Maak een selectie

727 van 727

   

De klacht tegen de jeugdbeschermer is in beginsel op grond van het Tuchtreglement, versie 1.3 verjaard. De vader dient desgevraagd een gemotiveerd verzoek in om de klacht toch te behandelen. Daarbij stelt hij o.a. dat hij na de ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte is geraakt van het klachtwaardig handelen van de jeugdprofessional. De voorzitter van het College van Toezicht wijst het verzoek in een tussenbeslissing af. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt in dit geval niet.

20.023Ta Tussenbeslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 2 april 2020

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, hierna te noemen: de voorzitter, heeft beslist over het verzoek tot afwijking van de verjaringstermijn met betrekking tot het door:

[de vader], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [plaatsnaam],

op 17 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [de GI], hierna te noemen: de GI.  De jeugdprofessional is als jeugdzorgwerker van [datum] 2013 tot [datum] 2018  geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer J.S. Meij, werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Meijers, werkzaam als juridisch deskundige.

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 17 januari 2020;
  • het verzoek van de vader ontvangen op 5 februari 2020;
  • het verweerschrift van de jeugdprofessional ontvangen op 3 maart 2020.

1.2 In het klaagschrift wordt aangegeven dat de klacht gaat over het handelen van de jeugdprofessional in de periode van februari 2016 tot september 2019. Op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte. Een deel van de ingediende klacht (klachtonderdeel 1) is op grond van voornoemd artikel in beginsel verjaard, omdat bepaald handelen van de jeugdprofessional op het moment van indienen van de klacht meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.

1.3 In afwijking van voornoemd artikel, kan de voorzitter van het College van Toezicht op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement bepalen dat een klager alsnog ontvankelijk is in de klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter van het College van Toezicht voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij of zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De vader is op 31 januari 2020 door het College in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 7 februari 2020 op grond van voornoemd artikel een gemotiveerd verzoek in te dienen. Op 5 februari 2020 heeft de gemachtigde van de vader het gemotiveerde verzoek ingediend. Op 3 maart 2020 heeft de gemachtigde van de jeugdprofessional desgevraagd een verweerschrift ingediend.

2     Het verzoek, het verweer en de beoordeling

2.1 De vader heeft – samengevat – het volgende in zijn verzoek aangevoerd:
De vader is van oordeel dat het klachtwaardig handelen zich heeft afgespeeld binnen de terugkijktermijn van het College, als bedoeld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement, dan wel hem een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement toekomt. De jeugdprofessional is betrokken sinds februari 2016. In de daaropvolgende maanden heeft de vader veelvuldig zorgen geuit, problemen gesignaleerd en een beroep gedaan op de professionaliteit van de jeugdprofessional. De vader stelt gemotiveerd dat de jeugdprofessional hier onvoldoende mee heeft gedaan en de zorgen heeft genegeerd. Echter, eerst nadat de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) in […..] 2019 zijn onderzoek naar het gezin voltooide, is het handelen van de jeugdprofessional in volledige omvang bij de vader bekend geworden. Hoewel de vader in de periode dat de jeugdprofessional betrokken was vermoedens had van de ernst van het handelen, heeft de vader pas aan de hand van dit onafhankelijke rapport kunnen vaststellen dat de jeugdprofessional niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk professional betaamt, en haar handelen het gezin en de jeugdhulp in het algemeen schade heeft toegebracht. De vader voert aan dat de klachtonderdelen niet aan het College voorgelegd hadden kunnen worden voor hij het onafhankelijke rapport van de RvdK tot zijn beschikking had. Het kan hem immers niet verweten worden dat hij, ondanks zijn vermoedens, vertrouwen heeft gesteld in het oordeelsvermogen van de beroepsbeoefenaar. Bovendien verwijst de vader naar het adviesrapport van de jeugdprofessional, opgesteld op
[….] januari 2017 (lees verder: de rapportage), dat op basis van de conclusies van de RvdK ondersteunend is voor zijn klacht dat de zij niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Deze rapportage valt in ieder geval binnen de verjaringstermijn. Voorts is de vader van oordeel dat het tweede en derde klachtonderdeel zonder meer binnen de termijn van drie jaar vallen, nu deze handelingen hebben plaatsgevonden in 2019.

2.2 De jeugdprofessional heeft – samengevat – het volgende in haar verzoek aangevoerd:
De jeugdprofessional beschikt niet over het rapport van de RvdK. Zij kan dus niet beoordelen of, en zo ja hoe, er over haar wordt gesproken. De jeugdprofessional is in ieder geval – in tegenstelling tot de vaste werkwijze van de RvdK – bij de totstandkoming van het rapport niet benaderd door de RvdK over haar bevindingen. Het komt de jeugdprofessional dan ook onwaarschijnlijk voor dat de RvdK zich in zijn rapport heeft uitgesproken over haar handelen zonder dit met haar te bespreken.

Het bevreemdt de jeugdprofessional dat de vader een rapport van een derde nodig heeft om haar professioneel te beoordelen. Het is bij de jeugdprofessional onduidelijke wat het rapport van de RvdK bij de vader heeft duidelijk gemaakt. Dat hij pas in 2019 haar gedrag op waarde heeft kunnen schatten, komt niet overeen met het feit dat wordt opgemerkt dat de vader ten tijde van haar betrokkenheid veelvuldig zorgen heeft geuit, problemen heeft gesignaleerd en geappelleerd heeft op de professionaliteit van de jeugdprofessional. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is dat de vader in 2016 ontevreden was, of in ieder geval ernstige twijfels had over haar handelen. In die periode heeft de vader een interne klacht ingediend. Daarnaast heeft hij WOB-verzoeken en een verzoek op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens gedaan. Dit duidt erop dat de vader ook in die periode het handelen van de jeugdprofessional en de organisatie al kritisch beoordeelde. Na indiening van de klacht heeft er op […] november 2016 een laatste klachtgesprek plaatsgevonden met de jeugdprofessional, de regiomanager en een collega. Bovendien merkt de jeugdprofessional op dat de vader tevens uitspreekt dat hij vertrouwen had in de oordeelsvorming van de jeugdprofessional. Dit rijmt niet. De jeugdprofessional is betrokken geraakt in februari 2016 en het dossier is gesloten op […] juni 2016. Daarna is er door de GI geen bemoeienis meer geweest met het gezin van de vader. Naar aanleiding van de door de vader ingediende klacht is de GI-rapportage aangepast, Daarna is de casus overgedragen aan het lokale veld in het vrijwillig kader. De jeugdprofessional heeft (zo blijkt uit het digitale cliëntregistratiesysteem) op […] en […] november 2016 samen met een collega voor het laatst de aanpassingen in de rapportage verwerkt. Daarna heeft de regiomanager voor de verdere verwerking en verzending zorggedragen. Kennelijk heeft de verzending lang op zich laten wachten maar daar was de jeugdprofessional niet van op de hoogte. De jeugdprofessional betwist dan ook dat de rapportage pas op […] januari 2017 is opgesteld.

De conclusie van de jeugdprofessional is dat de onvrede over haar handelen bij de vader reeds in 2016 kenbaar was. De inhoud van het schrijven van de vader verklaart op geen enkele wijze waarom hij niet eerder de mogelijkheid had een tuchtklacht in te dienen. Over de periode van februari 2016 tot en met november 2016 kan er dan ook geen klacht meer worden ingediend.

2.3 De voorzitter overweegt als volgt:

De voorzitter stelt voorop dat zij oog heeft voor de positie van beide partijen. De vader heeft het recht om het handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk te laten toetsen. Aan de andere kant kan de jeugdprofessional te maken krijgen met tuchtklachten gericht op haar professioneel handelen. Gelet op beide posities en in het kader van de rechtszekerheid, is er in het thans geldende Tuchtreglement gekozen voor een verjaringstermijn van drie jaar. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan de voorzitter op verzoek van de klager van deze verjaringstermijn afwijken. De voorzitter merkt overigens op dat van de drie door de vader ingediende klachtonderdelen alleen het handelen van de jeugdprofessional genoemd onder klachtonderdeel 1 in het oordeel over de verjaring wordt meegenomen. De klachtonderdelen 2 en 3 zijn niet verjaard. De vraag die dan ook voorligt, is of de vader voldoende gemotiveerd heeft dat hij niet eerder in de gelegenheid was om klachtonderdeel 1 in te dienen. De voorzitter beantwoordt deze vraag ontkennend. De vader heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn. De jeugdprofessional is sinds februari 2016 betrokken geweest bij het gezin van de vader. De vader stelt zelf dat hij in de daaropvolgende maanden veelvuldig zijn zorgen heeft geuit, problemen heeft gesignaleerd en een beroep heeft gedaan op de haar professionaliteit. Dat de vader het met de gang van zaken niet eens was, blijkt ook uit zijn e-mailbericht van 18 mei 2016, waarin hij onder meer aangeeft dat hij diverse klachten heeft ingediend. De voorzitter overweegt dat daaruit afgeleid mag worden dat de vader in 2016 wel degelijk in staat is gebleken om zijn onvrede te uiten en klachten in te dienen. Dat bij de vader pas ruim drie jaar na dato, na ontvangst van het rapport van de RvdK medio 2019, de volle omvang van het handelen van de jeugdprofessional bekend is geworden, volgt de voorzitter dan ook niet. Bovendien heeft de vader nadat het voor hem relevante rapport van de RvdK gereed was nog een half jaar gewacht met het indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter overweegt tot slot dat zij de rapportage van de GI, met als datum van ondertekening
[…] januari 2017, waar de vader in zijn verzoek van 5 februari 2020 naar verwijst, niet mee neemt in haar oordeel over de ontvankelijkheid van de vader. De vader heeft de rapportage als bijlage 3 bij klachtonderdeel 1 gevoegd, maar in de omschrijving van de klacht wordt op deze rapportage niet ingegaan. Met andere woorden: de vader heeft nagelaten te motiveren wat zijn klacht hierover is.

2.4 De voorzitter wijst het verzoek van de vader af en is van oordeel dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. Nu het Tuchtreglement niet voorziet in het nemen van een tussenbeslissing, verklaart de voorzitter met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing.

3     De tussenbeslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende tussenbeslissing:

  • wijst het verzoek van de vader af en handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement;
  • oordeelt dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn;
  • verklaart tegen deze beslissing met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing;
  • houdt de zaak aan tot en met 30 april 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 2 april 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter