Maak een selectie

442 van 442

   

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

De voorzitter van het College van Beroep, de heer mr. M.A. Stammes, heeft beslist:

in de zaak van:

[klager], klager in eerste aanleg, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de instelling], hierna te noemen: [de instelling]. De jeugdprofessional is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 t/m [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

De vader wordt in de procedure bijgestaan door zijn gemachtigde de heer J.S. Meij, vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in de procedure bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, werkzaam als juridisch deskundige.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter van het College van Beroep heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift dat de vader op 17 januari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verzoek dat de vader op 5 februari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 3 maart 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de tussenbeslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.023Ta van 2 april 2020;
– het beroepschrift dat de vader op 29 april 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 26 juni 2020 heeft ingediend.

1.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft in de tussenbeslissing in zaaknummer 20.023Ta het verzoek van de vader afgewezen en de verjaringstermijn gehandhaafd zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement (versie 1.3). De voorzitter heeft geoordeeld dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn.

1.3 De voorzitter van het College van Toezicht heeft met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing verklaard.

1.4 Tegen deze tussenbeslissing heeft de vader op 29 april 2020 tijdig beroep aangetekend.

1.5 Partijen zijn op 15 mei 2020 bericht dat de verkorte beroepsprocedure die de voorzitter van het College van Toezicht van toepassing heeft verklaard, weergegeven onder 1.3 van deze beslissing, niet haalbaar is omdat de voorzitter van het College van Beroep de jeugdprofessional in de gelegenheid wil stellen een verweerschrift in te dienen tegen het ingediende beroepschrift. Om die reden heeft de voorzitter van het College van Beroep de reguliere beroepsprocedure, zoals opgenomen onder ’11. Procedure in beroep’ in het Tuchtreglement, van toepassing verklaard op de procedure.

1.6 De jeugdprofessional heeft op 26 juni 2020 een verweerschrift ingediend.

1.7 Partijen zijn op 24 augustus 2020 bericht dat de beslissing op 3 september 2020 per aangetekende post aan hen wordt verzonden.

2     Beoordelingskader

2.1 De voorzitter van het College van Beroep wijst erop dat er over verjaring in de artikelen 6.5 t/m 6.7 van het Tuchtreglement het volgende is opgenomen:
6.5 De mogelijkheid tot het indienen van een klacht vervalt door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte.

6.6 In het geval de belanghebbende jonger is dan zestien jaar, begint de termijn van verjaring op de dag waarop hij zestien jaar is geworden.

6.7 Indien een klacht wordt ingediend over het handelen van een jeugdprofessional na een tijdsverloop van meer dan drie jaar, kan de voorzitter van het College van Toezicht in afwijking van artikel 6.5 en 6.6 bepalen dat de klager alsnog ontvankelijk is in zijn klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter van het College van Toezicht voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen.”

2.2 Daarnaast is in artikel 7.6 van het Tuchtreglement – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
a. De voorzitter van het College van Toezicht kan beslissen een klager niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een klacht wordt ingediend [..] wanneer de klacht is verjaard[..]
[..]
c. Tegen de beslissing zoals bedoeld onder a., staat geen beroep open.

3     Het beroep, verweer en de beoordeling

3.1 De voorzitter van het College van Toezicht heeft in de bestreden beslissing als volgt geoordeeld:

“De voorzitter stelt voorop dat zij oog heeft voor de positie van beide partijen. De vader heeft het recht om het handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk te laten toetsen. Aan de andere kant kan de jeugdprofessional te maken krijgen met tuchtklachten gericht op haar professioneel handelen. Gelet op beide posities en in het kader van de rechtszekerheid, is er in het thans geldende Tuchtreglement gekozen voor een verjaringstermijn van drie jaar. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan de voorzitter op verzoek van de klager van deze verjaringstermijn afwijken. De voorzitter merkt overigens op dat van de drie door de vader ingediende klachtonderdelen alleen het handelen van de jeugdprofessional genoemd onder klachtonderdeel 1 in het oordeel over de verjaring wordt meegenomen. De klachtonderdelen 2 en 3 zijn niet verjaard. De vraag die dan ook voorligt, is of de vader voldoende gemotiveerd heeft dat hij niet eerder in de gelegenheid was om klachtonderdeel 1 in te dienen. De voorzitter beantwoordt deze vraag ontkennend. De vader heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn. De jeugdprofessional is sinds februari 2016 betrokken geweest bij het gezin van de vader. De vader stelt zelf dat hij in de daaropvolgende maanden veelvuldig zijn zorgen heeft geuit, problemen heeft gesignaleerd en een beroep heeft gedaan op de haar professionaliteit. Dat de vader het met de gang van zaken niet eens was, blijkt ook uit zijn e-mailbericht van 18 mei 2016, waarin hij onder meer aangeeft dat hij diverse klachten heeft ingediend. De voorzitter overweegt dat daaruit afgeleid mag worden dat de vader in 2016 wel degelijk in staat is gebleken om zijn onvrede te uiten en klachten in te dienen. Dat bij de vader pas ruim drie jaar na dato, na ontvangst van het rapport van de RvdK medio 2019, de volle omvang van het handelen van de jeugdprofessional bekend is geworden, volgt de voorzitter dan ook niet. Bovendien heeft de vader nadat het voor hem relevante rapport van de RvdK gereed was nog een half jaar gewacht met het indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter overweegt tot slot dat zij de rapportage van [de instelling], met als datum van ondertekening 19 januari 2017, waar de vader in zijn verzoek van 5 februari 2020 naar verwijst, niet mee neemt in haar oordeel over de ontvankelijkheid van de vader. De vader heeft de rapportage als bijlage 3 bij klachtonderdeel 1 gevoegd, maar in de omschrijving van de klacht wordt op deze rapportage niet ingegaan. Met andere woorden: de vader heeft nagelaten te motiveren wat zijn klacht hierover is.” 

De voorzitter van het College van Toezicht is van oordeel dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement.

3.2 De vader kan zich niet vinden in tussenbeslissing van de voorzitter van het College van Toezicht en verzoekt de voorzitter van het College van Beroep de beslissing te vernietigen en te oordelen dat er sprake is van een tijdig ingediende klacht. Ter onderbouwing van dit verzoek voert hij in beroep – samengevat – het volgende aan. De jeugdprofessional is betrokken geweest bij het gezin van de vader tussen 19 februari 2016 en 18 januari 2017. Onder ‘datum rapportage klaar’ staat 18 januari 2017. Dat de jeugdprofessional stelt dat er na juni 2016 geen bemoeienis meer is geweest en dat zij betwist dat de rapportage in januari 2017 is voltooid, is dan ook niet begrijpelijk. Op 31 juli 2019 heeft de vader het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) ontvangen waaruit blijkt dat de jeugdprofessional fouten heeft gemaakt in haar werkzaamheden, ernstige signalen ten onrechte heeft genegeerd en adviezen heeft gegeven in strijd met de belangen van de kinderen. Het eerste klachtonderdeel van de vader behelst dat de jeugdprofessional partijdig en nalatig is geweest, door de situatie bij de moeder niet te (willen) onderzoeken. Hierdoor heeft de jeugdprofessional een situatie laten ontstaan en voortbestaan die schadelijk is geweest voor de kinderen. Uit het rapport van de RvdK blijkt dat het handelen van de jeugdprofessional strijdig is geweest met het belang van de kinderen en dat het in [de instelling]-rapport gegeven advies schade heeft berokkend. Deze adviezen worden uitvoerig besproken op pagina 2 t/m 4 van het klaagschrift. Dat de voorzitter van het College van Toezicht stelt dat over dit rapport niet gemotiveerd wordt geklaagd is dan ook niet begrijpelijk. De voorzitter van het College van Toezicht is verder van oordeel dat de vader zijn klacht eerder had moeten indienen. De klachten zouden reeds bekend zijn en het rapport van de Rvdk zou daar niets in hebben veranderd. De vader betwist dit. Hij heeft deze klachten nimmer aan een andere instantie voorgelegd. De klachten die zijn voorgelegd aan de teammanager, waar de voorzitter van het College van Toezicht op doelt, behelsden de procesgang met betrekking tot het opstellen van [de instelling]-rapportage, de wijze waarop informatie is verzameld en de e-mailwisseling met betrekking tot informatieverstrekking. Over de conclusie en het advies van de jeugdprofessional is echter niet geklaagd. De vader betwist voorts dat hij een aantal maanden heeft gewacht met het indienen van een klacht. De vader is van mening dat over het indienen van een tuchtklacht niet lichtzinnig moet worden gedacht. Bovendien is het indienen van een tuchtklacht voor een leek geen eenvoudige handeling en is juridische bijstand niet altijd voorhanden. Dat de voorzitter van het College van Toezicht impliceert dat de vader sneller na ontvangst van het rapport had moeten reageren is bovendien niet op enig reglement gebaseerd. Door het verzoek van de vader op deze onnavolgbare grond af te wijzen ontneemt de voorzitter van het College van Toezicht de vader het recht om het handelen van de jeugdprofessional te laten toetsen en gaat daarmee in tegen het beginsel van rechtszekerheid.

3.3 De jeugdprofessional leest het beroepschrift zo dat de vader, net als tijdens de procedure bij het College van Toezicht, tracht te onderbouwen dat pas na verschijnen van de raadsrapportage voor de vader duidelijk werd dat de jeugdprofessional verwijtbaarheid heeft gehandeld. Het rapport van de RvdK geeft echter geen beoordeling van [de instelling]-rapportage. Het raadsrapport laat zich daarnaast niet uit over het functioneren van de jeugdprofessional noch over haar conclusies. De jeugdprofessional leest het verwijt van de vader zo dat hij van mening is dat de (in zijn ogen onjuiste) adviezen van [de instelling] hebben geleid tot een voortduring van een voor de kinderen schadelijk situatie. Hiermee wordt de rol van de jeugdprofessional overschat. Het tijdsverloop en de gebeurtenissen in de periode tussen de betrokkenheid van [de instelling] en de RvdK mogen niet buiten beschouwing worden gelaten bij het waarderen van de conclusies van de RvdK. Daarnaast stelt de jeugdprofessional dat de vader ten tijde van haar betrokkenheid al uiting heeft gegeven aan zijn onvrede. Ook destijds was voor de jeugdprofessional duidelijk dat de vader niet instemde met de gegeven adviezen. De jeugdprofessional betwist tot slot het standpunt van de vader dat het niet op enig reglement is gebaseerd dat de voorzitter van het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de vader sneller na ontvangst van de rapportage had moeten reageren. De jeugdprofessional wijst erop dat in artikel 6.5 van het Tuchtreglement de termijn voor het indienen van een tuchtklacht staat vermeld. Dit klachtonderdeel zou wel ontvankelijk zijn geweest als de vader sneller na het ontvangen de rapportage van de RvdK zijn klacht had ingediend.

3.4 De voorzitter van het College van Beroep stelt allereerst vast dat de vader bij het College van Toezicht een klaagschrift heeft ingediend dat bestaat uit drie klachtonderdelen. De tussenbeslissing van de voorzitter van het College van Toezicht ziet alleen op klachtonderdeel 1. Ook in beroep zal de voorzitter van het College van Beroep zich aldus tot dit klachtonderdeel beperken. Uit de toelichting bij het klaagschrift blijkt dat de vader kenbaar heeft gemaakt dat de jeugdprofessional van 19 februari 2016 tot medio september 2019 betrokken is geweest. Klachtonderdeel 1 heeft de vader echter algemener geformuleerd, zonder exacte aanduiding van een tijdvak. Daarnaast zijn bij dit klachtonderdeel, naast stukken van vóór 2017, ook stukken overlegd van op of na 18 januari 2017.

3.5 De voorzitter van het College van Beroep overweegt als volgt. In artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement is opgenomen dat de voorzitter van het College van Toezicht kan beslissen een klager niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de klacht is verjaard. Tegen deze beslissing staat volgens artikel 7.6 sub c van het Tuchtreglement geen beroep open. De voorzitter van het College van Toezicht heeft kennelijk aanleiding gezien om de vermeende verjaring ambtshalve te toetsen en de vader vervolgens in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht het verzoek van de vader afgewezen. De voorzitter van het College van Toezicht heeft in haar beslissing echter niet gespecificeerd wanneer de verjaringstermijn is aangevangen en op welke punten het klachtonderdeel is verjaard, maar heeft volstaan met het (algemene) oordeel dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn. De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de vader niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de vader gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de vader. Gelet hierop zal de voorzitter van het College van Beroep zich onbevoegd verklaren om over het beroep te oordelen en de zaak terugverwijzen naar (de voorzitter van) het College van Toezicht.

3.6 Ten overvloede overweegt de voorzitter van het College van Beroep dat met het ambtshalve toetsen van verjaring terughoudend moet worden omgegaan, aangezien het niet-ontvankelijk verklaren van een klager inhoudt dat er geen inhoudelijke beoordeling van de klacht plaats kan vinden. Deze ambtshalve toetsing ligt voor de hand in gevallen waarin het evident is dat een klacht is verjaard. In het geval waar er geen sprake is van een evidente verjaring, heeft het de voorkeur om de zaak in zijn geheel te behandelen en in de (eind)beslissing een oordeel te geven over welke delen van de klacht er mogelijk al dan niet zijn verjaard en de klager vervolgens in die delen niet-ontvankelijk te verklaren en voor het overige de klacht inhoudelijk te behandelen. In de onderhavige situatie is er naar het oordeel van de voorzitter van het College van Beroep geen sprake van een evidente verjaring van klachtonderdeel 1, mede gezien het feit dat de vader het klachtonderdeel algemeen heeft geformuleerd zonder exacte aanduiding van een tijdvak en er stukken zijn overlegd van zowel vóór 2017, als van op of na 18 januari 2017.

4          De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter van het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart zich onbevoegd te oordelen over het beroep;
  • verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht.

Aldus gedaan door de voorzitter van het College van Beroep en op 3 september 2020 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes

voorzitter