Maak een selectie

727 van 727

   

Het College van Beroep volgt het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional niet zonder deugdelijke motivering een advies over de bezoekfrequentie had mogen geven. De jeugdprofessional heeft nagelaten te onderbouwen op basis van welke bronnen zij haar advies heeft gegeven. Het College van Beroep ziet aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel en overweegt daartoe dat de jeugdprofessional eenmalig tekort is geschoten ten aanzien van één klachtonderdeel.

Het College van Beroep heeft beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M.M. Brink, voorzitter,
de heer mr. A.P van der Linden, lid-jurist,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

in de zaak van:

[klager], klager in eerste aanleg, wonende te [plaats], hierna te noemen: de vader.

tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde in eerste aanleg, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als ambulant pleegzorgbegeleider bij [de instelling] (locatie: [plaats]), hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. S. Jonker, advocaat te Rotterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College van Beroep heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift dat de vader op 14 april 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de jeugdprofessional op 2 juni 2020 bij het College van Toezicht heeft ingediend;
– de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.143Ta van 13 oktober 2020;
– het beroepschrift dat de jeugdprofessional op 17 november 2020 tegen voornoemde beslissing heeft ingediend;
– het verweerschrift dat de vader op 12 januari 2021 heeft ingediend;
– de door de jeugdprofessional tijdens de zitting overlegde pleitnota.

1.2 Bij voornoemde beslissing heeft het College van Toezicht klachtonderdeel 2 gegrond verklaard, klachtonderdeel 1 gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 3 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd.

1.3 De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2021 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en haar gemachtigde. Hierbij zijn de moeder en een collega van de jeugdprofessional als toehoorders aanwezig geweest.

2     De feiten

Het College van Beroep gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2012 en de zoon is geboren in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De vader en de moeder, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds februari 2016 met een machtiging tot uithuisplaatsing in een (perspectief biedend) pleeggezin.

2.3 Tussen de ouders en de kinderen is sinds 18 mei 2017 sprake van begeleid bezoekcontact van één uur in de acht weken. De frequentie en duur van de begeleide bezoekcontacten is (mede) bepaald door middel van de Checklist Oudercontacten in de Pleegzorg (CHOP-list), zoals ingevuld door de toenmalige pleegzorgbegeleiders.

2.4 De jeugdprofessional is sinds medio december 2019 de pleegzorgbegeleider van het pleeggezin waar de kinderen wonen.

2.5 De moeder heeft op 6 december 2019 per e-mail om inzage in het dossier van de kinderen gevraagd. Het dossier ligt sinds 3 juli 2020 klaar om te worden opgehaald.

2.6 Op 22 januari 2020 heeft de vader de toenmalige jeugdbeschermer van de gecertificeerde instelling (hierna: de GI) verzocht om het begeleide bezoekcontact uit te breiden naar twee uur. De jeugdbeschermer heeft aangegeven dat de GI de uitkomsten van de CHOP-list opvolgt. De vader vraagt vervolgens op 1 maart 2020 de jeugdprofessional om verduidelijking van de ingevulde CHOP-list.

2.7 Op 5 maart 2020 heeft de jeugdprofessional een e-mail gestuurd aan de jeugdbeschermer van de GI waarin zij de CHOP-list uit 2017 heeft opgenomen. Tevens schrijft zij: “Wanneer ik naar bovenstaand advies kijk, signaleer ik dat de risicofactoren de afgelopen (bijna) 2 jaar niet zijn verminderd. Ook zijn er geen beschermende factoren bij gekomen.”

2.8 De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2020 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2020 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College van Beroep beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional bij het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College van Beroep toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessionals aan de algemene tuchtnorm. Het College van Beroep is niet bevoegd om klachten over het handelen en/of nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het beroepschrift richt zich tegen de beoordeling van de klachtonderdelen 1 (gedeeltelijk) en klachtonderdeel 2 die het College van Toezicht gegrond heeft verklaard.

4     Het beroep, verweer en de beoordeling

4.1. Hierna zullen de twee in het beroepschrift aangehaalde klachtonderdelen een voor een worden besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel wordt de oorspronkelijke klacht genoemd, het oordeel van het College van Toezicht, de grieven in beroep, evenals het verweer in beroep, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College van Beroep zal worden gegeven. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 1 als volgt geformuleerd: “Het niet willen meewerken aan inzage en afgifte van het dossier.”

