een e-mail, geschreven heeft en dat het bij haar bekend was dat de moeder het verslag zou inbrengen tijdens de kort geding procedure. Het College acht het onzorgvuldig dat beklaagde, zonder klager hierbij te betrekken, direct aan het verzoek van de moeder heeft voldaan. Het College acht dit in relatie tot klager in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Ten tweede wordt door beklaagde een onderdeel van de hulpverlening in het verslag beschreven, waarvan gebleken is dat voor het verlenen van dat onderdeel van de hulpverlening de noodzakelijke toestemming van klager ontbrak. Het College verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar het kennismakingsgesprek tussen beklaagde en klager, zoals weergegeven onder 2.5 van deze beslissing, en de e-mail van 12 maart 2018 van klager, zoals weergegeven onder 2.7 van deze beslissing. Dat beklaagde desondanks dit onderdeel van de hulpverlening, als zijnde een belangrijk punt, heeft beschreven in haar tussentijdse verslag, met daarbij de wetenschap dat het verslag door de moeder zou worden ingebracht tijdens de kort geding procedure bij de rechtbank, neemt het College beklaagde zeer kwalijk en levert volgens het College een schending op van artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect) en artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde hiermee namelijk de beweegredenen van klager om geen toestemming te verlenen voor voornoemd onderdeel van de hulpverlening onvoldoende gerespecteerd en heeft zij tevens haar gezag en invloed, in het bijzonder ten opzichte van klager, ten negatieve gewend en misbruikt. Hetgeen begrijpelijkerwijs het vertrouwen van klager in de jeugdzorg heeft kunnen verminderen. De motivatie van beklaagde voor haar handelen, dat zij in de veronderstelling was dat het in het belang van de zoon zou zijn om het tussentijdse verslag op te stellen, en hier het onderdeel van de (ontbrekende) communicatie in op te nemen, doet volgens het College aan voornoemde niet af. Tot slot heeft beklaagde ook erkend dat zij dezelfde dag, in het telefoongesprek met klager, in eerste instantie ontkennend heeft geantwoord op zijn vraag of zij het tussentijdse verslag op verzoek van de moeder geschreven had. Het College stelt vast dat beklaagde in het telefoongesprek klager kennelijk bewust onjuist heeft geïnformeerd over haar handelen, hetgeen volgens het College in strijd is met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Het College acht het evenwel positief dat beklaagde de volgende ochtend richting klager per e-mail haar handelen erkend heeft en haar excuses aangeboden heeft. Dit neemt echter niet weg dat gebleken is dat, gelet op het korte tijdsbestek in aanloop naar de kort geding procedure, het voor klager te laat was om nog nadere stukken in te dienen bij de rechtbank. Het opgestelde tussentijdse verslag, in de vorm van een e-mail, heeft hierdoor volgens het College mogelijk (ernstig) nadeel kunnen opleveren voor klager.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft zich niet aan de beroepscode gehouden door onaangekondigd en tegen de afspraken in te komen met rapportages.

3.6.2

Toelichting:
Beklaagde heeft na het handelen zoals geformuleerd in het vorige klachtonderdeel vervolgens een complete concept rapportage opgesteld, alsof ze in opdracht van de rechter aan het werk was geweest. Zowel de rapportage als het advies kwam voor klager totaal onverwacht. Klager vindt dat het erop lijkt dat de rapportage geschreven is nadat hij aangegeven had een tuchtklacht in te gaan dienen, zodat beklaagde zich kon indekken. Het in het rapport opgenomen advies van beklaagde, naar andere hulpverlening verwijzen, had volgens klager juist haar standpunt bij aanvang van de hulpverlening moeten zijn. Klager meent voorts dat er nooit over het opstellen van een rapportage gesproken was. Ook is de reactie van de moeder in het rapport opgenomen, klager meent dat uit deze passage afgeleid kan worden waarop beklaagde haar werkwijze gebaseerd heeft.

