Maak een selectie

727 van 727

   

De wrakingskamer is van oordeel dat de verzoeker niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek, omdat het ver na een redelijke termijn nadat de wrakingsgronden bekend zijn geworden, is ingediend. Volgens de wrakingskamer is er sprake van een vermoeden van misbruik van bevoegdheid tot wraking en de wrakingskamer bepaalt daarom dat een volgend wrakingsverzoek dat wordt ingediend in dezelfde hoofdzaak door dezelfde procespartij, met betrekking tot één of meerdere leden van het behandelend College of de voorzitter van het College, niet in behandeling wordt genomen.

De wrakingskamer heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,

mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[de gemachtigde], gemachtigde van de appellant in zaak 20.016B, hierna te noemen: de verzoeker,

op 24 mei 2022 ingediende wrakingsverzoek tegen:

de heer mr. M.A. Stammes, voorzitter van het College van Beroep in zaak 20.016B, hierna te noemen: de gewraakte voorzitter.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. I.L.I. Bossert.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De verzoeker heeft op 24 mei 2022, door middel van een e-mailbericht gericht aan het bestuur van SKJ, een verzoek ingediend om de voorzitter van het College van Beroep in zaak 20.016B te vervangen.

1.2 Het bestuur van SKJ heeft het verzoek opgevat als een wrakingsverzoek en het verzoek doorgestuurd naar de afdeling tuchtrecht ter verdere afhandeling.

1.3 Op 25 mei 2022 is de gemachtigde van verweerder in zaak 20.016B geïnformeerd dat de mondelinge behandeling van de procedure in de hoofdzaak – die op 1 juni 2022 zou gaan plaatsvinden – tot nader orde doorgaat.

1.4 De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het wrakingsverzoek.

1.5 De gewraakte voorzitter en de verzoeker zijn op 25 mei 2022 geïnformeerd dat de wrakingskamer zal beoordelen of de verzoeker ontvankelijk is in het wrakingsverzoek volgens de vereisten van het Wrakingsprotocol (versie 1.3).

1.6 Op 25 mei 2022 is het wrakingsverzoek door de wrakingskamer behandeld.

1.7 De beslissing is op 30 mei 2022 verzonden.

2    De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek

2.1 Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft het bestuur van SKJ terecht het e-mailbericht van de verzoeker aangemerkt als een wrakingsverzoek. In het aan het bestuur van SKJ gerichte verzoek wordt immers gevraagd om de voorzitter van het College van Beroep te vervangen inzake het beroep van de klager.

2.2 De vraag die allereerst voorligt bij de wrakingskamer is of het verzoek ontvankelijk is. Artikel 1.5 van het Wrakingsprotocol kent twee vereisten.

2.3 Allereerst moet een wrakingsverzoek worden ingediend voor de dag waarop de beslissing in de hoofdzaak aan partijen wordt verzonden. In onderhavige zaak moet de behandeling van de hoofdzaak nog plaatsvinden. Het verzoek voldoet dus aan dit vereiste.

2.4 Daarnaast bepaalt het Wrakingsprotocol dat een wrakingsverzoek moet worden ingediend zodra de wrakingsgronden bij de verzoeker bekend zijn. De wrakingskamer oordeelt dat aan dit vereiste niet wordt voldaan en overweegt hiertoe als volgt. De wrakingskamer constateert dat de gronden van het wrakingsverzoek toezien op een eerder genomen besluit van de voorzitter van het College van Beroep, dat op 18 januari 2021 per e-mailbericht aan de verzoeker toegezonden is door SKJ. Dit besluit houdt in dat de voorzitter van het College van Beroep heeft geoordeeld dat het vertrouwelijke karakter van de tuchtprocedure onvoldoende kan worden gewaarborgd wanneer de cliënt van de verzoeker zich het recht voorbehoudt om de digitale behandeling op te nemen. De voorzitter van het College van Beroep heeft in dat licht besloten de zaak (alsnog) op een fysieke hoorzitting te behandelen. Op 17 februari 2022 heeft de verzoeker, nadat de behandeling van het beroep meerdere malen uitgesteld en verplaatst was, opnieuw een uitnodiging voor de (fysieke) mondelinge behandeling van het beroep met zaaknummer 20.016B ontvangen van SKJ. De behandeling zou plaatsvinden op 1 juni 2022. De wrakingskamer is van oordeel dat uit het wrakingsverzoek blijkt dat het verzoek specifiek ziet op de wijze waarop de behandeling van het beroep plaats zal vinden en de beslissingen die de voorzitter in dat kader heeft genomen. Het wrakingsverzoek is ruim dertien weken na ontvangst van de uitnodiging voor de behandeling van het beroep ingediend. Bovendien was al, zoals hiervoor geschetst, op 18 januari 2021 bekend dat er een fysieke mondelinge behandeling zou gaan plaatsvinden. Mede in het licht van de uitspraak van 3 augustus 2021 van de wrakingskamer in zaak 20.016B-W, waarin de verzoeker ook niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek om wraking van dezelfde voorzitter van het College van Beroep in dezelfde hoofdzaak, kan de wrakingskamer niet anders dan tot de conclusie komen dat de verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat het ver na een redelijke termijn nadat de wrakingsgronden bekend zijn geworden, is ingediend.

2.5 Gelet op onderhavig verzoek, en het reeds eerder ingediende wrakingsverzoek met dezelfde gronden zoals hiervoor vermeld, is er volgens de wrakingskamer sprake van een vermoeden van misbruik van de bevoegdheid tot wraking, zoals bedoeld in artikel 1.8 van het Wrakingsprotocol. Daarom bepaalt de wrakingskamer dat een volgend wrakingsverzoek dat wordt ingediend in dezelfde hoofdzaak door dezelfde procespartij, met betrekking tot één of meerdere leden van het behandelend College of de voorzitter van het College, niet in behandeling wordt genomen.

3     De beslissing

Dit alles overwegende komt de wrakingskamer tot de volgende beslissing:

  • verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
  • bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak direct wordt voortgezet;
  • bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek ingediend van de zijde van verzoeker of klager in de hoofdzaak, niet in behandeling wordt genomen.

Aldus gedaan door de wrakingskamer en op 30 mei 2022 toegezonden aan de verzoeker, de gewraakte voorzitter en de gemachtigde van verweerder in zaak 20.016B.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. I.L.I. Bossert, secretaris