Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij tijdens de zitting van de rechtbank – waar zij als zittingsvertegenwoordiger aanwezig was – zonder enige onderbouwing of bewijs heeft verklaard dat de vader tijdens twee gesprekken liederlijk gedrag zou hebben vertoond.

20.007Tc Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 10 december 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 27 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, ontvangen op 24 februari 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 20 maart 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 9 juni 2020;
  • de door de gemachtigde van de vader tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Tevens is vanuit SKJ een tweede medewerker aanwezig geweest, mevrouw E.S. Tas.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

1.4 Op 12 november 2020 zijn partijen schriftelijk geïnformeerd dat de voorzitter van het College op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement (versie 1.3) besloten heeft om de termijn voor het verzenden van de beslissing met vier weken te verlengen. Nu de beslissing gereed is voor de, op 12 november 2020 nieuwe gestelde termijn, is deze op 10 december 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2006 en de zoon in 2010.

2.2 Op 30 juni 2017 heeft de rechtbank tussen de vader en de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, de echtscheiding uitgesproken. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. In de beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Tevens is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader.

2.3 In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

2.4 De dochter heeft in een gesprek met de onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) op 10 oktober 2018 aangegeven voorlopig geen contact te willen met de vader. De vader heeft zich bij de wens van de dochter neergelegd.

2.5 Bij raadsbesluit van 31 oktober 2018 is de rechtbank verzocht de kinderen voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI, gezien de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen.

2.6 De kinderen zijn op 15 november 2018 onder toezicht gesteld van de GI tot 15 november 2019. In de beschikking heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen: “Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de kinderen], omdat zij knel zitten tussen de strijd van ouders, waarbij belastende uitspraken over en weer gedaan worden.”

2.7 De moeder heeft een vordering ingesteld om de vastgestelde zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de zoon één uur per twee weken begeleide omgang zal hebben met de vader en dat de dochter enkel omgang met de vader zal hebben indien zij dat zelf wenst. De moeder wil de zorgregeling beperken omdat volgens haar de thuissituatie bij de vader zorgwekkend is. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 februari 2019 het gevorderde door de moeder afgewezen. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij hebben afgesproken dat binnen enkele weken kan worden begonnen met hervatting van het contact tussen de vader en de zoon, in die zin dat de zoon voorlopig in de weekenden weer bij de vader zal verblijven. Op 17 april 2019 heeft de zitting in de bodemprocedure plaatsgevonden (zie punt 2.9). 

2.8 Een collega van de jeugdprofessional is vanaf 12 februari 2019 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Op 15 april 2019 is zij onverwacht wegens ziekte uitgevallen.

2.9 Op 17 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van de bodemprocedure over de zorgregeling (zie ook punt 2.7) bij de rechtbank plaatsgevonden. De jeugdprofessional is hier namens de GI als zittingsvertegenwoordiger bij aanwezig geweest.

 2.10 In de beschikking van 27 juni 2019 (mondelinge behandeling op 17 april 2019, zoals onder punt 2.9) overweegt de kinderrechter onder meer het volgende: “De rechtbank overweegt dat namens de [GI] ter zitting is aangegeven dat het belangrijk is dat er zicht komt op het eventuele alcoholgebruik van de vader. Hoewel het gestelde gebruik van alcohol door de vader wordt betwist, heeft de GI aangegeven dat de hulpverleenster van [het traject] zich ernstige zorgen zou maken over zware beschonkenheid van de vader tijdens drie ouderschapsgesprekken. Het zou niet alleen gaan om een telkens waargenomen sterke alcoholgeur, maar ook omdat de vader nauwelijks reageerde als hij werd aangesproken.” 

2.11 De jeugdprofessional stond als jeugdzorgwerker van [datum] 2017 tot en met [datum] 2020 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2020 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4    De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klacht wordt besproken en beoordeeld. Zowel de klacht als het verweer wordt zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 De klacht

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij tijdens de zitting van 17 april 2019, zonder enige onderbouwing of bewijs, verklaard heeft dat de vader tijdens twee gesprekken bij [het traject] liederlijk gedrag zou hebben vertoond en totaal beschonken en moeilijk aanspreekbaar zou zijn geweest.

Toelichting:

Op 17 april 2019 heeft de behandeling over de zorgregeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Bij deze zitting was de jeugdprofessional aanwezig als zittingsvertegenwoordiger. De vader had haar voor de zitting nog nooit ontmoet. De jeugdprofessional heeft tijdens de behandeling bij de rechtbank de volgende uitspraak gedaan: “Hoewel het gestelde gebruik van alcohol door de vader wordt betwist, heeft de GI aangegeven dat de hulpverleenster van [het traject] zich ernstige zorgen zou maken over zware beschonkenheid van de vader tijdens drie ouderschapsgesprekken. Het zou niet alleen gaan om een telkens waargenomen sterke alcoholgeur, maar ook omdat de vader nauwelijks reageerde als hij werd aangesproken.” Normaal gesproken, volgt de rechter in de bodemprocedure de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter had eerder in de onderhavige zaak op 4 februari 2019 bepaald dat de oorspronkelijke zorgregeling uit 2017 ongewijzigd zou blijven. Echter, door de valse beschuldigingen van de jeugdprofessional is de zorgregeling alsnog ten nadele van de vader gewijzigd.

Op 7 mei 2019 heeft de vader de concept rapportage van [het traject] ontvangen. In deze rapportage staat niks over alcoholisme, liederlijk gedrag, zware beschonkenheid of moeilijke aanspreekbaarheid. Enkel de mededeling van de ambulant hulpverleenster van [het traject], waarin zij aangeeft een alcoholgeur te hebben geroken, zonder een persoon aan te wijzen.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional ontkent de woorden “liederlijk gedrag en totale beschonkenheid” te hebben gebruikt tijdens de zitting op 17 april 2019. De jeugdprofessional heeft een verslag gemaakt van het verloop van de zitting en dat bij haar verweerschrift gevoegd. Uit dit verslag blijkt dat zij heeft verwezen naar de informatie van [het traject] wat door haar collega’s in het dossier van de kinderen is opgenomen. De jeugdprofessional heeft ter zitting aangegeven dat de medewerkers van [het traject] hebben opgemerkt dat de vader enkele malen in beschonken toestand verkeerde tijdens de oudergesprekken. Zij heeft ter zitting enkel verklaard dat er een sterke alcohollucht is geroken en dat de vader amper reageerde. De jeugdprofessional geeft aan dat er bij [het traject] professionals werken en dat de GI niet twijfelt aan de zorgen van [het traject]. De GI heeft daar immers geen eigen belang bij. Daarnaast zijn het signalen die al langer bekend zijn. Ook de dochter heeft meerdere malen verklaard, aan verschillende personen en in verschillende periodes, dat de vader alcohol gebruikt in het weekend. In de beschikking van 27 juni 2019 komt vooral naar voren dat de GI het van belang acht dat er duidelijkheid komt over het eventuele alcoholgebruik van de vader. De rechtbank heeft daarover onder meer het volgende bepaald: “De rechtbank overweegt dat de vader door het afleggen van een of meerdere blaastesten had kunnen aantonen dat de beschuldigingen van alcoholmisbruik onterecht zijn. Nu hij dit ter zitting (vooralsnog) heeft geweigerd, kan niet objectief worden vastgesteld of er nu wel of niet sprake is van alcoholmisbruik.” De jeugdprofessional ontkent aldus dat de rechtsgang op 17 april 2019 negatief is beïnvloed door haar uitlatingen. Zij meent dat de vader zelf een rol had in het beïnvloeden van een voor hem gunstigere uitkomst.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Vast staat dat de jeugdprofessional op 17 april 2019 namens de GI als zittingsvertegenwoordiger bij de zitting van de rechtbank aanwezig is geweest. Zij heeft haar collega jeugdprofessional, die op dat moment belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en die op 15 april 2019 onverwacht was uitgevallen, eenmalig vervangen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat de gebiedsmanager intern een oproep heeft gedaan wie deze zitting kon waarnemen. Van de bij de GI werkende jeugdprofessionals wordt in een dergelijk geval verwacht dat zij, indien zij daartoe ruimte hebben, zich hiervoor aanmelden. Dat heeft de jeugdprofessional gedaan, ondanks dat zij niet met de uitgevallen collega jeugdprofessional in een team zat. Vervolgens heeft zij een mondelinge overdracht gekregen van de gebiedsmanager en van een collega jeugdbeschermer, die bij deze casus betrokken was. De jeugdprofessional heeft daarnaast ter voorbereiding de contactjournaals, de plannen van aanpak, de veiligheidsplannen, de notulen van de casuïstiekbesprekingen en het raadsrapport doorgenomen. Het College overweegt dat de jeugdprofessional voldoende heeft aangetoond dat zij zich zorgvuldig heeft voorbereid, in de korte tijd die haar gegeven was. De uitspraken die zij ter zitting op 17 april 2019 heeft gedaan, waren afkomstig van [het traject], en die informatie maakte deel uit van het dossier. Van een jeugdprofessional die in een casus eenmalig optreedt als zittingsvertegenwoordiger, een mondelinge overdracht krijgt en slechts één tot twee dagen de tijd heeft zich voor te bereiden, kan niet verwacht worden dat zij zelfstandig een onderzoek instelt, dan wel het gesprek met de ouders aangaat. Zij mocht volgens het College erop vertrouwen dat het dossier op orde was en dat zij bij de mondelinge overdracht correct was geïnformeerd. Tijdens genoemde zitting heeft de jeugdprofessional het standpunt van de GI herhaald, dat er bij [het traject] zorgen waren over het alcoholgebruik van de vader en dat deze signalen al langer bekend waren. De stelling van de vader dat, door de valse beschuldigingen van de zijde van de jeugdprofessional, de zorgregeling alsnog ten nadele van hem is gewijzigd, volgt het College niet. Temeer nu de rechtbank in dezelfde beschikking heeft overwogen: “De rechtbank overweegt dat de vader door het afleggen van een of meerdere blaastesten had kunnen aantonen dat de beschuldigingen van alcoholmisbruik onterecht zijn. Nu hij dit ter zitting (vooralsnog) heeft geweigerd, kan niet objectief worden vastgesteld of er nu wel of niet sprake is van alcoholmisbruik.” Het College ziet in de klacht van de vader dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt en is van oordeel dat de jeugdprofessional in lijn met de voor haar geldende Beroepscode, richtlijnen en veldnormen heeft gehandeld.

4.1.4 Het College is van oordeel dat de klacht ongegrond is.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 10 december 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing,  secretaris