Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional heeft kort na haar betrokkenheid een brief aan de rechtbank geschreven over de hoofdverblijfplaats van de jeugdige, zonder bronvermelding. De jeugdprofessional had zich kritisch moeten opstellen, zodat zij met behulp van bronnen een eigen oordeel had kunnen vormen. Ook heeft de jeugdprofessional zich tijdens een zitting negatief uitgelaten over de moeder, zonder daarover uitleg te geven.

Klager is [klager], hierna te noemen: de moeder. De gemachtigde van de moeder is de heer mr. I. Mercanoglu, werkzaam als advocaat te Almelo.

Beklaagde is [de jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI. De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd. De gemachtigde van de jeugdprofessional is mevrouw mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand.

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 november 2021 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden.

Het College gaat uit van het aangepaste klaagschrift (ontvangen op 2 juli 2021), het verweerschrift (ontvangen op 17 september 2021) en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De moeder heeft een minderjarige zoon, geboren in 2011. De moeder en haar ex-partner, de vader van de zoon, zijn gescheiden. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

1.2 De kinderrechter heeft op 30 maart 2018 de zoon onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is geëindigd per 30 december 2020. De jeugdprofessional heeft in twee periodes de ondertoezichtstelling uitgevoerd: van 4 april 2019 tot 12 september 2019 (wegens vervanging van zwangerschapsverlof) en van 4 december 2019 tot 30 december 2020.

1.3 Per beschikking van 9 januari 2020 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader bepaald. In dezelfde beschikking is de zorgregeling met de moeder als volgt vastgesteld:
“- [de zoon] verblijft eens per twee weken een weekend bij de moeder, waarbij de moeder [de zoon] op vrijdag uit school haalt en maandagochtend weer naar school brengt,
– de vakanties bij helfte te verdelen,
– alle andere dagen van het jaar is [de zoon] bij de vader, hier worden geen uitzonderingen in aangebracht omwille van de rust.”

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit zeven klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij zonder enig feitelijk onderzoek de rechtbank heeft geadviseerd tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de zoon. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.2 Het College stelt vast dat de rechtbank op 9 januari 2020 de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader heeft bepaald, zoals opgenomen onder 1.3 van deze beslissing. In deze procedure heeft een collega van de jeugdprofessional (de vorige uitvoerende jeugdbeschermer) op 30 oktober 2019 een verzoekschrift wijziging zorgregeling ingediend. De jeugdprofessional heeft aanvullend op 18 december 2019 een brief ingediend. In de stukken van de GI wordt de rechtbank onder meer geadviseerd de hoofdverblijfplaats van de zoon bij de vader te bepalen. De moeder voert in de toelichting op haar klachtonderdeel aan dat de jeugdprofessional geen feitenonderzoek heeft verricht naar de opvoedsituatie bij de ouders. Daarnaast heeft de jeugdprofessional niet concreet gemaakt waarom de zoon bij de vader beter af is. Bovendien is het advies over de wijziging van de hoofdverblijfplaats niet inhoudelijk met de moeder besproken.
Omdat bij een tuchtrechtelijke beoordeling het individuele handelen van een jeugdprofessional centraal staat, dient het College eerst de vraag te beantwoorden in hoeverre de verwijten van de moeder het handelen van de jeugdprofessional betreffen. De jeugdprofessional heeft daartoe aangevoerd dat zij pas sinds 4 december 2019 (opnieuw) de uitvoerende jeugdbeschermer is geworden en het besluit al genomen was tot advisering van de hoofverblijfplaats bij vader. Dit besluit is namelijk genomen in het multidisciplinair overleg op 25 oktober 2019, waarbij de jeugdprofessional niet aanwezig of betrokken is geweest. Gelet hierop beperkt het College zich tot het geven van een oordeel over de tweede periode van betrokkenheid van de jeugdprofessional vanaf 4 december 2019. Tijdens haar eerste periode van betrokkenheid, van 4 april 2019 tot 12 september 2019, is niet gebleken dat conclusies genomen zijn ten aanzien van de hoofdverblijfplaats. Dat betekent dat het College de moeder gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaart in het klachtonderdeel, namelijk ten aanzien van het verwijt dat er geen feitenonderzoek is verricht naar de hoofdverblijfplaats, omdat dit verwijt ziet op de periode van voor 4 december 2019. De jeugdprofessional was in de periode niet de uitvoerende jeugdbeschermer, waardoor het niet haar handelen betreft.
Voor wat betreft het handelen van de jeugdprofessional na 4 december 2019, acht het College het handelen van de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar voor wat betreft de door haar opgestelde brief van 18 december 2019. Daartoe wordt als volgt overwogen. De brief heeft de jeugdprofessional opgesteld nadat zij pas kort weer betrokken was bij de casus. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College onvoldoende toegelicht waarop zij haar standpunt in de brief heeft gebaseerd, behalve dat er is aangesloten bij het verzoekschrift van haar voorganger. In de brief ontbreekt ook de bronvermelding. Bij het formuleren van een dergelijk wezenlijk standpunt, over de hoofdverblijfplaats van een jeugdige, wordt van een jeugdprofessional verwacht dat hij of zij zich kritisch opstelt en een eigen oordeel vormt, wat met bronnen onderbouwd dient te worden. Dat de brief niet voorzien is van enige onderbouwing, acht het College niet in lijn met de wijze waarop verslaglegging volgens de beroepsstandaard dient plaats te vinden. Dit nalaten wordt in strijd geacht met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode, gelet op de toelichting op dit artikel.
Daarnaast is niet gebleken dat de jeugdprofessional de moeder geïnformeerd heeft over de door haar geschreven brief en het standpunt dat zij daarin heeft ingenomen. Het College is van oordeel dat de moeder onvoldoende is meegenomen terwijl het, zoals reeds overwogen, een wezenlijk onderwerp betrof. Dat de jeugdprofessional de moeder niet geïnformeerd heeft, wordt in strijd wordt geacht met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

3.1.3 Het College verklaart de moeder gedeeltelijk niet-ontvankelijk in de klacht, voor zover de verwijten zien op de periode van voor 4 december 2019. Het klachtonderdeel is voor het overige gegrond.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de moeder niet heeft geïnformeerd over de mogelijkheid tot het indienen van een tuchtklacht om het functioneren van de jeugdprofessional te kunnen bespreken. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.2 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover dit klachtonderdeel ziet op de werkwijze van de GI. Dit verweer passeert het College omdat voldoende is gebleken dat dit verwijt ziet op het individuele handelen van de jeugdprofessional, namelijk een mogelijk nalaten nadat bij de moeder onvrede is ontstaan. De moeder voert namelijk aan dat, zodra blijkt dat een cliënt ontevreden is, een jeugdprofessional de plicht heeft om de cliënt te informeren over de mogelijkheid tot het indienen van een tuchtklacht. Deze verplichting zou volgen uit artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlenging) van de Beroepscode. Het College is het met de moeder eens dat voornoemd artikel in de toelichting voorschrijft dat een jeugdprofessional een cliënt informeert over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde tuchtrecht. In de praktijk is het gebruikelijk dat de cliënt aan het begin van het hulpverleningstraject hierover wordt geïnformeerd, al dan niet door middel van een folder van de betreffende organisatie/jeugdhulpaanbieder. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional voldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder bij de start van de ondertoezichtstelling een dergelijke folder vanuit de GI heeft ontvangen (de jeugdprofessional was destijds overigens niet de uitvoerende jeugdbeschermer). Volgens het College gaat de verplichting op grond van genoemd artikel echter niet zo ver dat een jeugdprofessional gedurende het traject een cliënt ook doorlopend, althans op het moment dat onvrede wordt ervaren, op eigen initiatief moet wijzen op de mogelijkheid van het indienen van een tuchtklacht. Een cliënt is daar immers al aan het begin van het traject op gewezen. Bovendien is een tuchtprocedure niet de enige mogelijkheid bij onvrede. Het College spoort in zo’n situatie vooral aan op het voeren een gezamenlijk gesprek om te verkennen waar de mogelijke oplossing kan liggen. Een dergelijk gesprek kan in aanwezigheid van een teammanager of onafhankelijke bemiddelaar gevoerd worden. Wanneer de onvrede daarna blijft bestaan, zijn er verschillende klachtmogelijkheden. Het is aan de cliënt om een eigen afweging te maken welke mogelijkheid passend is. Bij deze keuze kan de cliënt worden bijgestaan door AKJ, vertrouwenspersoon in de Jeugdhulp, of een andere gemachtigde. Hier is gebleken dat de moeder is doorverwezen naar AKJ en zij bijgestaan werd door haar advocaat als gemachtigde. Het College acht dit de aangewezen personen/instantie om de verschillende klachtmogelijkheden te bespreken en daarin met de cliënt een keuze te maken. Bovendien heeft de moeder met de onderhavige procedure tijdig een tuchtklacht ingediend waardoor zij niet in haar belangen is geschaad. Het is het College dan ook niet gebleken dat de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt rondom het informeren over de mogelijkheid tot het indienen van een tuchtklacht.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij willekeur hanteerde en partij koos voor de vader. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Het verwijt wordt in de toelichting op het klachtonderdeel geconcretiseerd en gekoppeld aan een schriftelijke aanwijzing die de jeugdprofessional aan de moeder heeft gegeven. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional op 17 juli 2020 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven om haar toestemming te verkrijgen voor de vakantie van de zoon met de vader (en zijn gezin) naar [het buitenland]. De moeder heeft geen toestemming gegeven waardoor de GI is overgegaan tot het indienen van het verzoek bij de rechtbank tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter heeft per beschikking van 24 juli 2020 dit verzoek afgewezen. Met verwijzing naar deze beschikking, voert de moeder aan dat de jeugdprofessional enkel in het belang van de vader heeft gehandeld en dat zij niet bevoegd was de vakantietoestemming op deze wijze te regelen, omdat voor de ouders de mogelijkheid bestaat een procedure te starten tot het verkrijgen van vervangende toestemming. Het College overweegt als volgt.
De jeugdprofessional heeft met het geven van de schriftelijke aanwijzing en het verzoek aan de rechtbank tot bekrachtiging daarvan een belangenafweging gemaakt. Aan de ene kant stonden de belangen van de moeder, waarvan de jeugdprofessional op de hoogte was dat zij op dat moment in het ziekenhuis lag. De moeder heeft aanvullend tijdens de digitale behandeling van de klacht aangevoerd dat zij in haar eigen afweging rondom het geven van toestemming ook rekening hield met het slechtst denkbare scenario, namelijk dat zij zou komen te overlijden waardoor zij haar zoon niet over de grens wilde laten gaan en daarom geen toestemming kon geven. Het is het College niet gebleken dat deze specifieke informatie, over de ernst van de gezondheidstoestand van de moeder, ook bekend was bij de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft daar in de belangenafweging namens de GI dan ook geen rekening mee kunnen houden. Aan de andere kant stonden de belangen van de zoon, en daarmee samenhangend die van de vader. De jeugdprofessional heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij primair de belangen van de zoon heeft willen behartigen. Het College kan de jeugdprofessional hierin volgen, omdat het in het belang van kinderen wordt geacht wanneer zij met hun beide ouders mee kunnen op zomervakantie (uitzonderingen daargelaten). Temeer wanneer het kind volgens de geldende zorgregeling grotendeels bij de betreffende ouder verblijft, zoals hier ook het geval was. Het College is dan ook van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt rondom het geven van de schriftelijke aanwijzing en het ingediende verzoek tot bekrachtiging.
Ten aanzien van het standpunt dat de GI niet bevoegd was de toestemming op deze wijze te regelen, wordt het volgende opgemerkt. Het College is het met de moeder eens dat de procedure voor de ouders op grond van artikel 1:253a BW, voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor vakantie, de meest aangewezen procedure is. Anders dan de moeder stelt, betekent dat echter niet dat een GI nooit de bevoegdheid heeft om daarover een schriftelijke aanwijzing te geven. Het College wijst als onderbouwing van dit standpunt naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10822, waarin een schriftelijke aanwijzing rondom vakantietoestemming is bekrachtigd.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 4

