Maak een selectie

497 van 497

   

De jeugdbeschermer heeft, zonder eerst met de vader in gesprek te gaan, contact opgenomen met de moeder en met haar advocaat. Daarmee heeft zij de vertrouwelijkheid geschonden die zij ten aanzien van de vader dient te betrachten.

20.007Tb Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 10 december 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,

de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klager, hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats],

op 27 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[de jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

De vader wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer M.E. Kranenburg, werkzaam bij AKJ. 

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift, inclusief een geluidsopname, ontvangen op 24 februari 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 20 maart 2020;
  • het verweerschrift, ontvangen op 9 juni 2020;
  • de door de gemachtigde van de vader tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2020 in aanwezigheid van de vader, de jeugdprofessional en de gemachtigden. Tevens is vanuit SKJ een tweede medewerker aanwezig geweest, mevrouw E.S. Tas.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

1.4 Op 12 november 2020 zijn partijen schriftelijk geïnformeerd dat de voorzitter van het College op grond van artikel 10.3 van het Tuchtreglement (versie 1.3) heeft besloten om de termijn voor het verzenden van de beslissing met vier weken te verlengen. Nu de beslissing gereed is voor de, op 12 november 2020 nieuwe gestelde termijn, is deze op 10 december 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De vader heeft twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2006 en de zoon in 2010.

2.2 Op 30 juni 2017 heeft de rechtbank tussen de vader en de moeder van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, de echtscheiding uitgesproken. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. In de beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben. Tevens is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) vastgesteld, waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader.

2.3 In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

2.4 De dochter heeft in een gesprek met de onderzoekers van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de RvdK) op 10 oktober 2018 aangegeven voorlopig geen contact te willen met de vader. De vader heeft zich bij de wens van de dochter neergelegd.

2.5 Bij raadsbesluit van 31 oktober 2018 is de rechtbank verzocht de kinderen voor een periode van twaalf maanden onder toezicht te stellen van de GI, gezien de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen.

2.6 De kinderen zijn op 15 november 2018 onder toezicht gesteld van de GI tot 15 november 2019. In de beschikking heeft de kinderrechter onder meer het volgende overwogen: “Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de kinderen], omdat zij knel zitten tussen de strijd van ouders, waarbij belastende uitspraken over en weer gedaan worden.”

2.7 De moeder heeft een vordering ingesteld om de vastgestelde zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de zoon één uur per twee weken begeleide omgang zal hebben met de vader en dat de dochter enkel omgang met de vader zal hebben indien zij dat zelf wenst. De moeder wil de zorgregeling beperken omdat volgens haar de thuissituatie bij de vader zorgwekkend is. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 4 februari 2019 het door de moeder gevorderde afgewezen. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij hebben afgesproken dat binnen enkele weken kan worden begonnen met hervatting van het contact tussen de vader en de zoon, in die zin dat de zoon voorlopig in de weekenden weer bij de vader zal verblijven. Op 17 april 2019 heeft de zitting in de bodemprocedure plaatsgevonden (zie punt 2.20).

2.8 De ondertoezichtstelling van de kinderen werd in eerste instantie uitgevoerd door een collega jeugdbeschermer. Sinds 12 februari 2019 is de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

2.9 Op 6 maart 2019 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd naar de vader, waarin zij aangeeft geen meerwaarde te zien in het begeleiden van het bezoek van de zoon aan de vader op die dag.

2.10 Na een doorverwijzing van de jeugdprofessional hebben de ouders op 7 maart 2019 een intakegesprek gehad bij [de instelling voor jeugd- en opvoedhulp] voor het traject [het traject]. De jeugdprofessional en haar collega waren hierbij aanwezig.

2.11 Op 18 maart 2019 heeft het eerste gezamenlijke oudergesprek plaatsgevonden bij [het traject]. Op 1 april 2019 heeft het tweede gezamenlijke oudergesprek plaatsgevonden. Beide gesprekken zijn gevoerd tijdens de lunchpauze van het werk van de vader.

2.12 Op 2 april 2019 heeft de ambulante hulpverleenster van [het traject] haar zorgen geuit over de dochter en de omgang in een e-mailbericht aan de jeugdprofessional. Zij schrijft: “Ook is de vader voor de 3e keer [onder] invloed verschenen en dat wil ik niet meer hebben. Ik heb met de ouders afgesproken dat wanneer ik de volgende keer weer alcohol ruik, ik geen gesprek ga voeren en intern  ga overleggen of ik nog verder ga met het gesprek.” 

2.13 Op 3 april 2019 heeft de jeugdprofessional contact met de moeder gehad, en op verzoek van de moeder heeft zij vervolgens met de advocaat van de moeder gebeld.

2.14 Op 4 april 2019 heeft de jeugdprofessional de vader gebeld en de zorgen over het alcoholgebruik bij hem neergelegd. Zij heeft in dit gesprek tevens aangegeven het nu niet verantwoord te vinden dat de zoon in het weekend – zonder enig toezicht – bij de vader verblijft. De begeleide omgang tussen de vader en de zoon is stopgezet. De jeugdprofessional heeft met de vader afgesproken dat zij de volgende week bij hem thuiskomt om veiligheidsafspraken te maken. Op dezelfde datum heeft de advocaat van de moeder een e-mailbericht gestuurd aan de advocaat van de vader, waaruit blijkt dat de moeder en haar advocaat op 3 april 2019 gebeld zijn door de jeugdprofessional over het alcoholgebruik van de vader.

2.15 Op 4 en 9 april 2019 heeft de advocaat van de vader de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd over het contact op 3 april 2019 met de advocaat van de moeder.

2.16 Op 5 april 2019 heeft de vader zijn verweer op de beschuldigingen van het alcoholgebruik toegezonden aan de jeugdprofessional. In zijn verweer schrijft de vader dat de alcoholgeur het gevolg is van zijn dagelijkse werkzaamheden.

2.17 Op 10 april 2019 heeft de jeugdprofessional de advocaat van de vader een e-mailbericht gestuurd. Daarin verklaart zij op verzoek van de moeder met haar advocaat gebeld te hebben. Zij schrijft daarin het volgende: “[het traject] had contact met mij gezocht wegens grote zorgen rondom de vader. Zo zou hij al 3 x heel erg naar alcohol hebben geroken. Vader kwam met de auto naar de afspraken. Vanuit de [GI] kunnen wij geen spoed kort geding starten voor de omgang. Advocaat van moeder zou dit wel kunnen.” 

2.18 Op 11 april 2019 is de jeugdprofessional – samen met een collega – bij de vader thuis geweest. Daarbij was ook diens vader aanwezig. De vader heeft, zonder toestemming van de jeugdprofessional, van dit gesprek geluidsopnamen gemaakt. Na het gesprek heeft de vader zijn verweer van 5 april 2019 op de beschuldigingen van het alcoholgebruik nogmaals per e-mail toegezonden aan de jeugdprofessional.

2.19 De jeugdprofessional is op 15 april 2019 wegens ziekte uitgevallen.

2.20 Op 17 april 2019 heeft de mondelinge behandeling van de bodemprocedure over de zorgregeling (zie ook punt 2.7) ter zitting op de rechtbank plaatsgevonden. Een collega van de jeugdprofessional is hier als zittingsvertegenwoordiger bij aanwezig geweest. De collega van de jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank de volgende uitspraak gedaan: “Hoewel het gestelde gebruik van alcohol door de vader wordt betwist, heeft de GI aangegeven dat de hulpverleenster van [het traject] zich ernstige zorgen zou maken over zware beschonkenheid van de vader tijdens drie ouderschapsgesprekken. Het zou niet alleen gaan om een telkens waargenomen sterke alcoholgeur, maar ook omdat de vader nauwelijks reageerde als hij werd aangesproken.”

2.21 Op 17 april 2019, na de zitting, heeft de vader een e-mailbericht gestuurd naar onder meer de jeugdprofessional waarin hij zijn onvrede uitspreekt en waarin hij het contact met alle betrokken instanties verbreekt.

2.22 Op 28 april 2019 heeft de vader een klacht ingediend bij de directie van de GI. De vader heeft op 8 oktober 2019 van de gebiedsmanager een schriftelijke reactie ontvangen.

2.23 Het traject [het traject] is vroegtijdig door de vader beëindigd. De ambulant hulpverleenster van [het traject] heeft op 7 mei 2019 een concept eindverslag opgesteld.

2.24 De werkgever van de vader heeft op zijn verzoek op 23 augustus 2019 een schriftelijk verklaring geschreven over het functioneren van de vader als werknemer. De werkgever schrijft in zijn verklaring onder meer dat hij op geen enkele manier heeft kunnen constateren dat er sprake zou zijn van grensoverschrijdend gedrag, dat de vader de gesprekken die hij moet voeren met derden over de omgang met zijn kinderen afstemt met zijn werkgever, en dat de telefoon vanuit het museum vooral gebruikt wordt voor werk gerelateerde gesprekken.

2.25 De jeugdprofessional stond als jeugdzorgwerker van [datum] 2014 tot en met [datum] 2019 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2019 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde vier klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij hem, zonder enig onderzoek, heeft beschuldigd van alcoholisme. Daarnaast heeft zij de geheimhoudingsplicht/privacy geschonden door contact op te nemen met de moeder en haar advocaat.

Toelichting:

De ambulant hulpverleenster van [het traject] heeft op 3 april 2019 haar vermoedens van alcoholgebruik bij de vader gemaild naar de jeugdprofessional. Zonder zelf onderzoek te doen, concludeert de jeugdprofessional vervolgens dat de vader alcoholist is. De jeugdprofessional heeft contact opgenomen met de moeder om de zorgen over het alcoholgebruik van de vader te bespreken. Op verzoek van de moeder heeft zij later hierover telefonisch met de advocaat van de moeder gesproken. Pas op 4 april 2019 heeft de jeugdprofessional de vader gebeld om de zorgen over het alcoholgebruik met hem zelf te bespreken. Nog diezelfde dag verzoekt de advocaat van de vader de jeugdprofessional per e-mail contact met haar op te nemen. Op dit verzoek komt geen reactie. Op 9 april 2019 heeft de advocaat de jeugdprofessional gerappelleerd. In het e-mailbericht van 10 april 2019 heeft de jeugdprofessional verklaard dat zij op verzoek van de moeder diens advocaat heeft gebeld. Zij geeft als reden dat de GI geen kort geding kan starten voor de omgang, maar dat de advocaat van de moeder dit wel zou kunnen.

Op 11 april 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij de vader thuis. De jeugdprofessional, haar collega, de vader, en diens vader zijn bij dit gesprek aanwezig geweest. De vader heeft van dit gesprek geluidsopnamen gemaakt. In dit gesprek heeft de jeugdprofessional onder meer aangegeven er zeker van te zijn dat de vader een alcoholist is. De jeugdprofessional stelt dat zij zich, voor wat betreft het alcoholgebruik/alcoholisme, baseert op de melding van de ambulant hulpverleenster van [het traject].

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional heeft de vader niet beschuldigd van alcoholisme. Er was slechts sprake van een vermoeden. Dit vermoeden heeft zij gebaseerd op signalen die zij ontving van de moeder en van de ambulant hulpverleenster van [het traject]. Daarnaast heeft de dochter meermaals aan de jeugdprofessional verklaard dat de vader dronken was. De jeugdprofessional staat voor de lastige taak om zelfstandig haar oordeel te vormen bij tegenstrijdige belangen en conflicterende normen en waarden. Aangezien de jeugdprofessional niet alleen de kinderen maar ook de leden uit het gezinssysteem als cliënt heeft, neemt zij de houding aan van meervoudige partijdigheid. Dit betekent dat zij het gemeenschappelijk belang van het gezin behartigt, maar daarbij de belangen van het kind vooropstelt. Er is in de onderhavige situatie sprake van ketenzorg. Goede samenwerking, informatie-uitwisseling en overdracht is van groot belang. Uit de verslaglegging van 13 februari 2019 blijkt dat de jeugdprofessional zich zo neutraal mogelijk heeft opgesteld. De jeugdprofessional mocht in dat kader vertrouwen op de input van de ambulant hulpverleenster van [het traject], zeker in samenhang met de andere signalen die zij ontving over het alcoholgebruik van de vader. Zij kon de input en signalen niet meer naast zich neerleggen. In het belang en de veiligheid van de kinderen heeft zij aangegeven de moeder te willen steunen. Wat betreft het contact met de advocaat van de moeder voert de jeugdprofessional aan dat zij dit eenmalig heeft gedaan, op uitdrukkelijk verzoek van de moeder, om toe te lichten wat de rol van de GI is en wat tot de rol van de moeder behoort. Terugkijkend denkt de jeugdprofessional dat het wellicht beter zou zijn geweest als zij eerst samen met de ambulant hulpverleenster van [het traject] en de vader een gesprek zou hebben gevoerd.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

Voor het College is op grond van het dossier en de verklaring van de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet vast komen te staan dat de jeugdprofessional de vader heeft beschuldigd van alcoholisme, ook niet tijdens het kennismakingsgesprek op 11 april 2019. De jeugdprofessional benoemt tijdens genoemd gesprek de vermoedens die bestaan over het alcoholgebruik van de vader en de mogelijkheden die hij heeft om dit te weerleggen, zoals het (laten) afnemen van een blaastest. Nu van een feitelijke beschuldiging echter geen sprake is, is er naar het oordeel van het College voor dit deel van de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Voor het College staat wel vast dat de jeugdprofessional, nadat zij op 2 april 2019 is geïnformeerd door [het traject] dat de vader “….. onder invloed was verschenen” (zie punt 2.12) – zonder eerst met de vader in gesprek te gaan – hierover op 3 april 2019 met de moeder heeft gesproken en vervolgens – op verzoek van de moeder – met haar advocaat heeft gebeld. In haar verweerschrift heeft de jeugdprofessional gesteld dat zij de signalen niet naast zich neer kon leggen en in het belang en de veiligheid van de kinderen de moeder heeft willen steunen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional echter verklaard dat zij eerst heeft geprobeerd de vader te bellen, dat zij geen contact kreeg en dat er op dat moment een huisbezoek met de moeder stond gepland. Voorts heeft zij ontkend dat zij tijdens het bezoek aan de moeder het e-mailbericht van [het traject] heeft besproken. De moeder heeft tijdens het gesprek aangevoerd dat zij zorgen had en dat zij de kinderen dat weekend niet naar de vader wilde laten gaan, waarop de jeugdprofessional de moeder enkel heeft gezegd hier begrip voor te hebben. Het College ziet een tegenstrijdigheid tussen het verweerschrift van de jeugdprofessional en wat zij tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft gesteld. Onder deze omstandigheden is niet, dan wel onvoldoende vast komen te staan dat de informatie van [het traject] door de jeugdprofessional niet is gedeeld met de moeder. Het College overweegt dat dit beeld wordt versterkt doordat de advocaat van de moeder hierover op 4 april 2019 per e-mailbericht contact heeft opgenomen met de advocaat van de vader, en spreekt over zorgwekkende signalen omdat de cliënt (lees: de vader) gedurende de omgangsmomenten onder invloed is van alcohol, als ook tijdens de gesprekken met [het traject]. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat het – terugkijkend – beter was geweest wanneer zij eerst samen met de ambulant hulpverleenster van [het traject] en de vader een gesprek zou hebben gevoerd. Op grond van haar autonome professionele bevoegdheid is ook het College van oordeel dat de jeugdprofessional in deze situatie een andere afweging had moeten maken. Door met de moeder te spreken, zonder eerst het gesprek met de vader aan te gaan, heeft zij in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (verder: de Beroepscode). De jeugdprofessional behandelt informatie over de jeugdige cliënt, diens ouders/opvoeders en hun omstandigheden vertrouwelijk. Wanneer zij het bovendien noodzakelijk had geacht om deze vertrouwelijke informatie met derden (lees: de moeder) uit te wisselen, had zij de vader eerst om toestemming moeten vragen. Dat geldt ook voor het contact dat de jeugdprofessional heeft opgenomen met de advocaat van de moeder. Temeer omdat er in die periode een bodemprocedure liep over de zorgregeling. Het College acht de handelwijze van de jeugdprofessional onnavolgbaar en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dat zij dit eenmalig, op uitdrukkelijk verzoek van de moeder, heeft gedaan om toe te lichten wat de rol van de GI is en wat tot de rol van de moeder behoort, maakt dit oordeel zeker niet anders. Door aldus te handelen heeft de jeugdprofessional naast genoemd artikel J ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden.

4.1.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is voor zover de jeugdprofessional zonder eerst met de vader in gesprek te gaan, contact heeft opgenomen met de moeder en met haar advocaat. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij heeft geweigerd het verweer van de vader aan te nemen. De vader dient zelf te bewijzen dat hij geen alcoholist is.

Toelichting:

Op 11 april 2019 heeft een kennismakingsgesprek plaatsgevonden bij de vader thuis. De jeugdprofessional, haar collega, de vader en diens vader waren hierbij aanwezig. De vader heeft van dit gesprek geluidsopnamen gemaakt. In dit gesprek heeft de jeugdprofessional verklaard dat zij het schriftelijke verweer van de vader van 5 april 2019 op de beschuldigingen van alcoholgebruik niet heeft ontvangen. Toen de vader het schriftelijke verweer tijdens het gesprek probeerde te overhandigen, weigerde de jeugdprofessional dit te lezen. Ook heeft zij in dit gesprek gezegd dat de vader zelf moet aantonen dat hij geen alcoholist is. Na afloop van dit gesprek heeft de vader voor de tweede keer zijn verweer per e-mail naar de jeugdprofessional gestuurd. Hierop heeft de vader geen reactie ontvangen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Tijdens het gesprek op 11 april 2019 heeft de jeugdprofessional het verweer van de vader niet willen aannemen, omdat zij daar niet over kon en wilde oordelen. Wel heeft de jeugdprofessional de mondelinge toelichting van de vader op het verweer gehoord. De jeugdprofessional geeft aan niet aan waarheidsvinding te willen doen, maar wel graag in gesprek te willen blijven met de vader over de omgang. Het is haar rol om de signalen die de veiligheid van de kinderen aangaan serieus te nemen. Naar aanleiding van het verweer van de vader heeft zij daarin geen ander standpunt kunnen innemen. Het is voorts aan de vader om zich voor de rechter te verweren. Omdat de verklaringen van een jeugdprofessional bij de rechter een belangrijke rol spelen, begrijpt de jeugdprofessional achteraf waarom de vader haar graag wilde overtuigen. De jeugdprofessional heeft de vader wel geadviseerd hoe hij zich het beste zou kunnen verweren. Deze verweren heeft de vader dan ook aan de rechter gepresenteerd.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Met alle signalen die er lagen, was het niet ondenkbeeldig dat de vader wilde aantonen dat de daarin vervatte verdenkingen van alcoholmisbruik niet op waarheid berustten. In de overgelegde geluidsopname van 11 april 2019 hoort het College dat de vader (en diens vader) een aantal keer vraagt of de jeugdprofessional zijn verweer in ontvangst wil nemen. De jeugdprofessional antwoordt dat de vader dit in kan dienen bij de rechter omdat het thuishoort in de rechterlijke procedure en niet bij de GI. Voorts geeft de jeugdprofessional te kennen dat zij geen stukken aan wil nemen, omdat zij op dat moment de voorkeur geeft aan een persoonlijk gesprek met de vader. Alhoewel het College zich zeer wel had kunnen voorstellen, en misschien was dat zelfs beter geweest, dat de jeugdprofessional het verweer van de vader wel had aangenomen, levert de afweging die zij hierin heeft gemaakt geen overtreding op van de Beroepscode. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund, maar of het handelen is gebleven binnen de grenzen van en redelijke beroepsuitoefening.

4.2.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij heeft nagelaten te reageren op de eindrapportage van [het traject].

Toelichting:

Op 7 mei 2019 heeft de vader het concept eindverslag van [het traject] ontvangen. In deze rapportage staat geen woord over het alcoholgebruik van de vader, noch over het liederlijke gedrag, noch over de moeilijke aanspreekbaarheid van de vader tijdens de gesprekken. In deze rapportage staat enkel aangegeven dat de ambulant hulpverleenster van [het traject] een alcoholgeur heeft geroken tijdens de gesprekken met de vader en de moeder. De vader wordt hier niet specifiek genoemd. De vader heeft de ambulant hulpverleenster van [het traject] vervolgens gewezen op zijn verweer van 5 april 2019, waarin hij aangeeft dat deze geur afkomstig is van de technische werkzaamheden op zijn werk. Op 16 mei 2019 heeft de ambulant hulpverleenster van [het traject] per e-mailbericht aangegeven dat zij dit verweer aan de eindrapportage van [het traject] zal hechten. Deze rapportage, inclusief het verweer van de vader, is vervolgens naar de jeugdprofessional verstuurd. De jeugdprofessional is aldus van het verweer van de vader op de hoogte, maar heeft hier nooit op gereageerd.

Op 28 april 2019 heeft de vader een aantekende en onderbouwde klacht gestuurd aan de directie van de GI. Pas op 8 oktober 2019, een half jaar na het indienen van de klacht, heeft de vader van de gebiedsmanager van de GI een ontoereikende reactie ontvangen op zijn klacht.

Op 23 augustus 2019 heeft de vader een verklaring van zijn werkgever toegezonden aan de jeugdprofessional waaruit blijkt dat de vader nooit grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond op de werkvloer. Ook hier heeft de jeugdprofessional niet op gereageerd.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Afgezien van het feit dat de jeugdprofessional op 15 april 2019 is uitgevallen wegens ziekte, heeft de vader op 17 april 2019 een e-mailbericht gestuurd aan alle hulpverleners waarin hij verklaart de contacten met de instanties te verbreken. De GI heeft op 29 september 2019 in een telefoongesprek met de vader zijn klachten besproken. Ook heeft de GI op 8 oktober 2019 schriftelijk gereageerd op de klachten van de vader.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Uit het verweerschrift blijkt dat de jeugdprofessional op 15 april 2019 wegens ziekte is uitgevallen. Dat heeft zij nogmaals bevestigd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht. Het concept eindverslag van [het traject] waar de vader een reactie op wenste, is van 7 mei 2019. Het College overweegt dat de jeugdprofessional op die datum niet meer betrokken was, en dat het haar daarom niet kan worden aangerekend dat zij niet heeft gereageerd. Datzelfde geldt voor de verklaring van de werkgever van de vader, die hij op 23 augustus 2019 aan de jeugdprofessional heeft toegezonden. Voor het verwijt van de vader dat hij op 28 april 2019 een aangetekende en onderbouwde klacht heeft gestuurd aan de directie van de GI en pas een half jaar daarna een ontoereikend antwoord heeft ontvangen, verwijst het College naar het beoordelingskader onder 3.2 van deze beslissing. Kort gezegd staat daar dat het College niet bevoegd is om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4.3.4 Het College is van oordeel dat de vader niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij vermoedelijk haar collega, die tijdens de zitting namens de GI is opgetreden, foutief heeft geïnstrueerd.

Toelichting:

Op 17 april 2019 heeft de behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden over de verdeling van de zorgregeling. Bij deze zitting was een collega van de jeugdprofessional aanwezig die de vader nog nooit had ontmoet. De collega van de jeugdprofessional heeft tijdens de behandeling van de rechtbank de volgende uitspraak gedaan: “Hoewel het gestelde gebruik van alcohol door de vader wordt betwist, heeft de GI aangegeven dat de hulpverleenster van [het traject] zich ernstige zorgen zou maken over zware beschonkenheid van de vader tijdens drie ouderschapsgesprekken. Het zou niet alleen gaan om een telkens waargenomen sterke alcoholgeur, maar ook omdat de vader nauwelijks reageerde als hij werd aangesproken.” De rapportage van [het traject] was op dat moment nog niet uitgebracht en de collega van de jeugdprofessional moet zich dus hebben gebaseerd op de uitlatingen of de interne rapportage van de jeugdprofessional. Normaal gesproken volgt de rechter in de bodemprocedure de uitspraak van de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft in de onderhavige zaak op 4 februari 2019 bepaald dat de oorspronkelijke zorg- en contactregeling uit 2017 ongewijzigd zou blijven. Echter, door de valse beschuldigingen van de collega van de jeugdprofessional ter zitting op 17 april 2019 is de zorgregeling alsnog ten nadele van de vader gewijzigd.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Vanwege de onverwachte uitval van de jeugdprofessional op 15 april 2019 heeft geen mondelinge overdracht plaatsgevonden tussen haar en de collega die ter zitting op 17 april 2019 aanwezig is geweest. Deze collega is dus niet bewust onjuist geïnformeerd.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional nogmaals verklaard dat zij op 15 april 2019 door ziekte is uitgevallen en dat er van een (foutieve) instructie aan haar collega – die namens de GI als vertegenwoordiger naar de zitting van 17 april 2019 zou gaan – geen sprake is geweest. De vader heeft nagelaten deze klacht te onderbouwen, en geeft bovendien aan dat de jeugdprofessional haar collega “vermoedelijk” foutief heeft geïnstrueerd. Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat de jeugdprofessional dienaangaande een tuchtrechtelijk verwijt treft.

4.4.4 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5 Conclusie

4.5.1 Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 (deels) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Nadat zij door de ambulant hulpverleenster van [het traject] was geïnformeerd over zorgen over alcoholgebruik door de vader heeft de jeugdprofessional contact opgenomen met de moeder en met haar advocaat. Dit heeft zij gedaan zonder eerst met de vader in gesprek te gaan. De jeugdprofessional heeft hiermee in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel oordeelt het College als volgt. Dat de jeugdprofessional, nadat er vermoedens waren over alcoholgebruik door de vader, zonder meer contact heeft opgenomen met de moeder en vervolgens met de advocaat van de moeder, heeft de vertrouwelijkheid geschonden die zij ten aanzien van de vader dient te betrachten. Wanneer de jeugdprofessional het in het belang van de kinderen noodzakelijk had geacht informatie te delen, had zij hiervoor eerst toestemming moeten vragen aan de vader. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd aangegeven dat zij terugkijkend een volgende keer geen contact meer op zou nemen met de advocaat van de moeder. Daarmee heeft zij wat dat aspect van de klacht betreft gereflecteerd op haar handelen. Het College acht het in deze omstandigheden passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 deels gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 2 en 4 ongegrond;
  • verklaart de vader niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 3;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 10 december 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris