Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdprofessional heeft de ouders in de gelegenheid moeten stellen om te reageren op de verslagen die zij naar de GI heeft gestuurd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager] en [klaagster], klagers, hierna te noemen: de vader en de moeder, gezamenlijk aan te duiden als de ouders, wonende te [woonplaats],

op 11 juni 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, eigenaar van het bedrijf [naam] te [plaats].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw [naam], werkzaam bij [naam] te [plaats].

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 7 juli 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 21 augustus 2019.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 november 2019 in aanwezigheid van de ouders, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigde. Hierbij is de echtgenoot van de jeugdprofessional als toehoorder aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd. De voorzitter heeft op 10 januari 2020 op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement versie 1.3 besloten om de termijn voor het versturen van de beslissing met één week te verlengen. Partijen zijn over dit besluit geïnformeerd.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De ouders hebben drie minderjarige dochters, een drieling, geboren in het tweede kwartaal van 2018. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen. De ouders wonen niet officieel met elkaar samen. De kinderen waren te vroeg geboren en hebben een aantal weken in het ziekenhuis doorgebracht.

2.2 De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) heeft na een verzoek van de gemeente van 5 april 2018 onderzoek gedaan. Op 9 juli 2018 heeft de RvdK een raadsrapport opgesteld met het advies om de kinderen onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 juli 2018 de kinderen voor de duur van 12 maanden onder toezicht gesteld. De [gecertificeerde instelling], hierna te noemen: de GI, is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het verzoek tot uithuisplaatsing is door de kinderrechter bij beschikking van 12 juli 2018 afgewezen.

2.4 De kinderen zijn op 16 juli 2018 uit het ziekenhuis ontslagen en met de moeder mee naar huis gegaan. Dezelfde avond heeft de kinderrechter naar aanleiding van een mondeling verzoek van de GI een spoedmachtiging uithuisplaatsing voor de kinderen verleend voor de duur van vier weken. De kinderen zijn in een pleeggezin ondergebracht.

2.5 Bij beschikking van 31 juli 2018 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de duur van zes maanden. De machtiging is nadien steeds verlengd. De ouders zagen de kinderen wekelijks bij de moeder thuis, onder begeleiding van de jeugdprofessional.

2.6 De jeugdprofessional heeft op verzoek van de GI de ouders vanaf augustus 2018 tijdens de omgangsmomenten geobserveerd en zij heeft hen praktisch ondersteund bij de verzorging van de kinderen. Ook heeft zij de kinderen bij de pleegouders opgehaald en teruggebracht. Op 30 november 2018 heeft zij de begeleiding opgezegd omdat zij zich, na een incident op 29 november 2018, bij de ouders niet veilig voelde. Een stichting heeft de werkzaamheden van de jeugdprofessional overgenomen. Deze stichting heeft op 18 december 2018 de begeleiding gestopt.

2.7 De jeugdprofessional is sinds [datum] 2018 geregistreerd als jeugd- en gezinsprofessional in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Het College zal de klachtonderdelen 1 en 2 samenvoegen omdat zij hetzelfde zijn, net als klachtonderdelen 3 en 4. Eerst wordt zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdelen 1 en 2

4.1.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij geen verslagen heeft overgelegd. De jeugdprofessional heeft naar aanleiding van een onderzoek van de RvdK via de GI een verslag overgelegd dat de ouders niet bekend was. Tijdens een zitting bij de rechtbank op 6 december 2018 heeft de jeugdprofessional een verslag van december 2018 met onjuistheden overgelegd. De jeugdprofessional heeft deze verslagen zonder reactie of visie van de ouders naar de rechtbank gestuurd.

4.1.2 De jeugdprofessional voert aan dat zij niet bij de zitting van 6 december 2018 aanwezig is geweest en niet kan beoordelen of de bewering van de ouders klopt. Zij heeft niets naar de rechtbank gestuurd. De jeugdprofessional is door de GI als deskundige ingehuurd. De GI heeft haar gevraagd een samenvattend verslag te maken van haar feitelijke bevindingen en dat aan de GI ter beschikking te stellen. De jeugdprofessional heeft geen verslagen naar de rechtbank gestuurd. Zij heeft aan de GI gerapporteerd. De jeugdprofessional heeft notities gemaakt tijdens de bezoeken aan de ouders. Hiervan heeft zij een verslag gemaakt. De ouders hebben aangegeven dat zij geen behoefte hadden aan schriftelijke verslagen omdat deze volgens hen zijn gebaseerd op leugens. In onderling overleg is besloten dat de jeugdprofessional haar notities mondeling met de ouders zou bespreken. Dit is gebeurd. Door deze afspraak klopt het dat de ouders het schriftelijke verslag niet kennen. De ouders zijn wel bekend met de inhoud.

4.1.3 Het College overweegt dat de vader niet heeft onderbouwd wat er onjuist is in het verslag van december 2018. Vervolgens kan het de jeugdprofessional niet kwalijk worden genomen dat tijdens een zitting bij de rechtbank op 6 december 2018 haar verslag, dat zij heeft opgesteld ten behoeve van de GI, is overgelegd. Zij was hier niet bij aanwezig. Dit gedeelte van de klachtonderdelen is ongegrond.

Verder oordeelt het College dat de jeugdprofessional als jeugd-en gezinsprofessional is geregistreerd bij SKJ en dat hieruit voortvloeit dat de Beroepscode voor de Jeugd-en Gezinsprofessional, hierna: de Beroepscode, op haar van toepassing is. In deze beroepscode zijn beroepsnormen vastgelegd die voor iedere geregistreerde gelden. Zij heeft als jeugdprofessional, los van de taak die de GI heeft, een eigen professionele verantwoordelijkheid. Zij heeft verslagen geschreven en deze naar de GI gestuurd zonder dat zij de ouders voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om hierop inhoudelijk te reageren. Zij heeft onvoldoende blijk gegeven van de invloed van haar verslaglegging voor de ouders en de kinderen. Zij was zich er niet van bewust dat deze rapportage mogelijk bij een rechter of andere instantie terecht zou komen. Hierdoor heeft zij in strijd gehandeld met artikelen H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel J (vertrouwelijkheid) en artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Deze beroepsnorm geldt ook als de ouders zeggen dat zij alleen mondeling willen worden geïnformeerd. Dit gedeelte van de klachtonderdelen is gegrond.

4.1.4 De klachtonderdelen zijn deels gegrond en deels ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 3 en 4

4.2.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij de begeleiding op 30 november 2018 heeft opgezegd. Volgens de jeugdprofessional zou de vader haar tijdens de omgang van 29 november 2018 hebben bedreigd. Volgens de ouders was hier geen sprake van. Tijdens een gesprek op 14 december 2018 op het kantoor van de advocaat van de ouders, heeft de jeugdprofessional aangegeven dat zij aangifte bij de politie heeft gedaan. Toen de vader in januari 2019 bij de politie contact opnam over de aangifte, bleek de jeugdprofessional geen aangifte te hebben gedaan. Door de beschuldiging van de jeugdprofessional is er drie maanden geen omgang geweest met de kinderen. Toen de kinderen in het ziekenhuis werden opgenomen, is de ouders de toegang geweigerd.

4.2.2 De jeugdprofessional voert aan dat zij zich op 29 november 2018 als hulpverlener bedreigd voelde. Zij kon het huis niet verlaten vanwege haar verantwoordelijkheid voor de kinderen. Op basis van deze bedreiging, de houding van de ouders en de gevolgen hiervan voor de kinderen, heeft zij besloten om te stoppen met de begeleiding. De jeugdprofessional heeft aangifte willen doen. In overleg met de politie is het een melding geworden. Het is mogelijk dat de jeugdprofessional per ongeluk in het gesprek dat zij onder andere met de ouders heeft gevoerd op 14 december 2018 het woord aangifte heeft gebruikt in plaats van een melding. De ouders hebben drie maanden geen omgang gehad met de kinderen omdat er geen hulpverlener beschikbaar was om de bezoeken te begeleiden.

4.2.3 Het College overweegt het volgende. De vader zegt dat hij niet heeft gedreigd, maar de jeugdprofessional heeft het gedrag van de vader wel zo ervaren. Het College kan de manier waarop de jeugdprofessional het gedrag van de vader heeft beleefd, niet in twijfel trekken of toetsen. Het was beter geweest als de jeugdprofessional tegen de ouders had gezegd dat zij zich onveilig voelde . Mogelijk hadden verdere problemen in de samenwerking tussen de ouders en de jeugdprofessional hiermee voorkomen kunnen worden. Nu het er niet om gaat of het handelen beter had gekund, kan de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Hoewel het ongelukkig is dat de jeugdprofessional mogelijk tijdens het gesprek op 14 december 2018 het woord aangifte heeft gebruikt in plaats van het woord melding, weegt dat niet zo zwaar dat zij verwijtbaar heeft gehandeld.

Daarnaast blijkt uit de door de ouders overgelegde brief van de GI aan de rechtbank van 17 december 2018 dat de ouders hebben laten weten dat de jeugdprofessional niet meer welkom is bij het gezin en dat zij ook niet verder wilden met de begeleiding door de stichting. De GI heeft opnieuw moeten zoeken naar begeleiding en dat heeft tijd gekost. Tot slot maakt het College uit een brief van de GI van 18 april 2019 op dat het bezoek van de ouders aan de kinderen in het ziekenhuis niet door is gegaan omdat medewerkers van de GI onvoldoende afstemming met elkaar hebben gehad. De jeugdprofessional kan geen verwijt worden gemaakt.

4.2.4 De klachtonderdelen zijn ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 5

4.3.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij informatie heeft achtergehouden en de ouders onjuist heeft ingelicht. De jeugdprofessional was verantwoordelijk voor het doorgeven van veranderingen in het voedingsschema van de kinderen. Het gaat hierbij om de hoeveelheid flesvoeding. Ook heeft de jeugdprofessional niet doorgegeven dat het schema is veranderd en de kinderen hapjes krijgen. De jeugdprofessional heeft pas na vier weken aan de ouders verteld dat de kinderen hapjes krijgen bij de pleegouders.

4.3.2 De jeugdprofessional voert aan dat het consultatiebureau en de fysiotherapie verschillende adviezen gaven aan de ouders. Om verwarring te voorkomen, is afgesproken dat alle informatie over de voeding via de jeugdprofessional zou gaan. Zij heeft contact onderhouden met alle partijen en heeft de ouders geïnformeerd. De ouders bleven contact opnemen met het consultatiebureau. Ook hebben zij de adviezen van het consultatiebureau en de adviezen van de jeugdprofessional verkeerd uitgelegd of naast zich neer gelegd. De kinderen kregen bij de pleegouders groentehapjes. Dat was niet van toepassing bij de ouders. Bij een bezoek aan het consultatiebureau is het geven van groentehapjes besproken. Hierdoor kan bij de ouders het idee zijn ontstaan dat zij hierover niet of onvoldoende waren geïnformeerd.

4.3.3 Het College overweegt het volgende. De ouders hebben het klachtonderdeel, ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bij het College, niet onderbouwd. De jeugdprofessional heeft de taak op zich genomen om de ouders te informeren over de groentehapjes en de hoeveelheid flesvoeding van de kinderen. Het College begrijpt dat het voor de ouders gaat om belangrijke informatie. Maar het College kan niet uit het dossier opmaken wanneer de jeugdprofessional niet zou hebben doorgegeven wat de juiste hoeveelheid flesvoeding is geweest. Ook met betrekking tot het geven van de groentehapjes door de pleegouders kan het College niet vaststellen dat de jeugdprofessional de ouders pas na vier weken hierover heeft geïnformeerd. Daarbij komt dat de jeugdprofessional heeft betwist dat zij de ouders niet heeft geïnformeerd over de hoeveelheid flesvoeding en het geven van groentehapjes.

4.3.4 Het klachtonderdeel is ongegrond.

4.4 Conclusie

4.4.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1 en 2 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hoewel de jeugdprofessional de ouders mondeling heeft geïnformeerd, heeft zij hen in de gelegenheid moeten stellen om inhoudelijk te reageren op de verslagen die zij naar de GI heeft gestuurd. Van een jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij zich bewust is van de invloed van haar verslaglegging op het verdere verloop van het proces van de ouders. Zij had kunnen en moeten weten dat haar rapportage gevolgen zou kunnen hebben voor de ouders en de kinderen en dat mogelijk hierdoor de samenwerking met de ouders verder onder druk zou komen te staan. De jeugdprofessional had daarom de informatie inhoudelijk met de ouders moeten bespreken en delen voordat zij het verslag naar de GI stuurde. Zij heeft in strijd gehandeld met artikelen H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel oordeelt het College als volgt. De jeugdprofessional heeft gewerkt in een complexe situatie met een premature drieling en ouders die veel spanningen en emoties ondervonden waardoor de samenwerking moeizaam is verlopen. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op haar handelen. Zij heeft aangegeven dat zij een soortgelijke zaak een volgende keer anders zou aanpakken en dat zij hiervan heeft geleerd. Zo zal zij samen met een collega met het gezin werken en niet meer alleen. De jeugdprofessional heeft verder tijdens de mondelinge behandeling tegen de ouders gezegd dat zij het beste heeft gewild voor de kinderen en dat zij met haar hart voor hen heeft gewerkt. Zij heeft naast de ouders willen staan en zij heeft niet de strijd met hen willen aangaan.

Het College acht het in deze omstandigheden passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1 en 2 deels gegrond;
  • verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
  • legt op een maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 17 januari 2020 aan partijen toegezonden.

 

 

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                               mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                           secretaris