Maak een selectie

442 van 442

   

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

De voorzitter van het College van Beroep, de heer mr. M.A. Stammes, heeft beslist:

in de zaak van:

[klager], klaagster in eerste aanleg, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is sinds [datum] 2014 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2014 t/m [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

De moeder wordt in de procedure bijgestaan door haar gemachtigde de heer J.S. Meij, vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in de procedure bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter van het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift zoals de moeder dat op 17 januari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verzoek dat de moeder op 5 februari 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de tussenbeslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.022Ta van 19 maart 2020;
– het beroepschrift dat de moeder op 15 april 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift tevens inhoudende incidenteel beroep dat de jeugdprofessional op 28 mei 2020 heeft ingediend;
– het verweerschrift tegen het incidentele beroep dat de moeder op 16 juli 2020 heeft ingediend.

1.2 De voorzitter van het College van Toezicht heeft in de tussenbeslissing in zaaknummer 20.022Ta het verzoek van de moeder afgewezen en de verjaringstermijn gehandhaafd zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement (versie 1.3). De voorzitter heeft geoordeeld dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn.

1.3 De voorzitter van het College van Toezicht heeft met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing verklaard.

1.4 Tegen deze tussenbeslissing heeft de moeder op 15 april 2020 tijdig beroep aangetekend.

1.5 Partijen zijn op 7 mei 2020 bericht dat de verkorte beroepsprocedure die de voorzitter van het College van Toezicht van toepassing heeft verklaard, weergegeven onder 1.3 van deze beslissing, niet haalbaar is omdat de voorzitter van het College van Beroep de jeugdprofessional in de gelegenheid wil stellen een verweerschrift in te dienen tegen het ingediende beroepschrift. Om die reden heeft de voorzitter van het College van Beroep de reguliere beroepsprocedure, zoals opgenomen onder ’11. Procedure in beroep’ in het Tuchtreglement, van toepassing verklaard op de procedure.

1.6 De jeugdprofessional heeft op 28 mei 2020 een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel beroep ingesteld.

1.7 Partijen zijn op 24 augustus 2020 bericht dat de beslissing op 3 september 2020 per aangetekende post aan hen wordt verzonden.

2     Beoordelingskader

2.1 De voorzitter van het College van Beroep wijst erop dat er over verjaring in de artikelen 6.5 t/m 6.7 van het Tuchtreglement het volgende is opgenomen:
6.5 De mogelijkheid tot het indienen van een klacht vervalt door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte.

6.6 In het geval de belanghebbende jonger is dan zestien jaar, begint de termijn van verjaring op de dag waarop hij zestien jaar is geworden.

6.7 Indien een klacht wordt ingediend over het handelen van een jeugdprofessional na een tijdsverloop van meer dan drie jaar, kan de voorzitter van het College van Toezicht in afwijking van artikel 6.5 en 6.6 bepalen dat de klager alsnog ontvankelijk is in zijn klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter van het College van Toezicht voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen.”

2.2 Daarnaast is in artikel 7.6 van het Tuchtreglement – voor zover relevant – het volgende opgenomen:
a. De voorzitter van het College van Toezicht kan beslissen een klager niet-ontvankelijk te verklaren wanneer een klacht wordt ingediend [..] wanneer de klacht is verjaard[..]
[..]
c. Tegen de beslissing zoals bedoeld onder a., staat geen beroep open.”

3     Het (incidentele) beroep, verweer en de beoordeling

3.1 De voorzitter van het College van Toezicht heeft in de bestreden beslissing als volgt geoordeeld: “In het thans geldende Tuchtreglement is de verjaringstermijn op drie jaar gesteld. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de voorzitter op verzoek van een klager van deze verjaringstermijn afwijken. De klager dient dan conform artikel 6.7 van het Tuchtreglement te motiveren waarom hij of zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De vraag die dan ook voor ligt, is of de moeder dat in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd heeft. De voorzitter beantwoordt deze vraag ontkennend. Daarbij veronderstelt de voorzitter dat de door de moeder genoemde data van 21 september 2017 tot 20 januari 2017 een kennelijke verschrijving is van de bedoelde periode. Afgezien daarvan volgt de voorzitter het bezwaar van de moeder tegen hantering van de nu geldende verjaringstermijn niet. De moeder heeft haar motivatie, zoals opgenomen onder 2.1 van deze beslissing, niet voorzien van enige onderbouwing. Door het gebrek aan onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de nu geldende verjaringstermijn. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen vanwege het gebrek aan feitelijke grondslag.” De voorzitter van het College van Toezicht is van oordeel dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement.

3.2 De moeder stelt in haar beroepschrift dat in de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht niet is gespecificeerd welk deel van de ingediende klachten is verjaard en op welk moment deze klachten zijn verjaard. De moeder stelt dat zij reeds in haar verzoek van 5 februari 2020, zoals in deze beslissing vermeld onder 1.1, gemotiveerd heeft onderbouwd waarom zij van oordeel is dat de klachten niet buiten de verjaringstermijn vallen. Dat in de tussenbeslissing vervolgens wordt gesteld dat het bezwaar niet gemotiveerd is, is dan volgens de moeder ook niet goed te volgen. Op grond van de volgende overwegingen stelt de moeder dan ook beroep in tegen de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht:
i. De jeugdprofessional heeft op 19 juli 2016 van de rechtbank de opdracht gekregen een terug-naar-huis-onderzoek uit te voeren;
ii. De jeugdprofessional heeft nagelaten dit onderzoek uit te voeren, zoals onder meer blijkt uit het proces-verbaal van een zitting van 17 januari 2017;
iii. De jeugdprofessional heeft op 20 januari 2017 haar werkzaamheden bij het gezin van de moeder beëindigd;
iv. De moeder is van oordeel dat de jeugdprofessional gedurende de periode van 16 juli 2016 tot en met 20 januari 2017 de tijd had om het door de rechtbank opgedragen onderzoek uit te voeren;
v. De moeder is van oordeel dat pas op het moment van beëindigen van de functie aan de jeugdprofessional verweten kan worden dat zij deze opdracht niet heeft uitgevoerd. Zij had immers tot aan januari 2017 de tijd om aan deze opdracht te voldoen. De verjaringstermijn gaat daarmee lopen op 20 januari 2017;
vi. De moeder heeft op 17 januari 2017 haar klaagschrift bij het College van Toezicht ingediend. De klacht valt daarmee binnen de verjaringstermijn zoals deze is vastgesteld in het Tuchtreglement.

3.3 De jeugdprofessional stelt dat de moeder in haar beroepschrift feitelijk herhaalt wat zij ook in haar verzoek van 5 februari 2020 bij het College van Toezicht heeft aangevoerd. De jeugdprofessional benadrukt dat de moeder in het geheel geen argumenten aanvoert waarom de moeder niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De jeugdprofessional stelt daarnaast dat de stelling van de moeder, dat de verjaringstermijn niet kan zijn aangevangen voor 20 januari 2020, geen verjarings-(beroeps)grond is en bovendien aantoonbaar onjuist is. Er stond niets aan de moeder in de weg om de klacht al in 2017, 2018 of 2019 in te dienen. Daarnaast wijst de jeugdprofessional erop dat de moeder al op 7 maart 2017, bijgestaan door AKJ, bij de klachtencommissie van de GI heeft geklaagd dat de GI/de jeugdprofessional onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van terugplaatsing van de kinderen.

In incidenteel beroep stelt de jeugdprofessional dat zij het niet eens is dat de beslissing van het College van Toezicht is aangemerkt als tussenbeslissing. Het Tuchtreglement voorziet niet in de mogelijkheid tot het nemen van een tussenbeslissing. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 14.3 en 7.9 sub b van het Tuchtreglement leent zich niet voor nemen van een tussenbeslissing en gaat bovendien niet op omdat artikel 7.9 toeziet op een kennelijk ongegrond verklaring. De jeugdprofessional benadrukt dat de klacht evident niet-ontvankelijk is en dat de moeder derhalve niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de jeugdprofessional naar de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van 23 januari 2020 in zaaknummer 19.563Ta. De jeugdprofessional benadrukt dat het omwille van rechtszekerheid en omwille van proceseconomische redenen niet wenselijk is om een tussenbeslissing te nemen en daarin te bepalen dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn.

3.4 In het verweerschrift tegen het incidentele beroep stelt de moeder dat de jeugdprofessional uitgaat van een onjuiste opvatting, dan wel een onzorgvuldige lezing, van artikel 14.3 van het Tuchtreglement. Aan artikel 14.3 van het Tuchtreglement zijn geen kennelijke restricties gebonden. Het nemen van een tussenbeslissing, zoals de voorzitter van het College van Toezicht heeft gedaan, past zonder meer binnen de reikwijdte van dit artikel. De stelling van de jeugdprofessional dat (de voorzitter van) het College van Toezicht hiertoe niet bevoegd is vindt alleen al op grond van artikel 14.3 geen enkele grond. Ten overvloede betwist de moeder de stelling van de jeugdprofessional voor wat betreft de evidentie van de niet-ontvankelijkheid. Immers ook de jeugdprofessional slaagt er, in navolging van de voorzitter van het College van Toezicht, niet in om gemotiveerd te onderbouwen op welke datum de verjaringstermijn is gestart, dan wel geëindigd.

3.5 De voorzitter van het College van Beroep stelt allereerst vast dat de moeder bij het College van Toezicht een klaagschrift heeft ingediend dat bestaat uit twee klachtonderdelen. Uit de toelichting bij het klaagschrift blijkt dat de moeder kenbaar heeft gemaakt dat de jeugdprofessional van 21 september 2015 tot 20 januari 2017 betrokken is geweest. De klachtonderdelen heeft de moeder echter algemener geformuleerd, zonder exacte aanduiding van een tijdvak. Wel heeft de moeder bij de toelichting onder klachtonderdeel 1 ‘Beklaagde heeft geen uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank’ – onder meer – het volgende geschreven: “Beklaagde heeft tot het einde van haar betrokkenheid op 20 januari 2017 hier geen uitvoering aan gegeven.”

3.6 De voorzitter van het College van Beroep overweegt als volgt. In artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement is opgenomen dat de voorzitter van het College van Toezicht kan beslissen een klager niet-ontvankelijk te verklaren wanneer de klacht is verjaard. Tegen deze beslissing staat volgens artikel 7.6 sub c van het Tuchtreglement geen beroep open. De voorzitter van het College van Toezicht heeft kennelijk aanleiding gezien om de vermeende verjaring ambtshalve te toetsen en de moeder vervolgens in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Dit verzoek van de moeder heeft de voorzitter van het College van Toezicht vervolgens afgewezen. De voorzitter van het College van Toezicht heeft vervolgens in haar beslissing echter niet gespecificeerd wanneer de verjaringstermijn (per klachtonderdeel) is aangevangen en op welke punten het klaagschrift van de moeder is verjaard, maar heeft volstaan met het (algemene) oordeel dat de moeder haar verzoek niet heeft voorzien van enige onderbouwing en dat daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen af te wijken van de verjaringstermijn. Daarnaast is geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn. De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de moeder niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de moeder gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de moeder. Gelet hierop zal de voorzitter van het College van Beroep zich onbevoegd verklaren om over het (incidentele) beroep te oordelen en de zaak terugverwijzen naar (de voorzitter van) het College van Toezicht.

3.7 Ten overvloede overweegt de voorzitter van het College van Beroep dat met het ambtshalve toetsen van verjaring terughoudend moet worden omgegaan, aangezien het niet-ontvankelijk verklaren van een klager inhoudt dat er geen inhoudelijke beoordeling van de klacht plaats kan vinden. Deze ambtshalve toetsing ligt voor de hand in gevallen waarin het evident is dat een klacht is verjaard. In het geval waar er geen sprake is van een evidente verjaring, heeft het de voorkeur om de zaak in zijn geheel te behandelen en in de (eind)beslissing een oordeel te geven over welke delen van de klacht er mogelijk al dan niet zijn verjaard en voor het overige de klacht inhoudelijk te behandelen. In de onderhavige situatie is er naar het oordeel van de voorzitter van het College van Beroep geen sprake van een evidente verjaring, mede gezien het feit dat de moeder de klachtonderdelen algemeen heeft geformuleerd en de jeugdprofessional tot 20 januari 2017 bij het gezinssysteem van de moeder betrokken is geweest.

4          De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter van het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart zich onbevoegd te oordelen over het (incidentele) beroep;
  • verwijst de zaak terug naar het College van Toezicht.

Aldus gedaan door de voorzitter van het College van Beroep en op 3 september 2020 aan partijen toegezonden.

de heer mr. M.A. Stammes

voorzitter