Maak een selectie

442 van 442

   

De klacht tegen de jeugdbeschermer is in beginsel op grond het Tuchtreglement, versie 1.3, verjaard. De moeder dient desgevraagd een gemotiveerd verzoek in om de klacht toch te behandelen. Daarbij stelt zij dat het handelen van de jeugdprofessional plaats vond op het moment dat een voorgaande versie van het Tuchtreglement gold, waarin een verjaringstermijn van vijf jaar was opgenomen. De voorzitter wijst het verzoek af. Hierbij wordt o.a. gewezen op het feit dat de moeder op de hoogte was van de veranderde verjaringstermijn. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt in dit geval dus niet.

19.442Ta Tussenbeslissing van de voorzitter van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 6 februari 2020

De voorzitter van het College van Toezicht, mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, hierna te noemen: de voorzitter, heeft beslist over het verzoek tot afwijking van de verjaringstermijn met betrekking tot het door:

[de moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaatsnaam],

op 7 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gedragswetenschapper bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is als pedagoog sinds [datum] geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

1     Het verloop van de procedure

1.1 De voorzitter heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 7 november 2019;
  • het verzoek van de moeder ontvangen op 26 november 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 3 januari 2020.

1.2 Uit het klaagschrift blijkt dat de klacht gaat over het handelen van de jeugdprofessional in de periode van 25 januari 2016 tot 25 januari 2018. Op grond van artikel 6.5 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, vervalt de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De termijn van verjaring begint op de dag volgend op die waarop het desbetreffende handelen heeft plaatsgevonden, dan wel volgend op het moment waarop de belanghebbende van het handelen op de hoogte raakte. Een deel van de ingediende klacht is op grond van voornoemd artikel in beginsel verjaard, omdat het handelen van de jeugdprofessional op het moment van indienen van de klacht meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.

1.3 In afwijking van voornoemd artikel, kan de voorzitter van het College van Toezicht op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement bepalen dat een klager alsnog ontvankelijk is in de klacht. De klager dient hiertoe een gemotiveerd verzoek aan de voorzitter van het College van Toezicht voor te leggen, waaruit voldoende blijkt dat hij of zij niet eerder in de gelegenheid is geweest om de klacht in te dienen. De moeder is op 20 november 2019 door het College in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 27 november 2019 op grond van voornoemd artikel een gemotiveerd verzoek in te dienen. Na ontvangst van het verzoek van de moeder, is de jeugdprofessional op 6 december 2019 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 3 januari 2020 een verweerschrift in te dienen met betrekking tot het verzoek van de moeder.

2     Het verzoek, het verweer en de beoordeling

2.1 De moeder heeft – samengevat – het volgende in haar verzoek aangevoerd:
Tijdens de periode waarin het handelen van de jeugdprofessional heeft plaatsgevonden waren de voorgaande versies van het Tuchtreglement geldig, versies 1.1 en 1.2. Op grond van deze versies van het Tuchtreglement verviel de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na vijf jaar. De moeder heeft altijd gedacht dat zij binnen deze termijn een klacht kon indienen. Zij stelt zich dan ook op het standpunt dat de verjaringstermijn van vijf jaar dient te gelden voor het indienen van haar klacht. Op 4 maart 2019 is versie 1.3 van het Tuchtreglement vastgesteld, waarin de verjaringstermijn plotseling werd gewijzigd naar drie jaar. De moeder is van te voren niet over deze wijziging op de hoogte gebracht. Bovendien heeft de moeder in het digitale klachtensysteem van SKJ in januari 2019, toen het Tuchtreglement, versie 1.2, nog van toepassing was twee zaaknummers aangemaakt. In één van deze zaaknummers, 19.019Ta, heeft de moeder haar klacht kort na het in werking treden van het Tuchtreglement, versie 1.3, ingediend. De voorzitter heeft in dat zaaknummer het verzoek van de moeder toegekend en in afwijking van de verjaringstermijn besloten. De moeder heeft nu gekozen een derde zaaknummer aan te maken en haar klacht in te dienen, maar dit had ook het eerdere (tweede) aangemaakte zaaknummer kunnen zijn. Tot slot is er bij de moeder door het handelen dan wel nalaten door medewerkers van de GI een complexe posttraumatische stress-stoornis (PTSS) gediagnosticeerd. Het energielevel van de moeder is door haar PTSS erg laag. Aangezien er door de GI veel fouten zijn gemaakt, heeft de moeder ervoor gekozen om zich met haar beperkte energie eerst in te zetten voor de klachtencommissie van de GI en de klacht met het zaaknummer 19.019Ta. Na de afronding van de procedure in de zaak 19.019Ta heeft de moeder, ondanks haar beperkte energielevel, direct doorgepakt naar de onderhavige klacht.

2.2 De jeugdprofessional heeft – samengevat – het volgende in haar verweerschrift aangevoerd:
De moeder is kort na het vastgestelde Tuchtreglement, versie 1.3, op de hoogte gesteld van de gewijzigde verjaringstermijn. Dat blijkt uit de eerdere tuchtprocedure van de moeder (tegen een andere jeugdprofessional) waarin de voorzitter van het College het verzoek van de moeder in maart/april 2019 heeft toegekend. De moeder had op dat moment direct een nieuw zaaknummer kunnen inbrengen dan wel kunnen aangeven dat zij tegen meerdere jeugdprofessionals klachten had, waarbij zij zich zou beroepen op de uitzonderingsgrond. De moeder heeft dit niet gedaan en heeft pas zeven/acht maanden nadat bij haar bekend is geworden dat de verjaringstermijn is gewijzigd, de onderhavige klacht ingediend. Nu de verjaringstermijn is vastgesteld met het oog op de jeugdprofessionals, lijkt het de jeugdprofessional niet de bedoeling dat de moeder na deze periode van bekendheid alsnog, met een onvoldoende sluitende motivering, een (geslaagd) beroep zou kunnen doen op de uitzonderingsgrond. Voor wat betreft de moeder stelt dat zij een laag energielevel heeft, wijst de jeugdprofessional erop dat de moeder voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om een klacht tegen de jeugdprofessional in te dienen of anderszins haar ongenoegen kenbaar te maken. Dit heeft zij jarenlang niet gedaan.

2.3 De voorzitter overweegt als volgt:
In het thans geldende Tuchtreglement is de verjaringstermijn op drie jaar gesteld. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan de voorzitter op verzoek van een klager van deze verjaringstermijn afwijken. De klager dient dan conform artikel 6.7 van het Tuchtreglement te motiveren waarom hij of zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De vraag die dan ook voor ligt is of de moeder dit in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd heeft. De voorzitter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Blijkens de beslissing van zaak 19.019Ta is de moeder op 1 april 2019 op de hoogte heeft gesteld van de gewijzigde verjaringstermijn. Het standpunt van de moeder, dat zij niet op de hoogte was dat het Tuchtreglement zou wijzigen, volgt de voorzitter dan ook niet. Het valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de moeder dat zij gerekend vanaf april 2019 nog zeven maanden heeft gewacht met het indienen van onderhavige klacht, waarbij zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de nieuwe verjaringstermijn een rol zou gaan spelen. Het standpunt van de moeder dat zij in januari 2019 een tweede zaaknummer heeft aangemaakt en dat toen het Tuchtreglement, versie 1.2, van toepassing was, volgt de voorzitter evenmin. Het tweede zaaknummer waar de moeder naar verwijst, betreft een ander zaaknummer en een andere jeugdprofessional dan in de onderhavige zaak.

De moeder heeft ook aangevoerd dat zij een klacht indient over het handelen van de jeugdprofessional in een periode waarin het Tuchtreglement, versie 1.2, van toepassing was en daarom een verjaringstermijn van vijf jaar dient te gelden. Daartoe overweegt de voorzitter als volgt. De voorzitter stelt voorop dat zij oog heeft voor de positie van de moeder en het recht dat zij heeft om het handelen van een jeugdprofessional tuchtrechtelijk te laten toetsen. Aan de andere kant mag een jeugdprofessional niet te lang in onzekerheid leven met de wetenschap dat mogelijk een tuchtklacht kan worden ingediend, hetgeen de dagelijkse werkzaamheden kan belasten. Gelet op beide posities en in het kader van de rechtszekerheid, is er in het thans geldende Tuchtreglement gekozen voor een verjaringstermijn van drie jaar. Indien het standpunt van de moeder gevolgd zou worden, zou dat afbreuk doen aan de rechtszekerheid die het Tuchtreglement beoogt.

Tot slot nog het volgende voor wat betreft de PTSS en het lage energielevel van de moeder. Vooropgesteld staat dat de voorzitter deze diagnose niet wil bagatelliseren. De moeder heeft echter dit standpunt niet onderbouwd. Door dit gebrek aan onderbouwing is niet vast te stellen dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn.

2.4 De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en is van oordeel dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. Nu het Tuchtreglement niet voorziet in het nemen van een tussenbeslissing, verklaart de voorzitter met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing.

 

3     De tussenbeslissing

Dit alles overwegende komt de voorzitter tot de volgende tussenbeslissing:

  • wijst het verzoek van de moeder af en handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement;
  • oordeelt dat het klaagschrift tenminste aanpassing behoeft met inachtneming van de vastgestelde verjaringstermijn;
  • verklaart tegen deze beslissing met toepassing van artikel 14.3 van het Tuchtreglement voor wat betreft de procedure in beroep artikel 7.9 sub b van het Tuchtreglement van overeenkomstige toepassing;
  • houdt de zaak aan tot en met 5 maart 2020 in afwachting van een eventuele beroepsprocedure.

Aldus gedaan door de voorzitter en op 6 februari 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns

voorzitter