4.2.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Op grond van artikel 7.3.10 en 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet hebben de ouders recht op inzage in en een afschrift van het dossier. Vast staat dat de moeder op 6 december 2019 schriftelijk om een afschrift van het dossier heeft verzocht en dat de jeugdprofessional heeft aangegeven dat het dossier na de kerstvakantie 2019 kon worden opgehaald. Nadat de moeder op 8 januari 2020 een herinnering aan de jeugdprofessional heeft gestuurd, heeft de jeugdprofessional contact opgenomen met de gebiedsmanager. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de jeugdprofessional de moeder op 16 januari 2020 per e-mailbericht laten weten dat de handtekening van de vader vereist is, alvorens de moeder het dossier kan komen ophalen. Vooropgesteld staat dat op grond van artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet de moeder recht heeft op inzage in het dossier van de kinderen voor zover dit niet de gegevens van de vader of een derde bevat. Voor dit gedeelte van het dossier heeft de moeder geen toestemming van de vader of de derde nodig. Het College [van Toezicht] oordeelt dat de jeugdprofessional op dit punt onjuist is geïnformeerd door haar gebiedsmanager. Gelet op het feit dat inzage en afgifte van het dossier een veelvoorkomend verzoek is, mag van een jeugdprofessional verwacht worden dat hij/zij op de hoogte is van de wet- en regelgeving hieromtrent. Dat de jeugdprofessional (kennelijk) niet op de hoogte is geweest van de rechten van de moeder omtrent dit onderwerp, acht het College [van Toezicht] een schending van artikel B (bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode. Voorts stelt het College [van Toezicht] vast dat er een periode van bijna zeven maanden is verstreken tussen het eerste schriftelijke verzoek van de moeder om afgifte van het dossier, en het moment dat het dossier kon worden opgehaald. Het College [van Toezicht] begrijpt uit het verweer van de jeugdprofessional dat er meerdere redenen zijn geweest waardoor vertraging in dit proces is ontstaan. Nu het dossier vanaf 3 juli 2020 kon worden opgehaald, is van het niet willen meewerken aan inzage en afgifte van het dossier – zoals de vader in zijn klachtonderdeel stelt – naar het oordeel van het College [van Toezicht] geen sprake. Wel is het College [van Toezicht] van oordeel dat de afgifte van het dossier te lang op zich heeft laten wachten, er zijn ruim zeven maanden verstreken tussen het indienen van het verzoek tot afgifte en het moment dat het dossier klaarlag om te worden opgehaald. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] gaat deze periode buiten de grenzen van een aanvaardbare termijn voor wat betreft de afgifte van het dossier. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de moeder/de ouders tussentijds op de hoogte te houden van de vertraging die de inzage/afgifte van het dossier had opgelopen.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard, voor zover deze ziet op het niet op de hoogte zijn van de juridische kaders omtrent inzage en afgifte van het dossier.

4.2.3 De jeugdprofessional voert aan dat de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van klachtonderdeel 1 geen stand kan houden. De klacht ziet primair op het niet mee hebben willen werken aan inzage en afgifte van het dossier. Het College van Toezicht komt op basis van het verweer van de jeugdprofessional zelf tot de conclusie dat dit verwijt geen doel treft. Wat dus – in de visie van de jeugdprofessional – resteert is uitsluitend de termijn die is verstreken tussen het verzoek en  de afgifte van het dossier. Nu deze lange termijn niet het gevolg is van het niet willen meewerken van de jeugdprofessional, zou de klacht nooit (deels) gegrond verklaard hebben mogen worden. Datgene dat het College van Toezicht de jeugdprofessional ambtshalve verwijt, maakt geen deel uit van de klacht. Daarnaast zijn deze verwijten onterecht. Tenslotte wordt opgemerkt dat de vader het dossier tot op heden nog steeds niet heeft opgehaald.

4.2.4 De vader voert aan dat het een feit is dat de jeugdprofessional geen dossier beschikbaar had toen de vader de tuchtklacht indiende. Langdurig en onnodig het dossier niet opleveren valt wat de vader betreft onder de definitie ‘niet meewerken’. De jeugdprofessional heeft het dossier uiteindelijk opgeleverd, maar dit betekent niet dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het is juist dat de vader het dossier niet heeft afgehaald, aangezien niet hij, maar de moeder om het dossier had verzocht en zij het dossier al in haar bezit had.

4.2.5 Het College van Beroep overweegt als volgt. Alhoewel de grief van de jeugdprofessional zich richt tegen de inhoudelijke beoordeling van klachtonderdeel 1, ziet het College van Beroep (ambtshalve) aanleiding allereerst de ontvankelijkheid van de vader in dit klachtonderdeel te toetsen. Uit artikel 6.1 van het Tuchtreglement, versie 1.3, volgt dat een klacht kan worden ingediend door een belanghebbende. Uit de begripsbepalingen van het Tuchtreglement volgt dat onder belanghebbende wordt verstaan, elke (rechts)persoon die een direct of indirect belang heeft bij het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional. Daarbij dient het naar het oordeel van het College van Beroep te gaan om degene die door een handelen of nalaten door een bij SKJ geregistreerde professional rechtstreeks in zijn of haar belang is getroffen en als zodanig recht heeft daartegen een klacht in te dienen. Het College van Beroep stelt op basis van de stukken vast dat klachtonderdeel 1 betrekking heeft op het dossier van de moeder, dat zij op 6 december 2019 per e-mail heeft opgevraagd. De vader heeft dit tijdens de mondelinge behandeling van het beroep bevestigd. Het College van Beroep maakt ook uit het dossier op dat de correspondentie over het opgevraagde dossier heeft plaatsgevonden tussen de moeder en de jeugdprofessional. De vader heeft niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij met betrekking tot het in dit klachtonderdeel verweten handelen in zijn belangen is geschaad en het College van Beroep ziet dan ook geen aanleiding de vader aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 6.1 van het Tuchtreglement. Gelet op het voorgaande oordeelt het College van Beroep (ambtshalve) dat het College van Toezicht de vader ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in dit klachtonderdeel. Op dit punt zal het College van Beroep de beslissing van het College van Toezicht vernietigen.

4.2.6 Het College van Beroep oordeelt dat de vader (alsnog) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in klachtonderdeel 1. Aan de inhoudelijke beoordeling van de grieven van de jeugdprofessional komt het College van Beroep derhalve niet toe.

4.3 Klachtonderdeel 2

4.3.1 Tijdens de procedure bij het College van Toezicht is klachtonderdeel 2 als volgt geformuleerd: “Advies gegeven over zeer beperkte duur van het bezoekcontact.”

4.3.2 Het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel als volgt geoordeeld: “Het College [van Toezicht] begrijpt uit de stukken dat de kinderen zijn geplaatst in een perspectief biedend pleeggezin. In dat kader is er op 15 mei 2017 een CHOP-list door de voormalige pleegzorgbegeleiders ingevuld. Hieruit volgde het advies om eens per acht weken een bezoekcontact van drie kwartier tot een uur tussen de ouders en de kinderen te plannen. Dit advies is door de betrokken jeugdbeschermer(s) opgevolgd. Het College [van Toezicht] volgt de jeugdprofessional wanneer zij stelt dat zij niet verantwoordelijk is voor het vaststellen van de (definitieve) bezoekfrequentie. De jeugdprofessional heeft slechts een adviserende rol. Het College [van Toezicht] stelt vast dat de vader op 1 maart 2020 per e-mailbericht aan de jeugdprofessional vraagt om verduidelijking van de CHOP-list. In reactie hierop stuurt de jeugdprofessional op 17 april 2020 de voornoemde CHOP-list waaraan zij het volgende heeft toegevoegd: “Wanneer ik naar bovenstaand advies kijk, signaleer ik dat de risicofactoren de afgelopen (bijna) 2 jaar niet zijn verminderd. Ook zijn er geen beschermde factoren bij gekomen”. De jeugdprofessional heeft naar het oordeel van het College [van Toezicht] het advies van 2017 aangevuld met een (waarde)oordeel over de actuele situatie, waarin zij de bezoekfrequentie handhaaft, terwijl zij tot aan dat moment slechts twee keer een bezoekcontact tussen de ouders en de kinderen had meegemaakt. Nu de jeugdprofessional een inhoudelijk oordeel uitspreekt over de huidige situatie mag van haar worden verwacht dat zij dit ook kan uitleggen. Echter, de jeugdprofessional komt tot deze conclusie zonder aanvullend onderzoek, en zij verzuimt deugdelijk te onderbouwen waaruit haar bevindingen blijken. Naar het oordeel van het College [van Toezicht] klemt dit des te meer omdat in het advies uit 2017 nadrukkelijk staat opgenomen dat de bezoekfrequentie jaarlijks dient te worden geëvalueerd, en op basis van de ontwikkelingen waar mogelijk moet worden aangepast. Het College [van Toezicht] is niet gebleken dat jaarlijks een evaluatie heeft plaatsgevonden. Dan wel dat de CHOP-list sinds de betrokkenheid van de jeugdprofessional is geëvalueerd. Voorts wijst het College [van Toezicht] de jeugdprofessional in dit kader volledigheidshalve op de Richtlijn Pleegzorg en in het bijzonder het kopje ‘5.5 Aanbevelingen’. Hierin staat de aanbeveling opgenomen om de frequentie en vorm van het contact tussen de ouders en het (pleeg)kind regelmatig (iedere drie of zes maanden, of vaker indien nodig) te evalueren. Alles in overweging meegenomen oordeelt het College [van Toezicht] dat de jeugdprofessional op basis van twee bezoekcontacten niet zonder deugdelijke motivering een advies over de bezoekfrequentie had mogen geven. Nu zij dit wel heeft gedaan, schaadt zij daarmee, naar het oordeel van het College [van Toezicht], het vertrouwen in de jeugdzorg, hetgeen een schending van artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode met zich meebrengt. Tot slot merkt het College [van Toezicht] nog op dat de jeugdprofessional in haar verweerschrift verwijst naar de afspraak van 18 mei 2017, hetgeen het College [van Toezicht] bevreemdt. Gelet op hoe dit gesprek is verlopen, is de CHOP-list kennelijk niet (volledig) met de ouders besproken. Uit niets blijkt dat dit in de periode daarna wel is gedaan. Reden temeer voor de jeugdprofessional om wel inhoudelijk met de ouders in gesprek te gaan over de CHOP-list, of dit gesprek via de jeugdbeschermer te laten verlopen.” Het College van Toezicht heeft het klachtonderdeel gegrond verklaard.

4.3.3 De jeugdprofessional voert aan dat zij, anders dan het College van Toezicht stelt, niet zonder aanvullend onderzoek tot haar advies is gekomen over de bezoekfrequentie. Hoewel het juist is dat de jeugdprofessional destijds (slechts) twee bezoeken had bijgewoond, heeft zij veel meer gedaan om tot haar oordeel te komen. Zij heeft de CHOP-list van haar voorgangers bestudeerd en overige relevante informatie, zoals de dossiers van de kinderen waarin verslagen over de bezoekregelingen staan, informatie van de school, gesprekken met de GI en informatie van het pleeggezin. Op grond van deze informatie heeft de jeugdprofessional geconcludeerd dat de risicofactoren, die in het advies worden beschreven, niet zijn verminderd. Er is geen sprake van een waardeoordeel. Het enige dat de jeugdprofessional heeft gedaan is het bevestigen van het advies aan de hand van de (ruim) beschikbare informatie. De jeugdprofessional heeft haar handelen getoetst aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van haar collega’s tijdens de maandelijkse overleggen en heeft wekelijks contact gehad met haar gedragswetenschapper. De CHOP-list is destijds een advies geweest van de toenmalige pleegzorgbegeleiders en het is vervolgens aan de GI wat zij ermee doen. Ook de constatering van het College van Toezicht dat er geen evaluatie zou hebben plaatsgevonden is onjuist, aangezien er tweejaarlijks een zorgoverleg heeft plaatsgevonden waarbij de jeugdbeschermer, pleegzorgbegeleider(s), de pleegmoeder en de ouders aanwezig waren. In deze overleggen is steeds de bezoekregeling aan de orde geweest en is geconstateerd dat er geen wijziging is opgetreden in de situatie. Het advies van de jeugdprofessional is bovendien recentelijk min of meer bekrachtigd door de kinderrechter. Ten slotte gaat het College van Toezicht eraan voorbij dat de jeugdprofessional meermaals heeft geprobeerd om met de ouders in gesprek te gaan. Dit werd door de houding van de ouders nagenoeg onmogelijk gemaakt.

4.3.4 De vader voert aan dat het College van Toezicht terecht heeft geoordeeld dat het advies van de jeugdprofessional volledig gebaseerd was op slechts twee bezoekcontacten in een onnatuurlijke setting. De aanwezige informatie die de jeugdprofessional zou hebben bestudeerd is niet betrouwbaar en zeer eenzijdig. Dit kan geen zinnige bron zijn om advies te geven over de bezoekmomenten. De CHOP-list is geschreven in 2017 en is daarna nooit meer aangepast. Ook heeft er geen feitenonderzoek plaatsgevonden voor de zaken die in de CHOP-list staan. Deze kan de jeugdprofessional dus niet gebruiken in haar advies over de bezoekmomenten. Daarnaast beweert de jeugdprofessional dat zij graag met de ouders in gesprek had willen gaan over de bezoekregeling, maar zij levert daar geen bewijs voor aan. Juist de afwijzende houding van de jeugdprofessional om tot enig overleg te komen heeft geleid tot het indienen van de tuchtklacht. Daarnaast trad de jeugdprofessional pas in november 2020 voor het eerst namens de pleegzorg op in een zorgoverleg, ver na het indienen van de tuchtklacht. Verder voert de vader aan dat de jeugdprofessional ten onrechte de recente procedure bij de rechtbank aanhaalt. De vader heeft de tuchtklacht in 2020 ingediend met de kennis van toen. Daarnaast komt de rechtbank tot haar conclusie op basis van de verklaringen van de jeugdprofessional en de GI en staat er nog hoger beroep open. Bovendien is het niet juist dat de kinderrechter heeft geoordeeld dat de bezoekcontacten niet uitgebreid kunnen worden. De kinderrechter heeft hier nog geen uitspraak over gedaan en heeft aangegeven dat hier onderzoek naar gedaan moet worden.

4.3.5 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional gericht tegen dit klachtonderdeel faalt en overweegt daartoe als volgt. Het College van Beroep sluit zich aan bij het College van Toezicht dat de jeugdprofessional niet zonder deugdelijke motivering een advies over de bezoekfrequentie had mogen geven. De jeugdprofessional heeft in beroep weliswaar aangevoerd dat zij weldegelijk aanvullend onderzoek had verricht voordat zij tot haar advies kwam, maar heeft ook erkend dat zij haar advies destijds niet nader gemotiveerd heeft. Ook in de onderhavige procedure heeft de jeugdprofessional nagelaten te onderbouwen op basis van welke bronnen zij haar advies destijds heeft gegeven. De jeugdprofessional heeft geen stukken overgelegd waaruit dit blijkt. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de jeugdprofessional desgevraagd ook geen concrete onderbouwing kunnen geven. Het College van Beroep benadrukt dat een jeugdprofessional zich goed bewust dient te zijn van de impact van hetgeen hij of zij adviseert en rapporteert, omdat dergelijke rapportages en adviezen langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de betrokkenen. Het is daarbij van belang dat jeugdprofessionals hun handelen, overwegingen en beslissingen helder kunnen uitleggen en onderbouwen. Op die manier is het handelen van de jeugdprofessional voor de betrokkenen navolgbaar en dat draagt bij aan een positieve samenwerkingsrelatie. Gelet op het voorgaande handhaaft het College van Beroep het oordeel van het College van Toezicht ten aanzien van dit klachtonderdeel.

4.3.6 Het College van Beroep is van oordeel dat de grief van de jeugdprofessional faalt.

4.4 Conclusie

4.4.1 Het College van Beroep komt tot de slotsom dat de vader alsnog niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in klachtonderdeel 1, zodat aan de inhoudelijke beoordeling van de grief van de jeugdprofessional gericht tegen dit klachtonderdeel niet wordt toegekomen. De grief van de jeugdprofessional gericht tegen klachtonderdeel 2 faalt. Ten aanzien van klachtonderdeel 2 handhaaft het College van Beroep dan ook het oordeel van het College van Toezicht, hetgeen met zich meebrengt dat alleen klachtonderdeel 2 gegrond is.

4.4.2 Het College van Beroep ziet aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel en overweegt daartoe dat de jeugdprofessional eenmalig tekort is geschoten ten aanzien van één klachtonderdeel. Daarnaast heeft de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aangegeven dat zij in de toekomst zorgvuldiger zal zijn ten aanzien van het motiveren en uitleggen van haar adviezen. Het College van Beroep waardeert de reeds getoonde reflectie, maar wijst de jeugdprofessional op de noodzaak van een continue en voortdurende reflectie. In dat kader geeft het College van Beroep de jeugdprofessional in overweging haar beroepsnormen verder te ontwikkelen door middel van het volgen van een supervisietraject, waarbij bij voorkeur de volgende onderwerpen aan bod komen: ‘transparantie in een professionele werkrelatie’, ‘professionele zelfreflectie’, ‘samenwerking met collega’s/ketenpartners’ en ‘omgaan/samenwerken met cliënten’.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Beroep tot de volgende beslissing:

  • verklaart – opnieuw rechtdoende – de vader niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 1 en vernietigt in zoverre de beslissing van het College van Toezicht in zaaknummer 20.143Ta van 13 oktober 2020;
  • trekt de opgelegde maatregel van waarschuwing in;
  • handhaaft voor het overige het oordeel van het College van Toezicht, voor zover aan het oordeel van het College van Beroep onderworpen.

Aldus gedaan door het College van Beroep en op 24 september 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M.M. Brink                                                               mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                             secretaris