Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional heeft tijdens een crisisinterventie onvoldoende de regie gevoerd. Dit blijkt uit het feit dat de jeugdprofessional de vader op geen enkele wijze heeft betrokken in haar afwegingen en de besluitvorming. Zonder afstemming met de vader heeft de jeugdprofessional overleg gepleegd met de RvdK over de mogelijkheid van een kinderbeschermingsmaatregel, waarna zij dit met de jeugdige heeft besproken terwijl de vader hiervan niet op de hoogte was.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 13 maart 2020 ingediende klaagschrift, tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdprofessional bij [de crisisdienst], hierna te noemen: [de crisisdienst], van [de instelling], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.M. Haverkort.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde, [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak wordt bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift, ontvangen op 13 maart 2020;
– het verweerschrift, ontvangen op 20 mei 2020.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op vrijdag 25 september 2020 in aanwezigheid van de vader en de jeugdprofessional, en hun gemachtigden.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over vier weken wordt verstuurd.

2     De feiten

Het College gaat uit van de volgende feiten:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2007 en de zoon is geboren in 2004.

2.2 De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de ouders.

2.3 De zoon heeft problemen met het beheersen van zijn boosheid (agressieregulatie) en hiervoor heeft de vader sinds 2018 op eigen initiatief professionele hulp ingeroepen. Op 29 januari 2019 hebben de ouders contact opgenomen met [de crisisdienst]. In overleg met de ouders is toen ambulante spoedhulp (hierna: ASH) gestart. Het ASH-traject werd op 19 februari 2019 afgesloten. Op 7 maart 2019 namen de ouders opnieuw contact op met [de crisisdienst], waarna op 11 maart 2019 opnieuw een ASH-traject in het gezin is gestart.

2.4 Op 18 maart 2019 hebben de ouders besloten dat de zoon op vrijwillige basis voor een time out in een crisisopvang wordt geplaatst. Dit besluit hebben de ouders genomen in overleg met de ASH-medewerker en [de crisisdienst]. Op dit besluit heeft de zoon gereageerd door van huis weg te lopen. In de nacht van 18 op 19 maart heeft de vader rond 02.00 uur zijn zoon opgehaald in een andere provincie.

2.5 Op 19 maart 2019 heeft de vader aan de zoon laten weten dat de beslissing voor de time-out op de crisisopvang ongewijzigd is. De zoon was op dat moment een boterham aan het smeren. Met een boterhammes in zijn hand is de zoon op de vader af gelopen. De vader heeft dit incident telefonisch gedeeld met de betrokken bureaudienst medewerker van [de crisisdienst] (hierna: bureaudienst). Hij heeft daarbij aangegeven dat hij de situatie niet als bedreigend ervaart. Daarop heeft de bureaudienst aan de vader voorgesteld om de zoon op vrijwillige basis uit de thuissituatie te halen: de zoon zou door de politie worden opgehaald voor een gesprek op het politiebureau met de jeugdprofessional. De vader is hiermee akkoord gegaan. De bureaudienst heeft de zoon ook zelf telefonisch gesproken. De zoon heeft gezegd dat hij hieraan zou meewerken.

2.6 Vervolgens heeft de bureaudienst telefonisch contact opgenomen met de politie. Over de precieze afspraken die de bureaudienst met de politie heeft gemaakt bestaat geen overeenstemming.

2.7. In eerste instantie heeft de bureaudienst met de jeugdprofessional telefonisch afgesproken dat zij naar het politiebureau zou gaan voor een gesprek met de zoon. Kort daarna heeft de bureaudienst de jeugdprofessional telefonisch verzocht naar de woning van de ouders te gaan.

2.8 Rond 11.00 uur was de politie ter plaatse met drie politiebussen en negen agenten, waarvan vier agenten zich strategisch hebben opgesteld in de straat. Een onderhandelaar van de politie heeft telefonisch met de zoon overlegd, waarna de zoon naar buiten kwam met zijn handen zichtbaar. Daarop is de zoon geïnstrueerd op zijn knieën te gaan zitten. De politie droeg kogelwerende vesten. Nadat de zoon was gefouilleerd werd hij (ongeboeid) naar een politiebus begeleid die geparkeerd stond in de straat, voor de woning van de ouders. Toen de vader desgevraagd bij de politie aangaf geen aangifte te willen doen, besloten zij met twee agenten te wachten op de komst van [de crisisdienst].

2.9 De jeugdprofessional arriveerde rond 11.30 uur bij de woning van de ouders. Zij was deze dag voor het eerst betrokken bij de ouders en de zoon. De zoon was op dat moment al in de politiebus geplaatst.

2.10 De jeugdprofessional heeft gewacht op de tweede medewerker van [de crisisdienst] alvorens met de zoon in gesprek te gaan. De jeugdprofessional heeft daarna voor afstemmingsoverleg telefonisch contact opgenomen met de gedragswetenschapper van [de instelling] en, later, met de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK).

2.11 Twee medewerkers van de RvdK arriveerden rond 15.30 uur bij de woning van de ouders. Uit een e-mailbericht van [de crisisdienst] blijkt dat de zoon rond 16.00 uur heeft toegezegd vrijwillig mee te werken aan een plaatsing op de crisisopvang. Hierna werd het gesprek met de zoon voortgezet in de woning van de ouders, in aanwezigheid van de vader, onder begeleiding van twee agenten.

2.12 De zoon heeft in totaal vijf uur voor de woning in de politiebus gewacht, van 11.00 tot 16.00 uur. Uiteindelijk is rond 19.30 uur een crisisopvangplek geregeld. De zoon heeft hier drie weken verbleven.

2.13 De vader heeft een klacht ingediend bij de politie op 26 maart 2019. Voor zover hier van belang klaagde de vader over het feit dat de zoon langdurig op een beschamende wijze in een politiebus voor de woning is opgehouden. Het klachtgesprek van de politie met de vader heeft plaatsgevonden op 6 december 2019. Bij brief van 15 januari 2020 is de klacht ongegrond verklaard. In deze beslissing stelt de politie kortweg dat zij uitsluitend aanwezig is geweest in het kader van de veiligheid ter plaatse, op verzoek van [de crisisdienst]. De politie licht in deze beslissing toe dat de situatie van de zoon in eerste instantie is benaderd conform het protocol dat wordt gevolgd bij een gewapende verdachte. Nadat de vader aangaf geen aangifte te willen doen veranderde de status van de zoon naar hulpbehoevende. Vervolgens heeft de politie de situatie benaderd conform het protocol dat in 2018 is opgesteld in samenwerking met de diverse netwerkpartners. In dit protocol is afgesproken dat [de crisisdienst] een beroep doet op de zelfredzaamheid van betrokkenen als het gaat om vervoer van personen voor een gesprek op een andere locatie. Als dit niet mogelijk is dan kan een beroep worden gedaan op de ambulancedienst.

2.14 De vader heeft een klacht ingediend bij [de instelling] op 27 mei 2019. Het klachtgesprek van [de crisisdienst] met de vader heeft plaatsgevonden op 11 juni 2019. Daarin is onder meer afgesproken dat [de crisisdienst] een excuusbrief aan de zoon zal sturen. Deze brief is op 22 augustus 2019 verzonden. In deze brief heeft [de crisisdienst] geschreven dat het voor de zoon niet prettig moet zijn geweest om in de straat te staan, en dat zij er eerder voor hadden moeten zorgen dat de zoon ergens anders had kunnen wachten. Naar aanleiding van de notulen van het klachtgesprek (van 5 juli 2019) heeft de vader aan [de crisisdienst] verzocht duidelijker aan te geven of [de crisisdienst] zijn klachten erkent. Op 22 augustus 2019 heeft [de crisisdienst] in een separate brief aan de ouders erkend dat het niet goed is geweest voor de zoon dat hij zo lang op straat in een politiebus heeft gezeten. [De crisisdienst] heeft in de brief ook opgenomen dat zij het betreurt dat het ook voor de ouders niet goed is geweest.

2.15 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3        Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard ten tijde van het klachtwaardig handelen (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen). Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4        De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klacht wordt besproken en beoordeeld. Zowel de klacht als het verweer wordt zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 De klacht

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat de casusregie onvoldoende was.

Toelichting:
De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij tijdens de gebeurtenissen op 19 maart 2019 onvoldoende de regie heeft gevoerd. Dit heeft een enorme impact gehad, niet alleen op de zoon maar ook op de dochter die later die middag thuiskwam uit school. De zoon heeft zich in de politiebus zo beschaamd gevoeld dat hij niet meer in staat was verstandige keuzes te maken. Eén van de gevolgen is geweest dat de zoon zo boos is geworden, dat hij heeft aangegeven dat hij zou willen dat de vader dood was. Het heeft de vader tijd gekost de situatie uit te leggen en de relatie met de zoon te herstellen. In februari 2020 is de zoon gediagnostiseerd met een posttraumatische stress-stoornis (PTSS). De dochter heeft nog lang nachtmerries gehad van de dreigende aanblik van haar broer in een politiebus voor haar huis, omringd door agenten en jeugdbeschermers. Ook is het aanzien van het gezin in de buurt geschaad.

De bureaudienst en de politie hebben een verschillende visie op de gemaakte afspraken. Door deze onduidelijkheid ontstond er een onwenselijke situatie. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht kenbaar gemaakt dat zijn klacht nadrukkelijk niet ziet op de aanhouding van de zoon door de politie. Dat is wel traumatisch geweest, maar hierin heeft de jeugdprofessional geen rol gehad. De vader verwijt de jeugdprofessional dat de situatie verder is gaan escaleren ná haar aankomst bij de woning, omdat zij heeft nagelaten regie te voeren over de situatie die was ontstaan. Binnen de regietaak verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij niet direct met de vader in gesprek is gegaan, maar dat zij haar beeldvorming enkel heeft gebaseerd op het dossier van de zoon en de overdracht door de bureaudienst. Als de jeugdprofessional het overleg met de vader had gezocht, dan had zij geweten wat er die ochtend was gebeurd en had zij de houding van de zoon beter kunnen begrijpen. De vader vindt het pijnlijk voor de zoon dat er geen aandacht is geweest voor zijn boosheid over de aanhouding en dat de zoon in de bus moest blijven zitten. Om die reden was de vader meermalen naar de politie gegaan met het verzoek om een einde te maken aan de situatie. De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij hem daar niet in heeft gesteund en dat zij niet heeft besloten tijdig te de-escaleren door de zoon over te brengen naar een andere locatie. Bijvoorbeeld naar binnen of naar een kantoor van [de instelling]. Zowel de politie als de leidinggevende bij [de instelling] hebben later in klachtgesprekken aangegeven dat deze mogelijkheden er wel waren. Uiteindelijk trad de RvdK later in de middag de-escalerend op door de zoon naar de woning te brengen om hier verder te praten. De vader stelt dat de jeugdprofessional veel eerder deze regierol had moeten oppakken, wat volgens hem ook haar taak is.

Verder verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij de RvdK heeft betrokken zonder overleg met de vader en een aanvraag heeft uitgezet voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing (gesloten jeugdzorg). Dat dit is gebeurd blijkt volgens de vader uit stukken van de RvdK die hij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft voorgelezen.

Tenslotte verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij op geen enkele manier heeft gereflecteerd op haar handelen in de ontstane situatie, en wat zij daarin anders had moeten doen gezien haar regietaak.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional licht toe dat de politie om veiligheidsredenen de zoon in de bus heeft geplaatst. In de bus was de zoon rustig en volgens de politie kon dit veranderen als ze hem in een andere omgeving zouden brengen. Vanwege dit advies zagen de jeugdprofessional en haar collega geen alternatief dan met de zoon in de politiebus in gesprek te gaan. De verwachting van de jeugdprofessional was dat dit gesprek niet lang zou duren, omdat de zoon al op de hoogte was van het besluit tot plaatsing op de crisisopvang. Telkens heeft de jeugdprofessional geschakeld in de veronderstelling dat een oplossing nabij was, maar telkens nam (de aanloop tot) een gesprek toch langere tijd in beslag. De zoon bleef namelijk weigeren mee te werken aan de crisisplaatsing, en hij was agressief in zijn taalgebruik (zoals: ‘over mijn kankerlijk’). Terugkijkend op de gebeurtenissen erkent de jeugdprofessional dat zij had kunnen kiezen voor vervoer naar het kantoor van [de instelling], maar op het moment zelf was het niet de verwachting dat de interventies zo lang zouden duren. De jeugdprofessional concludeert dat de regie van [de crisisdienst] beperkt was tot het voeren van gesprekken met de zoon en de ouders, en alles wat nodig was om tot een plaatsing op de crisisopvang te komen. Als het gaat over veiligheid dan gaat [de crisisdienst] af op het oordeel van de politie.

Wat betreft de betrokkenheid van de RvdK heeft de jeugdprofessional overleg gepleegd met de gedragswetenschapper van [de crisisdienst]. Zij heeft daarop aan de zoon voorgelegd dat er contact met de RvdK zal worden opgenomen als hij een time-out op de crisisopvang blijft weigeren. De jeugdprofessional heeft de zoon uitgelegd dat de bemoeienis van de RvdK zou kunnen leiden tot een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing, mogelijk zelfs een machtiging voor plaatsing in een voorziening gesloten jeugdzorg. Omdat de zoon bleef bij zijn weigering, heeft de jeugdprofessional de RvdK gebeld. De RvdK heeft besloten om ter plaatse met de zoon in gesprek te gaan, in de hoop hem te kunnen motiveren om alsnog akkoord te gaan met een vrijwillige plaatsing op de crisisopvang zodat een maatregel kan worden voorkomen.

De jeugdprofessional begrijpt dat het voor het gezin traumatisch moet zijn geweest dat de politie met negen man sterk de woning heeft benaderd om de zoon op te halen en het spijt haar dat dit is gebeurd. Volgens de jeugdprofessional heeft zij tijdens het klachtgesprek op de situatie gereflecteerd. Terugkijkend op de gebeurtenissen van 19 maart 2019 heeft de jeugdprofessional aangegeven dat -met de wetenschap van nu- andere keuzes gemaakt zouden worden.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat zijn klacht ziet op de casusregie van de jeugdprofessional vanaf het moment dat zij bij de woning was aangekomen, tot het moment dat de RvdK rond 16.00 uur in de woning met de zoon en de vader in gesprek ging. Om die reden zal het College zich in haar oordeel beperken tot de vraag of de jeugdprofessional met haar handelen in deze periode voldoende de regie heeft gevoerd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Volgens de ‘Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdigen en jeugdbescherming’ (hierna: de Richtlijn Crisisplaatsing) is een crisisinterventie hoofdzakelijk gericht op het ondersteunen en erkennen van wensen en opvattingen, en het op weg helpen in het vinden van een nieuw evenwicht. Het College heeft begrepen dat dit de achtergrond is geweest van het voorstel van [de crisisdienst] om met de zoon verder te praten op het politiebureau. Met dit voorstel was de vader én de zoon akkoord. Echter, toen de jeugdprofessional onderweg was naar het politiebureau bleek de situatie gewijzigd, om welke reden haar is gevraagd naar de woning te gaan. Toen zij daar aankwam bleek de zoon in de politiebus te zijn geplaatst. De jeugdprofessional heeft besloten te wachten op de komst van de tweede [crisisdienst] medewerker alvorens het gesprek met de zoon aan te gaan. Op grond van de Richtlijn Crisisplaatsing had van de jeugdprofessional verwacht mogen worden dat zij direct bij de start van haar interventie (al dan niet samen met haar collega) contact had gezocht met de vader: om de ontstane situatie te bespreken en nieuwe afspraken te maken. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat de jeugdprofessional dat niet heeft gedaan. Zij is niet nagegaan wat zich voor haar komst had afgespeeld, noch bij de vader noch bij de aanwezige politie. Evenmin kon de jeugdprofessional zich herinneren of zij dit aan de zoon had gevraagd. Verder heeft de jeugdprofessional geen uitleg aan de vader gegeven over haar betrokkenheid vanuit [de crisisdienst] en wat de vader daarvan kon verwachten. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zij gedurende de dag wel had gezien dat de vader een aantal keer met de politie in gesprek was gegaan, maar dat is voor haar geen aanleiding geweest om afstemming te zoeken met de vader. Dit terwijl de ouders op eigen initiatief de hulp van [de crisisdienst] hadden ingeschakeld en er geen sprake was van een gezagsbeperkende maatregel. Daarbij ging het om een veertienjarige minderjarige. In zo’n situatie is de betrokkenheid van de ouders niet alleen belangrijk maar ook noodzakelijk, zoals blijkt uit artikel 7.3.4. van de Jeugdwet. Mede gelet op de extra afhankelijke positie van de zoon (gezien zijn leeftijd en kwetsbare positie in de politiebus) had de jeugdprofessional zich moeten inzetten voor een goede en efficiënte samenwerking, en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Dit, zowel richting de gezaghebbende vader en de jeugdige als de ketenpartners die op dat moment aanwezig waren. Hiermee draagt de jeugdprofessional bij aan een transparante en eenduidige regie. Volgens het College betekent deze regie dat de jeugdprofessional niet alleen afgaat op de informatie van de politie ter plaatse, maar dat zij een eigen objectieve afweging maakt onder afstemming met de ouder(s) en de jeugdige. Op grond van voorgaande overwegingen is het College van oordeel dat de casusregie vanuit de jeugdprofessional onvoldoende is geweest. Het handelen van de jeugdprofessional levert een schending op van artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna: de Beroepscode). Eveneens heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met de Richtlijn Crisisplaatsing en artikel 7.3.4 Jeugdwet.

Verder overweegt het College dat volgens de Richtlijn Crisisplaatsing de eerste prioriteit van de jeugdprofessional ligt bij de veiligheid van de jeugdige: pas daarna kan verder onderzoek en hulpverlening worden ingezet. Het College is van oordeel dat een verblijf van vijf uur in een politiebus geen passende plek voor de zoon is geweest, wat mogelijk spanningverhogend heeft gewerkt. Nadat de zoon in de politiebus was geplaatst bleek dat er van een bedreigende situatie geen sprake was, maar van een jongen die hulp nodig had. Om die reden wilde de politie hem niet naar het politiebureau brengen. Maar de zoon uit de bus halen zag de politie ook niet als een oplossing omdat hij heel boos was geworden. Zoals het College hiervoor heeft overwogen heeft de jeugdprofessional onvoldoende de regie kunnen voeren over de situatie omdat zij géén afstemming heeft gezocht met de vader, en zich niet op de hoogte heeft gesteld van wat er was gebeurd. De jeugdprofessional heeft de verantwoordelijkheid om in samenwerking met de sociale omgeving van de zoon, waaronder de vader, te bevorderen dat de zoon zoveel mogelijk tot zijn recht komt. Maar de jeugdprofessional heeft de druk bij de zoon opgevoerd door hem te wijzen op de mogelijkheid van een maatregel en wellicht gesloten jeugdzorg, zonder dat de vader hiervan op de hoogte was. Het College neemt het de jeugdprofessional kwalijk dat zij de besluitvorming bij de kwetsbare jeugdige heeft neergelegd. Het College is van oordeel dat dit handelen van de jeugdprofessional een schending oplevert van artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) van de beroepscode.

Tenslotte is het College wel gebleken dat de jeugdprofessional heeft beoogd zorgvuldig te handelen door het overleg te zoeken met haar collega, de gedragswetenschapper van [de crisisdienst] en de RvdK. Echter, omdat het handelen van de jeugdprofessional in het vrijwillig kader heeft plaatsgevonden en de veiligheid van de betrokkenen op dat moment niet in het geding was, had zij zich bewust moeten zijn van de grenzen van haar bevoegdheid op het moment dat zij zonder toestemming van de vader contact heeft opgenomen met de RvdK. Evenmin heeft de jeugdprofessional na het overleg met de RvdK de vader daarvan op de hoogte gesteld. De vader is hiermee pas bekend geraakt nadat de RvdK bij de woning was gearriveerd, en het gesprek met hem en de zoon aanging. Aangezien er geen sprake meer was van acute onveiligheid, de jeugdige verbleef in de politiebus, bestond geen noodzaak tot het delen of verstrekken van informatie aan de RvdK. Om die reden acht het College deze gegevensuitwisseling een schending van art. J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft haar rol als regievoerder onvoldoende gepakt, hetgeen blijkt uit het feit dat de jeugdprofessional de vader niet heeft betrokken in de afwegingen en de besluitvorming. Hierdoor is de jeugdprofessional buiten haar bevoegdheid getreden en is de jeugdige onvoldoende tot zijn recht gekomen. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel G (Instemming/afstemming omtrent hulp -en dienstverlening), artikel N (Samenwerking in de hulp -en dienstverlening), artikel A (Samenwerking met sociale omgeving) en artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Tevens heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met de Richtlijn Crisisplaatsing en met de rechten van ouders met gezag belast, zoals ook volgt uit artikel 7.3.4 van de Jeugdwet.

4.2.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional met haar handelen een ernstige inbreuk heeft gepleegd op meerdere normen van de Professionele Standaard. De jeugdprofessional is verwijtbaar tekortgeschoten. Tevens heeft het verwijtbare handelen mogelijk een ongewenste invloed gehad op de gesteldheid van de zoon, en ook op de vader-zoon-relatie. Het College overweegt daarnaast dat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling beperkte reflectie heeft getoond op haar handelen voor wat betreft het gebrek aan regie, in samenhang met het gebrek aan samenwerking met de gezaghebbende ouder(s). Zo heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aangegeven dat zij heeft gehandeld volgens de standaard werkwijze van [de crisisdienst]. Gezien de functie van de jeugdprofessional en dat het haar taak is op te treden in crisissituaties, acht het College het van belang dat zij zich realiseert dat het noodzakelijk is haar handelen af te stemmen met de betrokkenen, en tenminste met de gezaghebbende ouder(s). Uiteraard voor zover dit in de ontstane crisissituatie mogelijk is, afhankelijk van het verloop en de ernst daarvan. Het College gaat ervan uit dat dit oordeel bijdraagt aan bewustwording op dit punt en dat de jeugdprofessional in de toekomstige gevallen haar werkwijze daarop aanpast.

Gelet op de ernst van het handelen acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en deze situatie ziet op een eenmalige gebeurtenis, ziet het College aanleiding om af te zien van de openbaarmaking. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:
– verklaart de klacht gegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 23 oktober 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. M.M. Haverkort, secretaris