Maak een selectie

552 van 552

   

Een ambulant hulpverlener wordt verweten dat hij selectief informatie uit een rapportage heeft gebruikt, over die informatie niet in gesprek wilde en niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had kunnen doen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.M.C. van de Kooij, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 4 februari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als ambulant hulpverlener bij [instelling], hierna te noemen: [instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T.S.A. Kloos.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • de tussenbeslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van 1 april 2020;
  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 14 mei 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 3 juli 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 23 november 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 14 december 2020.

1.2 De voorzitter van het College heeft in de tussenbeslissing van 1 april 2020 het verzoek van de moeder afgewezen tot afwijking van de verjaringstermijn. Tevens heeft de voorzitter geoordeeld dat het klaagschrift van de moeder aanpassing behoefde met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn in artikel 6.5 van het Tuchtreglement, versie 1.3. Hierna is de zaak aangehouden tot en met 29 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure. Partijen hebben geen beroep ingesteld, waarna onderhavige procedure is hervat.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht zou plaatsvinden op 13 november 2020. Dit kon niet doorgaan in verband met het landelijk aangescherpte COVID-19 beleid. Partijen zijn hierover geïnformeerd op 16 oktober 2020.

1.4 De voorzitter heeft vervolgens op grond van artikel 3 van de ‘Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’, versie 8 juni 2020, hierna te noemen: de Tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk te behandelen. Op grond van artikel 5 van de Tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen de wederpartij naar voren heeft gebracht (repliek en dupliek).

1.5 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021. De beslissing is op 7 mei 2021 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft vier (minderjarige) kinderen. Uit de relatie van de moeder met haar ex-partner zijn drie kinderen geboren: een dochter in 2002, een zoon in 2003 en een dochter in 2006. De moeder en de vader, hierna te noemen: de ouders, zijn sinds 2014 uit elkaar. In 2016 oefenden de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De zoon en de jongste dochter woonden om de week bij één van de ouders. De oudste dochter woonde bij de moeder en haar (nieuwe) partner.

2.2 Op een zondag in maart 2016 is de zoon naar de voetbalkantine gegaan waar zijn vader op dat moment aanwezig was. Dit was in de week dat de zoon bij de moeder woonde. De vader heeft de zoon niet teruggestuurd naar de moeder, waarna de moeder uiteindelijk de politie heeft gebeld voor conflictbemiddeling. Hierna heeft de politie een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de melding overgedragen aan het buurtteam van de gemeente. De gemeente heeft dit uitgezet bij [instelling 2]. [Instelling 2] heeft uiteindelijk terugverwezen naar het team Jeugd van de gemeente.

2.3 In juni 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden met de ouders en de casemanager van de gemeente. De casemanager heeft de ouders verwezen naar [instelling] voor het traject ‘[naam]’. Dit traject bestaat uit drie fases. De eerste fase is de oriënterende fase. Deze fase wordt afgesloten met een evaluatiegesprek en een bijbehorend verslag. De tweede fase is de behandelfase en de laatste fase is de generalisatiefase.

2.4 De oriënterende fase van het traject ‘[naam]’ bij [instelling] heeft geduurd van 2 december 2016 tot 4 mei 2017. In dit kader hebben op 2 en 20 december 2016 twee gesprekken plaatsgevonden bij [instelling], waarbij aanwezig waren de ouders, de jeugdprofessional en een gedragswetenschapper van [instelling], tevens beklaagde jeugdprofessional in zaaknummer 20.053Tb. Op 22 februari 2017 en 28 maart 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden met de moeder, haar partner, de jeugdprofessional en de gedragswetenschapper om doelen te concretiseren. Op 30 maart 2017 en 10 april 2017 hebben gesprekken plaatsgevonden met de kinderen.

2.5 Op 4 mei 2017 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden ter afsluiting van de oriënterende fase. Hierbij waren aanwezig de vader, de casemanager van de gemeente, de gedragswetenschapper en de jeugdprofessional. De moeder was niet bij het evaluatiegesprek aanwezig, omdat haar partner niet bij het gesprek aanwezig mocht zijn. Het evaluatiegesprek en de adviezen van de gedragswetenschapper en de jeugdprofessional zijn beschreven in het verslag van 12 mei 2017 gericht aan de ouders.

