Maak een selectie

457 van 457

   

De jeugdprofessional heeft in een brief aan het Gerechtshof en in een verzoekschrift de informatie van een speltherapeut op een onevenwichtige manier gepresenteerd waardoor de verslaglegging niet conform de beroepsstandaard heeft plaatsgevonden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[naam], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 13 november 2018 ingediende klaagschrift tegen:

[naam], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als gezinsvoogdijwerker bij [naam instelling], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [naam], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. M. Kramer, werkzaam als advocaat te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 13 november 2018 met bijlagen;
  • het verweerschrift ontvangen op 10 september 2019;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 19 november 2019 met bijlagen en de aanvulling van 26 november 2019;
  • de aanvulling op het verweerschrift ontvangen op 1 december 2019.

1.2 Door omstandigheden aan de zijde van de jeugdprofessional is de zaak voor een langere periode aangehouden. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 4 december 2019 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij is een collega van de gemachtigde van de vader als toehoorder aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft een dochter die in 2007 is geboren. De vader en zijn ex-partner, hierna te noemen: de moeder, zijn sinds 2008 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de dochter.

2.2 De dochter woont bij de moeder. Zij heeft omgang met de vader gehad op basis van een door de rechtbank vastgestelde zorgregeling van 29 juni 2011 die door de vader en de moeder is aangepast op 16 september 2011.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 januari 2015 de dochter onder toezicht gesteld van een andere gecertificeerde instelling dan de GI. Op 1 februari 2016 is de uitvoering van de ondertoezichtstelling overgedragen aan de GI. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd.

2.4 De jeugdprofessional was van april 2016 tot 10 april 2018 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Zij was van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

2.5 Op 6 juli 2016 is de omgang tussen de vader en de dochter gestopt omdat er zorgen waren over de veiligheid van de dochter bij de vader. De GI heeft op 21 juli 2016 een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de verdeling van de zorg-en opvoedtaken. De vader heeft bij de voorzieningenrechter onder andere de nakoming van de zorg-en contactregeling gevorderd. De voorzieningenrechter heeft in een vonnis van 20 juli 2016 de vorderingen van de vader afgewezen.

2.6 De rechtbank heeft bij beschikking van 4 augustus 2016 bepaald dat de vader eenmaal per 14 dagen onder begeleiding twee uur omgang met de dochter heeft. Ook heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) verzocht om onderzoek te doen naar de vraag welke zorg-en opvoedingsregeling het meest in het belang van de dochter is.

2.7 De ouders hebben van oktober 2016 tot 23 mei 2017 deelgenomen aan het traject ‘Kinderen uit de Knel’.

2.8 De RvdK heeft in een raadsrapport van 20 januari 2017 voorwaarden gesteld aan de omgang tussen de vader en de dochter.

2.9 De vader heeft bij het College van Toezicht van het Nederlands Instituut voor Psychologen (hierna: het College van Toezicht van het NIP) een tuchtklacht ingediend tegen een speltherapeut. Het College van Toezicht van het NIP heeft de maatregel van berisping opgelegd.

2.10 De rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2017 bepaald dat de dochter eenmaal per veertien dagen omgang met de dochter heeft gedurende twee uur op het kantoor van de GI. De GI kan deze regeling uitbreiden of nader invullen. Het hof heeft bij beschikking van 23 januari 2018 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

2.11 Op 18 april 2017 en 17 januari 2018 hebben de vader en de jeugdprofessional met elkaar een bemiddelingsgesprek gevoerd. De clustermanager van de GI en een vertrouwenspersoon van het AKJ zijn hierbij aanwezig geweest.

2.12 De GI heeft de dochter aangemeld bij [instelling] (hierna te noemen: [naam instelling]) voor diagnostiek vanwege een vermoeden van trauma. Het onderzoek is in mei 2018 gestart. Het [naam] heeft op 13 juni 2018 een verslag geschreven.

2.13 De GI heeft op 15 maart 2018 de rechtbank verzocht om een wijziging in de verdeling van de zorg- en opvoedtaken waarbij de omgang één keer per maand gedurende twee uur onder begeleiding zal plaats vinden op het kantoor van de GI met ingang van 15 maart 2018 tot en met juli 2018.

2.14 De GI heeft de vader op 28 maart 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarbij de omgang eens per maand plaatsvindt.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 De jeugdprofessional is van kamer gewisseld, zoals weergegeven onder 2.4. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional dient te worden gelezen, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onvoldoende kennis heeft van de methodiek die van toepassing is in jeugdbeschermingszaken waarin er sprake is van een complexe echtscheiding. Zij heeft gedurende de uitvoering van haar taak als jeugdbeschermer niet de meervoudige partijdigheid gehanteerd. Zij heeft in contactjournaals en in het onder 2.13 genoemde verzoekschrift van 15 maart 2018 de mening van de moeder over het handelen van de vader niet als mening van de moeder aangeduid maar als feit opgeschreven. Ook heeft de jeugdprofessional de bevindingen van haar collega tijdens de begeleide omgang op 7 juni 2017 buiten alle rapportages gelaten. Verder heeft de jeugdprofessional in de contactjournaals geen verslag bijgevoegd van de omgangsmomenten terwijl zij in verzoekschriften vrij gedetailleerd hiervan verslag doet en dan met name van de voor de vader negatieve voorvallen.

4.1.2 De jeugdprofessional betwist dat de mening van de moeder als feit in contactjournaals en rapportages is opgenomen. De jeugdprofessional heeft zowel de mening van de moeder als de visie van de vader hierin opgenomen. De bevindingen van de collega die de omgang heeft begeleid, wijken niet af van die van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft het verloop van de omgangsmomenten uitvoerig verwerkt in de rapportages en verzoekschriften. Binnen de GI is niet vastgelegd op welke wijze de omgang moet worden verslagen. Ook benadrukt de jeugdprofessional dat de vader haar nooit heeft verzocht om omgangsverslagen.

4.1.3 Het College overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft in het verzoekschrift vermeld wat de mening van de moeder is en wat de moeder heeft aangegeven. Ook uit de overgelegde contactjournaals blijkt niet dat de mening van de moeder als feit is opgenomen.

Het College begrijpt uit de klacht dat de vader wenste dat het verslag van de begeleide omgang van 7 juni 2017 meer aandacht zou krijgen in de verslaglegging omdat deze omgang positief is verlopen. Het College leest in het verzoekschrift van 15 maart 2018 op pagina 7 dat de jeugdprofessional heeft beschreven dat de omgangsmomenten tussen de vader en de dochter wisselend verlopen, maar dat er ook plezier is tijdens de omgangsmomenten. Het College concludeert dat de jeugdprofessional niet alleen negatieve aspecten heeft genoemd. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd toegelicht dat zij binnen de GI de vrijheid had om onder meer in het verzoekschrift van 15 maart 2018 zeer uitgebreid verslag te doen van deze omgangsmomenten.

De jeugdprofessional heeft een afweging gemaakt tussen het welzijn van de dochter en het recht op omgang tussen de vader en de dochter. Dat de vader het niet eens is met de beperking van de omgangsmomenten is begrijpelijk. Het College kan zich voorstellen dat het voor de vader moeilijk is geweest dat hij zijn dochter minder heeft gezien en dat hij zich hierdoor tekort gedaan voelde, maar op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is onvoldoende feitelijk komen vast te staan dat de jeugdprofessional onvoldoende kennis heeft van de methodiek en dat zij zich niet meervoudig partijdig heeft opgesteld.

Het klachtonderdeel is gelet op het voorgaande ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld omdat zij in haar verzoekschriften gebruik heeft gemaakt van feitelijk onjuiste informatie. De jeugdprofessional heeft gesuggereerd dat de dochter direct getuige is geweest van enkele voorvallen, terwijl uit de rapportage van het [naam instelling] is gebleken dat de dochter deze verhalen slechts heeft gehoord. De mening van de moeder is door de jeugdprofessional als waarheid gepresenteerd. Ook heeft de jeugdprofessional in het verzoekschrift van 15 maart 2018 een mening van een speltherapeut beschreven. Deze therapeut is berispt door het College van Toezicht van het NIP. De jeugdprofessional is hierover geïnformeerd maar heeft dat niet in het verzoekschrift van 15 maart 2018 of in de schriftelijke aanwijzing van 28 maart 2018 opgenomen zodat de rechtbank onjuist was geïnformeerd. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de schriftelijke aanwijzing van 28 maart 2018. Verder heeft de jeugdprofessional de uitkomsten van de CBCL lijsten, die de moeder heeft ingevuld, publiekelijk gebruikt. Tot slot heeft de jeugdprofessional in het verzoekschrift van 15 maart 2018 een conclusie getrokken over de bevindingen van de school dat niet overeenkomt met de inhoud van het verslag van het contact met de school in het contactjournaal.

4.2.2 De jeugdprofessional betwist dat zij in rapportages incidenten heeft beschreven die buiten de aanwezigheid van de dochter hebben plaatsgevonden. In het verslag van het [naam instelling] staat dat de dochter heeft bevestigd dat zij bij deze incidenten aanwezig is geweest. Daarnaast benoemt het [naam instelling] voorbeelden van voorvallen die de dochter van horen zeggen heeft. De jeugdprofessional heeft in het verzoekschrift van 15 maart 2018 vermeld dat er een klacht was ingediend tegen de speltherapeut. Het is aan de rechtbank om zelf een oordeel te vellen over de visie van de speltherapeut. De jeugdprofessional heeft deze visie summier en algemeen geformuleerd en zij heeft de bevindingen van de speltherapeute niet in de schriftelijke aanwijzing genoemd. De verzoekschriften zijn op meerdere bronnen gebaseerd. De jeugdprofessional heeft op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet de CBCL lijsten gebruikt omdat zij deze relevant heeft geacht in het kader van haar verantwoordelijkheid als uitvoerder van de ondertoezichtstelling. De moeder heeft de CBCL als opvoeder ingevuld. De stelling van de vader dat het contactjournaal over de informatie van school haaks staat op de inhoud van het verzoekschrift van 15 maart 2018, is aantoonbaar onjuist. De jeugdprofessional verwijst naar de documenten waarin staat dat dochter de leerkracht om geheimhouding heeft gevraagd.

4.2.3 Het College overweegt het volgende. Uit het verslag van het [naam instelling] van 13 juni 2018 concludeert het College dat de dochter een aantal incidenten heeft aangehaald en dat zij daarnaast voorbeelden heeft genoemd van horen zeggen. De stelling van de vader is daarmee feitelijk onjuist. Verder blijkt uit het verzoekschrift van 15 maart 2018 dat de jeugdprofessional heeft vermeld dat de dochter op school om geheimhouding heeft gevraagd aan de leerkracht hetgeen in grote lijnen overeenstemt met de inhoud van het contactjournaal. Niet in het geschil is dat de moeder een CBCL lijst heeft ingevuld. De jeugdprofessional heeft op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet de bevoegdheid om met professionals contact op te nemen en informatie in te winnen over de uitkomsten van de CBCL lijsten zodat zij op basis daarvan verdere hulpverlening kon inzetten voor de dochter. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional vervolgens in dat licht de CBCL lijsten heeft benoemd in het verzoekschrift van 15 maart 2018. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

Verder is komen vast te staan dat de jeugdprofessional in de brief aan het Gerechtshof van 24 november 2017 (pagina 3) en het verzoekschrift van 15 maart 2018 (pagina 3) heeft geschreven dat de speltherapeut heeft vermeld dat de dochter klem zit en dat de speltherapeut het cijfer 2 heeft gegeven voor de veiligheid van de dochter bij de vader thuis. De enkele vermelding van de jeugdprofessional dat het College van Toezicht van het NIP een klacht van de vader gegrond heeft verklaard omdat de speltherapeut zich niet over de situatie bij de vader thuis had kunnen uitlaten zonder bij de vader thuis onderzoek gedaan te hebben, acht het College onvoldoende.

Het College twijfelt niet aan de goede bedoelingen van de jeugdprofessional maar zij heeft niet benoemd dat het College van Toezicht van het NIP in de beslissing van 8 februari 2017 drie klachtonderdelen gegrond heeft verklaard en dat de speltherapeut de maatregel van een berisping is opgelegd. Zij heeft de informatie van de speltherapeut in het verzoekschrift van 15 maart 2018 op een onevenwichtige manier gepresenteerd waardoor de verslaglegging niet conform de beroepsstandaard heeft plaatsgevonden. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel M van de Beroepscode (verslaglegging en dossiervorming). Dit gedeelte van klachtonderdeel 2 is gegrond.

Het klachtonderdeel is gelet op het voorgaande deels ongegrond en deels gegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij ondanks dat zij op de hoogte was van de moeizame samenwerking tussen hen en de enorme spanning die dat bij de vader teweeg heeft gebracht, geen enkel initiatief heeft genomen om de samenwerking te verbeteren. De vader heeft twee keer in een brief gevraagd om een andere jeugdprofessional.

4.3.2 De jeugdprofessional voert aan dat zij de gesprekken over de onvrede van de vader altijd met hem is aangegaan. Tijdens een bemiddelingsgesprek heeft de clustermanager het gesprek voortijdig beëindigd. De vader heeft vervolgens klachten ingediend tegen de clustermanager en de regiomanager en heeft niet kenbaar gemaakt dat hij met de jeugdprofessional in gesprek wilde over zijn onvrede. Voor de jeugdprofessional was de vertrouwensband met de dochter van doorslaggevende betekenis om de uitvoering van de ondertoezichtstelling te continueren ondanks de onvrede van de vader. Daarnaast was het niet mogelijk om deze zaak aan een collega over te dragen. De collega’s waren terughoudend en niet ervaren. Uiteindelijk heeft de jeugdprofessional de uitvoering van de ondertoezichtstelling noodgedwongen overgedragen omdat zij ziek werd.

4.3.3 Het College overweegt het volgende. De jeugdprofessional heeft door bemiddelingsgesprekken te voeren met de vader laten zien dat zij open heeft gestaan voor een verbetering van de samenwerking. Niet de jeugdprofessional, maar de GI neemt het besluit om een jeugdbeschermer te vervangen. Onweersproken is gesteld dat er bij de GI intern gesprekken zijn geweest over een mogelijke vervanging van de jeugdprofessional waarna de GI heeft besloten dat de jeugdprofessional zou aanblijven omdat zij een goede band had opgebouwd met de dochter. Daarnaast had de collega van de jeugdbeschermer die enkele keren de omgang heeft begeleid, geen ruimte in haar caseload. Nu het hier niet gaat om een individueel besluit van de jeugdprofessional maar om een instellingsbesluit, kan de jeugdprofessional geen verwijt worden gemaakt. Het klachtonderdeel is gelet op het voorgaande ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij door haar afwezigheid onvoldoende heeft gezorgd voor de continuïteit van het hulpverleningsproces. Zij heeft zich veelvuldig op het laatste moment afgemeld en is afspraken niet nagekomen. In de ruim twee jaar tijd dat de jeugdprofessional was betrokken, hebben er slechts dertien driegesprekken plaatsgevonden. Ondanks veelvuldig verzoek van de vader heeft de jeugdprofessional deze gesprekken niet ingepland. Ook is de jeugdprofessional zes keer vervangen tijdens de omgangsmomenten met de dochter. Tot slot was zij telefonisch slecht bereikbaar en heeft zij niet gereageerd op terugbelverzoeken.

4.4.2 De jeugdprofessional betwist dat zij veelvuldig afspraken heeft afgezegd en dat zij afspraken niet na is gekomen. Tijdens de driegesprekken was de vader niet te begrenzen en de moeder heeft haar medewerking op een gegeven moment stopgezet. De jeugdprofessional heeft wel eens afspraken afgezegd. Zij had hier een goede reden voor. Het gaat hier om drie afspraken over een periode van bijna twee jaar.

4.4.3 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft hard gewerkt om de continuïteit van het hulpverleningsproces te waarborgen. Zo heeft zij naast de dertien drie gesprekken die hebben plaatsgevonden, rapportages geschreven, zijn er meerdere gerechtelijke procedures geweest en heeft het [naam instelling] onderzoek gedaan naar de dochter. Ook was de jeugdprofessional vaak bij de begeleide omgang tussen de vader en de dochter betrokken. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional gedurende de twee jaar dat zij bij deze casus was betrokken, afspraken heeft afgezegd. Zij heeft toegelicht waarom de drie gesprekken zijn gestopt. Dat de jeugdprofessional telefonisch slecht bereikbaar was en niet heeft gereageerd op terugbelverzoeken van de vader, is door de vader niet nader onderbouwd. Het klachtonderdeel is gelet op het voorgaande ongegrond.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 2 gedeeltelijk een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Zij heeft in de brief aan het Gerechtshof van 24 november 2017 (pagina 3) en het verzoekschrift van 15 maart 2018 (pagina 3) de informatie van de speltherapeut op een onevenwichtige manier gepresenteerd door niet te vermelden dat het College van Toezicht van het NIP in de beslissing van 8 februari 2017 drie klachtonderdelen gegrond heeft verklaard en dat de speltherapeut de maatregel van een berisping is opgelegd. Van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij volledig is in haar verslaglegging en alle relevante feiten benoemt. De verslaglegging heeft niet conform de beroepsstandaard plaatsgevonden waardoor artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode is geschonden.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid overweegt het College in de eerste plaats dat de jeugdprofessional goede bedoelingen heeft gehad. Zij heeft in deze casus hard gewerkt en heeft over het algemeen zorgvuldig gehandeld. Zij heeft daarnaast in haar rapportage meerdere bronnen geraadpleegd waaronder de RvdK, de meningen van de ouders. Hierdoor is haar rapportage niet geheel eenzijdig geweest.

Nu de jeugdprofessional op één punt verwijtbaar heeft gehandeld, ziet het College op grond van deze omstandigheid af van het opleggen van een maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 2 deels gegrond en deels ongegrond;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 15 januari 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                                       mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                                         secretaris