Maak een selectie

727 van 727

   

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij niet aan waarheidsvinding doet. Zij vraagt zich af hoe zij fatsoenlijk met de jeugdprofessional kan samenwerken en met welk vertrouwen als er geen waarheidsvinding word gedaan.

20.090Ta Beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 25 mei 2020

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. S.C. van Duijn, hierna te noemen: de voorzitter, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist over de door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [Woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugd- en gezinsprofessional bij [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2020 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2020 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

–  de klaagschriften ontvangen op 4 maart 2020 en 1 april 2020, en aangepast en samengevoegd tot één klaagschrift op 27 april 2020.

De voorzitter heeft de stukken gelezen en heeft op grond van artikel 7.9 sub a van het Tuchtreglement, versie 1.3, besloten om direct over te gaan tot de beoordeling van het klaagschrift.

2     De klachtonderdelen en de beoordeling

2.1 Klachtonderdeel 1

2.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij niet aan waarheidsvinding doet. In de toelichting op de klacht verwijst de moeder naar een bijgevoegd e-mailbericht van de jeugdprofessional aan haar van 3 maart 2020, waarin een aantal onderwerpen is opgenomen die besproken moesten worden. In een zin op pagina 2 van genoemd
e-mailbericht schrijft de jeugdprofessional dat hij niet aan waarheidsvinding doet. Het gaat de moeder er niet om op welke vraag dat een antwoord is, maar om de uitspraak zelf. Hoe kan de moeder nu fatsoenlijk met de jeugdprofessional samenwerken en met welk vertrouwen?

2.1.2 De voorzitter overweegt als volgt. In het door de moeder genoemde e-mailbericht schrijft de jeugdprofessional het volgende: “Betreft het aanspreken van vader. Vader heeft een ander verhaal over jullie ontmoeting. Hij geeft aan dat hij jou wel heeft gezien, maar verder geen contact heeft gemaakt. Ik doe niet aan waarheidsvinding en kan hem dus niet aanspreken op bepaald gedrag waar ik geen getuige van ben geweest”. De voorzitter verwijst in dit verband naar artikel 3.3 van de Jeugdwet dat betrekking heeft op waarheidsvinding. Dat artikel luidt als volgt: “De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren”. Op grond van dit artikel is de GI verplicht zich in zijn rapportages of verzoekschriften te focussen op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. Dat wordt bedoeld met waarheidsvinding. De voorzitter overweegt dat niet van een jeugdprofessional kan worden gevraagd om in elk voorkomend geval onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van beweringen van ouders die over en weer worden gedaan. Dat de moeder verklaart dat zij naar aanleiding van de genoemde opmerking van de jeugdprofessional over waarheidsvinding niet meer met vertrouwen met hem kan samenwerken, is daarom geen grond voor een klacht.  De voorzitter ziet dan ook geen enkele aanleiding voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de jeugdprofessional.

2.1.3 Op grond van artikel 7.9 lid a van het Tuchtreglement verklaart de voorzitter het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

2.2 Klachtonderdeel 2

2.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij zich niet aan de beschikkingen houdt en heeft ter ondersteuning van dit klachtonderdeel bijgevoegd de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2019 en de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020. In de toelichting op het klachtonderdeel heeft de moeder – kort samengevat – weergegeven dat in genoemde beschikkingen duidelijk staat opgenomen dat een kinderpsycholoog mee moet kijken met de minderjarige dochter, dan wel aanvullende hulp kan bieden.

2.2.2 De voorzitter overweegt het volgende. Het geformuleerde klachtonderdeel vindt geen steun in de onderbouwing. In de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2019 over de omgangsregeling tussen de dochter en de vader wordt nergens gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog. Ook in de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020 over de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt niet vermeld dat een kinderpsycholoog mee moet kijken. In die beschikking staat enkel op pagina 2, onder ‘Het standpunt van de belanghebbenden’, dat de moeder het belangrijk vindt dat de hulp van een kinderpsycholoog wordt ingezet en dat de vader achter dit plan staat. Onder ‘De beoordeling’ van de kinderrechter in deze beschikking wordt wel gesproken over het inzetten van een hulpverleningstraject, maar wordt niet specifiek de kinderpsycholoog genoemd. Uit het bijgevoegde e-mailbericht van 14 april 2020 van de moeder aan de jeugdprofessional blijkt dat er kennelijk wel gesproken is over een kinderpsycholoog maar niet dat dit een opdracht is geweest van de kinderrechter waaraan de jeugdprofessional gevolg had moeten geven. De voorzitter is daarom van oordeel dat uit de overgelegde beschikkingen, alsmede uit genoemd e-mailbericht niet blijkt dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door na te laten de hulp van een kinderpsycholoog in te zetten.

2.2.3 Op grond van artikel 7.9 lid a van het Tuchtreglement verklaart de voorzitter het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

3     De beslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 kennelijk ongegrond.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 25 mei 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter