Maak een selectie

718 van 718

   

De jeugdprofessional is minder dan drie maanden betrokken geweest, maar heeft met haar handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de professionele standaard. Het College houdt met het opleggen van de maatregel rekening met het feit dat de jeugdprofessional onervaren was en heeft moeten werken zonder team, waarover zij meerdere keren bij haar manager aan de bel heeft getrokken.

Klager is [klager], hierna te noemen: de moeder. De gemachtigde van de moeder is mevrouw mr. A.A.M. Schutte, advocaat te Eindhoven.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als jeugdbeschermer bij [de GI] (hierna te noemen: de GI). De jeugdprofessional staat sinds [datum] 2020 als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is mevrouw mr. I.J.M. Schepens, werkzaam als jurist bij &Jeugd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 10 december 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 16 juni 2021), het verweerschrift (ontvangen op 14 oktober 2021), de pleitnota van de gemachtigde van de moeder en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft een minderjarige zoon, geboren in 2017.

1.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de zoon, zijn sinds 2018 uit elkaar. De zoon woont bij de moeder. Aanvankelijk werd het ouderlijk gezag over de zoon uitgeoefend door de moeder.

1.3 De kinderrechter heeft op 11 augustus 2020 de zoon voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd.

1.4 Op 5 februari 2021 is de jeugdprofessional toegewezen aan de zaak. Zij was toen de eerste vaste jeugdbeschermer. Tot die tijd werd de ondertoezichtstelling van de zoon uitgevoerd door het Team beperkt hulpaanbod van de GI en waren er drie personen betrokken geweest.

1.5 Eind april 2021 is de zaak overgedragen aan een andere jeugdbeschermer.

1.6 Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder verklaard dat de rechtbank het verzoek van de vader heeft toegewezen om gezamenlijk belast te worden met het ouderlijk gezag. De moeder heeft hiertegen hoger beroep ingediend.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode) richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit tien klachtonderdelen. De klachtonderdelen 1 tot en met 5 hebben een nauwe samenhang. Daarom worden deze klachtonderdelen onder 3.1 van deze beslissing gezamenlijk besproken en beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1 tot en met 5

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig gehandeld heeft door binnen twee weken na haar aanstelling, na één gesprek met partijen en zonder het geven van begeleiding, gezamenlijk ouderlijk gezag heeft geadviseerd aan de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) (klachtonderdeel 1). Waarbij de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verstrekt en/of niet naar waarheid heeft gerapporteerd aan de RvdK, en de jeugdprofessional zich niet meervoudig partijdig heeft opgesteld (klachtonderdeel 2 en klachtonderdeel 4). Voorts heeft de jeugdprofessional haar advies gebaseerd op informatie van ver vóór de ondertoezichtstelling en anderzijds op contact met de GI in de periode dat nog geen jeugdbeschermer was aangewezen, noch begeleiding of hulpverlening is geboden (klachtonderdeel 3). Tot slot wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij ten onrechte heeft benoemd dat het uitbreiden van de omgangsregeling een doelstelling is. Zij is hierbij totaal voorbijgegaan aan de draagkracht van de zoon (klachtonderdeel 5). De jeugdprofessional heeft de verwijten erkend, en haar afwegingen daartoe uiteengezet.

3.1.2 Het College stelt het volgende vast. Op het moment dat de ondertoezichtstelling werd uitgesproken, was sprake van een wachtlijst bij de GI, waardoor niet direct een vaste jeugdbeschermer beschikbaar was. Vanuit het Team beperkt hulpaanbod van de GI zijn drie personen betrokken geweest, totdat de jeugdprofessional op 5 februari 2021 als vaste jeugdbeschermer is benoemd. Vervolgens heeft de jeugdprofessional op 15 februari 2021 als informant met de RvdK gesproken, waarin zij onder andere heeft meegegeven om de rechtbank te adviseren om de vader ook het ouderlijk gezag toe te kennen. Klachtonderdelen 1 en 3 richten zich specifiek tegen dit advies. In haar verweer heeft de jeugdprofessional uiteengezet dat haar handelen het gevolg is geweest van de omstandigheden binnen het team. Zo heeft de jeugdprofessional een inwerkperiode van vier weken gehad en was het vervolgens voor haar niet mogelijk om vragen te stellen vanwege de cultuur die daar heerste. Dit, en dat de jeugdprofessional meermaals heeft aangegeven dat de casus van de moeder te zwaar is voor een beginnend professional heeft de manager van de jeugdprofessional ook bevestigd middels een brief.
Ondanks dat de geschetste omstandigheden zwaar zijn geweest voor de jeugdprofessional, is het College met de moeder van oordeel dat de jeugdprofessional onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot het geven van het advies om de vader het ouderlijk gezag toe te kennen. De jeugdprofessional was op dat moment slechts twee weken betrokken en had toen slechts één gesprek met de ouders gevoerd. De jeugdprofessional heeft dus zelf geen onderzoek kunnen (laten) doen naar de mogelijkheid tot gezamenlijk gezag, of – gelet op de omstandigheden – hierover geen multidisciplinair overleg kunnen voeren. Doordat zij toch een advies heeft gegeven omtrent het ouderlijk gezag heeft zij artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden. Tevens is artikel B (Bevorderen van deskundigheid) van de Beroepscode geschonden. De jeugdprofessional had moeten weten dat zij niet zonder eigen onderzoek, dan wel overleg, de RvdK had mogen adviseren omtrent het ouderlijk gezag. Wat betreft klachtonderdeel 2 heeft de jeugdprofessional in haar verweerschrift en tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht erkend dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt, met betrekking tot een gesprek dat zij gevoerd zou hebben met de behandelaar van de moeder. De jeugdprofessional heeft onder verwijzing naar een e-mail van 25 maart 2021 aangevoerd dat zij heeft geprobeerd dit te herstellen, waardoor nu in het raadsrapport staat opgenomen dat zij deze informatie heeft overgenomen van haar voorganger van het Team beperkt hulpaanbod. Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional erkend dat ook deze informatie niet klopt. Dit wordt verder ondersteund door de verklaring van de behandelaar van de moeder. Het College concludeert dan ook dat klachtonderdeel 2 gegrond moet worden bevonden en dat de jeugdprofessional niet in lijn met artikel 3.3 van de Jeugdwet heeft gehandeld. Op grond van dat artikel is de jeugdprofessional verplicht om in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Ten aanzien van de passage over het uitbreiden van de omgangsregeling (klachtonderdeel 5), heeft de jeugdprofessional aangegeven dat het niet de bedoeling is geweest om de omgang uit te breiden. Wegens de in het verweerschrift geschetste omstandigheden heeft zij dit destijds niet opgemerkt en verzuimd dit te herstellen. Door haar handelen heeft zij echter het vertrouwen van de moeder in de jeugdhulp en jeugdbescherming geschaad, waardoor wat betreft dit klachtonderdeel artikel D van de Beroepscode is geschonden.
Tot slot heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zij zich kan voorstellen dat de informatie die zij aan de RvdK heeft verstrekt een te eenzijdig beeld heeft gegeven waardoor de zorgen van de moeder en de actuele omstandigheden van de zoon onvoldoende werden belicht. Het College volgt de moeder dan ook in haar verwijt in klachtonderdeel 4 dat de jeugdprofessional zich niet meervoudig partijdig heeft opgesteld en onvolledig is geweest in haar informatieverstrekking. De jeugdprofessional heeft daarom volgens het College in strijd gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode.

3.1.3 Het College is van oordeel dat de klachtonderdelen gegrond zijn.

3.2 Klachtonderdeel 6

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij buiten de doelstelling van de ondertoezichtstelling is getreden door aan de vader het advies te geven, althans de suggestie aan te reiken, dat hij aangifte kan doen bij de politie van smaad en laster. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de zorgelijke uitspraken die de zoon heeft gedaan in het bijzijn van de oma van moederszijde (zie klachtonderdeel 7). De moeder verwijst ter onderbouwing naar een e-mail van de advocaat van de vader waarin het volgende staat opgenomen: “[de jeugdprofessional] gaf aan dat zij adviseert om aangifte te doen, omdat de recherche ook ervaring heeft met het onderzoeken van mogelijke zedenzaken (meer dan [de GI]) en dat het belangrijk is dat er in deze zaak aan waarheidsvinding gedaan zal worden. Als blijkt dat echt gebeurd is, wat [de zoon] verklaard zou hebben dan heeft dat consequenties, maar als blijkt dat dit niet gebeurd is, dan heeft dat ook consequenties. De waarheid zal boven moeten komen.” Tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de gemachtigde van de moeder verklaard dat de jeugdprofessional dit ook in een telefoongesprek met de gemachtigde heeft benoemd. Zowel in haar verweerschrift als tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional benadrukt dit advies niet te hebben gegeven en dat dit advies zelfs indruist tegen haar opvattingen als jeugdprofessional, omdat dit de strijd tussen de ouders zou kunnen aanwakkeren. Haar manager heeft op 15 april 2021 aan (de advocaat van) de moeder laten weten dat bij navraag bij de vader is gebleken dat de advocaat van de vader zelf dit advies heeft gegeven.
Het College stelt vast dat partijen elkaar op dit punt tegenspreken. Het is dan vaste jurisprudentie dat het klachtonderdeel ongegrond wordt bevonden, omdat aan het woord van de een niet meer waarde kan worden gehecht dan aan het woord van de ander.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.3 Klachtonderdeel 7

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot het onderzoek naar de uitlatingen van de zoon. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van de moeder de manager van de jeugdprofessional op 2 april 2021 heeft geïnformeerd dat zij van de grootouders van moederszijde heeft begrepen dat de zoon op 31 maart 2021 zorgelijke uitspraken heeft gedaan in hun bijzijn. De oma van moederszijde heeft hiervan een opname gemaakt en een transcriptie uitgewerkt. Vastgesteld staat dat de jeugdprofessional ten tijde van deze melding op vakantie was. Het College kan dit klachtonderdeel daarom enkel beoordelen vanaf het moment dat de jeugdprofessional terug was van vakantie, dit is 12 april 2021 geweest. Uit het dossier blijkt dat de jeugdprofessional toen direct contact heeft gezocht met haar manager om het juiste protocol te bespreken. Zij schrijft in haar e‑mail onder andere het volgende: “Gaat over [de zoon], in mijn vakantie heeft advocaat aan [de manager] en [de bureaudienst] laten weten dat er een concreet signaal van seksueel misbruik is omtrent het jongentje, in gezinssituatie vader. […] en […] hebben samen vanuit [de bureaudienst] direct gesprek gehad op kantoor met vader, zowel […] als […] vermoeden dat de melding te maken kan hebben met [de complexe echtscheiding]. Desondanks belangrijk om dit grondig uit te zoeken daar het een ernstige aanklacht is jegens vader en zijn vriendin. Zou fijn zijn om morgen te kijken wat de juiste weg is en wat hierin ingezet moet worden. […] Ik heb voor morgen ook een overleg met […] ingepland zodat ik ook direct met een [gedragswetenschapper] op inhoud kan schakelen over deze zaak.” Het College leest in de stukken dat de jeugdprofessional op 13 april 2021 overleg heeft gehad met de gedragswetenschapper. De gedragswetenschapper heeft de jeugdprofessional geadviseerd om contact op te nemen met de politie en Veilig Thuis. Uit het dossier blijkt dat dit is gebeurd, de jeugdprofessional heeft contact gehad met de Front Office Zeden Eenheid [provincie] en de gedragswetenschapper met Veilig Thuis. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt van onzorgvuldigheid valt te maken. Zij is immers na haar vakantie direct met de melding aan de slag gegaan, zij heeft advies gevraagd aan haar manager en de gedragswetenschapper en dit advies vervolgens opgevolgd.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 8

3.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Het College volgt de moeder niet in haar verwijt. Tijdens de digitale behandeling van de klacht heeft de moeder toegelicht dat de jeugdprofessional – naast hetgeen de jeugdprofessional in de voorgaande klachtonderdelen is verweten – ook vaker contact heeft gehad met de vader. Dit heeft de moeder van de vader begrepen. De jeugdprofessional heeft hierop aangegeven dat zij zich kan voorstellen dat door haar manier van communiceren de moeder het gevoel heeft gehad dat de jeugdprofessional vooringenomen was. Dit was echter allerzins niet haar bedoeling en indien de jeugdprofessional had geweten dat dit bij de moeder leefde, dan had zij dit direct met de moeder besproken. De jeugdprofessional heeft verder aangegeven dat als zij vooringenomen zou zijn, zij de melding in klachtonderdeel 7 niet zo serieus had opgepakt als zij heeft gedaan.
Het College heeft geen aanknopingspunten gevonden in het dossier waaruit zou blijken dat de jeugdprofessional zich partijdig heeft opgesteld. Dat de jeugdprofessional in de korte tijd dat zij betrokken is geweest mogelijk meer contact heeft gehad met de vader dan met de moeder, maakt niet dat zij partijdig of met vooringenomenheid heeft gehandeld.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 9

3.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij onvoldoende met de moeder heeft gecommuniceerd. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 De jeugdprofessional heeft in haar verweerschrift aangegeven dat er weinig tot geen ruimte is geweest om over de door de moeder genoemde onderwerpen rechtstreeks en persoonlijk te communiceren. De moeder had namelijk op 24 maart 2021 het vertrouwen in de jeugdprofessional opgezegd. De jeugdprofessional heeft de moeder naar aanleiding hiervan uitgenodigd voor een gesprek, eventueel in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon. Het is de jeugdprofessional vervolgens niet gelukt om met de moeder in contact te komen. Het College is zich ervan bewust dat het in het gedwongen kader moeilijk kan zijn om een goede samenwerkingsrelatie met de ouder(s) op te bouwen. Dit neemt echter niet weg dat wanneer een ouder aangeeft niet meer met de jeugdprofessional te willen communiceren, de jeugdprofessional dan uit de communicatie kan stappen. Het wordt van de jeugdprofessional verwacht om de communicatie met de ouder te blijven opzoeken, ook al zou dit slechts per e-mail zijn. In het dossier heeft het College geen aanknopingspunten kunnen vinden waaruit blijkt dat de jeugdprofessional voldoende heeft geprobeerd om de communicatie met de moeder op te zoeken. Zo heeft de jeugdprofessional de moeder niet op de hoogte gehouden van de te ondernemen stappen naar aanleiding van de melding van de uitspraken van de zoon en waarom is besloten om de omgang weer te hervatten. Ook is niet gebleken dat de jeugdprofessional de moeder vooraf heeft geïnformeerd over haar advies aan de RvdK tot gezamenlijk gezag en welke redenen zij hiertoe had. Ook is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional naar aanleiding van een e-mail van de moeder met betrekking tot de onjuistheden in het raadsrapport contact met de moeder heeft gezocht. Het College concludeert derhalve dat de jeugdprofessional niet in lijn heeft gehandeld met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening). Door het uitblijven van communicatie en/of informatievoorziening is eveneens artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) geschonden.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.6 Klachtonderdeel 10

3.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet zorgvuldig aan dossiervorming heeft gewerkt. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.6.2 Bij het inzien van het dossier is het de moeder gebleken dat het dossier niet compleet is. Dit heeft volgens de moeder ertoe geleid dat de nieuwe jeugdbeschermer niet goed is geïnformeerd. De jeugdprofessional brengt in reactie op dit verwijt naar voren dat zij in de korte periode dat zij betrokken was veel mondeling- en digitaal contact met de betrokkenen heeft gehad. Dit heeft zij inderdaad niet vastgelegd in het dossier. De jeugdprofessional was niet op de hoogte van het beleid ten aanzien van dossiervorming, heeft hierover geen scholing gehad en er waren geen teamleden beschikbaar om hierover vragen te stellen.
Weliswaar begrijpt het College dat het voor de jeugdprofessional lastig is geweest om zonder team haar werk uit te voeren, maar dit neemt niet weg dat van de jeugdprofessional tot op zekere hoogte ook eigen initiatief wordt verwacht. De jeugdprofessional had zelf actief op zoek kunnen gaan naar informatie over dossiervorming binnen de GI, bijvoorbeeld via het intranet. Bovendien gaat het College ervan uit dat het belang van dossiervorming ook aan bod is gekomen tijdens haar opleiding/studie. Het College concludeert daarom dat artikel B (Bevordering deskundigheid) en artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode zijn geschonden.

3.6.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4     Maatregel: berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel

4.1 Het College ziet aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijke maatregel op te leggen, omdat de jeugdprofessional een inbreuk heeft gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. In deze overweging heeft het College de reflectie van de jeugdprofessional meegewogen en zij waardeert de openheid die de jeugdprofessional hierin geboden heeft. Het College heeft gezien dat de jeugdprofessional zich het verwijtbare handelen enorm heeft aangetrokken en dat zij heeft geleerd van deze casus. Het College heeft echter ook oog voor het verdriet van de moeder, en voor de gevolgen die het handelen van de jeugdprofessional hebben gehad. In de korte periode dat de jeugdprofessional betrokken is geweest, is het vertrouwen van de moeder in de jeugdhulpverlening ernstig geschaad. Het College acht het daarom passend om een maatregel van berisping op te leggen. Een openbaarmaking van deze maatregel brengt met zich mee dat de persoonsgegevens van de jeugdprofessional gedurende een periode van vijf jaar zichtbaar zijn in het openbare gedeelte van het Kwaliteitsregister Jeugd van SKJ. Het College ziet, gelet op de omstandigheden waarin de jeugdprofessional haar werk heeft moeten uitvoeren, voldoende aanleiding om van een openbaarmaking af te zien. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional zich de casus enorm heeft aangetrokken en het College is ervan overtuigd dat de jeugdprofessional haar handelen aanpast.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • klachtonderdelen 1, 2, 3, 4, 5, 9 en 10 zijn gegrond;
  • klachtonderdelen 6, 7 en 8 zijn ongegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Deze beslissing is op 21 januari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van de heer mr. R. Orie (voorzitter), mevrouw M.L.F. Grijseels en de heer W.M.P. van Engelen (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door mevrouw mr. M.R. Veerman (secretaris).

de heer mr. R. Orie, voorzitter

mevrouw mr. M.R. Veerman, secretaris