2.6 Op 23 mei 2017 heeft de moeder in een e-mailbericht aan de gedragswetenschapper en de jeugdprofessional haar reactie gegeven op het verslag van [instelling]. Op diezelfde dag heeft de moeder ook een e-mailbericht gestuurd aan de casemanager van de gemeente over onder meer het verslag van [instelling]. Hierna heeft de casemanager van de gemeente op 26 mei 2017 voorgesteld om samen met de jeugdprofessional de punten vanuit de evaluatie samen te bespreken.

2.7 Op 7 maart 2018 heeft de moeder de gedragswetenschapper en de jeugdprofessional verzocht om een oplossingsgericht gesprek. In de periode april 2018 tot en met augustus 2018 hebben vier oplossingsgerichte gesprekken plaatsgevonden.

2.8 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De ontvankelijkheid

3.1 Klager(s)

3.1.1 Allereerst merkt het College ambtshalve op dat de moeder de onderhavige klacht tegen de jeugdprofessional heeft ingediend op 4 februari 2020. Dat de moeder de klacht heeft ingediend blijkt onder meer uit het digitale systeem van SKJ (‘MijnSKJ’) en het machtigingsformulier overgelegd door de gemachtigde van de moeder. Later in de procedure worden de processtukken ondertekend door de moeder en haar (nieuwe) partner, in de hoedanigheid van klagers, zonder aanvullende motivering of toelichting. Gelet op het vorenstaande merkt het College voor de onderhavige procedure alleen de moeder aan als klager.

3.2 Verjaring

3.2.1 De jeugdprofessional stelt zich ten aanzien van klachtonderdeel 1 primair op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de verjaringstermijn. De jeugdprofessional stelt dat de klacht is ingediend op 14 mei 2020. Het verslag waar dit klachtonderdeel op is gebaseerd, dateert van 12 mei 2017. De jeugdprofessional vraagt zich af of het strookt met het Tuchtreglement dat vanwege een tussenbeslissing de datum van de eerder ingediende klacht als indieningsdatum kan en mag gelden voor de onderhavige, nieuw ingediende klacht.

3.2.2 De moeder voert in de conclusie van repliek samengevat aan dat het primair verweer van de jeugdprofessional volgens haar geen doel treft. De moeder heeft het klaagschrift ingediend op 4 februari 2020. Via een tussenbeslissing op 1 april 2020 is de opdracht gegeven het klaagschrift aan te passen met inachtneming van de verjaringstermijn, te weten: drie jaar voor 4 februari 2020. De moeder heeft dit gedaan op 14 mei 2020. Dit maakt niet dat sprake is van een nieuwe procedure met een nieuwe indieningsdatum. Drie klachtonderdelen zijn geschrapt vanwege de geconstateerde verjaring, de overige twee klachtonderdelen zijn ongewijzigd (op de nummering na). Ook het zaaknummer is gelijk gebleven.

3.2.3 De jeugdprofessional verwijst in zijn conclusie van dupliek naar zijn standpunt in het verweerschrift. Hij voegt hieraan toe dat hij refereert aan het oordeel van het College.

3.2.4 Het College ziet geen aanleiding om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in klachtonderdeel 1 en overweegt hiertoe als volgt. Als moment van indienen van het klaagschrift geldt de datum van ontvangst door het College (artikel 7.2 van het Tuchtreglement). Het College heeft de klacht van de moeder tegen de jeugdprofessional ontvangen op 4 februari 2020. De mogelijkheid tot het indienen van een klacht vervalt in beginsel door verjaring na drie jaar (artikel 6.5 van het Tuchtreglement). Op 10 februari 2020 heeft het College de moeder in de gelegenheid gesteld om een gemotiveerd verzoek in te dienen om af te wijken van de verjaringstermijn (artikel 6.7 van het Tuchtreglement). Na ontvangst van dit verzoek en de reactie hierop van de jeugdprofessional, heeft de voorzitter van het College in de tussenbeslissing van 1 april 2020 besloten het verzoek af te wijzen. Tevens heeft de voorzitter onder meer geoordeeld dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoefde met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn en dat de zaak zou worden aangehouden tot en met 29 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure. Partijen hebben geen beroep ingesteld, waarna de onderhavige procedure is hervat en de moeder een aangepast klaagschrift heeft ingediend. Dat het aangepaste klaagschrift leidend is in de onderhavige procedure, doet niets af aan het feit dat het College het klaagschrift heeft ontvangen op 4 februari 2020. Bovendien is het zaaknummer ongewijzigd. Dit betekent dat het College het in klachtonderdeel 1 verweten handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk kan toetsen vanaf 5 februari 2017.