3.4.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de begeleiding te wensen heeft overgelaten. Er is door de jeugdprofessional een plan opgesteld waarin doelstellingen zijn opgenomen, vervolgens is daar niet mee gewerkt. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het klachtonderdeel ‘de begeleiding heeft te wensen overgelaten’ te algemeen is en het klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 1. Het College gaat hieraan voorbij nu uit het klachtonderdeel en de toelichting daarop voldoende blijkt dat de jeugdprofessional wordt verweten dat zij niet met het plan van aanpak heeft gewerkt. De moeder stelt dat er niet gewerkt is volgens de methodiek ‘complexe echtscheidingen’ omdat er geen ‘driegesprekken’ hebben plaatsgevonden. Ook heeft de moeder meermaals gevraagd wat de lijn was in de opbouw van de uitbreiding van de omgang, maar kreeg zij op die vraag geen reactie. Ten aanzien van de omgang, verwijst het College naar de vastgestelde zorgregeling, zoals onder 1.3 van deze beslissing opgenomen. Daarin is opgenomen dat de zoon, naast de twee wekelijkse weekendregeling en de helft van de vakanties, alle andere dagen van het jaar bij de vader is, waarbij de rechtbank expliciet heeft opgenomen dat er geen uitzonderingen in worden aangebracht omwille van de rust. Een dergelijke specifieke regeling biedt naar het oordeel van het College geen ruimte om te werken aan uitbreiding van de omgang.
Voor het overige heeft de moeder onvoldoende aannemelijk gemaakt dat niet gewerkt is volgens het plan van aanpak. Het College leest in het plan van aanpak (productie 23 van het klaagschrift) de volgende twee doelen: communicatie van de ouders en passende ondersteuning voor de zoon. Ten aanzien van de communicatie hebben de ouders gedurende het traject ervoor gekozen parallel ouderschap aan te gaan. Dit houdt in dat beide huishoudens los van elkaar gezien worden en alleen over het hoogstnoodzakelijke wordt gecommuniceerd. Gezien deze keuze van de ouders ligt het voeren van ‘driegesprekken’ niet voor de hand, nog daargelaten dat dit geen absolute verplichting is bij de methodiek ‘complexe echtscheidingen’. Ten aanzien van interventies zijn [interventie 1] en [interventie 2] ingezet. Dat wordt in lijn geacht met de doelen uit het plan van aanpak. Het College concludeert dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 5

3.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij na het eindigen van de ondertoezichtstelling contact met de vader heeft gehad en hem heeft willen bijstaan als vertrouwenspersoon. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 Het College overweegt als volgt. De moeder heeft het verwijt, dat de jeugdprofessional na het eindigen van de ondertoezichtstelling nog contact met de vader heeft gehad, niet van onderbouwing voorzien. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat zij kort na het eindigen van de ondertoezichtstelling met de beide ouders contact heeft gehad. Dit was enkel nog ter afronding van de zaken nu de einddatum van de ondertoezichtstelling in de kerstvakantie viel. Het College acht dit niet tuchtrechtelijk te verwijten.
Daarnaast wordt de jeugdprofessional verweten dat zij na het eindigen van de ondertoezichtstelling de vader heeft willen bijstaan als vertrouwenspersoon. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional dit verwijt gemotiveerd heeft betwist. Uit de stukken blijkt dat het volgende heeft plaatsgevonden. Kort na het eindigen van de ondertoezichtstelling, stond een gesprek gepland tussen de school van de zoon en de ouders. Bij de school bestond onduidelijkheid of de jeugdprofessional daarbij aanwezig zou zijn. In de betreffende e-mailwisseling (bijgevoegd als productie 6 van het verweerschrift) leest het College dat de moeder oppert dat indien de jeugdprofessional aanwezig is bij het gesprek, zij dit doet in de rol van vertrouwenspersoon van de vader (e-mailbericht van 8 januari 2021). Het is niet de jeugdprofessional geweest, die dit voorstelt. Bovendien heeft de jeugdprofessional niet deelgenomen aan het gesprek met de school omdat de moeder daarvoor geen toestemming gaf. Het College concludeert dat niet is gebleken dat de jeugdprofessional de vader als vertrouwenspersoon heeft willen bijstaan waardoor dit verwijt geen doel treft.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.6 Klachtonderdeel 6

3.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional respectloos gedrag. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6.2 De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat dit klachtonderdeel overlap heeft met de andere klachtonderdelen. Het College acht het klachtonderdeel voldoende concreet en op zichzelf staand om te kunnen beoordelen en gaat voorbij aan het verweer op dit punt. De moeder heeft het klachtonderdeel met twee voorbeelden toegelicht. Het College acht het handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar ten aanzien van het voorbeeld over de uitspraak van de jeugdprofessional tijdens de zitting van 24 juli 2020. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Tijdens de zitting van 24 juli 2020, waar het bekrachtigingsverzoek schriftelijke aanwijzing van de GI werd behandeld (zie klachtonderdeel 3 onder 3.3 van deze beslissing), heeft de jeugdprofessional in reactie op een vraag van de kinderrechter het volgende verwoord: “de vader vertelt in ieder geval de waarheid. De moeder liegt altijd”, of woorden van gelijke strekking. Tijdens de digitale behandeling van de klacht is de jeugdprofessional op deze uitspraak bevraagd door het College. De jeugdprofessional heeft niet betwist dat zij een dergelijke uitspraak gedaan heeft. Zij heeft daarbij aangevoerd dat de context anders was dan zoals door de moeder is geschetst. Los van de context, acht het College een dergelijke uitspraak vergaand en niet bevorderlijk voor de samenwerking. Dit vraagt minstens om een nadere toelichting en afstemming met de cliënt, al dan niet na de zitting, zodat kan worden uitgelegd wat heeft gemaakt dat de uitspraak is gedaan. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional is teruggekomen op haar uitspraak of het gesprek daarover is aangegaan met de moeder. Zonder nadere toelichting of uitleg, wordt de uitspraak van de jeugdprofessional in strijd geacht met artikel E (respect) van de Beroepscode.
Het andere voorbeeld ziet op een interne e-mailwisseling tussen de jeugdprofessional en haar collega, de vorige uitvoerende jeugdbeschermer. Deze e-mailwisseling is abusievelijk bij de moeder terechtgekomen. Het College leest in de e-mailwisseling aan de zijde van de jeugdprofessional onder meer het volgende: “ik denk dat er wel weer een ots komt” en dat de jeugdprofessional beschrijft dat zij uit de communicatie wordt gehaald door de moeder. Hoewel de gang van zaken ongelukkig wordt geacht, acht het College de uitspraken van de jeugdprofessional onvoldoende om van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen te spreken.