3.6.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde stelt dat het standaard beleid binnen [de instelling] is dat periodiek samen met de ouders en/of jeugdige de afgelopen behandelperiode wordt geëvalueerd. De evaluatie gaat dan over of de beoogde doelen zijn behaald of dit nog de juiste doelen zijn en of er belemmeringen zijn om deze doelen te behalen. Bij langer durende zorg is dit vastgelegd in tussentijdse én eindverslaglegging. [Afkorting module] is een kortdurend aanbod waarbinnen dit vorm krijgt in het eindverslag. Dit verslag wordt besproken met de ouders en/of jongere en zij worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Het is aan de professional om te beslissen of hierop de tekst van het eindverslag zal worden aangepast of dat de mening van de cliënt aan de verslaglegging wordt toegevoegd. Maar de mening van de cliënt is altijd zichtbaar. Klager heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de tekst aan te passen, ondanks dat beklaagde dit, naast het schriftelijke verzoek, ook op 8 en 23 mei 2018 per e-mail gevraagd heeft aan de ouders. De ontvangen reactie van de moeder is als mening toegevoegd aan het eindverslag en hiermee is het verslag vastgesteld. Klager heeft deze versie ook toegezonden gekregen. Beklaagde concludeert dat er geen sprake is geweest van een onaangekondigde rapportage. Voor wat betreft het advies in het verslag, voert beklaagde het volgende aan. Nadat zij heeft moeten concluderen dat het beoogde doel, contactherstel met klager, niet kon worden behaald, heeft beklaagde contact gehad met de huisarts. In dit gesprek zijn de mogelijkheden voor meer passende hulp besproken. Het hieruit voortkomende advies voor vervolghulp en de zorg over de ontwikkeling van de zoon is ook opgenomen in het eerder genoemde eindverslag.

3.6.4

Het College overweegt als volgt:
Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat het binnen [de instelling] in beginsel voor langer durende zorgtrajecten gebruikelijk is dat de cliënten voorafgaand aan het traject middels een folder geïnformeerd worden, onder meer over de duur van het traject en de wijze van verslaglegging. Volgens beklaagde is het gebruikelijk dat cliënten op dat moment de toestemmingsformulieren tekenen. Voor een kortdurend aanbod, zoals de [afkorting module] module, is dit binnen [de instelling] (nog) niet gebruikelijk. Beklaagde heeft daarbij kenbaar gemaakt dat het haar, voorafgaand en gedurende het traject, ook is ontschoten cliënten middels een folder, dan wel mondeling, te informeren over onder meer de wijze van verslaglegging binnen de [afkorting module] module. Het College is van oordeel dat het nalaten van beklaagde om cliënten hierover te informeren een schending oplevert van artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Het College zal bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid onder 3.8 van deze beslissing meenemen dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op dit punt gereflecteerd heeft op haar handelen, in die zin dat zij aangegeven heeft dat zij cliënten beter had moeten informeren en dat zij dit in navolgende trajecten meeneemt als leer- en verbeterpunt.

3.6.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.7

Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is nalatig geweest in een goede afronding van haar betrokkenheid en in de reactie op de klachten van klager.

3.7.2

Toelichting:
Nadat beklaagde adviseerde dat de zoon naar elders moest worden verwezen, moest het budget van de zoon vrijgegeven worden. De huisarts ging daar tevergeefs achteraan bij [de instelling]. Klager is daarom zelf gaan bellen naar [de instelling] maar beklaagde was afwezig vanwege vakantie. De afwezigheid van beklaagde was door haar niet gecommuniceerd en zij heeft niets geregeld om het budget vrij te maken. Klager heeft vervolgens navraag gedaan bij het sociaal team van de gemeente [naam gemeente]. Een medewerker daar bevestigde dat het een vreemde gang van zaken was. Volgens de medewerker diende slechts één administratieve handeling bij [de instelling] uitgevoerd te worden om het budget weer beschikbaar te maken. Deze medewerker heeft vervolgens de verantwoordelijkheid genomen om een en ander te regelen bij [de instelling], waarna het budget snel vrijgekomen was. Klager heeft dit schriftelijk bevestigd gekregen van deze medewerker.