4 Het beoordelingskader

4.1 Het College beantwoordt de vraag of de jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

4.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en het nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5 De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

5.1.1 De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek samengevat en zakelijk weergegeven. Aan het eind van ieder klachtonderdeel volgt het oordeel van het College.

5.1.2 De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen helder te zijn, inclusief de tuchtcolleges van SKJ. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de twee klachtonderdelen zoals die zijn ingediend op 14 mei 2020. Voor zover de moeder in de conclusie van repliek nieuwe aspecten of voorbeelden naar voren heeft gebracht of de klachtonderdelen heeft uitgebreid, zijn deze dan ook niet in de beslissing opgenomen en geeft het College daar geen oordeel over.

5.2 Klachtonderdeel 1

5.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij selectief informatie uit de rapportage heeft gebruikt dan wel achterwege heeft gelaten. Daarbij weigerde de jeugdprofessional met de moeder over die informatie in gesprek te gaan.

Toelichting:
De moeder heeft dit verwijt toegelicht met drie voorbeelden. Allereerst heeft de jeugdprofessional in de gesprekken van 2 en 20 december 2016 niet gesproken over zijn indrukken over de moeder. De moeder werd hiermee in het verslag van [instelling] van 12 mei 2017 voor het eerst geconfronteerd. Begin 2017 heeft de moeder meerdere malen aangegeven groot belang te hechten aan eerlijkheid, openheid en respect naar elkaar toe. Tevens heeft zij aangedrongen op het open bespreken van indrukken die over haar bestonden. Doordat deze indrukken niet eerder zijn besproken, is volgens de moeder de dialoog niet aangegaan over wat er aan de hand was.
Daarnaast heeft de jeugdprofessional selectief informatie uit het rapport van [instelling 2] van 17 oktober 2016 gebruikt, terwijl de jeugdprofessional wist dat dit rapport ongenuanceerd was. De jeugdprofessional heeft bovendien niet vermeld in het verslag van [instelling] dat de desbetreffende informatie uit het rapport van [instelling 2] ter discussie stond. Op 8 maart 2017 wist de moeder pas van het bestaan van het rapport af, waarna zij ook direct contact heeft opgenomen met [instelling 2] over de inhoud van het rapport. Dit is ook bevestigd in de brief van de directeur van [instelling 2] van 29 mei 2017.
Tot slot wilde de jeugdprofessional de e-mailberichten van de moeder niet bespreken in de verschillende oplossingsgerichte gesprekken. Zo heeft de jeugdprofessional niet gereageerd op de reactie van de moeder van 18 augustus 2017 op het aangepaste conceptverslag van [instelling]. In het laatste oplossingsgerichte gesprek tussen de moeder en de jeugdprofessional op 30 augustus 2018 weigerde hij hierover in gesprek te gaan. Evenmin ontving de moeder op andere wijze een reactie, waardoor vragen van de moeder onbeantwoord zijn gebleven.

5.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Wat betreft het voorbeeld dat de indrukken die over de moeder zouden bestaan bij de jeugdprofessional niet eerder met haar zijn besproken dan in het verslag van 12 mei 2017, voert de jeugdprofessional allereerst aan dat deze passage geen onderbouwing van de klacht behelst dan wel geenszins als onderbouwing aansluit bij de formulering van de klacht. Daarbij verwijst de moeder naar het verslag van 12 mei 2017, zonder concreet aan te geven om welke passages het zou gaan en waarom deze beschrijving van een indruk een tuchtrechtelijk verwijt zou opleveren. Voor zover er sprake is van het beschrijven van een indruk (of indrukken) door de jeugdprofessional in het verslag, is de jeugdprofessional van mening dat het gaat om een indruk (of indrukken) die relevant zijn voor de bevindingen of het advies en dat het daarom ook gerechtvaardigd is deze op te nemen in het verslag.
Daarnaast wordt in verslagen van [instelling] ten behoeve van het traject ‘[naam]’ standaard informatie opgenomen van de verwijzer over de reden van verwijzing. Immers, de reden van verwijzing is het startpunt voor [instelling]. In het verslag van 12 mei 2017 is hiervoor informatie overgenomen uit de verwijzing van de casemanager van de gemeente en niet uit het rapport van [instelling 2] van 17 oktober 2016. Dit rapport was overigens destijds niet in het bezit van de jeugdprofessional. In het verslag van 12 mei 2017 wordt ook de bron van de informatie genoemd. De jeugdprofessional moet er op kunnen vertrouwen dat de ouders op de hoogte zijn van de verwijzing en de inhoud van het verwijsformulier en daarmee instemmen. Het is niet de taak van [instelling] om de juistheid van de informatie in het verwijsformulier te controleren, tenzij er aanwijzingen zijn dat deze informatie niet klopt, hetgeen in onderhavige zaak niet het geval was. De jeugdprofessional betwist dan ook dat sprake is geweest van het opnemen van selectieve informatie. De jeugdprofessional voegt hieraan toe dat het verslag van 12 mei 2017 is en de moeder verwijst naar een brief van de directeur van [instelling 2] van 29 mei 2017. Deze datum ligt na het opstellen van het verslag door de jeugdprofessional en de gedragswetenschapper. Tevens blijkt uit de brief van de directeur van [instelling 2] niet wat er zou zijn gewijzigd in het rapport van [instelling 2] van 17 oktober 2016. In het oplossingsgerichte gesprek op 17 april 2018 is aan de moeder aangegeven dat als de jeugdprofessional een andere tekst van de verwijzer ontvangt, dit onderdeel in het verslag van [instelling] zal worden aangepast. Deze tekst heeft de jeugdprofessional nooit ontvangen en de bijlage die de moeder in deze procedure heeft overgelegd is nieuw voor de jeugdprofessional. Deze bijlage kan daarom niet dienen als onderbouwing van het klachtonderdeel. Tot slot voert de jeugdprofessional ten aanzien van dit voorbeeld aan dat hij oog en oor heeft gehad voor de opmerkingen van de moeder. Hij was ook bereid verbeteringen door te voeren op de onderdelen waar de moeder terechte, gerechtvaardigde punten had. Dit blijkt ook uit de aanpassingen die de jeugdprofessional heeft gedaan ten aanzien van het oorspronkelijke verslag. Wat betreft het punt dat de jeugdprofessional selectief informatie achterwege zou hebben gelaten, wijst de jeugdprofessional erop dat de moeder niet onderbouwt welke informatie volgens haar mist in het verslag en waarom dat jegens de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt oplevert.
Ten aanzien van het laatste voorbeeld dat de jeugdprofessional heeft geweigerd met de moeder in gesprek te gaan over de verslaglegging, is de jeugdprofessional van mening dat dit aantoonbaar onjuist is. Nadat de ouders het verslag van [instelling] hebben ontvangen, heeft de casemanager van de gemeente de moeder uitgenodigd om samen met de jeugdprofessional de uitkomst van de evaluatie mondeling toe te lichten. De moeder heeft hier geen gebruik van gemaakt. Pas op 7 maart 2018 heeft de moeder aangegeven een oplossingsgericht gesprek te willen voeren met onder meer de jeugdprofessional en de gedragswetenschapper. Hierna zijn meerdere oplossingsgerichte gesprekken gevoerd op 17 april 2018, 28 mei 2018, 18 juni 2018 en 30 augustus 2018. In deze gesprekken is juist de verslaglegging onderwerp van gesprek geweest. Op verzoek van de moeder zijn ook aanpassingen opgenomen in het verslag. Opmerkelijk genoeg heeft de moeder in het gesprek van 30 augustus 2018 zelf laten weten geen prijs te stellen op deze nieuwe versie en vast te willen houden aan de eerste versie van 12 mei 2017. Dat de moeder zich onvoldoende kan vinden in de aanpassingen en of dat de naar haar mening gewenste aanpassingen onvoldoende zijn doorgevoerd, maakt niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional benadrukt dat in ieder gesprek meer vragen en opmerkingen van de zijde van de moeder kwamen. De gesprekken gingen al lang niet meer over de kinderen en hoe zij geholpen konden worden. De jeugdprofessional vond het zijn professionele verplichting om deze gesprekken te stoppen en de moeder te wijzen op haar klachtrecht.

5.2.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
In reactie op het verweer van de jeugdprofessional voert de moeder de volgende vijf punten aan. Allereerst merkt zij op dat het eerste voorbeeld in de toelichting wel degelijk een onderbouwing is van de geformuleerde klacht. Het weergeven van de indrukken van de jeugdprofessional in het verslag is namelijk een vorm van informatie weergeven, hetgeen de klacht is. De moeder heeft meerdere keren gevraagd naar de indrukken van de jeugdprofessional, maar zij heeft die niet gekregen tot de ontvangst van het verslag.
Ten tweede is de moeder met de jeugdprofessional eens dat hij als hulpverlener indrukken opdoet en die mag opnemen in het verslag. Volgens de moeder moet dan ook helder uit het verslag blijken dat het om een indruk gaat, hetgeen hier het probleem was. Tevens is onderdeel van goed hulpverlenerschap dat de indrukken besproken zijn voordat deze in een verslag terugkomen. Een verslag hoort geen verrassingen te bevatten.
Wat betreft het verweer ten aanzien van het tweede voorbeeld merkt de moeder als derde punt op dat de brief van 29 mei 2017 van de directeur van [instelling 2] inderdaad van een latere datum is dan het verslag van [instelling]. Op 28 maart 2017, ruim voor de datum van het verslag van [instelling], heeft de moeder echter al benoemd dat het rapport van [instelling 2] van 17 oktober 2016 geen goede weergave van de situatie gaf. Vanaf dat moment kon de jeugdprofessional niet meer verwijzen naar het document zonder daarbij aan te geven dat er bij de moeder twijfels waren over de juistheid van de informatie. De brief van 29 mei 2017 van de directeur van [instelling 2] is dan ook slechts benoemd als onderbouwing van het feit dat de moeder in een later stadium ook gelijk heeft gekregen over hetgeen zij de jeugdprofessional op 28 maart 2017 al heeft bericht.
In het verlengde hiervan benoemt de moeder als vierde punt dat de uitzondering die de jeugdprofessional in zijn verweer noemt “tenzij er aanwijzingen zijn dat deze informatie niet juist zou zijn” dus van toepassing was. Immers, de moeder had de jeugdprofessional er op gewezen dat de informatie van de verwijzer niet correct was. Daardoor is het niet redelijk dat de jeugdprofessional aangeeft dat hij op de informatie moet kunnen vertrouwen. Het was bij hem bekend dat de moeder een andere visie had. De jeugdprofessional heeft de informatie van de verwijzer toch leidend laten zijn en daarmee de waarde van de informatie via de verwijzer hoger geplaatst dan de waarde van de informatie van de moeder.
Tot slot stelt de moeder als vijfde punt dat zij het verslag van 12 mei 2017 heeft ontvangen met het verzoek daarop te reageren. Dit heeft de moeder gedaan, maar daar is vanuit de jeugdprofessional niet meer op gereageerd. De jeugdprofessional stelt dat de casemanager van de gemeente daarvoor is ingeschakeld, maar ook zij heeft niet gereageerd. Daarnaast hoort volgens de moeder de reactie vanuit de jeugdprofessional te komen.

5.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
In reactie op de vijf punten van de moeder, voert de jeugdprofessional allereerst aan dat de moeder stelt dat zij door de indrukken is overvallen. De jeugdprofessional onderschrijft deze stelling niet. Hierbij benadrukt de jeugdprofessional dat de moeder zelf heeft gekozen om af te zien van het evaluatiegesprek voorafgaand aan het verslag. De jeugdprofessional betwist dat de moeder (geheel) overvallen kan zijn geweest door de beschreven indrukken van de jeugdprofessional over de moeder. Vanaf de start van het traject verliep de samenwerking moeizaam en had de moeder volgens de jeugdprofessional een gebrek aan vertrouwen over het traject. De indruk van de jeugdprofessional over de moeder is in de gesprekken wel degelijk door de jeugdprofessional aan de moeder teruggeven. De jeugdprofessional herhaalt dat de moeder niet heeft aangegeven welke passages in het verslag van 12 mei 2017 van de beschreven indrukken een tuchtrechtelijk verwijt zouden opleveren.
Tevens betwist de jeugdprofessional dat de moeder op 28 maart 2017 bezwaren bij hem heeft geuit over de informatie van de verwijzer. De moeder heeft niet onderbouwd dan wel anderszins aannemelijk gemaakt dat zij bezwaren over de informatie van de verwijzer aan de jeugdprofessional kenbaar heeft gemaakt. De jeugdprofessional had geen aanwijzingen dat de informatie van de verwijzer niet juist zou zijn.
Tot slot benadrukt de jeugdprofessional dat de moeder niet in gesprek wilde met de jeugdprofessional over het verslag, maar dat zij uitdrukkelijk met de casemanager van de gemeente in gesprek wilde. Hierop heeft de casemanager van de gemeente aangestuurd op een gesprek met de moeder, de jeugdprofessional en haarzelf om de punten vanuit de evaluatie te bespreken. De moeder heeft hier niet op gereageerd. Vervolgens heeft de moeder pas op 7 maart 2018 aan de jeugdprofessional gevraagd om een oplossingsgericht gesprek. Hierop zijn vier oplossingsgerichte gesprekken gevoerd. De stelling dat de jeugdprofessional niet met de moeder in gesprek wilde over het verslag is niet door de moeder onderbouwd en zij kan de stelling ook niet onderbouwen omdat de stelling aantoonbaar onjuist is.

5.2.5 Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat de feiten en gronden waarop dit klachtonderdeel berust onvoldoende duidelijk en concreet zijn. Zo is het uit de formulering van het klachtonderdeel voor het College niet duidelijk welke informatie uit welke rapportage de jeugdprofessional selectief zou hebben gebruikt dan wel achterwege zou hebben gelaten. Evenmin is duidelijk over welke informatie de jeugdprofessional weigerde in gesprek te gaan met de moeder. Nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt, kan het College geen inhoudelijk oordeel hierover geven. Derhalve zal het klachtonderdeel ongegrond worden verklaard.
Voor zover de moeder het klachtonderdeel nader gespecificeerd heeft met de drie voorbeelden uit de toelichting, overweegt het College ten overvloede het volgende.
Wat betreft het eerste voorbeeld, namelijk dat de moeder in het verslag van [instelling] voor het eerst werd geconfronteerd met de indrukken van de jeugdprofessional over haarzelf (en haar partner), volgt het College het verweer van de jeugdprofessional. De moeder heeft in haar klaagschrift niet concreet gesteld om welke passages het zou gaan en waarom die beschrijving van een indruk een tuchtrechtelijk verwijt zou opleveren. Daarbij neemt het College ook in overweging dat de moeder stelt dat de indrukken niet met haar besproken zijn en de jeugdprofessional stelt dat hij zijn indrukken wel degelijk aan de moeder heeft teruggegeven. Voor zover het beschrijven van een indruk al een tuchtrechtelijk verwijt zou opleveren, dan zou het verwijt van de moeder in dit voorbeeld evenmin gegrond kunnen worden verklaard, omdat het College de feiten die hieraan ten grondslag liggen niet kan vaststellen. Immers, volgens vaste jurisprudentie kan aan het woord van de één niet meer geloof worden gehecht dan aan het woord van de ander.
In het tweede voorbeeld verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij selectief informatie uit het rapport van [instelling 2] van 17 oktober 2016 heeft gebruikt, terwijl de jeugdprofessional wist dat dit document ongenuanceerd was en ter discussie stond. Het is voor het College niet duidelijk geworden waarvoor de jeugdprofessional selectief informatie uit het rapport van [instelling 2] zou hebben gebruikt. Als het gaat om de informatie uit het verslag van [instelling] onder het kopje ‘Informatie van verwijzer’, dan volgt het College op dit punt het verweer van de jeugdprofessional, namelijk dat hij en zijn collega hiervoor informatie hebben overgenomen uit de verwijzing van de casemanager van de gemeente en niet uit het rapport van [instelling 2]. Aan het eind van de desbetreffende alinea wordt verwezen naar de bron van de informatie: “(Overgenomen uit de aanmelding van het CJG)”. Tevens is de moeder na de oplossingsgerichte gesprekken in de gelegenheid gesteld om een aangepaste tekst te verstrekken. Het is het College echter niet gebleken dat zij hier gebruik van heeft gemaakt. Het College is dan ook van oordeel dat het verwijt van de moeder in dit tweede voorbeeld evenmin tot een gegrondverklaring zou kunnen leiden.
In het laatste voorbeeld stelt de moeder dat de jeugdprofessional weigerde met haar in gesprek te gaan over haar reactie op het verslag van [instelling]. Uit het dossier maakt het College op dat het de eigen keuze van de moeder was om aan het einde van de oriënterende fase niet bij het evaluatiegesprek aanwezig te zijn. Hierna is zij niet ingegaan op de uitnodiging van de casemanager van de gemeente om met haar en de jeugdprofessional de punten en adviezen vanuit de evaluatie van [instelling] samen te bespreken. Hierna heeft de moeder op 7 maart 2018 verzocht om een oplossingsgericht gesprek met de jeugdprofessional en zijn collega. Vervolgens hebben vier oplossingsgerichte gesprekken plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft hiervan de gespreksverslagen overgelegd en hieruit blijkt dat diverse onderwerpen zijn besproken met betrekking tot het verslag van [instelling]. De moeder heeft dit niet betwist. Het College is dan ook van oordeel dat in het dossier geen aanknopingspunten zijn dat de jeugdprofessional geweigerd zou hebben met de moeder in gesprek te gaan over haar reactie op het verslag van [instelling]. Het College kan de moeder op dit punt dan ook niet volgen in haar verwijt.

5.2.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5.3 Klachtonderdeel 2

5.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had moeten doen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft volgens de moeder meerdere malen tegen haar gezegd dat zij niet communiceert. De moeder kon dit niet plaatsen. Zij heeft gevraagd om voorbeelden, situaties waarin zij niet goed heeft gehandeld en hoe zij beter had kunnen handelen. De moeder heeft zich hierin lerend willen opstellen, zodat het beeld dat zij niet zou communiceren kon worden aangepast. De jeugdprofessional heeft die voorbeelden echter niet gegeven. Hij heeft niet concreet gemaakt waaruit het niet communiceren van de moeder bestond.

5.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional benadrukt dat in de complexe scheidingsmethodiek van [instelling] juist gewerkt wordt aan het verbeteren van de communicatie. De jeugdprofessional is hier echter niet (aan) toe gekomen vanwege de opstelling van de moeder. De jeugdprofessional heeft zich ingespannen om de samenwerking te blijven zoeken dan wel te vinden. In dit kader merkt de jeugdprofessional ook op dat de onderbouwing van de moeder bij het klachtonderdeel ontbreekt. De overgelegde stukken bevatten geenszins een vraag van de moeder over hoe zij beter kan communiceren. De moeder heeft nimmer aan de jeugdprofessional gevraagd wat zij in de communicatie anders had moeten doen. Voor zover dat indirect uit de communicatie van de moeder met de jeugdprofessional had moeten blijken, benadrukt de jeugdprofessional dat de moeder vooral van mening was dat het communicatieprobleem louter bij de vader van de kinderen lag en niet bij haar. Dit stond naar de mening van de jeugdprofessional de moeder in de weg om naar haar eigen aandeel te (kunnen) kijken.

5.3.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Hoewel de moeder in het ter onderbouwing van dit klachtonderdeel overgelegde e-mailbericht van 17 maart 2017 veel gebruik heeft gemaakt van beeldspraak en hierdoor niet letterlijk schrijft “ik wil concreet weten wat ik anders moet doen in communicatie”, blijkt die vraag wel uit het e-mailbericht. Zo staat in het e-mailbericht: “De moeder committeert zich graag aan deze hernieuwde afspraken. Indien het bovenstaande kan worden bevestigd en waar nodig verder worden uitgewerkt tijdens de gesprekken met [instelling], zal verdere onenigheid voor een groot deel worden voorkomen.” De moeder geeft hier haar bereidheid aan zich anders op te stellen in de communicatie en vraagt aan de jeugdprofessional om haar zienswijze te bevestigen en om verder uit te werken hoe het moet (de communicatie) om onenigheid te voorkomen. De moeder vraagt hierbij ook om hulp: “Gezien het (recente) verleden lijkt het wenselijk c.q. nodig iemand als extra adviseur te laten meekijken in gevallen waarin het weer mis gaat. (…) Als beoogde dansleraar zou [instelling] met beide beoogde danspartners individueel die bereidheid en de bekwaamheid kunnen onderzoeken en verder kunnen doornemen.”
Tot slot kon de moeder volgens de jeugdprofessional niet naar haar eigen aandeel kijken in de communicatieproblemen en legde zij de volledige oorzaak bij de vader neer. De jeugdprofessional zou zich echter hebben ingespannen om de samenwerking te blijven zoeken. Van een jeugdprofessional mag verwacht worden dat hij op deze constatering acteert door helder te maken wat de moeder anders kan doen in haar communicatie. Nergens is echter concreet gemaakt hoe de jeugdprofessional zich hiervoor heeft ingespannen, waardoor het verwijt van de moeder stand houdt. De jeugdprofessional heeft haar geen handvatten aangereikt hoe anders te communiceren.

5.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat uit het e-mailbericht van 17 maart 2017 een vraag van de moeder blijkt over wat zij anders had moeten doen. Het betreft een verslag/visie van de moeder over het gebrek aan communicatie(mogelijkheden) van de vader. De vraag wat de moeder anders had kunnen doen, die zoals gezegd niet door de moeder is gesteld, was bij de daadwerkelijke behandeling zeker aan bod gekomen. De jeugdprofessional heeft zijn bemoeienis echter niet kunnen omzetten in het daadwerkelijk verlenen van hulp aan het systeem (de moeder, de vader en de kinderen), doordat de moeder het traject heeft afgebroken voordat deze heeft kunnen starten.

5.3.5 Het College overweegt als volgt:
Het College is van oordeel dat de moeder haar verwijt, namelijk dat de jeugdprofessional niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had moeten doen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en onvoldoende heeft onderbouwd. In het e-mailbericht van 17 maart 2017 maakt de moeder veel gebruik van beeldspraak. Het College volgt de moeder niet in haar stelling dat de jeugdprofessional tussen de regels en de beeldspraak door de vraag van de moeder had moeten lezen over wat zij anders zou moeten doen in haar communicatie. Juist als dit zo een belangrijk punt was voor de moeder en zij zich hierin graag lerend wilde opstellen, had het op haar weg gelegen om in heldere bewoording haar vraag rechtstreeks aan de jeugdprofessional te stellen. Het College heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat de moeder dit heeft gedaan. Hierbij weegt het College ook in belangrijke mate mee dat de betrokkenheid van de jeugdprofessional beperkt is gebleven tot de eerste fase oftewel de oriënterende fase van het traject ‘[naam]’ bij [instelling]. In deze fase wordt samen met de ouders onder meer onderzocht wat de onderliggende kern van het conflict is en wat nodig is om te komen tot verandering in de gewenste richting. De jeugdprofessional is niet toegekomen aan de tweede fase, de behandelfase, waarin hij daadwerkelijk hulp had kunnen verlenen.

5.3.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 7 mei 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris