Maak een selectie

727 van 727

   

De pleegouderbegeleider heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Zij heeft een plan van aanpak gestuurd naar de netwerkpleegouder. Ook heeft zij relevante informatie gedeeld met belanghebbenden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd
en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klaagster] hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als pleegouderbegeleider bij [de instelling] te [locatie].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. Th.M. Vegting, advocaat te Rotterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 17 februari 2019 met bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 29 maart 2019 met bijlage.

1.2

Op 8 april 2019 is aan partijen bericht dat de klacht schriftelijk zal worden afgedaan. Partijen
hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Het College heeft de klacht schriftelijk behandeld op 14
mei 2019.

1.3

Het College heeft partijen op 28 mei 2019 bericht dat de beslissing op 25 juni 2019 zal worden
verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de grootmoeder van haar minderjarige kleinzoon. De kleinzoon is geboren in 2014.
De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag uit over de kleinzoon.

2.2

De kleinzoon is onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling, hierna te noemen: de GI.
Er geldt eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing van de kleinzoon. De kleinzoon is geplaatst bij
klaagster en haar echtgenoot, de grootvader. Zij zijn netwerkpleegouders.

2.3

Beklaagde is als pleegouderbegeleider bij het gezin van klaagster betrokken. Zij heeft in
september 2017 een plan van aanpak opgesteld. Beklaagde was van [datum] 2013 tot en met
[datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Vanaf [datum]
2018 is beklaagde geregistreerd als jeugd- en gezinsprofessional.

2.4

De kleinzoon heeft een stofwisselingsziekte en een ontwikkelingsachterstand. Hij dient
aangepaste scholing te ontvangen. Klaagster, de grootvader en de moeder hebben de kleinzoon bij
het ziekenhuis willen laten onderzoeken om zijn medische staat vast te stellen.

2.5

De Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt of een verderstrekkende maatregel noodzakelijk
is.

2.6

Op 10 januari 2019 heeft klaagster samen met de grootvader een gesprek gevoerd met beklaagde
en haar manager over de begeleiding van beklaagde en het verzoek om een andere
pleegouderbegeleider. Hiervan is een gespreksverslag gemaakt.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen
beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het
beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame
beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig
handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de
algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van
andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft betrekking op het niet opsturen van een aangepast plan van aanpak, het
verdraaien van informatie in documenten en het vragen en delen van informatie aan en met derden.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en
beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven
waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij het aangepaste plan van aanpak niet naar haar heeft
gestuurd.

3.2.2

Beklaagde betwist dat zij het aangepaste plan van aanpak niet heeft opgestuurd. Beklaagde
heeft het plan van aanpak gemaild. Zij heeft een afschrift van haar e-mail bijgevoegd als productie.
Klaagster heeft zelf de bijlage ‘verbeterd verslag’ toegevoegd waardoor beklaagde van mening is dat
het plan van aanpak is verzonden en ontvangen. Als klaagster het stuk niet had ontvangen, had zij
daarnaar kunnen vragen. Zij heeft dat nooit gedaan.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Uit de overgelegde stukken blijkt dat beklaagde op 29
september 2017 het plan van aanpak naar klaagster gemaild heeft. Zij schrijft dat zij sommige doelen
heeft gewijzigd en dat er wat informatie is weggelaten of toegevoegd. Het klachtonderdeel is
ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij informatie heeft verdraaid in documenten.

3.3.2

Beklaagde betwist dat zij informatie heeft verdraaid in rapporten. Zij heeft bij het verwoorden
van de situatie een professionele houding aangenomen. Het is mogelijk dat klaagster het oneens is
met beklaagde.
In het gespreksverslag staat dat er volgens klaagster te veel wisselingen van beroepskrachten zijn.
Dat ligt echter buiten de invloedssfeer van beklaagde.
De mening van de grootvader is gewijzigd. Hij leek de medische situatie van de kleinzoon niet te
accepteren maar heeft dit daarna erkend. Beklaagde waardeert de betrokken houding van de
grootvader.
De situatie vanaf september 2018 is lastig geweest voor beklaagde. Telkens als zij een afspraak
maakte met klaagster, was het gezin niet thuis. Beklaagde heeft dit gemeld aan de gezinsvoogd. Dat
kan niet anders, ook al was klaagster het daar niet mee eens. Dit is besproken in het gesprek dat op
10 januari 2019 heeft plaatsgevonden.
Beklaagde kan niet worden verweten dat zij geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek bij
het ziekenhuis. Alleen moeder en de GI kunnen besluiten om het onderzoek te laten verrichten.

3.3.3

Het College overweegt het volgende.
Het kan zijn dat klaagster boos is en het niet eens is met de gang van zaken.
Beklaagde kan er niets aan doen dat er veel jeugdzorgwerkers bij het gezin van klaagster zijn
betrokken.
Beklaagde heeft geschreven over de houding van de grootvader omdat de kleinzoon hulp nodig had.
Later is deze houding veranderd, maar op het moment van het schrijven van de rapporten nog niet.
In het gespreksverslag staat dat de grootvader ziet dat de kleinzoon veel vorderingen maakt en dat
hij veel andere kwaliteiten heeft en een vriendelijk een sociaal jongetje is.
Het is begrijpelijk dat beklaagde aan de gezinsvoogd heeft doorgegeven dat het gezin niet thuis was
als er een afspraak was. Bij een ondertoezichtstelling is het belangrijk voor de gezinsvoogd om te
weten hoe het met de kleinzoon gaat. Beklaagde heeft dit met klaagster besproken in het gesprek op
10 januari 2019.
Klaagster heeft geen gezag over de kleinzoon. Dat betekent dat zij geen beslissing mag nemen over
het onderzoek bij het ziekenhuis.
Het College kan niet vaststellen dat beklaagde heeft gezegd dat klaagster en de grootvader
ongeschikt zijn. Beklaagde spreekt dat tegen. In het gespreksverslag staat dat klaagster en de
grootvader vaak klachten indienen en het vaak niet eens zijn met de hulpverlening. Beklaagde heeft
gezegd dat het belangrijk is dat klaagster en de grootvader openstaan voor de hulpverlening. In het
gespreksverslag staat ook dat beklaagde positief is over de rol die klaagster en de grootvader voor de
kleinzoon hebben.
Beklaagde moet als jeugdprofessional de RvdK bij een raadsonderzoek informeren. Het hoort bij haar
taak en het is een verplichting. Volgens het College heeft beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
gehandeld. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde dat ze onnodig informatie heeft gevraagd en heeft gedeeld met
derden.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij alleen informatie met klaagster, de grootvader, de moeder
en de GI heeft gedeeld. Beklaagde heeft in het bijzijn van klaagster en moeder in een overleg met
school en de dagbehandeling informatie gedeeld. Beklaagde heeft tijdens het raadsonderzoek
informatie gedeeld met de RvdK. Zij heeft een adviserende rol als het gaat om het
toekomstperspectief van het kind. Beklaagde betwist dat zij heeft gezegd dat klaagster en de
grootvader ongeschikt zijn. Het standpunt van beklaagde is dat zij open moeten blijven staan voor
hulpverlening. De kleinzoon heeft intensieve hulp nodig. Hier moet zicht op worden gehouden en
klaagster en de grootvader moeten daarin worden ondersteund. Beklaagde heeft dit doorgegeven
aan de Raad voor de Kinderbescherming (de RvdK) tijdens het raadsonderzoek.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft uitgebreid gemotiveerd met wie zij
informatie heeft gedeeld. Zij heeft alleen relevante informatie gedeeld met direct belanghebbenden
zoals school en de dagbesteding. Als de RvdK aan beklaagde een vraag stelt, moet zij antwoord
geven. Dat hoort bij haar taak.
Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 25 juni 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel                                                                              mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                                                       secretaris