Maak een selectie

727 van 727

   

De moeder is niet-ontvankelijk in haar klacht over de zorgcoördinator van het ondersteuningsteam van de school van haar zoon. De zorgcoördinator heeft geen werkzaamheden uitgevoerd in het jeugddomein, die vragen om de inzet van een geregistreerde jeugdprofessional.

19.311Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 20 december 2019

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

mevrouw M. Bijnoe, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 14 juli 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[De zorgcoördinator], beklaagde, werkzaam als coördinator van het ondersteuningsteam van het [naam college] College, locatie [locatie], hierna te noemen: de zorgcoördinator.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De zorgcoördinator wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. H.A.A. Berendsen, werkzaam als advocaat te Heerlen.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 14 juli 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 3 september 2019;
  • de door de gemachtigde van de zorgcoördinator tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 november 2019 in aanwezigheid van de moeder, de zorgcoördinator, de hiervoor genoemde gemachtigde en zijn kantoorgenoot, [kantoorgenoot]. Als toehoorder van de zijde van de zorgcoördinator is aanwezig geweest [toehoorder]. In het kader van een inwerktraject is tevens als toehoorder een tweede secretaris van het College aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een zoon, geboren in 2006.

2.2 De moeder oefent het gezag uit over de zoon.

2.3 De zoon is aan het begin van het schooljaar 2018-2019 gestart op het [College] College, hierna te noemen: de school.

2.4 De zorgcoördinator is sinds januari 2019 in dienst bij de Stichting [Stichting] in de functie van zorgcoördinator van het ondersteuningsteam van de school.

2.5 De zoon wordt vanuit de school ondersteund door de begeleider passend onderwijs, de mentor en de afdelingsleider.

2.6 De afdelingsleider heeft de moeder geïnformeerd dat de school het Samenwerkingsverband (verder: SWV) zou gaan inschakelen om te bekijken of speciaal onderwijs beter zou aansluiten bij de onderwijsbehoeften van de zoon. De school heeft daarvoor een toelaatbaarheidsverklaring aangevraagd bij het SWV. Het SWV heeft informatie nodig van de school om een afweging te kunnen maken ten aanzien van het meest passende schoolperspectief. Deze informatie dient bij de aanvraag van de toelaatbaarheidsverklaring te worden gevoegd.

2.7 De aanvraag van de toelaatbaarheidsverklaring is de taak en de verantwoordelijkheid van het   bevoegd gezag van de school, zijnde [Stichting]. In dit geval heeft de begeleider passend onderwijs de aanvraag opgesteld.

2.8 De zorgcoördinator heeft de psychologische onderzoeken en intern opgestelde rapportages over de zoon in het computersysteem geüpload en op 20 februari 2019 is deze informatie samen met de aanvraag verstuurd aan het SWV.

2.9 Nadat de moeder had aangegeven geen toestemming te verlenen voor de aanvraag van de toelaatbaarheidsverklaring heeft de school deze niet doorgezet.

2.10 De zorgcoördinator is sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 was zij geregistreerd als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     De ontvankelijkheid

3.1 De zorgcoördinator stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar klacht. De zorgcoördinator voert aan dat zij bij SKJ geregistreerd is vanwege haar vorige functie als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming. Voor haar huidige functie als coördinator van het ondersteuningsteam van de school bestaat geen registratieplicht. De zorgcoördinator heeft haar SKJ-registratie laten doorlopen omdat zij wilde bezien of haar nieuwe functie binnen het onderwijs haar zou bevallen. De kwaliteitsnorm die geldt voor geregistreerde professionals in het jeugddomein, geldt niet voor scholenorganisaties. De zorgcoördinator verricht haar werkzaamheden niet vanuit het jeugddomein. Bovendien bestond er tussen de zorgcoördinator en de zoon geen behandel- of professionele relatie in het kader van de Jeugdwet. Kortom, de werkzaamheden binnen de huidige functie van de zorgcoördinator vallen niet onder het bereik van haar SKJ-registratie, waardoor het College van Toezicht onbevoegd is om de klacht te behandelen.

3.2 Bovendien, zo stelt de zorgcoördinator, heeft de moeder reeds een klacht ingediend bij de school. Zij wijst de moeder op het feit dat zij haar klacht over de school ook kan indienen bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs of de Landelijke Geschillencommissie Passend Onderwijs.

3.3 De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangevoerd dat de zorgcoördinator verantwoordelijk is voor het bewaken van het proces, zoals staat opgenomen op de website van de school. In het verweerschrift heeft de zorgcoördinator geschreven dat de school vermoedt dat er sprake is van persoonlijke problematiek. Wanneer een zorgcoördinator dergelijke uitspraken doet, dient zij ook de verantwoordelijkheid hiervoor te nemen. De moeder is ervan overtuigd dat nu de zorgcoördinator geregistreerd is bij SKJ, zij aan het goede adres is.

3.4 Het College overweegt over de ontvankelijkheid van de moeder als volgt. Voordat de zorgcoördinator op de school kwam werken, is zij werkzaam geweest als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming en heeft zich in dat kader op [datum] 2013 in het beroepsregister van SKJ geregistreerd. Zoals de zorgcoördinator in haar verweerschrift, alsook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft verklaard, heeft zij haar registratie – om de hierboven weergegeven reden – laten doorlopen, waardoor zij ten tijde van het handelen waarover door de moeder wordt geklaagd, nog bij SKJ geregistreerd stond.

In het tuchtrecht van SKJ staat de kwaliteit van het handelen van de jeugdprofessional in het jeugddomein jegens betrokkenen centraal. Een ‘jeugdprofessional’ is volgens het Tuchtreglement (versie 1.3) van SKJ een “Beroepsbeoefenaar, geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ.” Het doel van het tuchtrecht is de kwaliteit van het handelen van de individuele jeugdprofessional ten behoeve van betrokkenen te bewaken, en de kwaliteit van de gehele beroepsgroep te bevorderen. Het ‘jeugddomein’ wordt in het Tuchtreglement als volgt gedefinieerd: “Tot dit domein behoren aanbieders van jeugdhulp, uitvoerders van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling, alsmede colleges van B&W voor zover het betreft de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de aangewezen voorziening en ten slotte justitiële jeugdinrichtingen, de Halt-bureaus en de Raad voor de Kinderbescherming.” 

Uit het Besluit Jeugdwet volgt dat beroepsregistratie bij SKJ geldt voor professionals die werken in de jeugdhulp en/of jeugdbescherming. De klacht van de moeder tegen de zorgcoördinator vloeit voort uit de zorgen die er kennelijk waren op de school over de zoon en de acties die er vervolgens zijn uitgezet om de zoon op een plek te kunnen plaatsen, die past bij zijn kwaliteiten en mogelijkheden. Het College overweegt dat de handelingen die de zorgcoördinator in dit specifieke geval heeft verricht, hun basis vinden in de Wet passend onderwijs en in zoverre vallen buiten het werkveld van een geregistreerde jeugdprofessional. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de zorgcoördinator desgevraagd verklaard dat een registratie bij SKJ geen vereiste was van haar werkgever om in aanmerking te kunnen komen voor haar huidige functie. Gelet op het bovenstaande is het College van oordeel dat de zorgcoördinator in casu geen werkzaamheden heeft uitgevoerd in het jeugddomein, die volgens de norm van de verantwoorde werktoedeling om de inzet van een geregistreerde jeugdprofessional vragen.

3.5 Het College is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar klacht en komt derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar klacht.

Aldus gedaan door het College en op 20 december 2019 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris