Maak een selectie

457 van 457

   

De jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, heeft nagalaten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige en heeft de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
mevrouw T. Roosblad, lid-beroepsgenoot,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klaagster], klaagster, werkzaam als toezichthouder WMO2015-Jeugdwet bij de gemeente [locatie], hierna te noemen: de gemeente.

op 23 maart 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[Beklaagde], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, handelend onder de naam: [bedrijfsnaam].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 31 maart 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 15 april 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 6 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 11 mei 2020.

1.2 Vanwege het landelijk beleid rondom het coronavirus heeft de voorzitter besloten de zaak schriftelijk af te doen (artikel 5 van de tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19). Op 1 mei 2020 zijn partijen daarover geïnformeerd. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling i.v.m. COVID-19 zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020. De beslissing is op 28 juli 2020 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De jeugdprofessional is sinds medio 2018 in het vrijwillig kader betrokken geweest bij een gezin, bestaande uit een vader, moeder en een minderjarige zoon, geboren in 2015. Het betreft een kwetsbaar gezin. De vader is opgenomen geweest wegens een alcoholverslaving en de moeder is bekend met psychische problematiek.

2.2 De jeugdprofessional heeft de moeder begeleiding geboden via de gecontracteerde zorgaanbieder van de gemeente op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hierna te noemen: de Wmo. Steeds vaker bleken de ouders ook ondersteuning voor de zoon nodig te hebben. Omdat de jeugdprofessional goed bekend was met het gezin, maar de gemeente bij de gecontracteerde zorgaanbieder geen jeugdzorg (meer) inkocht, is de jeugdprofessional als zelfstandige, op basis van een (eenmalige) betalingsovereenkomst (BTO), door de gemeente ingezet om het gezin jeugdhulp te bieden.

2.3 De gemeente heeft op 10 juli 2019 een adviesformulier voor (eenmalige) BTO opgesteld, waarin de volgende doelen zijn opgenomen:

Aanwezigheid planning maken voor bij vader thuis en moeder thuis.

– Wat zijn de effecten voor [de zoon] hiervan en op het gezin.

– Veiligheid (eventueel aanpassen na de evaluatie na de laatste terugval vader).

– Vakantie vorm geven.

– Weekplanning maken.

2.4 Op 21 juli 2019 heeft de vader suïcide gepleegd.

2.5 Op 24 juli 2019 heeft de gemeente voor de zoon een indicatiebesluit afgegeven op basis waarvan de jeugdprofessional (met terugwerkende kracht) van 15 juli 2019 tot en met 14 januari 2020 twee uur per week jeugdhulp dient te verlenen aan de zoon. In het indicatiebesluit is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“Van de zorgaanbieder wordt verwacht dat men elke 3 maanden een terugkoppeling geeft aan de procesregisseur op de voortgang van de ingezette zorg.”

2.6 Begin januari 2020 heeft de gemeente van de moeder een melding ontvangen dat de jeugdprofessional in de periode na het overlijden van de vader heeft nagelaten om zorg te verlenen aan de zoon en de moeder. Hierdoor is de begeleiding van de jeugdprofessional per direct gestopt.

2.7 In een e-mail van 15 januari 2020 aan de gemeente schrijft de moeder het volgende:

“met [de jeugdprofessional] ben ik gestopt.
Ze had een 3 uren indicatie voor [de zoon] en daarbuiten zou ze mij nog bij staan. Na de dood van [de vader], wat nu 5 maanden geleden is heb ik [de jeugdprofessional] 3 keer gezien. Verder niets. In al deze maanden is er niets voor [de zoon] gedaan/geregeld vanuit instanties. Ik heb het allemaal zelf moeten regelen. Een kleine maand geleden heeft ze mij gevraagd of ik wel mee wilde liegen naar de gemeente toe over de uren van [de zoon] omdat ze die namelijk wel al die tijd heeft geschreven en waarschijnlijk ook uitbetaald heeft gekregen.”

2.8 Uit onderzoek van de gemeente blijkt dat de jeugdprofessional (meer dan) de ingekochte zorguren gedeclareerd heeft en dat deze declaraties door de gemeente zijn voldaan.

2.9 Op 12 maart 2020 heeft op initiatief van de gemeente een gesprek plaatsgevonden tussen de gemeente en de jeugdprofessional. Onderwerpen van gesprek waren het nalaten van het verlenen van zorg, het ten onrechte opmaken van facturen en de consequenties daarvan, zo blijkt uit het gespreksverslag van 19 maart 2020.

2.10 De jeugdprofessional is met ingang van [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek worden zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 De klacht

4.1.1 De gemeente verwijt de jeugdprofessional het volgende: de jeugdprofessional heeft nagelaten zorg te verlenen en de schijn opgehouden dat zij die wel verleende.

Toelichting:

De jeugdprofessional is bewust nalatig geweest met betrekking tot het verlenen van jeugdzorg. Zij heeft de moeder en de zoon op geen enkele manier ondersteuning geboden, terwijl zij wel de schijn heeft opgehouden deze hulp te verlenen. De jeugdprofessional heeft de impact op de zoon (destijds vier jaar) van de suïcide van zijn vader genegeerd, terwijl zij zeer goed op de hoogte was van de gezinssituatie. Het gezin heeft bijna zes maanden gewacht op adequate hulp en is zelf niet in staat geweest om dit eerder te melden bij de gecontracteerde zorgaanbieder of de gemeente. Het risico dat er zaken mis konden gaan binnen het gezin was groot. Uiteindelijk heeft de moeder in het belang van haar zoon aan de bel getrokken bij de gecontracteerde zorgaanbieder en de gemeente en heeft hen verzocht de zorg met onmiddellijke ingang te stoppen. De moeder heeft tevens gemeld dat de jeugdprofessional haar gevraagd heeft om mee te liegen over de gedeclareerde uren en de daadwerkelijke begeleiding. Ook heeft zij de moeder gevraagd of zij opgemaakte verslagen wilde paraferen. De moeder is daar niet op ingegaan. Gezien haar eerdere betrokkenheid, wist de jeugdprofessional veel over dit gezin en hun grote kwetsbaarheid. Dit heeft haar niet gehinderd om geen zorg te verlenen. De jeugdprofessional had er gezien haar professionele achtergrond melding van moeten maken dat zij niet in staat was om begeleiding te geven aan de moeder en de zoon.

Navraag binnen de financiële afdeling van de gemeente laat zien dat alle ingekochte zorguren vanuit de Wmo en de Jeugdwet volledig door de jeugdprofessional gedeclareerd zijn. De jeugdprofessional heeft de gemeente telefonisch geëmotioneerd verteld dat zij zwaar overspannen is en dat zij niet wist hoe dit opgelost kon worden. Een aantal weken daarvoor had de jeugdprofessional nog een e-mail had gestuurd naar de gemeente waarin zij schrijft dat zij “per ongeluk” te veel uren heeft gedeclareerd. In die e-mail staat ook dat zij “erg dom is geweest en e.e.a. gaat oplossen”.

Tijdens het gesprek op 12 maart 2020 heeft de jeugdprofessional geen spijt of berouw getoond. Wel reageerde de jeugdprofessional geëmotioneerd over het indienen van een klacht bij het SKJ, omdat zij dan geen inkomen meer zou hebben. Haar eigen belang had duidelijk prioriteit.

Inmiddels heeft de gecontracteerde zorgaanbieder een tweede fraude gemeld bij de gemeente. Het financiële aspect staat los van deze klacht, maar frauduleus handelen op deze manier is niet goed te praten. Het feit dat de jeugdprofessional een zeer kwetsbaar gezin heeft laten zitten  is onverantwoord te noemen en er is sprake geweest van ernstige nalatigheid. Het is kwalijk dat een gekwalificeerde beroepskracht het zo ver heeft laten komen.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

In een periode waarin het psychisch niet goed ging wilde de jeugdprofessional de indruk blijven wekken dat er niets aan de hand was en heeft zij foute beslissingen genomen. De jeugdprofessional heeft nagelaten zorg te verlenen aan een jongetje die dit juist ontzettend nodig had en daarnaast heeft zij hiervoor onjuiste declaraties ingediend. De jeugdprofessional is zich er goed van bewust dat het nooit zover had mogen komen en dat dit nooit had mogen gebeuren.
De jeugdprofessional maakt haar oprechte excuses aan iedereen die door haar gedrag benadeeld is: haar cliënten, de gemeenten waarvoor zij werkt, haar opdrachtgevers en al haar collega’s, maar vooral aan de moeder en de zoon. De jeugdprofessional is zich er heel erg van bewust dat haar handelen in strijd is met alle afspraken en regels omtrent het verlenen van zorg en dat zij hiermee mensen heeft gedupeerd. Zij vindt het verschrikkelijk dat zij dit gedaan heeft en is er ontzettend verdrietig over.
De jeugdprofessional is zich blijven afvragen hoe het zover heeft kunnen komen. Haar gedrag is niet goed te praten. Toch wil de jeugdprofessional enige helderheid verschaffen in wat haar bewogen heeft de afgelopen periode. Het afgelopen jaar heeft zij op haar tandvlees gelopen om haar werk goed te blijven doen. Zij wilde, zowel naar buiten toe als voor haarzelf, volhouden dat het allemaal goed ging. Zij kan zich als zelfstandige niet permitteren om haar werk te verliezen en dit heeft een hele grote druk op haar gelegd om te blijven presteren. Zij had natuurlijk veel eerder aan de bel moeten trekken en zich ziek moeten melden. Uit een vals gevoel van perfectionisme heeft zij dat niet gedaan, is zij doorgegaan en daarvan draagt zij nu de verschrikkelijke consequenties.
De jeugdprofessional heeft veel nagedacht over waarom zij gedaan heeft wat zij heeft gedaan. Zij heeft hierbij hulp gezocht, omdat dit nooit meer mag gebeuren. De jeugdprofessional herkent dit gedrag uit het verleden absoluut niet van zichzelf. Zij vindt integriteit en eerlijkheid juist heel belangrijk. De jeugdprofessional wil altijd het beste voor de mensen die op haar rekenen en daar werkt zij heel hard voor. Dat juist de mensen die haar het meeste nodig hebben, nu het hardst worden getroffen strookt hier niet mee en daar is de jeugdprofessional door aangedaan. Zij heeft spijt dat zij dit heeft gedaan. Zij heeft hulp gezocht en gevonden en is hard aan zichzelf aan het werken om ervoor te zorgen dat dit nooit meer zal gebeuren. De jeugdprofessional heeft logboeken in het geding gebracht waarin onder meer contactmomenten met de moeder staan beschreven.

4.1.3 De gemeente voert in de conclusie van repliek het volgende aan:

De logboeken die de jeugdprofessional in het geding heeft gebracht geven een andere periode aan dan die in de klacht zijn genoemd. De klacht heeft betrekking op de periode vanaf 21 juli 2019. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de logboeken zelf aangevuld en bijgehouden. Hierbij heeft onvoldoende zelfreflectie plaatsgevonden.
De gemeente geeft verder aan dat er nog een derde fraudemelding vanuit de Wmo binnen is gekomen. Hoewel deze melding los staat van de ingediende klacht, is gebleken dat er al één jaar gefraudeerd is met het indienen van facturen waarvoor geen zorg verleend is.

De gemeente benadrukt dat de klacht niet gaat over de gevoelens en het verdriet van de jeugdprofessional, maar over de verantwoordelijkheid naar kwetsbare cliënten.
In het verweerschrift geeft de jeugdprofessional aan dat zij zich als zelfstandige niet kan permitteren om haar werk (lees: inkomen) te verliezen. De jeugdprofessional had echter ook een vast dienstverband bij een werkgever met betrekking tot haar Wmo-cliënten.

De gemeente vindt het spijtig dat de klacht bij SKJ is ingediend, maar de ernst van de melding gaf geen andere keuze.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:

Zij herhaalt nog eenmaal dat zij boos en teleurgesteld is in zichzelf dat zij op deze manier gehandeld heeft. Ook schaamt zij zich hiervoor. Het had absoluut niet mogen gebeuren en zij zal er alles aan doen om ervoor te zorgen dat dit ook niet meer gebeurt, bijvoorbeeld door het volgen van therapie en door intercollegiaal overleg. Voor het overige handhaaft de jeugdprofessional haar verweer.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:

Voor het College is op grond van de stukken en het feit dat de jeugdprofessional de klacht van de gemeente heeft erkend, vast komen te staan dat zij heeft nagelaten zorg te verlenen aan de zoon. De jeugdprofessional heeft dit niet alleen nagelaten, maar zij heeft ook de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional daarmee de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening ruimschoots heeft overtreden.
In de kern komt het verweer van de jeugdprofessional er op neer dat het (psychisch) niet goed met haar ging en dat zij de (financiële) druk niet aan kon. Het College wijst er in dit kader op dat het bij de professionaliteit van een jeugdprofessional hoort om bedacht te zijn op de (negatieve) invloed die gezondheidsproblemen en stress verhogende (privé-)omstandigheden op de werkzaamheden van de jeugdprofessional kunnen hebben. Het College oordeelt dat het op de weg van de jeugdprofessional had gelegen om bij haar cliënten, de gemeente en/of de zorgaanbieder van de gemeente kenbaar te maken dat de druk haar te veel werd en dat dit onmiddellijke invloed had op de door haar te verlenen zorg.
Het lijdt geen twijfel dat het nalaten van zorg jegens een cliënt onder alle omstandigheden in strijd is met de belangen van die cliënt. Dat het in deze zaak gaat om een aan de zorg van de jeugdprofessional toevertrouwde kwetsbare minderjarige van destijds vier jaar, maakt het zo mogelijk nog kwalijker. Het College weegt bovendien zwaar mee dat de jeugdprofessional bekend was met de psychische- en verslavingsproblematiek van het gezin en de recente suïcide van de vader, aangezien zij reeds geruime tijd (via de gecontracteerde zorgaanbieder van de gemeente) betrokken was bij het gezin. Zoals in de Richtlijn ‘Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP)’ is omschreven, vormt psychische- en/of verslavingsproblematiek bij een ouder in het algemeen een risicofactor voor de veiligheid van kinderen en kunnen ernstige problemen voorkomen worden indien er vlot gehandeld wordt. Dat de jeugdprofessional in de periode kort na de suïcide van de vader niet of nauwelijks naar de zoon heeft omgekeken acht het College, mede in dit licht, bijzonder kwalijk.
Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional doelbewust de op haar van toepassing zijnde professionele normen en waarden naast zich neer heeft gelegd en haar eigenbelang boven dat van haar cliënten heeft geplaatst. De jeugdprofessional draagt namens de samenleving en de overheid zorg voor jeugdigen en dient in de gehele jeugdzorgketen een betrouwbare schakel te zijn. Door na te laten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige (en wel de schijn op te houden deze zorg te verlenen), heeft de jeugdprofessional onaanvaardbare risico’s genomen. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen, bevordert niet het vertrouwen in de jeugdzorg en is schadelijk ten aanzien van de gehele beroepsgroep. Artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode, is derhalve geschonden. Ook heeft de jeugdprofessional niet bevorderd dat de zoon in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt, waardoor artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de Beroepscode geschonden is. Daarnaast heeft de jeugdprofessional de zoon en de moeder met diens kwetsbaarheid niet gerespecteerd en heeft zij met haar optreden haar gezag en invloed niet ten positieve aangewend, waardoor eveneens in strijd is gehandeld met de artikelen E (Respect) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode. Artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode is eveneens geschonden, nu een jeugdprofessional zich er blijkens de toelichting op dit artikel bewust van dient te zijn dat in de hulpverlening aan jeugdige cliënten maatschappelijke normen en waarden een grote rol spelen. De jeugdprofessional heeft geen blijk gegeven zich daar bewust van te zijn (geweest).

4.1.6 Het College verklaart de klacht gegrond.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Zij heeft nagelaten zorg te verlenen aan een zeer kwetsbare jeugdige en zij heeft doelbewust de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende. Zij heeft haar professionele verantwoordelijkheid als jeugdprofessional niet genomen en is een onbetrouwbare schakel in de jeugdzorgketen gebleken. De artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode zijn geschonden.
Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling, met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen en ondermijnt het vertrouwen in de jeugdzorg, de beroepsuitoefening en/of het aanzien van het beroep. Het College weegt daarbij zwaar mee dat de jeugdprofessional geen blijk van reflectie en leerbaarheid heeft getoond. Het enkele gegeven dat de jeugdprofessional (nu er een tuchtklacht is ingediend) spijt heeft van haar handelen, getuigt nog niet van reflectie op haar handelen. Daarnaast heeft de jeugdprofessional weliswaar aangevoerd dat zij hulp heeft gezocht, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt welke acties zij concreet ondernomen heeft en nog zal ondernemen om haar (werkzame) leven weer op de rit te krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van therapie, supervisie of scholing. Bovenal is gebleken dat de jeugdprofessional uit eigenbelang in staat is geweest de belangen van haar kwetsbare cliënten op te offeren en dat zij op grove wijze heeft gehandeld in strijd met de financiële en algemene integriteit. Het College is gelet hierop van oordeel dat de jeugdprofessional niet over de competenties beschikt die in de uitoefening van het vak van jeugdprofessional van haar mogen worden verwacht. Uit het oogpunt van een deugdelijke en betrouwbare jeugdzorg is het derhalve niet verantwoord dat de jeugdprofessional nog langer in het register van SKJ ingeschreven staat.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van doorhaling, met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven.

Aldus gedaan door het College en op 28 juli 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                               mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                             secretaris