3.6.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond is, namelijk ten aanzien van het verwijt dat de jeugdprofessional een respectloze uitspraak heeft gedaan over de moeder tijdens de zitting van 24 juli 2020 zonder daar (achteraf) een toelichting op te geven.

3.7 Klachtonderdeel 7

3.7.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij niet integer heeft gehandeld inzake de beëindiging van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.7.2 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de moeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat dit klachtonderdeel overlap heeft met klachtonderdeel 5. Dit verweer passeert het College omdat het verwijt in dit klachtonderdeel ziet op de wijze van beëindigen van de ondertoezichtstelling wat voldoende op zichzelf staand is. Het College stelt het volgende vast rondom het beëindigen. Op 3 november 2020 heeft de GI aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) verzocht het voorgenomen besluit van de GI te toetsen, om niet over te gaan tot een verlengingsverzoek van de ondertoezichtstelling (conform artikel 1:265j lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). Nadien, op 11 november 2020, heeft een psychologische instelling een diagnostische rapportage over de zoon afgerond en aan de betrokkenen toegestuurd. In deze rapportage wordt onder meer geadviseerd de ondertoezichtstelling wel te verlengen, zodat de communicatie tussen de ouders kan worden verbeterd. Volgens de moeder heeft de jeugdprofessional niet integer gehandeld omdat zij dit advies niet heeft gedeeld met de RvdK, en ook niet met haar collega’s. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat de diagnostische rapportage en het advies wel is gedeeld, maar tezamen met de afweging van de GI. Volgens de GI was het advies tot verbeteren van de communicatie een gepasseerd station, omdat er reeds tevergeefs trajecten waren ingezet en dat uiteindelijk gekozen is voor parallel ouderschap. Ook de zoon gaf de opvoedsituaties bij de ouders inmiddels een voldoende. De ondertoezichtstelling zou volgens de GI daarom geen toegevoegde waarde meer hebben. Concluderend is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional de diagnostische rapportage weggelaten heeft om de RvdK of haar collega’s te beïnvloeden zoals door de moeder gesteld.

3.7.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     Maatregel: waarschuwing

4.1 Ten aanzien van de op te leggen maatregel, wordt het volgende overwogen. Het College neemt het de jeugdprofessional kwalijk dat zij, kort nadat zij opnieuw de uitvoerende jeugdbeschermer werd, vrijwel direct een standpunt over de hoofdverblijfplaats van de zoon heeft overgenomen van haar voorganger. Het College heeft hierin een kritische opstelling van de jeugdprofessional gemist en het standpunt in de door haar opgestelde brief is niet onderbouwd met bronnen. Ook heeft de jeugdprofessional onvoldoende met de moeder afgestemd, zowel ten opzichte van deze brief als na de door haar gedane uitspraak tijdens de zitting van 24 juli 2020. Het College heeft tot slot tijdens de digitale behandeling van de klacht onvoldoende reflectief vermogen gezien rondom het eigen aandeel van de jeugdprofessional in de samenwerking met de moeder. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het College de maatregel van waarschuwing.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:
– de moeder is gedeeltelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1;
– klachtonderdeel 1 is voor het overige gegrond;
– klachtonderdeel 6 is gedeeltelijk gegrond;
– voor het overige zijn de klachtonderdelen ongegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Deze beslissing is op 10 januari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van mevrouw mr. E.M. Jacquemijns (voorzitter), de heer E.A.J. Ouwerkerk en de heer W.M.P. van Engelen (beide lid-beroepsgenoot), bijgestaan door de secretarissen mevrouw mr. L.C. Groen en mevrouw mr. L.C. van der Meij.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris