Maak een selectie

727 van 727

   

De overdracht van de kinderbeschermingsmaatregelen naar een andere GI is niet goed verlopen. Daarnaast heeft de teamleider ten onrechte gecommuniceerd dat de jeugdprofessional belast was met de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen. Dit, en andere praktische zaken waar de moeder over klaagt valt niet tuchtrechtelijk aan de jeugdprofessional te verwijten.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 19 mei 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], locatie: [locatie], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A. Meijers, jurist.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 19 mei 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 28 augustus 2020;
  • de door de moeder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 8 van de Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), versie 8 juni 2020, besloten dat de zaak een mondelinge behandeling behoeft. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 april 2021.

1.3 Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht werd de moeder bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw K. Koole, werkzaam als vertrouwenspersoon bij het AKJ. Op 28 april 2021 heeft mevrouw Koole kenbaar gemaakt niet meer als gemachtigde voor de moeder op te treden.

1.4 Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zijn de moeder en de jeugdprofessional gescheiden gehoord (artikel 9.6 van het Tuchtreglement, versie 1.3). De gemachtigden van partijen zijn hierbij steeds aanwezig geweest.

1.5 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een zoon, geboren in 2008. Zij heeft het eenhoofdig gezag over de zoon. De vader heeft de zoon niet erkend.

2.2 De kinderrechter heeft op 15 april 2016 de zoon onder toezicht gesteld een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Beide kinderbeschermingsmaatregelen zijn steeds verlengd. De zoon verblijft sinds 18 april 2016 in zijn huidige pleeggezin.

2.3 De kinderbeschermingsmaatregelen werden eerst uitgevoerd door de gecertificeerde instelling [GI1] (hierna: [GI1]). In januari 2017 is [GI1] vervangen door de gecertificeerde instelling [GI2] (hierna: [GI2]), omdat de gemeente het contract met [GI1] heeft opgezegd.

2.4 Op 16 juni 2017 heeft de kinderrechter een contactregeling vastgesteld, waarbij is bepaald dat de moeder en de zoon ten minste één keer per twee weken begeleid contact hebben, en verdere invulling of uitbreiding ter bepaling van de jeugdhulpverlener van de gecertificeerde instelling is.

2.5 In de periode van april 2018 tot november 2018 is vanuit [organisatie] ouder-kind-therapie ingezet. Tijdens dit traject heeft op dinsdag twee uur ouder-kind therapie plaatsgevonden en op woensdag een regulier contactmoment van twee uur. Over het eindverslag hebben zowel [GI2] als de jeugdprofessional gecorrespondeerd met de directeur van [organisatie]. Op 6 maart 2019 heeft de directeur, voor zover relevant, het volgende aan [GI2] geschreven: “Zoals u weet heeft [de moeder] geen toestemming gegeven voor het delen van het eerste concept eindverslag van de Ouder en Kind therapie. Daarop heeft onze therapeute het verslag aangepast in een versie waar moeder wel mee akkoord kon gaan. We hebben beide geconstateerd dat hiermee geen volledig beeld gegeven is van de door ons geboden hulp en de resultaten hiervan. Wij willen echter ook de rechten van [de moeder] respecteren”. De directeur heeft, voor zover relevant, het volgende geschreven aan de jeugdprofessional op 30 september 2019: “In het aan u in overleg met moeder verstrekte verslag staat, anders dan u schrijft, niet dat [organisatie] tot de conclusie gekomen is dat [de zoon] toen weer naar huis kon. De veiligheid en de nodige voorwaarden/begeleiding van moeder en kind dienden hiervoor nog in kaart te worden gebracht. De volgende stap in de hulp hebben wij echter niet verder vorm gegeven.”

2.6 De moeder heeft op 23 januari 2019 verzocht de contactregeling te wijzigen en uit te breiden naar drie dagen per week onbegeleid contact met de zoon. Dit verzoek is afgewezen, omdat volgens de kinderrechter binnen de huidige contactregeling mogelijkheden zijn om het contact uit te breiden. [GI2] dient daarin als regievoerder op te treden. De kinderrechter heeft overwogen dat tijdens de ouder-kindtherapie kleine stapjes zijn gezet, maar dat het proces nog niet is afgerond. Er zal volgens de kinderechter een vervolg moeten plaatsvinden in de vorm van een traject bij Signs of Safety (hierna: SofS) De kinderrechter heeft geoordeeld dat het verzoek tot uitbreiden van de contactregeling onderdeel kan worden van de afspraken die [organisatie] en [GI2] gaan maken over de start van SofS.

2.7 Op 7 maart 2019 heeft de kinderrechter [GI2] op eigen verzoek vervangen door de GI. Tevens is de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel en hier binnen drie maanden over te rapporteren.

2.8 Op 7 mei 2019 heeft er telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de moeder en de jeugdprofessional.

2.9 Op 9 mei 2019 heeft de GI per brief aan de moeder laten weten dat de jeugdprofessional is aangesteld als jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. In de periode van 7 maart 2019 tot aan de aanstelling van de jeugdprofessional, heeft de GI geen contact met de moeder opgenomen en hebben er geen contactmomenten tussen de moeder en de zoon plaatsgevonden.

2.10 Tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional heeft eens in de veertien dagen een begeleid contactmoment van 75 minuten plaatsgevonden. Op 21 november 2019 en 7 mei 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder schriftelijke aanwijzingen gegeven. Hierin is onder andere bepaald dat de contactmomenten in het vervolg plaatsvinden op het kantoor van de GI, alsmede hoe de inhoud van het contactmoment eruit dient te zien.

2.11 Op 20 februari 2020 is het definitieve raadsrapport vastgesteld. De RvdK heeft de rechtbank geadviseerd het ouderlijk gezag van de moeder niet te beëindigen. In het raadsrapport wordt, onder andere, het volgende overwogen: “De RvdK overweegt dat er vanaf juni 2018 weinig tot geen informatie beschikbaar is over ingezette hulpverlening met als doel het wel of niet langer kunnen werken aan terugplaatsing van [de zoon] bij moeder, ondanks dat door het Gerechtshof eind 2018 en door de rechtbank begin 2019 expliciet is overwogen dat geïnvesteerd moet worden in een ouder-kindtraject. […] Echter, het is de RvdK niet duidelijk in hoeverre de [gecertificeerde instelling]– belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling – heeft gewerkt aan de verschillende terugplaatsdoelen. […] Hoewel de RvdK van mening is dat de aanvaardbare termijn voor [de zoon] om in onzekerheid te verkeren over zijn opvoedperspectief reeds is verstreken, is het voor de RvdK nog geen uitgemaakte zaak dat het opvoedperspectief bij deze pleegouders ligt.

2.12 De jeugdprofessional heeft de RvdK na het uitbrengen van het definitieve raadsrapport verzocht om alsnog een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken.

2.13 Tussen de moeder en de jeugdprofessional heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Er is onder andere gesproken over het uitblijven van de start van SofS, uitbreiden van de contactmomenten en het contact tussen de moeder en de GI, nadat de GI belast werd met de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen. In het conceptverslag van dit gesprek staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen: “In de brief [zoals onder 2.9 weergegeven] had moeten staan dat [de jeugdprofessional] het eerste contact zou zijn voor de omgang en niet dat zij de jeugdbeschermer zou zijn. Pas toen dit definitief werd konden afspraken gemaakt worden. Dit verklaart waarom het lang duurde voor de afspraak gemaakt werd.”

2.14 Op 4 mei 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder per brief laten weten dat in MDCO is besloten dat de contactmomenten om de veertien dagen gedurende 75 minuten blijven plaatsvinden en dat SofS door de GI niet wordt ingezet, omdat uit verschillende beschikkingen blijkt dat het perspectief van de zoon niet bij de moeder ligt. “De GI is van mening dat de zoon nu vier jaar in een pleeggezin woont. Hij voelt zich hier veilig en voor zo het mogelijk is hij een hechting aan gegaan met het pleeggezin”.

2.15 Sinds juli 2020 is de jeugdprofessional niet meer betrokken bij de moeder en de zoon.

2.16 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De acht in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk en samengevat weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat nimmer een plan van aanpak is opgesteld.

Toelichting:
Sinds 7 maart 2019 is de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over de zoon. Na vele pogingen is het de moeder niet gelukt om contact met de GI en de nieuwe jeugdbeschermer te krijgen. Ook een kennismakingsgesprek bleef uit, waardoor de contactregeling niet opgestart kon worden. De advocaat van de moeder heeft daarom op 3 mei 2019 een brief verzonden om de aanstelling van een jeugdbeschermer en het contact met de moeder te bespoedigen. Op 9 mei 2019 heeft de moeder een brief van de GI ontvangen waarin staat aangegeven dat de jeugdprofessional als jeugdbeschermer is aangesteld. Na haar aanstelling heeft de jeugdprofessional geen contact met de moeder opgenomen. Eind juni 2019 – vijf dagen voor de zitting betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling – heeft pas een gesprek met de jeugdprofessional plaatsgevonden. Daar blijkt dat de jeugdprofessional niet in gesprek wil, en bovendien geen dossierkennis heeft. De moeder heeft meerdere pogingen ondernomen om een plan van aanpak opgesteld te krijgen en de bij beschikking van januari 2019 vastgestelde contactregeling te hervatten. Helaas is dit tot op heden op niets uitgelopen, terwijl op grond van artikel 4.1.3 van de Jeugdwet een plan van aanpak binnen zes weken opgesteld dient te worden.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De moeder geeft in de toelichting op haar klacht een verkeerde voorstelling van de zaken. De jeugdprofessional en de moeder hebben elkaar op 7 mei 2019 telefonisch gesproken. In dit gesprek heeft de jeugdprofessional nadrukkelijk aangegeven dat zij is aangesteld om de contactmomenten tussen de moeder en de zoon te begeleiden en het haar niet bekend is wie de kinderbeschermingsmaatregelen zou gaan uitvoeren. Dit heeft de GI tijdens het bemiddelingsgesprek op 20 april 2020 ook bevestigd. Daarnaast heeft de jeugdprofessional in mei 2019 twee keer een contactmoment begeleid en heeft zij de moeder telefonisch benaderd voor wat betreft de toegang tot het leerling-volg-systeem.
Het is niet de jeugdprofessional, maar de organisatie die verantwoordelijk is voor de aanstelling van een jeugdbeschermer indien een nieuwe gecertificeerde instelling betrokken raakt. Zij betreurt het dat door de GI een verkeerde verwachting is gewekt, maar hierop heeft zij geen invloed kunnen uitoefenen. De brief van 9 mei 2019 is zonder haar medeweten gestuurd. De jeugdprofessional heeft de moeder bovendien in het begin duidelijk gemaakt dat zij niet de nieuwe jeugdbeschermer was. Reeds om die reden is het voor haar geen verplichting geweest om een plan van aanpak te maken. Bovendien is zij op grond van de Jeugdwet of de Beroepscode niet gehouden om een nieuw plan van aanpak te maken na vervanging van een gecertificeerde instelling. In zijn algemeenheid, en zeker in deze complexe zaak, is het van belang dat wordt uitgegaan van de informatie die al bekend is en dat verder wordt gewerkt aan de gestelde doelen. Er moet vertrouwd kunnen worden op de deskundigheid van de collega’s bij een andere gecertificeerde instelling. Een nieuwe jeugdbeschermer heeft wel de verantwoordelijkheid te beoordelen of het plan nog wijzigingen behoeft. De jeugdprofessional heeft zich wel degelijk ingespannen om zich in het dossier in te lezen. Zij heeft het dossier opgehaald uit een andere regio dan waar zij werkzaam is, heeft contact gehad met [GI2] en heeft het dossier ook doorgenomen. Zij was op dat moment nog in de veronderstelling dat zij enkel de taak had om de contactregeling te begeleiden.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
In het Protocol externe overdracht ondertoezichtstelling wordt aangegeven hoe een ondertoezichtstelling moet worden overgedragen aan een andere gecertificeerde instelling. Uit artikel 2 sub e volgt dat de GI dient te beoordelen of het bestaande plan van aanpak wijzigingen behoeft of dat de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel kan worden voortgezet volgens het bestaande plan van aanpak. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat zij op 11 mei 2019 bekend werd met het gegeven dat zij namens de GI belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Op 13 mei 2019 heeft vervolgens een overdrachtsgesprek plaatsgevonden met [GI2], waarbij zij het dossier niet heeft ontvangen. Op 16 mei 2019 heeft de jeugdprofessional het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling ingediend, waarbij het plan van aanpak (zoals opgesteld door [GI2]) als ingelast dient te worden beschouwd. Het College volgt de jeugdprofessional in haar verweer dat zij op de deskundigheid van haar collega-jeugdprofessionals bij een andere gecertificeerde instelling mag vertrouwen. Bovendien is de jeugdprofessional op grond van voornoemd artikel niet verplicht tot het opstellen van een nieuw plan van aanpak, nadat de ondertoezichtstelling is overgedragen.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zonder overleg een rapportage betreffende de ondertoezichtstelling en een verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling is opgesteld en verzonden aan de rechtbank.

Toelichting:

In het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling van 16 mei 2019 – welke de jeugdprofessional nog geen week na haar aanstelling heeft opgesteld – staat geschreven dat vanuit [GI2] op 8 en 13 mei 2019 een overdracht is geweest. Hieruit kan volgens de moeder worden opgemaakt dat de jeugdprofessional het dossier niet kende ten tijde van het opstellen van het verzoekschrift. De moeder vermoedt, gelet op de inhoud van het verzoekschrift, dat deze is opgesteld door de vorige jeugdbeschermer. Op pagina 3 staat dat het verzoekschrift niet met de moeder is besproken, omdat de GI te laat is met rapporteren. Het plan van aanpak en een verslag waar op dezelfde pagina naar wordt verwezen heeft de moeder nooit ontvangen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Zoals gezegd werd de jeugdprofessional onverwacht geconfronteerd met een veel uitgebreidere opdracht dan door de GI aan haar was verteld. Bij het inlezen in het dossier bleek dat de einddatum van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nabij was. De jeugdprofessional moest hiermee onmiddellijk aan de slag. Het was noodzakelijk dat de kinderbeschermingsmaatregelen verlengd werden, de zoon woonde op dat moment al drie jaar niet meer thuis. Het niet verlengen van de kinderbeschermingsmaatregelen zouden voor hem zeer veel onrust en onveiligheid met zich hebben meegebracht. De jeugdprofessional erkent dat zij te laat was met het rapporteren richting de rechtbank. De omstandigheid dat de verzoeken per ommegaande moesten worden ingediend heeft ertoe geleid dat zij geen mogelijkheid meer had om de verzoeken met de moeder (en pleegouders) te bespreken. Dat is niet de gebruikelijke en evenmin de gewenste gang van zaken. Hieruit mag echter niet zonder meer worden afgeleid dat de moeder hierdoor in haar belangen is geschaad. De jeugdprofessional heeft aan de rechtbank medegedeeld dat de verzoeken niet waren besproken met de moeder. De moeder heeft voorafgaand aan de zitting in het verzoekschrift van de GI geknipt en zaken aangepast en vervolgens dit verzoek naar de rechtbank opgestuurd. De moeder heeft ook ter zitting verweer kunnen voeren. Het klopt dat de jeugdprofessional grotendeels, ten behoeve van de procedure, het gezinsplan van [GI2] heeft overgenomen. Zij had immers nog geen gelegenheid gehad grondig onderzoek te doen of zich volledig in te lezen. Het verzoekschrift tot verlenging van een maatregel moet uiterlijk acht weken voor de einddatum worden ingediend. De kinderbeschermingsmaatregelen zouden op 15 juli 2019 eindigen. De jeugdprofessional is van mening dat de door haar gekozen werkwijze de beste was. Zij had in ieder geval het gevoel dat het (nog) niet haar plaats was om conclusies te trekken en had uitsluitend beschikking over de informatie van [GI2]. Zij herhaalt dat zij mag vertrouwen op de informatie van een andere gecertificeerde instelling. Deze werkwijze komt ook overeen met het protocol externe overdracht ondertoezichtstelling.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Uit artikel 1 sub m van het Protocol externe overdracht ondertoezichtstelling volgt dat [GI2] het dossier binnen vijf werkdagen na de overdrachtsdatum, zoals bepaald in de rechterlijke uitspraak, feitelijk had moeten overdragen. Bij voorkeur vindt de overdracht plaats middels een overdrachtsgesprek waartoe het initiatief bij [GI2] ligt. Op 13 mei 2019 heeft het overdrachtsgesprek op initiatief van de jeugdprofessional plaatsgevonden, maar heeft zij het dossier feitelijk niet ontvangen. De jeugdprofessional heeft aangegeven dat zij op basis van de mondelinge overdracht en stukken van [organisatie] het verzoekschrift tot verlenging van de ondertoezichtstelling heeft opgesteld. In het verzoekschrift heeft zij duidelijk aangegeven dat zij slechts één contactmoment heeft begeleid (8 mei 2019) en dat de overdracht op 13 mei 2019 heeft plaatsgevonden. Ook heeft de jeugdprofessional duidelijk vermeld dat het verzoekschrift niet met de moeder is besproken, omdat de GI te laat is met rapporteren. Alhoewel het College het zorgvuldiger acht om de moeder vooraf te informeren dat het verzoekschrift niet kon worden besproken, oordeelt het College dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De jeugdprofessional heeft door voornoemde vermelding de rechtbank transparant geïnformeerd. Voor de volledigheid merkt het College nog op dat de stelling van de jeugdprofessional, dat de moeder in het verzoekschrift zou hebben geknipt en geplakt, niet door de jeugdprofessional is onderbouwd.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de bij beschikking vastgestelde contactregeling en opdracht van de rechtbank niet worden uitgevoerd.

Toelichting:

Op 23 januari 2019 heeft de kinderrechter de opdracht gegeven tot inzet van SofS. In dezelfde beschikking staat opgenomen dat sprake was van vier uur contact per week. De kinderrechter heeft het verzoek van de moeder tot wijziging van de contactregeling afgewezen, omdat hij van mening was dat de contactmomenten in het kader van SofS konden worden uitgebreid. Ondanks dat de jeugdprofessional de beschikking meerdere malen uitgereikt heeft gekregen, heeft zij hier niks mee gedaan. Tot op heden heeft zij enkel de mondelinge overdracht van [GI2] opgevolgd, namelijk om de week een begeleid contactmoment van 75 minuten. De jeugdprofessional stuurt geregeld schriftelijke aanwijzingen waarin de verkeerde frequentie van de contactmomenten staat vermeld.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De moeder beweert steeds dat zij recht heeft op vier uur onbegeleid contact per week, maar dit is niet correct. Volgens de beschikking van 16 juni 2017 heeft de moeder recht op één begeleid contactmoment in de veertien dagen, waarbij de verdere invulling of uitbreiding ter bepaling van de jeugdbeschermer is. [GI2] heeft dit uitgebreid van zestig naar 75 minuten. In de periode dat [organisatie] betrokken was zijn er meer en langer durende contactmomenten van twee uur geweest, zodat de interactie geobserveerd kon worden. De overige twee uur waren bedoeld voor de ouder-kind therapie. Na beëindiging van de betrokkenheid van [organisatie] zijn de contactmomenten teruggegaan naar 75 minuten per veertien dagen. SofS is een traject waarbij een kind thuis woont en een heel netwerk om hem heen is gebouwd en professionele hulp wordt ingezet om het gezin en kind(eren) te coachen. De zoon woont echter sinds april 2016 niet meer thuis. In de visie van de GI is SofS daarom een gepasseerd station. De GI heeft met een beroep op artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet de originele rapportage bij [organisatie] opgevraagd, om helderheid te krijgen over de inzet van SofS. Een reactie hierop bleef uit. Om die reden heeft de jeugdprofessional op 7 juni 2019 contact gezocht met [organisatie]. Later werd duidelijk dat [organisatie] het rapport niet beschikbaar stelt, omdat de moeder niet wil dat dit wordt verstrekt. Een (gedeeltelijke) terugplaatsing van de zoon is volgens de GI niet in zijn belang. De kans van slagen is zeer klein, uit verschillende onderzoeken (NIFP, [organisatie] en de bevindingen van de vorige jeugdbeschermers) blijkt telkens dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de belevingswereld van de zoon.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Zoals onder 2.4 van deze beslissing is weergegeven heeft de kinderrechter op 16 juni 2017 een contactregeling vastgesteld. Deze contactregeling is leidend, totdat deze door de kinderrechter wordt gewijzigd, dan wel dat de kinderbeschermingsmaatregelen worden opgeheven. Partijen hebben geen stukken overgelegd waaruit een bij beschikking vastgelegde wijziging van de contactregeling blijkt. In de beschikking waar de moeder naar verwijst staat dat [GI2] het volgende standpunt naar voren heeft gebracht: “Naast de bezoeken aan [organisatie] vindt er momenteel twee keer per week twee uur reguliere omgang plaats”. Anders dan de moeder leest het College in deze beschikking niet dat de in 2017 vastgestelde contactregeling is gewijzigd. Wel leest het College dat [GI2] gebruik heeft gemaakt van de gegeven bevoegdheid om de contactregeling (tijdelijk) uit te breiden in het kader van het traject bij [organisatie]. Dit betekent echter niet dat de contactregeling is gewijzigd. De jeugdprofessional heeft zich dus aan de bij beschikking vastgestelde contactregeling gehouden, namelijk één keer in de twee weken een begeleid contactmoment.

Wat betreft het inzetten van SofS het volgende. In de beschikking van 23 januari 2019 staat dat [organisatie] en [GI2] afspraken moeten maken over de start van SofS. Uit de bij het verweerschrift overgelegde e-mailcorrespondentie tussen de jeugdprofessional en [organisatie] blijkt dat de jeugdprofessional op 19 juli 2019 om informatie heeft verzocht bij [organisatie]. De directeur van [organisatie] heeft dit verzoek vervolgens aan de moeder voorgelegd. Op 30 september 2019 heeft de directeur van [organisatie] laten weten “vooralsnog geen aanleiding te zien om het oorspronkelijk en volledige verslag te verstrekken”. Deze reactie bevreemdt het College. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet, dient informatie aan de gecertificeerde instelling die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling te worden verstrekt, indien deze informatie noodzakelijk is voor de uitvoering van deze kinderbeschermingsmaatregel. Deze informatie kan zonder toestemming van de betrokkene(n) en indien nodig met doorbreken van de geheimhouding worden verstrekt. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional in lijn met de gegeven opdracht contact heeft gezocht met [organisatie], om meer informatie te krijgen over de inzet van SofS. Het valt de jeugdprofessional naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk te verwijten dat de door de kinderrechter gegeven opdracht, afspraken maken omtrent de inzet van SofS, niet is of niet kon worden uitgevoerd. Aangezien [organisatie] haar de verzochte informatie niet (heeft) verstrekt.

4.3.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat het ouderlijk gezag continue wordt genegeerd bij het nemen van beslissingen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft zich vanaf het begin niet of zelden bereid getoond tot overleg, noch de samenwerking met de moeder opgezocht. Dit heeft ertoe geleid dat zij het ouderlijk gezag van de moeder heeft genegeerd en beslissingen heeft genomen zonder de moeder daarbij te betrekken. Zo is de moeder niet betrokken geweest bij de aanmelding voor zwemles van de zoon, de plaatsing op een buitenschoolse opvang, de invulling van (school)vakanties en de intensieve zorg die de zoon en het pleeggezin ontvangen.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Allereerst dient opgemerkt te worden dat een jeugdbeschermer nooit alleen besluiten neemt. Er vindt altijd een multidisciplinair overleg (MDO) plaats. In deze casus is ook veelvuldig overleg met de juridische afdeling geweest. Tevens vindt de jeugdprofessional het van belang om zoveel als mogelijk afstemming te hebben met de betrokken ouder(s).
Op 16 september 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden met de pleegzorgwerker, de gedragsdeskundigen van [pleegzorgorganisatie] en de GI, de pleegmoeder en de jeugdprofessional. De moeder was niet uitgenodigd, gelet op de spanningen tussen haar en de pleegmoeder. De pleegmoeder voelt zich in aanwezigheid van de moeder niet veilig genoeg om haar zorgen omtrent de zoon te bespreken. Tijdens het overleg is besloten dat de module Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling ingezet wordt in het pleeggezin, omdat de pleegmoeder aangaf extra ondersteuning te willen hebben. Daarnaast is afgesproken dat opvang voor de zoon zou komen tijdens de vakantie voor twee dagen per week, omdat de pleegouders sinds augustus 2019 geen oppas meer hadden.
Voor de zwemlessen is een indicatie bijzondere kosten aangevraagd en verleend. De bepaling werd door de gemeente niet direct afgegeven, omdat de moeder dit niet wilde. Ook voor de bepaling wat betreft de naschoolse opvang ontstonden problemen. De jeugdprofessional heeft meermaals hierover contact gehad met de gemeente. Voor een bepaling jeugdhulp is geen toestemming van de moeder nodig. De moeder heeft nooit met de jeugdprofessional in gesprek willen gaan over de opvang en de zwemles. De jeugdprofessional wilde samen met de moeder naar de opvang gaan, maar dit is niet van de grond gekomen omdat de moeder dit pertinent weigerde en in e-mailcorrespondentie haar ongenoegen uitte. Toen de jeugdprofessional betrokken raakte zat de zoon al op zwemles, de pleegmoeder had hem hier voor aangemeld. Het is juridisch niet vaststaand dat een pleegouder een dergelijke beslissing ter invulling van de vrije tijd van een pleegkind mag nemen. De jeugdprofessional had geen aanleiding om hierin te interveniëren. De moeder kan ook altijd informatie vragen aan de pleegmoeder, maar dat doet zij niet. Op de informatie die zij van de pleegmoeder krijgt, reageert zij niet.
Wat betreft de vakantie van de pleegouders met de zoon, verbleven zij in Nederland en was het adres bij de GI bekend. Dit verblijf valt dus onder de machtiging uithuisplaatsing en derhalve is geen toestemming van de moeder nodig. Uiteraard was de vakantie wel met de moeder besproken. Ook heeft de jeugdprofessional aangegeven dat de gemiste contactmomenten worden ingehaald, hetgeen schriftelijk aan de moeder is bevestigd.

Concluderend is de jeugdprofessional van mening dat de personen die betrokken zij bij de zoon proberen om de moeder te informeren. Zo ook de jeugdprofessional. Het blijkt echter zeer moeilijk te zijn om de moeder te betrekken bij de hulpverlening. Alle handelingen geven aanleiding voor strijd. De moeder heeft steeds haar eigen waarheid, vertrouwt de betrokken hulpverleners niet, verdraait woorden en trekt haar eigen conclusies. Samenwerking kan niet tot stand komen als de moeder hiertoe niet bereid is. De jeugdprofessional heeft zonder meer de intentie gehad om de moeder te betrekken bij beslissingen. De moeder dient dan wel open te staan voor overleg en de voorstellen van de jeugdprofessional serieus te nemen.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Uit artikel 1.1 van de Jeugdwet volgt dat pleegouders een pleegkind als behorende tot het gezin verzorgen en opvoeden. Dit betekent dat het pleegkind zoveel als mogelijk meedraait in het dagelijkse gezinsleven. Hieronder vallen volgens het College bijvoorbeeld activiteiten als de naschoolse opvang en de zwemlessen. Uit het verweerschrift blijkt bovendien dat de zoon al op zwemles zat toen de jeugdprofessional betrokken raakte. Dat de vorige jeugdbeschermer kennelijk geen toestemming aan de moeder heeft gevraagd voor de aanmelding voor de zwemles valt niet tuchtrechtelijk aan de jeugdprofessional te verwijten. Voorts volgt uit artikel 7.3.4 lid 1 jo. artikel 1.1 van de Jeugdwet dat voor het verlenen van jeugdhulp aan de zoon geen toestemming van de moeder nodig is, omdat een ondertoezichtstelling is uitgesproken. Wat betreft de vakantie wordt in het veld verschillend gedacht of indien sprake is van een machtiging uithuisplaatsing toestemming aan de gezaghebbende ouder(s) moet worden gevraagd voor een vakantie in Nederland. De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift aangegeven dat de moeder is geïnformeerd over de vakantie en dat de gemiste contactmomenten op een later moment ingehaald konden worden. De moeder heeft dit niet betwist. Hierdoor is het College van oordeel dat de jeugdprofessional op dit punt zorgvuldig heeft gehandeld, waardoor haar geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat onterecht schriftelijke aanwijzingen zijn gegeven met onjuiste voorlichting aan de rechtbank. Tevens heeft de jeugdprofessional gedreigd schriftelijke aanwijzingen te zullen geven.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen gegeven zonder dat daarvoor een geldige reden met onderbouwing aan ten grondslag ligt. De schriftelijke aanwijzingen zijn gebaseerd op een gesprek welke steeds door de jeugdprofessional wordt uitgesteld. Als het dan tot een afspraak komt, weigert de jeugdprofessional te beginnen of kapt ze het gesprek af. Tijdens en na het gesprek van 11 maart 2020 heeft de jeugdprofessional zich dreigend, intimiderend en arrogant opgesteld. In de schriftelijke aanwijzing verklaart de jeugdprofessional vervolgens – onterecht – dat de moeder de afspraak van 18 maart 2020 niet is nagekomen of heeft afgezegd. De moeder heeft de afspraak duidelijk in de brief van 11 maart 2020 afgezegd. De jeugdprofessional heeft de rechtbank hierover dus verkeerd voorgelicht. Op 20 april 2020 was een nieuwe poging voor een gesprek, welke door de jeugdprofessional is beëindigd. Met dit handelen frustreert de jeugdprofessional de contactregeling en de thuisplaatsing van de zoon.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist met klem dat zij de moeder heeft bedreigd, geïntimideerd of op andere wijze heeft beledigd. De jeugdprofessional behandelt al haar cliënten professioneel en met respect. De jeugdprofessional kan direct zijn, maar zij probeert altijd de samenwerking op te zoeken en goede informatie te verschaffen, waarbij zij de gewoonte heeft om een ouder duidelijk te wijzen op de consequenties die uit bepaalde keuzes kunnen voortvloeien. Dit ziet zij als haar verantwoordelijkheid als jeugdbeschermer.
Op 11 maart 2020 vond een contactmoment plaats, de moeder wilde graag voorafgaand een gesprek om het contactmoment te evalueren. De jeugdprofessional heeft toen uitgelegd dat dit niet verstandig was en dat zij na afloop met elkaar in gesprek konden gaan. Dit om spanningen bij de zoon te voorkomen. Tijdens het contactmoment bleek dat de moeder een geluidsopname aan het maken was. De jeugdprofessional heeft de moeder hierop aangesproken en aangegeven dat dit niet mocht. De moeder reageerde daar fel op, wat tot onrust leidde bij de zoon. De jeugdprofessional heeft er toen voor gekozen om niet in discussie te gaan. Na het contactmoment heeft de jeugdprofessional duidelijk proberen te maken dat het maken van geluidsopnames mag, maar dat dit in overleg moet plaatsvinden. Het beleid van de GI is dat een verklaring wordt ondertekend waarin staat dat de geluidsopname alleen voor privédoeleinden gebruikt mag worden. Na herhaalde verzoeken om de geluidsopname te stoppen heeft de jeugdprofessional het gesprek gestopt, omdat een patstelling ontstond. De moeder vindt dat zij te allen tijde het recht heeft om geluidsopnamen te maken. Dit was niet de eerste keer dat de jeugdprofessional in gesprek is gegaan over het maken van geluidsopnamen. De moeder is niet bedreigd, geïntimideerd, onheus of onprofessioneel behandeld. Integendeel, de jeugdprofessional is kalm gebleven en heeft steeds geprobeerd het beleid van de GI rustig uit te leggen.
Op 18 maart 2020 stond een nieuw evaluatiegesprek gepland. Omdat de jeugdprofessional niet wist of de moeder wel of niet zou komen, zij had geen bericht van haar ontvangen, is de jeugdprofessional ondanks de net ingetreden coronamaatregelen speciaal voor de moeder afgereisd naar kantoor. Zij heeft een half uur gewacht, maar de moeder is niet verschenen.

De jeugdprofessional betwist bovendien dat de rechtbank verkeerd is ingelicht. Als iets verkeerd beschreven zou staan in de schriftelijke aanwijzing, had de moeder dit na de vooraankondiging kenbaar kunnen maken. Daarnaast had de moeder tijdens de zitting waar de schriftelijke aanwijzing wordt getoetst hier een melding van kunnen maken, alsook tijdens het evaluatiegesprek van 20 april 2020. Dat heeft zij niet gedaan. Voornoemd gesprek is door de jeugdprofessional niet afgebroken, zij heeft de moeder juist gecomplimenteerd dat zij altijd op tijd aanwezig is, en iets voor de zoon meeneemt. Ook tijdens het hierop aansluitende klachtgesprek heeft de moeder niets gemeld over hetgeen zij in haar toelichting naar voren brengt.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:
Op grond van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek is de jeugdprofessional bevoegd een schriftelijke aanwijzing te geven betreffende de verzorging en opvoeding van de zoon. Hieronder valt ook de invulling van de contactregeling (wat kan wel en niet gedaan worden) en het gewenste gedrag van de ouder(s). Van het onterecht geven van een schriftelijke aanwijzing of hiermee dreigen is daarom geen sprake. Wel acht het College het onzorgvuldig dat de jeugdprofessional in de schriftelijke aanwijzing van 7 mei 2020 heeft opgenomen dat de moeder niet is verschenen op een afspraak om de contactmomenten te evalueren. In het dossier treft het College namelijk een brief van de moeder, gericht aan de jeugdprofessional, waarin zij de afspraak tijdig afzegt.  Het College volgt de jeugdprofessional echter in haar verweer dat de moeder deze onjuistheid gemotiveerd had kunnen aantonen bij de rechtbank, waardoor zij niet in haar rechten of belangen is geschaad.

4.5.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5 Klachtonderdeel 6

4.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat het advies van de Raad voor de Kinderbescherming wordt genegeerd.

Toelichting:
De rechtbank heeft in maart 2019 de een onderzoek gelast naar een gezagsbeëindigende maatregel. Dit raadsonderzoek is op 20 februari 2020 afgerond. Alle betrokkenen zijn als informanten gehoord. Zo ook de jeugdprofessional en het pleeggezin. De jeugdprofessional was en is het niet eens met de positieve uitkomst van het raadsonderzoek. Zij heeft de RvdK daarom verzocht om binnen veertien dagen hun advies te wijzigen naar een gezagsbeëindigende maatregel. De RvdK is hier niet op ingegaan en bij het gegeven advies gebleven.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Op grond van artikel 1:267 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek mag een gecertificeerde instelling de RvdK in bepaalde gevallen verzoeken een afwijzende beslissing op een verzoek tot onderzoek naar gezagsbeëindiging voor te leggen aan de rechtbank. In dit specifieke geval was dit niet mogelijk omdat de RvdK onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van een opdracht van de rechtbank. Dat de GI deze weg heeft willen bewandelen is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De jeugdprofessional sluit zich aan bij de visie van de GI dat de aanvaardbare termijn voor de zoon na vier jaar verblijf in een pleeggezin is verstreken. Het hoort bij de uitoefening van haar vak om hier een eigen standpunt over in te nemen. Daarmee handelt zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, maar laat zij juist zien dat zij haar verantwoordelijkheid neemt.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:
Gelet op de formulering van het verwijt, dient dit klachtonderdeel ongegrond te worden bevonden. Het is namelijk aan de rechtbank voorbehouden om het advies van de RvdK om het ouderlijk gezag van de moeder niet te beëindigen, over te nemen dan wel te ‘negeren’ en het gezag alsnog te beëindigen. Voorts betekent het hebben van een andere mening niet dat de jeugdprofessional het advies van de RvdK heeft genegeerd. Het hebben van een andere mening is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, zolang de jeugdprofessional de mening goed kan onderbouwen. In het verweerschrift staat duidelijk uitgelegd waarom de jeugdprofessional de noodzaak zag om de RvdK te verzoeken het advies aan te passen. Bovendien is de moeder niet in haar rechten geschaad, de RvdK heeft het verzoek afgewezen en de rechtbank heeft het advies van de RvdK overgenomen.

4.6.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.7 Klachtonderdeel 7

4.7.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat het verzoek tot wijziging van jeugdbeschermer is genegeerd. Daarnaast is sprake geweest van privacy schending en heeft zij het advies en opdracht van de RvdK genegeerd.

Toelichting:
In overleg met haar advocaat heeft de moeder middels een brief een verzoek tot wijziging van jeugdbeschermer bij de jeugdprofessional neergelegd. Deze brief blijkt niet aan haar manager te zijn gegeven, maar – zoals zij zelf heeft verklaard – door haar te zijn vernietigd. De advocaat van de moeder is noodgedwongen een geschillenregeling gestart, aangezien de jeugdprofessional de ondertoezichtstelling niet uitvoert en het advies van de RvdK negeert.
In januari 2020 heeft een klachtgesprek plaatsgevonden, maar hier is nooit een terugkoppeling op gegeven. Na ontvangst van het concept raadsrapport heeft de moeder diverse keren geprobeerd om een nieuw overleg te plannen met de jeugdprofessional, over hoe te handelen naar aanleiding van het raadsrapport. Door tussenkomst van de advocaat van de moeder vindt dit gesprek op 20 april 2020 plaats. Tijdens dit gesprek is besloten dat de jeugdprofessional vervangen wordt. Tevens wordt de privacy schending besproken, waarbij de jeugdprofessional zonder uitleg of overleg beschikkingen deelt met derden. Op verdere vragen is middels een brief van 4 mei 2020 gereageerd.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Wat betreft het verwijt van de moeder dat de jeugdprofessional het advies en de opdracht van de RvdK heeft genegeerd, verwijst de jeugdprofessional naar haar verweer onder klachtonderdeel 6.

De onderbouwing van de klacht wat betreft de schending van de privacy laat te wensen over. Voor zover dit gaat over het verstrekken van de beschikking van 29 november 2019 heeft de jeugdprofessional al gewezen op dat de betrokken hulpverleners uitsluitend de eerste pagina en het dictum hebben ontvangen. De jeugdprofessional verwijst hiervoor naar het overgelegde gespreksverslag van het bemiddelingsgesprek van 20 april 2020. Hieruit blijkt dat dit met de moeder is besproken en is uitgelegd dat de privacygevoelige informatie is afgeplakt. Hetgeen de moeder stelt is daarom feitelijk onjuist. Tijdens het voornoemde bemiddelingsgesprek is ook gesproken over de benoeming van een nieuwe jeugdbeschermer. De jeugdprofessional wil een aantal zaken benadrukken. De jeugdprofessional heeft herhaaldelijk in haar team en bij haar leidinggevende kenbaar gemaakt dat zij zichzelf niet de juiste jeugdbeschermer vond. De uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen trok een zware wissel, vooral op haar gezondheid. Het was een zeer intensieve casus die nauwelijks uit te voeren was. De jeugdprofessional heeft zelf verzocht om ondersteuning van een collega te krijgen en/of vervangen te worden. Dit lukte steeds niet. De casuïstiek van de kinderbeschermingsmaatregelen die de GI uitvoert is over het algemeen zeer complex te noemen, en zo ook deze casus. De naaste medewerkers worden fors belast. De jeugdprofessional heeft voor haar eigen (over)belasting vele malen aandacht gevraagd en zij voelt zich door de organisatie onvoldoende gehoord. Zij rekent het zichzelf aan dat zij niet (nog) duidelijker is geweest in haar stellingname dat zij niet de juiste hulpverlener was. Zij onderkent dat zij daarin onvoldoende doortastend is geweest en is van mening dat dit voor haar een leerpunt is. Zij heeft hierbij inmiddels ondersteuning gezocht. Ondanks dat de jeugdprofessional herhaaldelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij niet de juiste hulpverlener in deze casus was, mag daaruit niet zondermeer de conclusie worden getrokken dat zij haar werk niet goed of niet volgens de professionele standaard heeft verricht. De jeugdprofessional heeft zich bijzonder ingespannen om beslissingen te nemen die in het belang van de zoon waren en benoemt in haar verweerschrift meerdere voorbeelden. De jeugdprofessional heeft zich ook ingespannen om tot een samenwerking met de moeder te komen. Dit blijkt echter onmogelijk. Inmiddels zijn drie verschillende gecertificeerde instellingen betrokken geweest. Bij [GI2] zijn zelfs meerdere wisselingen van jeugdbeschermer geweest. Steeds is de conclusie dat het niet mogelijk is om een samenwerkingsrelatie met de moeder op te bouwen. De moeder lijkt niet te kunnen reflecteren op het aandeel dat zij heeft in de moeizame relaties met instanties en hulpverleners.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:
Vooropgesteld staat dat het aan de GI is om te bepalen wie belast wordt met de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen. De jeugdprofessional kan niet zelf een andere jeugdbeschermer aanwijzen. Voorts wordt de stelling van de moeder, dat de jeugdprofessional de brief aan de manager heeft vernietigd, niet met stukken onderbouwd.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht blijkt dat de jeugdprofessional meermaals bij het management/de leidinggevende heeft verzocht om zichzelf te laten vervangen door een collega. Gelet op het rëintegratietraject waarin de jeugdprofessional zich bevond, acht het College het niet wenselijk dat de GI de jeugdprofessional als jeugdbeschermer heeft aangewezen zonder haar medeweten. Tegen de jeugdprofessional was immers verteld dat zij de contactmomenten tussen de moeder en de zoon zou begeleiden. Het College had graag gezien dat de manager/leidinggevende en de jeugdprofessional eerder met elkaar in gesprek waren gegaan om tot een passende oplossing te komen. Het College begrijpt dat de werkdruk in het veld hoog is, en dat mogelijk sprake is van te weinig personeel. Dit ontslaat de GI echter niet van hun verantwoordelijkheid om de werknemers voldoende ondersteuning te bieden. Het College betreurt het dan ook dat de jeugdprofessional opnieuw is uitgevallen.
Ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional de privacy heeft geschonden door het verspreiden van beschikkingen overweegt het College het volgende. Het is voor het College niet duidelijk welke beschikkingen de moeder bedoelt. In het verslag van het bemiddelingsgesprek zoals is opgesteld door de GI staat dat in de beschikking(en) met betrekking tot toestemming voor wijziging van de huisarts, de tandarts en het aanvragen van een paspoort de privacygevoelige gegevens zijn afgeplakt. Het is de taak van de jeugdprofessional om, nadat de (kinder)rechter vervangende toestemming heeft gegeven voor bijvoorbeeld de aanvraag van een paspoort, de relevantie instantie hiervan op de hoogte te brengen. Dat de privacygevoelige gegevens zijn afgeplakt acht het College conform de geldende privacywetgeving.

Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de opdracht en het advies van de RvdK heeft genegeerd, verwijst het College naar het oordeel onder 4.6.3 van deze beslissing.

4.7.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.8 Klachtonderdeel 8

4.8.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat alle adviezen van professionals en het onderzoek van het [ziekenhuis] (ziekenhuis) zijn genegeerd.

Toelichting:
Ondanks alle verklaringen en beoordeling van professionals voor thuisplaatsing van de zoon en de positieve uitkomsten van onderzoeken door [organisatie] en het [ziekenhuis], blijft de jeugdprofessional stug haar eigen weg volgen. Het is de zoon in december 2018 door de [GI2] toegezegd dat hij teruggeplaatst zou worden met ondersteuning van SofS. Dit staat ook in de beschikking van 23 januari 2019. Deze opdracht wordt door de jeugdprofessional genegeerd en alle adviezen hieromtrent worden vernietigd.

4.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Uit het gehele verweerschrift blijkt dat adviezen van professionals wel degelijk zijn meegewogen. In de rechterlijke beschikking valt te lezen dat ook de rechtbank van oordeel is dat de aanvaardbare termijn voor de zoon is verstreken. Hoewel de RvdK vindt dat een aantal vragen niet beantwoord is, vindt de jeugdprofessional dat het belang van de zoon het meest is gediend met stabiliteit en zekerheid over zijn verblijfplaats. Doordat de moeder voortdurend in conflict is met de hulpverleners, de plaatsing van de zoon niet kan accepteren en dit ook uitstraalt, blijft de situatie waarbij de zoon niet de hulp krijgt hij nodig heeft in stand. Dit vindt de jeugdprofessional erg jammer. Het is noodzakelijk dat de zoon hulp krijgt voor zijn trauma’s en dat hij daarnaast een goede band met de moeder kan opbouwen waarbij hij wel de veiligheid ervaart dat iedereen om hem heen handelt in zijn belang.

4.8.3 Het College overweegt als volgt:
Van een jeugdprofessional wordt verwacht dat hij/zij autonoom handelt. Dit betekent dat de jeugdprofessional een zekere handelingsruimte heeft waarin hij/zij de vrijheid heeft om richting te bepalen in vaak complexe situaties. Dit wil niet zeggen dat uitsluitend op basis van persoonlijk inzicht of intuïtie gehandeld mag worden. Op basis van de voorliggende stukken en eigen observaties dient de jeugdprofessional (in overleg met collega’s) zijn/haar afwegingen te maken en indien deze afwijken, dit uit te kunnen leggen. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift duidelijk uitgelegd waarom zij van mening is dat de aanvaardbare termijn voor de zoon is verstreken en wat volgens haar het meest in zijn belang is. Dat de jeugdprofessional een andere mening heeft dan de overige betrokken hulpverleners valt in dit geval dus niet tuchtrechtelijk aan haar te verwijten. Het laat naar het oordeel van het College juist zien dat zij zich bewust is van haar autonomie als individueel handelend jeugdprofessional.

4.8.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 25 mei 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                               mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                      secretaris