Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, door in de gegeven omstandigheden de vader te adviseren om bij de rechtbank een verzoek in te dienen tot wijziging van de verblijfplaats van de kinderen. Ook heeft de jeugdbeschermer onvoldoende waarde gehecht aan de visie van de betrokken hulpverlening en de Raad voor de Kinderbescherming. De jeugdbeschermer heeft geen blijk van reflectie of zelfinzicht getoond.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Moeder], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 7 juni 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[De Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.V. Verweij.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.M.J.C. Janssen, advocaat te Eindhoven.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het aangepaste klaagschrift ontvangen op 1 juli 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 3 september 2019;
– de door de moeder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 14 november 2019 in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de hiervoor genoemde gemachtigden. Hierbij is de gebiedsmanager van de jeugdprofessional als toehoorder aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 2 januari 2020 verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft drie minderjarige kinderen. Twee zonen en een dochter. De oudste zoon is geboren in 2002, de jongste zoon is geboren in 2005 en de dochter is geboren in 2010. Zij worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de kinderen.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds december 2014 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 februari 2015 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is ten aanzien van de jongste zoon en de dochter nadien steeds verlengd. De ondertoezichtstelling van de oudste zoon is per 18 mei 2018 beëindigd.

2.4 Bij beschikking van de rechtbank van 16 juni 2015 is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Tevens is een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgesteld.

2.5 De jeugdprofessional is sinds 25 april 2016 namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de oudste zoon en de jongste zoon. Zij heeft sinds 16 juni 2016 de ondertoezichtstelling van de dochter uitgevoerd. Op 19 augustus 2018 heeft zij de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon en de dochter overgedragen aan een collega.

2.6 Op 18 december 2017 heeft de vader, op advies van de jeugdprofessional, bij de rechtbank een verzoek ingediend tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

2.7 Bij beschikking van 14 maart 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de oudste zoon voortaan bij de vader zal zijn. Verder is de zaak aangehouden in afwachting van een onderzoek en een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) naar de vraag waar de jongste zoon en de dochter hun hoofdverblijfplaats moeten hebben.

2.8 Op 3 juli 2018 heeft een Ronde Tafel Overleg plaatsgevonden waarbij de RvdK, de ouders, de instantie die ambulante hulpverlening biedt aan de moeder en de kinderen (hierna: de hulpverleningsinstantie), de jeugdprofessional en een collega van de jeugdprofessional aanwezig waren. De insteek van het overleg was om helder te krijgen of een wisseling van de hoofdverblijfplaats het juiste middel is om de klempositie van de kinderen te doorbreken. De RvdK heeft na dit overleg als voorlopig standpunt ingenomen dat de hoofdverblijfplaats van de jongste zoon en de dochter bij de moeder blijft.

2.9 Op 27 september 2018 heeft de RvdK een rapport uitgebracht. De RvdK adviseert de rechtbank het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de jongste zoon en de dochter af te wijzen, omdat deze wijziging niet in het belang van de jongste zoon en de dochter is.

2.10 Bij beschikking van 26 maart 2019 heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de jongste zoon en de dochter afgewezen.

2.11 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. De jeugdprofessional is gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer gewisseld, zoals is weergegeven onder 2.11. In deze beslissing dient daarom onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional te worden gelezen, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen en het verweer worden samengevat en zakelijk weergegeven. Daarna volgt het oordeel van het College. Vanwege de samenhang zullen klachtonderdelen 1 en 2 gezamenlijk worden besproken. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdelen 1 en 2

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft de vader gestimuleerd een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in te dienen. Zij hecht geen waarde aan de visie van de hulpverleningsinstantie.

Toelichting:
De moeder voert aan dat de vader op advies van de jeugdprofessional in december 2017 een procedure is gestart om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen, waarna een onderzoek van de RvdK heeft plaatsgevonden. Tijdens het Ronde Tafel Overleg op 3 juli 2018 stelde de RvdK al de vraag waarom de jeugdprofessional gekozen had voor deze belastende weg. Ook na verder onderzoek kwam naar voren dat de jeugdprofessional geen goede reden had tot het ondernemen van deze actie. Indien zij dit wel had, dan had zij op andere wijze moeten ingrijpen.
Verder voert de moeder aan dat er meerdere evaluatiemomenten hebben plaatsgevonden waarbij de hulpverleningsinstantie steeds naar voren heeft gebracht dat de moeder goed meewerkte. Ook werd gesteld dat de vader slechts minimaal betrokken was. Ondanks het advies van de RvdK, de informatie van de hulpverleningsinstantie en de kritische vragen van de rechter tijdens de zittingen, bleef de jeugdprofessional een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen ondersteunen. De moeder concludeert dat deze procedure erg belastend is geweest voor haar en de kinderen.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional heeft de vader geadviseerd een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de jongste zoon en de dochter aan te vragen, omdat de zorgen die de kinderen over de situatie bij de moeder hadden gemeld niet waren afgenomen. Het besluit om dit advies te geven, is genomen na een Multidisciplinaire Casuïstiek Bespreking (hierna: MCB) en is getoetst door een gedragswetenschapper. Kijkend naar de maatregel van ondertoezichtstelling is dit advies volgens de jeugdprofessional passend, omdat de vader zo zelf de verantwoordelijkheid heeft genomen voor de zorgen die hij had. De jeugdprofessional had van collega’s in het MCB vernomen dat de GI dit verzoek niet zelf aan de rechtbank zou kunnen voorleggen. Later heeft de jeugdprofessional begrepen dat deze mogelijkheid er wel was. De jeugdprofessional is ten onrechte afgegaan op hetgeen in het MCB is besproken en zal zich voortaan bij dergelijke (juridische) kwesties beter laten informeren, door zelf navraag te doen bij de juridische afdeling. De jeugdprofessional deelt de visie van de moeder dat dit een zeer belastend traject voor de kinderen is geweest. Desondanks is de jeugdprofessional van mening dat zij de juiste stappen heeft gezet.
Verder voert de jeugdprofessional aan dat het juist is dat de hulpverleningsinstantie regelmatig bij de jeugdprofessional heeft aangegeven dat de moeder goed meewerkt. Daarnaast heeft de hulpverleningsinstantie zorgen geuit over de situatie bij de vader en het gedrag dat de jongste zoon en de dochter in de therapie lieten zien. De jeugdprofessional heeft de hulpverleningsinstantie diverse keren verzocht om met concrete voorbeelden te komen over de zorgen bij de vader, maar dit heeft de hulpverleningsinstantie niet gedaan. De kinderen hebben zorgelijke zaken verteld over de thuissituatie bij de moeder en dat heeft de jeugdprofessional niet kunnen negeren. De GI en de hulpverleningsinstantie hadden een visieverschil waarover zij veelvuldig hebben gesproken, maar dit heeft niet geleid tot het bijstellen van de bestaande visies. Achteraf gezien meent de jeugdprofessional dat zij meer de regie had kunnen nemen, door bijvoorbeeld een gedragswetenschapper of manager in te schakelen, om de kans op een betere samenwerking met de hulpverleningsinstantie te vergroten.

4.1.3 Het College oordeelt dat de jeugdprofessional buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden door de vader te adviseren bij de rechtbank een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in te dienen. Hiertoe overweegt het College als volgt.
De jeugdprofessional stelt dat in het MCB was besproken dat de GI een dergelijk verzoek juridisch gezien niet zelf kan doen en dat dit achteraf niet juist bleek te zijn. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional op grond van haar autonome professionele verantwoordelijkheid de juridische aspecten van de casus had moeten nagaan, bijvoorbeeld door de juridische afdeling van de GI te raadplegen. Daarnaast heeft de jeugdprofessional desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij het advies aan de vader weloverwogen heeft gegeven, zodat hij zijn eigen verantwoordelijkheid kon nemen. De jeugdprofessional heeft zich derhalve niet alleen laten leiden door de juridische aspecten van de casus. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional eveneens verklaard dat zij het weliswaar betreurt dat de procedure voor de kinderen en de moeder belastend is geweest, maar dat dit niet anders was geweest wanneer de GI, in plaats van de vader, een verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hiermee geeft de jeugdprofessional er naar het oordeel van het College geen blijk van dat zij inziet dat een verzoek vanuit de GI voor de betrokkenen een hele andere lading zou hebben gehad. Dit acht het College kwalijk, te meer nu op basis van de stukken voldoende vast is komen te staan dat de ouders, ten tijde van het advies aan de vader, al jaren lijnrecht tegenover elkaar stonden en de kinderen zich in een ernstig loyaliteitsconflict bevonden. De jeugdprofessional is zich onvoldoende bewust geweest van de gevolgen van haar advies voor de aanhoudende strijd tussen de ouders en de klempositie van de kinderen. Het College oordeelt dat het handelen van de jeugdprofessional in strijd is met de artikelen C (Bereid iedere client te helpen) en E (Respect) van de Beroepscode.
Verder is artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden, nu de jeugdprofessional onvoldoende bereid is geweest haar professionele oordelen ter discussie te stellen. Zij bleef volharden in haar standpunt, terwijl de hulpverleningsinstantie en de RvdK het advies van de jeugdprofessional aan de vader niet steunden. De jeugdprofessional heeft toegelicht dat zij de zorgen van de kinderen over de situatie bij de moeder niet heeft kunnen negeren en dat de hulpverleningsinstantie de zorgen over de situatie bij de vader niet concreet heeft kunnen maken. Het College is van oordeel dat van de jeugdprofessional had verwacht mogen worden dat zij een uitgedacht plan had en concreet en objectief had kunnen onderbouwen waarom zij het advies aan de vader heeft gegeven en waarom de wijziging van de verblijfplaats tot een verbetering zou leiden van de klempositie van de kinderen. Te meer nu op basis van de stukken voldoende vast staat dat er op het moment van het advies aan de vader geen, dan wel minimaal, zicht was op de opvoedsituaties bij zowel de vader als de moeder en de kinderen wisselende verhalen bleven vertellen.
Het College acht het handelen van de jeugdprofessional tevens in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Daar weegt het College bij mee dat uit het verweer van de jeugdprofessional blijkt dat de zorgen over de situatie bij de vader ook door de kinderen zijn geuit. Door haar handelen heeft de jeugdprofessional het vertrouwen van de kinderen en de moeder in de jeugdzorg geschaad. De jeugdprofessional heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

4.1.4 Het College verklaart de klachtonderdelen gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 3

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft niet de genoemde en gewenste hulpverlening ingezet.

Toelichting:
De moeder voert aan dat er al in 2017 Video Home Training (VHT) ingezet zou worden en dat er verbetering moest komen in de communicatie tussen de ouders. De VHT is pas opgestart toen er een nieuwe jeugdbeschermer in beeld kwam. De verbetering in de communicatie is nog altijd niet van de grond gekomen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Om meer zicht te krijgen op de beide opvoedsituaties, is gemeend om hiervoor VHT in te zetten. De moeder heeft duidelijk te kennen gegeven dat ze de inzet van VHT op dat moment te belastend voor de kinderen vond, omdat de hulpverleningsinstantie zou starten met systeemtherapie. Dit is met de moeder, de betrokken generalisten en de hulpverleningsinstantie besproken. Helaas is dit niet als zodanig vastgelegd in een contactjournaal. Als dit beter was vastgelegd en aan de betrokkenen was gecommuniceerd, had de moeder niet de indruk gekregen dat de VHT was blijven liggen.
De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat zij in lijn met de Beroepscode heeft gehandeld.

4.2.3 Voor zover de klacht ziet op het verwijt dat de jeugdprofessional niet de genoemde en gewenste hulpverlening bij de moeder heeft ingezet, overweegt het College als volgt. Onweersproken is dat de moeder hulpverlening heeft ontvangen vanuit de hulpverleningsinstantie, onder andere in de vorm van systeemtherapie en opvoedondersteuning. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de jeugdprofessional de moeder in juli 2017 heeft geïnformeerd over het inzetten van VHT. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht toegelicht dat zij de jeugdprofessional heeft bericht dat zij VHT op dat moment te belastend voor haar en de kinderen vond, omdat er vanuit de hulpverleningsinstantie gestart zou worden met systeemtherapie. Het College acht het in dit licht begrijpelijk dat de jeugdprofessional op dat moment geen VHT bij de moeder heeft ingezet.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de moeder naar voren gebracht dat de jeugdprofessional geen enkele actie heeft ondernomen om hulpverlening bij de vader in te zetten. Nu de vader geen partij is in onderhavige procedure, kan het College niet beoordelen welke hulpverlening bij de vader is ingezet en of die hulpverlening toereikend is geweest.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 4

4.3.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional geeft geen openheid over het voeren van overleg bij de hulpverlening.

Toelichting:
Momenteel zou de hulpverlening van de kinderen verlengd moeten worden. Aangezien de vader geen vertrouwen zegt te hebben in de betreffende instantie geeft hij hier geen toestemming voor. De moeder heeft onlangs begrepen dat er meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden, ook met de huidige jeugdbeschermer, zonder dat de moeder hiervan op de hoogte is gebracht.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Uit de toelichting op deze klacht leidt de jeugdprofessional af dat het klachtonderdeel betrekking heeft op de huidige situatie. De jeugdprofessional heeft sinds de zomer van 2018 (20 augustus 2018) geen betrokkenheid meer bij het gezin.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
De moeder heeft dit klachtonderdeel tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het College zal over dit klachtonderdeel dan ook geen oordeel geven.

4.4 Conclusie

4.4.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot twee klachtonderdelen (klachtonderdeel 1 en 2) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional de artikelen C (Bereid iedere cliënt te helpen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect) en O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden. Zij heeft in de gegeven omstandigheden de vader niet mogen adviseren om bij de rechtbank een verzoek in te dienen tot wijziging van de verblijfplaats van de kinderen. Daarnaast heeft de jeugdprofessional onvoldoende waarde gehecht aan de visie van de hulpverleningsinstantie en de RvdK. Door haar handelen is de jeugdprofessional verwijtbaar tekortgeschoten. Het College concludeert dat het handelen van de jeugdprofessional schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en het aanzien van de beroepsgroep.

4.4.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional bij twee klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Hoewel de jeugdprofessional in haar verweerschrift heeft aangegeven dat zij achteraf gezien meent dat zij zich voortaan bij dergelijke (juridische) kwesties beter laat informeren en in deze casus meer de regie had kunnen nemen om de kans op een betere samenwerking met de hulpverleningsinstantie te vergroten, heeft zij geen blijk van reflectie of zelfzicht getoond met betrekking tot het advies dat zij aan de vader heeft gegeven om bij de rechtbank een verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen in te dienen.
Het College ziet een jeugdprofessional die, ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht, blijft volharden in haar visie, zonder dat zij zich bewust lijkt van de impact van haar handelen op (de positie van) de moeder en de kinderen. Zij heeft de gevoelens van de moeder niet erkend en heeft geen compassie getoond. Het College heeft niet de indruk dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit deze casus en dat deze klacht bijdraagt aan de bewustwording van de jeugdprofessional van haar eigen handelen. Het College neemt ook in overweging dat het handelen van de jeugdprofessional aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor de kinderen. Op grond van bovengenoemde omstandigheden acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen, met openbaarmaking van deze maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen 1 en 2 gegrond;
– verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond;
– legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, met openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 2 januari 2020 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. S.C. van Duijn                                                          mevrouw mr. A.V. Verweij

voorzitter                                                                                             secretaris