Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdhulpverlener over een verkeerde beoordeling van het belang van de zoon, de opzet van het verzoek tot onderzoek bij de Jeugdbeschermingstafel, de wijze van hulpverlening en de tegenstrijdigheden in het verzoek.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
de heer A.J.M. Heijster, lid-beroepsgenoot,
de heer H.A. ten Hove, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],
ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdhulpverlener bij [instelling 1] (locatie: [locatie]), hierna te noemen: [de instelling1], gedetacheerd vanuit [instelling 2].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 28 december 2018, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen op 26 februari 2019, met de bijlagen; – de aanvulling op het verweerschrift, ontvangen op 2 april 2019.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 april 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde, een toehoorder van de zijde van beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken wordt verstuurd.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft
plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van een zoon, geboren in 2003 en een dochter, geboren in 2001. Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn sinds 2011 gescheiden. De kinderen verblijven
afwisselend bij klager en moeder.

2.2

Beklaagde is werkzaam als jeugdhulpverlener bij [instelling 1] en is sinds 2014 in het vrijwillig kader bij het gezin van klager betrokken. Beklaagde is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als
jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

2.3

Moeder heeft in het weekend van 16 juni 2018 een melding gedaan bij de politie over het gedrag van de zoon. De politie heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis die vervolgens de melding
heeft overgedragen aan het [instelling 1]. Beklaagde heeft vervolgens het voornemen geuit om een verzoek tot onderzoek, hierna te noemen: het verzoek, in te dienen bij de Jeugdbeschermingstafel.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het
beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig
handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van
andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

De klacht heeft betrekking op een verkeerde beoordeling van het belang van de zoon, de opzet van het verzoek, de wijze van hulpverlening en het vermelden van tegenstrijdige feiten in het
verzoek.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en
beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven,
waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat zij het belang van de zoon verkeerd heeft beoordeeld. De zoon heeft een lage stressbestendigheid. Beklaagde heeft de zoon onder druk gezet om met haar contact
op te nemen om de achtergrond van het inschakelen van de Jeugdbeschermingstafel aan hem uit te leggen. Ook heeft beklaagde in het verzoek beweerd dat de zoon gewelddadig is geweest tegen
moeder terwijl zij hoorde te weten dat de zoon niets anders deed dan wat hij bij zijn psycholoog heeft geleerd. De zoon is door de beoordeling van beklaagde in de war geraakt.

3.2.2

Beklaagde voert aan dat zij het verzoek heeft gedaan nadat moeder de politie heeft gebeld terwijl zij een hulpverleningstraject om beter te leren omgaan met haar zoon heeft afgeslagen.
Moeder heeft in het telefoongesprek met het [instelling 1] gezegd dat zij dat in voorkomende gevallen weer zou doen. Na overleg met het team is op 21 juni 2018 contact opgenomen met Veilig
Thuis die de casus wilde bespreken aan de Jeugdbeschermingstafel. De zoon is door beklaagde per WhatsApp uitgenodigd voor een gesprek. Beklaagde heeft niets gezegd over het gedrag van de zoon
en heeft hem duidelijk gemaakt dat zij zijn kant van het verhaal wilde horen. Uiteindelijk heeft de zoon ervoor gekozen om het gesprek niet aan te gaan.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft toegelicht dat moeder in het weekend van 16 juni 2018 de politie heeft gebeld nadat de zoon haar bij de armen krachtig heeft vastgepakt
en bedreigd. Moeder heeft beklaagde hierover telefonisch geïnformeerd op 18 juni 2018. Beklaagde heeft zowel met Veilig Thuis als intern overlegd en heeft vervolgens besloten om een verzoek bij de
Jeugdbeschermingstafel te gaan voorbereiden. Beklaagde heeft zowel klager als moeder in een e-mail van 21 juni 2018 geïnformeerd over dit
voornemen. Beklaagde heeft hen ook uitgenodigd voor een gesprek. Vervolgens heeft zij het verzoek op 24 september 2018 naar klager en moeder verstuurd en heeft zij hen in de gelegenheid gesteld
om hierop te reageren. Op 11 oktober 2018 is het verzoek verstuurd naar de Jeugdbeschermingstafel. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling de juistheid van de
geschetste gang van zaken betwist. Naar zijn overtuiging heeft beklaagde al op 18 juni 2018 een verzoek bij de Jeugdbeschermingstafel gedaan. Het College ziet echter op basis van de stukken en de
mondelinge behandeling geen aanleiding om aan de geschetste tijdslijn van beklaagde te twijfelen. Er is geen enkel stuk waaruit blijkt dat er eerder dan 11 oktober 2018 een verzoek dan wel bericht naar de Jeugdbeschermingstafel is gezonden. Uit de overgelegde WhatsApp berichten maakt het College verder niet op dat beklaagde de zoon onder druk heeft gezet. Zij heeft met hem een afspraak willen maken om zijn kant van het verhaal te horen. Klager heeft aangegeven dat hij het niet eens is met de wijze waarop beklaagde het gedrag van de zoon heeft beschreven. Volgens hem is de zoon niet gewelddadig geweest. Het College oordeelt dat beklaagde zich heeft mogen baseren op de informatie die zij heeft verkregen van Veilig Thuis en het telefoongesprek met moeder. Dat klager meent dat de zoon heeft toegepast wat hij bij de psycholoog heeft geleerd, maakt dit niet anders. Niet het gedrag van de zoon maar de houding van moeder is aanleiding voor beklaagde geweest voor
het voornemen een verzoek in te dienen. Moeder heeft de door beklaagde aangeboden hulpverlening afgewezen. Zij heeft na het voorval met de zoon de politie gebeld. Moeder heeft
vervolgens tegen beklaagde gezegd dat zij dat een volgende keer weer zou doen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat het verzoek geen diskwalificatie van klager is. Zij
heeft de ontwikkeling van de zoon waaraan zij samen met klager heeft gewerkt niet willen verstoren. De hulpverlening was echter een herhaling van zetten en is gestagneerd. Beklaagde achtte het
daarom juist in het belang van de zoon noodzakelijk dat de situatie werd besproken aan de Jeugdbeschermingstafel. Het College oordeelt dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld in het belang van de zoon. Zij heeft weliswaar een andere afweging gemaakt dan klager wenste maar dat kan niet leiden tot de conclusie dat zij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager maakt beklaagde een verwijt over de opzet van het verzoek. Beklaagde heeft in het verzoek zwaarwegende woorden gebruikt zoals ‘fysiek geweld’, ‘gebrek aan controle van agressie’ en
‘ontwikkelingsbedreiging’. Het verzoek wordt niet ondersteund door feiten, dagen, actieplan en de oorzaak van incidenten. Ook is het verzoek in algemene termen geschreven waardoor uiteenlopende conclusies mogelijk zijn.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat zij zich bij de voorbereiding van het verzoek zo goed mogelijk op de hoogte heeft gesteld van de actuele situatie. Zij heeft contact gehad met de behandelend psycholoog
van de zoon wier bevindingen als bijlage bij het verzoek zijn gevoegd. Beklaagde heeft vastgesteld dat de zoon de contacten met zijn psycholoog heeft verbroken. Daarnaast lukte het beklaagde niet meer om afspraken met hem te maken. Op school ging het redelijk goed en er waren geen specifieke zorgen over het verblijf van de zoon bij klager. Al langere tijd stond vast dat de verhouding tussen klager en moeder ernstig verstoord was hetgeen niet in het belang is van de kinderen. Er waren voldoende objectieve zorgen om de casus ter bespreking bij de Jeugdbeschermingstafel aan
te brengen. Beklaagde heeft klager, moeder en de zoon de gelegenheid gegeven om hun standpunt kenbaar te maken.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Beklaagde heeft het verzoek gebaseerd op gesprekken met Veilig Thuis, met de psycholoog van de zoon, moeder, de zorgcoördinator van school en de
mentor van de zoon. Beklaagde heeft het verzoek daarnaast voorzien van een tijdslijn, een verslag van de psycholoog en zij heeft eerdere meldingen van Veilig Thuis benoemd. Beklaagde heeft het
verzoek uitgebreid gemotiveerd en onderbouwd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat klager vooral moeite heeft met algemene termen
als ‘ouders’ en ‘fysiek geweld’. Het College heeft begrip voor het standpunt van klager maar omdat beklaagde niet bij de gebeurtenissen aanwezig is geweest, kan zij in haar bewoordingen, waaronder ‘fysiek geweld’, niet heel concreet zijn. Zij moet in het belang van de zoon wel in algemene termen benoemen wat er is gebeurd en wat de betrokkenen hierover hebben gezegd. Ook als het niet voor 100 procent is komen vast te staan. Beklaagde heeft overigens in de melding ook aangegeven wat er goed gaat. Zij heeft benoemd dat beide ouders van hun kinderen houden en het beste voor hen willen. Ook zijn zij betrokken bij de opvoeding van de zoon, bij school en proberen zij de zoon te
begeleiden met het schoolwerk. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager maakt beklaagde een verwijt over de wijze van de hulpverlening. Zo stelt klager dat beklaagde van mening is dat het niet haar taak is om aan waarheidsvinding te doen. Zij heeft de
oorzaak van de mislukking van de hulpverlening toegeschreven aan de onderlinge communicatie zonder hiervoor de redenen te noemen en de pogingen van [instelling 1] om hierin verbeteringen
aan te brengen.

3.4.2

Beklaagde voert aan dat zij de relevante feiten in het verzoek heeft opgenomen. Dat geldt ook voor de verkregen informatie van derden. In het verzoek heeft zij aangegeven wat goed gaat, wat de
belemmeringen zijn en welke zorgen er zijn.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. In het verzoek heeft beklaagde beschreven dat klager en moeder al heel lang geen afspraken met elkaar kunnen maken. Beklaagde heeft op basis van de
informatie van school en de psycholoog beschreven hoe klager en moeder zich ten opzichte van elkaar verhouden. Verder blijkt uit het verzoek dat de hulpverlening niet alleen was gericht op de
communicatieproblemen tussen klager en moeder. De hulpverlening was ook gericht op de interactie tussen moeder en de zoon. Tot slot waren er zorgen over het schoolverzuim van de zoon en het toepassen van zijn aangeleerde vaardigheden in de omgang met moeder. Beklaagde heeft in het verzoek beschreven dat zij in 2015 aan klager en moeder een mediationtraject heeft aangeboden en dat klager en moeder hier niet op in zijn gegaan. In juni 2015 heeft moeder hulp geweigerd en heeft vader niet gereageerd. Beklaagde heeft in het verweerschrift aangevoerd dat in 2017 een verzoek is overwogen maar dat hiervan is afgezien omdat voor zowel klager als moeder een zorgtraject is
ingezet. Uit het voorgaande blijkt dat de stellingen van klager feitelijk onjuist zijn. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat zij gebruik maakt van tegenstrijdige feiten. Beklaagde trekt de conclusie dat de ouders niet met elkaar kunnen omgaan en dat hierdoor de ontwikkeling van de zoon
in gevaar komt terwijl zij zelf toegeeft dat zij is ingeschakeld omdat de situatie thuis bij moeder niet goed was. Klager is daarnaast van mening dat het met de dochter goed gaat maar dat dit niet komt door de hulp van beklaagde.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat de aanleiding voor de melding niet zo zeer specifiek het gedrag van de zoon is maar juist het feit dat moeder kennelijk meende geen andere optie te hebben dan de politie
te bellen en dat moeder heeft aangegeven dat in een voorkomend geval weer te zullen doen. Beklaagde heeft geprobeerd om met de zoon in gesprek te komen over de situatie maar de zoon
wilde het gesprek niet voeren en heeft opmerkingen gemaakt per Whatsapp.

3.5.3

Het College constateert dat de voorbeelden die klager aanhaalt niet duiden op tegenstrijdigheden. In het verzoek staat vermeld dat de aanleiding voor de hulpverlening de
communicatie tussen vader en moeder was maar dat later de aandacht ook gericht is op de relatie tussen de zoon en de moeder. Nu de hulpverlening betrekking had op meerdere factoren is het
begrijpelijk dat beklaagde meer dan één conclusie heeft getrokken. Zij heeft meerdere pogingen ondernomen om de hulpverlening op gang te brengen en heeft intern overlegd over deze casus.
Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat er een verschil is in de wijze waarop kinderen zich ontwikkelen en dat het ene kind iets anders nodig heeft dan het andere kind. Mogelijk is dat de reden waarom het met de dochter beter gaat dan met de zoon. Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 24 mei 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege
voorzitter

mevrouw mr. A.C. Veerman
secretaris