3.7.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het doorverwijzen na [afkorting module] werkt in de onderhavige regio op een andere manier dan gebruikelijk. Normaal gesproken kan de huisarts doorverwijzen, maar de huisarts had beklaagde bericht dat zij dit niet kon doen. [De instelling] zou hoofdaannemer van de zorg zijn en in dit geval andere hulp moeten inzetten in onderaannemerschap. Dit was echter een misverstand. [De instelling] kan een traject afsluiten, waarna er vervolgens door de verwijzer naar een andere hoofdaannemer verwezen kan worden. Omdat [de instelling] geen outreachende jeugd GGZ-hulp kan bieden in deze gemeente, moest dit vervolgens nog gebeuren. Dit traject heeft ook enkele weken in beslag genomen, voordat het administratieve traject duidelijk was voor deze gemeente. In de tussenliggende periode, tussen begin mei en 24 mei 2018, belde klager naar [de instelling] met de vraag hoe het zat met het doorverwijzen en werd boos omdat er niet naar tevredenheid antwoord kwam op zijn vraag. Toen beklaagde terugkwam van vakantie op 7 mei 2018 heeft zij klager gelijk gebeld waarop hij kenbaar maakte niet meer met beklaagde in gesprek te willen. Op 24 mei 2018 was administratief een en ander geregeld en kon de verwijzing naar de andere aanbieder van kracht worden.

3.7.4

Het College overweegt als volgt:
Het College acht het, gelet op het verweer van beklaagde en haar uitleg hierover tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, voldoende aannemelijk geworden dat beklaagde zich heeft ingezet om de zoon bij [de instelling] “uit zorg te laten plaatsen”. Voorts overweegt het College dat uit de overgelegde stukken de gang van zaken op dit punt voor het College onvoldoende vast te stellen is. Het College ziet met betrekking tot dit klachtonderdeel dan ook geen aanleiding om te concluderen dat beklaagde een beroepsnorm geschonden zou hebben met haar handelen omtrent het afmelden van de zoon bij [de instelling].

3.7.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.8

Conclusie

3.8.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen III, IV en V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Beklaagde heeft allereerst de grenzen van haar eigen expertise niet (h)erkend vanwege het verzoek dat zij heeft gedaan om de verwijsbrief van de huisarts te laten wijzigen. Ten tweede is het handelen van beklaagde rondom het opgestelde tussentijdse verslag van 4 april 2018 op meerdere punten tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest. Zo heeft beklaagde het verslag op verzoek van de moeder opgesteld, zonder klager daarbij te betrekken. In het verslag is daarnaast het onderdeel van de hulpverlening, waarvoor klager geen toestemming verleend had, als zijnde een belangrijk punt beschreven. Voorts is de communicatie over het tussentijdse verslag richting klager onjuist geweest. Beklaagde heeft ten derde nagelaten klager (en de moeder) te informeren over onder meer de wijze van verslaglegging rondom de module [afkorting module]. Het handelen van beklaagde ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode.

3.8.2

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid hecht het College waarde aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op haar handelen. Volgens het College heeft beklaagde voldoende gereflecteerd voor wat betreft het onderdeel van de (ontbrekende) informatievoorziening richting klager. Ook acht het College het positief dat beklaagde haar handelen rondom het tussentijdse verslag van 4 april 2018 richting klager de volgende dag erkend heeft en daarvoor haar excuses aangeboden heeft. Desalniettemin is gebleken dat, gelet op het korte tijdsbestek, het voor klager bij de rechtbank niet meer mogelijk was om een verweer in te dienen tegen het ingebrachte verslag van beklaagde. Hetgeen volgens het College voor klager mogelijk aanmerkelijk nadeel heeft kunnen opleveren. Voorts neemt het College in overweging dat beklaagde kenbaar gemaakt heeft dat zij al geruime ervaring heeft binnen de jeugdhulpverlening, hetgeen maakt dat het verwijtbare handelen haar zwaarder wordt aangerekend. Gelet op het vorengaande, gelet op het verwijtbaar handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen en gelet op de ernst van het handelen van beklaagde ten aanzien van klachtonderdeel IV, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I, II en VI ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen III, IV en V gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van berisping.

Aldus gedaan door het College en op 31 december 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris