Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft onvoldoende afgestemd met de ouders, onder andere over het ingediende VTO en vragen zijn meermaals niet beantwoord. Daarnaast is vertrouwelijke informatie per onbeveiligde mail verstuurd. Ook is er geen passende reactie gegeven op het verzoek van de vader om een afspraak te verplaatsen.

Klagers zijn [de ouders], hierna te noemen: de ouders. De gemachtigde van de ouders is [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als jeugdbeschermer bij [de instelling]. De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat hij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 21 januari 2022 in aanwezigheid van de ouders, de jeugdprofessional en de gemachtigde.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 26 juli 2021), het verweerschrift (ontvangen op 28 oktober 2021), de aanvulling op de klacht (ontvangen op 6 januari 2022) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De ouders hebben een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2007. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

1.2 In het preventieve kader is [de instelling] (hierna te noemen: de instelling) betrokken bij de zoon en ouders. Vanaf 23 oktober 2019 is de jeugdprofessional vanuit de instelling als tweede jeugdbeschermer betrokken. In augustus 2020 eindigt de betrokkenheid vanuit de instelling/jeugdprofessional.

1.3 De ouders hebben op 1 juli 2020 een klachtbrief ingediend bij de instelling. De klachtencommissie van de instelling heeft op 21 december 2020 de klachten deels gegrond verklaard, deels ongegrond verklaard en twee aanbevelingen gedaan.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit vijf klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat hij per onbeveiligde mail heeft gemaild. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en zijn afweging daartoe uiteengezet.

3.1.2 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend en toegelicht dat hij vanuit de instelling niet de beschikking heeft gehad over een systeem waarmee e-mailberichten beveiligd verstuurd konden worden. Het delen van vertrouwelijke informatie (herleidbare persoonsgegevens) per onbeveiligde e-mail, en niet versleuteld, is in strijd met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Een jeugdprofessional dient er namelijk voor te zorgen dat vertrouwelijke informatie zorgvuldig en veilig wordt verzonden zodat het risico wordt voorkomen dat die informatie bij een derde terecht kan komen. Het College verwijst hiervoor naar beslissing 20.100Ta van het College van Toezicht van 16 november 2020. Naast de individuele verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional, heeft een instelling ook de verantwoordelijkheid om een systeem aan te bieden wat voldoet aan het wettelijk kader (de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming, hierna te noemen de AVG). Dat de instelling in dit geval daartoe geen mogelijkheden bood, maakt echter niet dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Zo had de jeugdprofessional in afwachting van een veilig systeem vertrouwelijke informatie per aangetekende post kunnen (laten) versturen. Het College acht het positief dat de jeugdprofessional naar eigen zeggen zich er inmiddels bewust van is dat vertrouwelijke informatie beveiligd verstuurd moet worden.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat hij zonder toestemming van de ouders informatie heeft gedeeld met derden, nog voordat de ouders zelf die informatie hebben gehad of erop hebben kunnen reageren. De jeugdprofessional heeft tegen het eerste deel van het verwijt gemotiveerd verweer gevoerd. Het tweede deel van het verwijt heeft de jeugdprofessional erkend, en zijn afweging daartoe uiteengezet.

3.2.2 Het College stelt uit bijlage 2.1 van het klaagschrift vast dat de jeugdprofessional op 30 maart 2020 het verzoek tot onderzoek (hierna te noemen: VTO) aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingediend bij de gemeente. De ouders verwijten de jeugdprofessional allereerst dat dit is gedaan zonder toestemming. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat voor het indienen van een VTO het toestemmingsvereiste niet geldt. Met verwijzing naar beslissing 20.110Ta van 19 april 2021 van het College van Toezicht, onder 4.1.3, overweegt het College dat in het vrijwillig/preventieve kader in principe alles in overeenstemming en met toestemming van de betreffende cliënten dient plaats te vinden. Dit is alleen anders in het geval er sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond. Het College is het met de jeugdprofessional eens dat een dergelijke uitzondering bestaat voor het indienen van een VTO. Het College verwijst hiervoor naar artikel 6 lid 1 sub e van de AVG en artikel 17 lid 4 sub d en j van het Privacyreglement gecertificeerde instelling (welke ook van toepassing is bij de instelling in het preventieve kader). Dit kader schrijft voor dat één van de gronden voor het verstrekken (en verwerken) van persoonsgegevens het uitvoeren van een publiekrechtelijke taak is. Meer specifiek ten aanzien van de RvdK en de gemeente geldt dat zonder toestemming van de cliënten informatie mag worden verstrekt indien dat voor de RvdK noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van haar taken en ten aanzien van de gemeente indien het delen van de informatie noodzakelijk is voor de toegang tot jeugdhulp. Het College is van oordeel dat aan deze vereisten wordt voldaan bij het indienen van een VTO, wat maakt dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijke norm heeft overschreden.

Ten tweede wordt de jeugdprofessional verweten dat het VTO is ingediend zonder dat de ouders de mogelijkheid is gegeven daarop te reageren. Dit jeugdprofessional heeft toegelicht dat de ouders in gesprekken wel zijn geïnformeerd over het voornemen een VTO in te dienen, maar dat VTO hen niet is voorgelegd. Het College overweegt met verwijzing naar artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode dat de betrokkenen de mogelijkheid moet worden geboden om te reageren op een VTO, temeer gezien de impact en gevolgen een dergelijk verzoek kan hebben. Wanneer dat in een uitzonderingssituatie, bijvoorbeeld in geval van een crisis, gezien de korte termijnen geen mogelijkheid is, is het gebruikelijk om het VTO als concept aan te bieden en de betrokkenen te vragen een reactie na te sturen. Dat de ouders geen gelegenheid is aangeboden te reageren op het VTO, acht het College in strijd met voornoemd artikel uit de Beroepscode.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het eerste deel van het klachtonderdeel ongegrond is en het tweede deel gegrond.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat hij niet reageert op vragen en onvoldoende beschikbaar is geweest. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.2 Het College stelt uit de overgelegde stukken vast dat de ouders veelvuldig contact hebben gezocht met de jeugdprofessional en zijn collega. Niet alle e-mailberichten en vragen van de ouders zijn beantwoord. Het College heeft er begrip voor dat een jeugdprofessional – bij veelvuldige communicatie – niet overal (binnen enkele dagen) op kan reageren. In zulke gevallen is het echter wel noodzakelijk dat een jeugdprofessional de regie blijft voeren en aan verwachtingsmanagement doet. Daarvoor is het van belang dat de jeugdprofessional met de betrokkenen afspraken maakt over de communicatie en frequentie van contactmomenten, bijvoorbeeld door een vast belmoment of een reactietermijn af te spreken. Dit heeft de jeugdprofessional niet gedaan, hetgeen niet bevorderlijk wordt geacht voor de hulp aan de zoon en de samenwerking met ouders. Dat de e-mailberichten/vragen meermaals onbeantwoord zijn zonder afspraken te maken over de wijze van communicatie, acht het College in strijd met artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 4

3.4.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat hij onterecht een VTO heeft gedaan. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.2 Het College overweegt als volgt. Tussen de ouders en de jeugdprofessional is de samenwerking op enig moment spaak gelopen en er ontstond een visieverschil, onder meer over het formuleren van de aanmelding bij [de instelling 2]. Uit het VTO van 30 maart 2020 en die van 21 juni 2020 (bijlage 4.1.1 en 4.1.2 van het klaagschrift) blijkt dat de redenen voor indienen zijn dat de instelling en ouders “niet tot overeenstemming komen (na ruim een jaar casusregie drang) over wat er nodig is voor [de zoon], met als gevolg het uitblijven van noodzakelijke hulpverlening. Een OTS geeft ons meer kader om de hulpverlening voor [de zoon] tot stand te brengen.” Een logisch gevolgtrekking van het visieverschil, is dat de ouders het niet eens zijn met de conclusie van de jeugdprofessional tot het indienen van het VTO. Dat de ouders het er niet mee eens zijn, dan wel dat het VTO niet in behandeling is genomen door de RvdK, maakt nog niet dat het VTO ook op onjuiste gronden is ingediend. De in de VTO genoemde gronden zoals hierboven opgenomen, acht het College voldoende om tot indiening over te gaan. Het College concludeert dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 5

3.5.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 Het College stelt het volgende vast. Op 23 februari 2020 stond er een gesprek gepland tussen de vader, de IPT-er van de vader, de jeugdprofessional en een gedragswetenschapper van de instelling. Een uur voor de afspraak laat de IPT-er aan de vader weten dat hij ziek is, waarna de vader de jeugdprofessional verzoekt de afspraak te verzetten omdat hij het noodzakelijk vindt dat de IPT-er bij het gesprek aanwezig is. De jeugdprofessional reageert in het WhatsApp gesprek: “we vatten dit op als weigering van de samenwerking en dit maakt dat we zullen overgaan tot VTO.” Vanwege deze reactie is de vader toch akkoord gegaan met het laten plaatsvinden van het gesprek, zonder de IPT-er. De jeugdprofessional heeft tijdens de digitale behandeling van de klacht toegelicht dat zijn handelwijze gerechtvaardigd was omdat de redenen van deze uitspraak waren dat de sfeer al geruime tijd grimmig was, het VTO eerder ingediend had moeten worden en er geen sprake meer was van samenwerking. Het College is het eens met de jeugdprofessional dat de onwerkbare situatie tussen de ouders en de jeugdprofessional/instelling te lang heeft voortgeduurd. Dat is niet bevorderlijk geweest voor de hulpverlening aan de zoon. Het College acht de gedane uitspraak echter niet passend in de context van de situatie. Het lag immers buiten de invloedssfeer van de vader dat de IPT-er (op een korte termijn) niet beschikbaar was. Bovendien gaf de vader meermaals aan de aanwezigheid van de IPT-er van belang te vinden. Het College kan dan ook niet volgen dat de jeugdprofessional reageert dat het verzoek tot verplaatsen van de afspraak wordt opgevat als weigering van de samenwerking. Het wordt betreurd dat de jeugdprofessional tijdens de digitale behandeling onvoldoende heeft gereflecteerd op zijn uitspraak in de geschetste situatie. Het College is van oordeel dat in deze situatie de jeugdprofessional zijn gezag ten opzichte van de vader niet ten positieve heeft gebruikt, wat in strijd is met artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4     Maatregel: berisping, zonder openbaarmaking

4.1 Ten aanzien van de op te leggen maatregel, wordt het volgende overwogen. De jeugdprofessional heeft ten aanzien van 4 klachtonderdelen (gedeeltelijk) tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en meerdere normen geschonden van de professionele standaard. Ondanks dat de jeugdprofessional gewerkt heeft voor een nieuwe organisatie, had hij al meerdere jaren werkervaring als jeugdprofessional. Het College neemt het hem dan ook kwalijk dat hij zich onvoldoende bewust was van de wettelijke kaders rondom privacy. Ook is er onvoldoende afgestemd met de ouders en zoon, hetgeen niet in zijn belang wordt geacht. Daarnaast is geen passende reactie gegeven op het verzoek van de vader om een afspraak te verplaatsen. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het College de maatregel van berisping. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of deze maatregel openbaar gemaakt moet worden. Bij openbaarmaking zou de maatregel van berisping gedurende vijf jaar zichtbaar zijn in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional. Het College ziet daar vanaf, omdat de onderhavige klacht de eerste tuchtklacht is die tegen de jeugdprofessional is behandeld door het College. Openbaarmaking van de maatregel acht het College onder deze omstandigheden te verstrekkend. Daarnaast gaat het College ervan uit dat de jeugdprofessional leert van deze beslissing en zijn handelen aanpast in lijn met de professionele standaard en het wettelijk kader.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • klachtonderdelen 1, 3 en 5 zijn gegrond;
  • klachtonderdeel 2 is deels gegrond en deels ongegrond;
  • klachtonderdeel 4 is ongegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking.

Deze beslissing is op 18 februari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van de heer mr. R. Orie, (voorzitter), mevrouw D.J.E. de Graaf en mevrouw S.M.C. van de Kooij (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door de secretarissen mevrouw mr. L.C. Groen en mevrouw mr. L.C. van der Meij.

de heer mr. R. Orie, voorzitter

mevrouw mr. L.C. Goen, secretaris