Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft onvoldoende afgestemd met de ouders, onder andere over de beschermingstafel en vragen zijn meermaals niet beantwoord. Zij was zich daarnaast ook onvoldoende bewust van de wettelijke kaders rondom privacy.

Klagers zijn [de ouders], hierna te noemen: de ouders. De gemachtigde van de ouders is [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ.

Beklaagde is [jeugdprofessional], hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam geweest als jeugdbeschermer bij [de instelling]. De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd. Vanaf [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

De digitale mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 21 januari 2022 in aanwezigheid van de ouders, de jeugdprofessional en de gemachtigde.

Het College gaat uit van het klaagschrift (ontvangen op 11 juni 2021), het verweerschrift (ontvangen op 17 september 2021), de aanvulling op de klacht (ontvangen op 6 januari 2022) en wat is besproken tijdens de digitale mondelinge behandeling van de klacht.

1     De feiten

1.1 De ouders hebben een minderjarige zoon. De zoon is geboren in 2007. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

1.2 In het preventieve kader is [de instelling] (hierna te noemen: de instelling) betrokken bij de zoon en ouders. Vanaf 19 februari 2019 is de jeugdprofessional vanuit de instelling als tweede jeugdbeschermer betrokken en vanaf 23 oktober 2019 als eerste jeugdbeschermer. In augustus 2020 eindigt de betrokkenheid vanuit de instelling/jeugdprofessional.

1.3 De ouders hebben op 1 juli 2020 een klachtbrief ingediend bij de instelling. De klachtencommissie van de instelling heeft op 21 december 2020 de klachten deels gegrond verklaard, deels ongegrond verklaard en twee aanbevelingen gedaan.

2     Het beoordelingskader

2.1 Het College beantwoordt de vraag of de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en toetst dit handelen aan de algemene tuchtnorm. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional (hierna te noemen: de Beroepscode), de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3     Beoordeling van de klacht

De klacht bestaat uit zes klachtonderdelen. Deze worden hieronder weergegeven en vervolgens beoordeeld.

3.1 Klachtonderdeel 1

3.1.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij per onbeveiligde mail heeft gemaild. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.1.2 Het College overweegt als volgt. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend en toegelicht dat zij vanuit de instelling niet de beschikking heeft gehad over een systeem waarmee e-mailberichten beveiligd verstuurd konden worden. Het delen van vertrouwelijke informatie (herleidbare persoonsgegevens) per onbeveiligde e-mail, en niet versleuteld, is in strijd met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Een jeugdprofessional dient er namelijk voor te zorgen dat vertrouwelijke informatie zorgvuldig en veilig wordt verzonden zodat het risico wordt voorkomen dat die informatie bij een derde terecht kan komen. Het College verwijst hiervoor naar beslissing 20.100Ta van het College van Toezicht van 16 november 2020, onder 5.2.3. Naast de individuele verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional, heeft een instelling ook de verantwoordelijkheid om een systeem aan te bieden wat voldoet aan het wettelijk kader (de Jeugdwet en de Algemene verordening gegevensbescherming, hierna te noemen: de AVG). Dat de instelling in dit geval daartoe geen mogelijkheden bood, maakt echter niet dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Zo had de jeugdprofessional in afwachting van een veilig systeem vertrouwelijke informatie per aangetekende post kunnen (laten) versturen. Het College acht het positief dat de jeugdprofessional naar eigen zeggen dit onderwerp als aandachtspunt binnen de organisatie kenbaar heeft gemaakt.

3.1.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.2 Klachtonderdeel 2

3.2.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij zonder toestemming van de ouders informatie heeft gedeeld met derden. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.2.2 Het College stelt uit bijlage 2.1 van het klaagschrift vast dat de jeugdprofessional op 29 september 2020 een verslag rondstuurt van een [organisatie] afstemmingsoverleg. Blijkens het verslag zijn tijdens dit overleg aanwezig geweest: de ouders, de jeugdprofessional, de tweede jeugdbeschermer, een betrokken hulpverlener vanuit [de instelling 2] en een gespreksleider. Het verslag stuurt de jeugdprofessional toe aan de ouders, de procescoördinator van de gemeente en een hulpverlener vanuit [de instelling 3]. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij voor het delen van dit verslag geen toestemming van de ouders of zoon gevraagd heeft, omdat zij zich niet bewust was van dit vereiste en zij alleen informatie in het belang van de zoon gedeeld heeft. Met verwijzing naar beslissing 20.110Ta van 19 april 2021 van het College van Toezicht, onder 4.1.3, overweegt het College dat in het vrijwillig/preventieve kader in principe alles in overeenstemming en met toestemming van de betreffende cliënten dient plaats te vinden. Dit is alleen anders in het geval er sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond. Toestemming dient gericht te worden gegeven. Met betrekking tot (vertrouwelijke) informatie-uitwisseling houdt dat in dat de cliënten geïnformeerd worden waarvoor de toestemming nodig is, wie de informatie verstrekt, wie of welke instantie de informatie ontvangt en om welke informatie het specifiek gaat. Het is het College gebleken dat de jeugdprofessional voor het delen van het verslag met de procescoördinator van de gemeente en de hulpverlener vanuit [de instelling 3] geen toestemming heeft gevraagd. Van een wettelijke uitzonderingsgrond om het verslag zonder toestemming te delen, is het College niet gebleken. Het College concludeert dat het nalaten van de jeugdprofessional in strijd is met artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode.

3.2.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.3 Klachtonderdeel 3

3.3.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij de ouders en de zoon niet op de [beschermingstafel] heeft voorbereid. De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.3.2 Het College stelt vast uit bijlage 3.2 van het klaagschrift dat de procescoördinator van de gemeente per mail van 8 april 2020 aan de ouders laat weten dat zij de jeugdprofessional heeft gevraagd om een afspraak met de ouders en zoon in te plannen ter voorbereiding van de [beschermingstafel], om al hun vragen te beantwoorden en een manier te vinden waarop de zoon aan de telefonische afspraak kan deelnemen. De [beschermingstafel] wordt gepland op 23 april 2020 om 10:00 uur. Vervolgens doet de jeugdprofessional op 22 april 2020 om 16:27 uur het voorstel aan de ouders om de volgende dag om 09:00 uur de [beschermingstafel] voor te bereiden. De ouders vinden dat geen redelijk voorstel en gaan daar niet op in. Het College is het met de ouders eens dat deze gang van zaken tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om na de e-mail van 8 april 2020 de ouders zo spoedig mogelijk een voorstel te doen om de [beschermingstafel] met hen en de zoon voor te bereiden, en niet dat pas een middag van tevoren. Bovendien acht het College een uur voorbereidingstijd niet genoeg om de ouders en zoon zorgvuldig voor te bereiden, hun vragen te beantwoorden en te overleggen hoe de zoon kan deelnemen. De jeugdprofessional heeft tijdens de digitale behandeling van de klacht erkend dat één uur voorbereidingstijd daarvoor niet voldoende is. Met een dergelijk voorstel, bovendien zeer kort van tevoren gedaan, heeft de jeugdprofessional er geen blijk van gegeven dat zij zich gerealiseerd heeft wat de impact en mogelijke gevolgen kunnen zijn van een [beschermingstafel]. Door deze gang van zaken zijn de ouders en zoon niet geïnformeerd over de [beschermingstafel] en wisten zij niet wat zij konden verwachten. Het handelen van de jeugdprofessional wordt in strijd geacht met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

3.3.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.4 Klachtonderdeel 4

3.4.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij heeft geweigerd informatie aan te passen in het verzoek tot onderzoek (hierna te noemen: VTO). De jeugdprofessional heeft het verwijt erkend, en haar afweging daartoe uiteengezet.

3.4.2 Het College overweegt als volgt. Artikel 16 van de AVG en artikel 13 van het Privacyreglement gecertificeerde instelling betreffen het recht op rectificatie/correctie voor een cliënt. In de Beroepscode is dit vastgelegd in artikel M (verslaglegging/dossiervorming). Het recht op correctie houdt in dat tenminste feitelijke onjuistheden gecorrigeerd dienen te worden. Voor zover het geen feitelijkheden zijn, maar bijvoorbeeld een andere visie van de cliënt, is het gebruikelijk dat deze reactie aan het stuk wordt toegevoegd. Het College stelt uit bijlage 4.3 van het klaagschrift vast dat de ouders op 30 maart 2020 per e-mail kenbaar maken dat het VTO onjuistheden bevat. Zij schrijven het volgende:

“De aanvraag tot het VTO bevat veel onjuistheden: de data van de hulpverlening, verkeerde naam van het hulptraject, volgorde van de hulpverlening, er is een hulpverlener vermeld, die bij ons gezin niet betrokken was, er zijn zinnen conclusies geschreven over de samenwerking met andere hulpverleners nog voor [de instelling], die nergens op gebaseerd zijn, het telefoonnummer van [de procescoördinator van de gemeente] is niet correct geschreven en veel andere onjuistheden, o.a. ook inhoudelijke fouten! (…) Het is belangrijk voor al de betrokken partijen dat de VTO aanvraag de correcte en de juiste informatie bevat. Graag willen wij dat [de instelling] nogmaals goed nakijkt en de fouten corrigeerd.”

Het College concludeert uit deze reactie dat een deel van de door ouders genoemde punten feitelijkheden zijn (data, namen, volgorde hulpverleningstrajecten, een telefoonnummer), waarop het recht op correctie van toepassing is. Uit bijlage 4.2 van het klaagschrift blijkt echter dat de jeugdprofessional geen van de door ouders genoemde punten gewijzigd heeft en slechts heeft laten weten dat de reactie van de ouders toegevoegd wordt aan het VTO. Het College concludeert dat de jeugdprofessional met deze werkwijze niet in lijn heeft gehandeld met artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode, omdat de feitelijkheden gecorrigeerd hadden moeten worden.

3.4.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.5 Klachtonderdeel 5

3.5.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet reageert op vragen en onvoldoende beschikbaar is geweest. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.5.2 Het College stelt uit de overgelegde stukken vast dat de ouders veelvuldig contact hebben gezocht met de jeugdprofessional en haar collega. Niet alle e-mailberichten en vragen van de ouders zijn beantwoord. Het College heeft er begrip voor dat een jeugdprofessional – bij veelvuldige communicatie – niet overal (binnen enkele dagen) op kan reageren. In zulke gevallen is het echter wel noodzakelijk dat een jeugdprofessional de regie blijft voeren en aan verwachtingsmanagement doet. Daarvoor is het van belang dat de jeugdprofessional met de betrokkenen afspraken maakt over de communicatie en frequentie van contactmomenten, bijvoorbeeld door een vast belmoment of een reactietermijn af te spreken. Dit heeft de jeugdprofessional niet gedaan, hetgeen niet bevorderlijk wordt geacht voor de hulp aan de zoon en de samenwerking met ouders. Dat de e-mailberichten/vragen meermaals onbeantwoord zijn zonder afspraken te maken over de wijze van communicatie, acht het College in strijd met artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode.

3.5.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.6 Klachtonderdeel 6

3.6.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij onterecht een VTO heeft gedaan. De jeugdprofessional heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6.2 Het College overweegt als volgt. Tussen de ouders en de jeugdprofessional is de samenwerking op enig moment spaak gelopen en er ontstond een visieverschil, onder meer over het formuleren van de aanmelding bij [de instelling 4]. Uit het VTO van 30 maart 2020 en die van 21 juni 2020 (bijlage 6.1.1 en 6.1.2 van het klaagschrift) blijkt dat de redenen voor indienen zijn dat de instelling en ouders “niet tot overeenstemming komen (na ruim een jaar casusregie drang) over wat er nodig is voor [de zoon], met als gevolg het uitblijven van noodzakelijke hulpverlening. Een OTS geeft ons meer kader om de hulpverlening voor [de zoon] tot stand te brengen.” Een logisch gevolgtrekking van het visieverschil, is dat de ouders het niet eens zijn met de conclusie van de jeugdprofessional tot het indienen van het VTO. Dat de ouders het er niet mee eens zijn, dan wel dat het VTO niet in behandeling is genomen door de RvdK, maakt nog niet dat het VTO ook op onjuiste gronden is ingediend. De in de VTO genoemde gronden zoals hierboven opgenomen, acht het College voldoende om tot indiening over te gaan. Het College concludeert dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

3.6.3 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel ongegrond is.

4     Maatregel: berisping, zonder openbaarmaking

4.1 Ten aanzien van de op te leggen maatregel, wordt het volgende overwogen. De jeugdprofessional heeft ten aanzien van 5 klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld en meerdere normen geschonden van de professionele standaard. Ondanks dat de jeugdprofessional gewerkt heeft voor een nieuwe organisatie, had zij al meerdere jaren werkervaring als jeugdprofessional. Het College neemt het haar dan ook kwalijk dat zij zich onvoldoende bewust was van de wettelijke kaders rondom privacy. Ook is er onvoldoende afgestemd met de ouders en zoon, hetgeen niet in zijn belang wordt geacht. Dit alles rechtvaardigt naar het oordeel van het College de maatregel van berisping. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of deze maatregel openbaar gemaakt moet worden. Bij openbaarmaking zou de maatregel van berisping gedurende vijf jaar zichtbaar zijn in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional. Het College ziet daar vanaf, omdat de onderhavige klacht de eerste tuchtklacht is die tegen de jeugdprofessional is ingediend en behandeld door het College. Openbaarmaking van de maatregel acht het College onder deze omstandigheden te verstrekkend. Daarnaast gaat het College ervan uit dat de jeugdprofessional leert van deze beslissing en haar handelen aanpast in lijn met de professionele standaard en het wettelijk kader.

5     De beslissing

Het College komt tot de volgende beslissing:

  • klachtonderdelen 1 tot en met 5 zijn gegrond;
  • klachtonderdeel 6 is ongegrond;
  • aan de jeugdprofessional wordt opgelegd de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking.

Deze beslissing is op 18 februari 2022 genomen door het College van Toezicht in de samenstelling van de heer mr. R. Orie, (voorzitter), mevrouw D.J.E. de Graaf en mevrouw S.M.C. van de Kooij (beiden lid-beroepsgenoot), bijgestaan door de secretarissen mevrouw mr. L.C. Groen en mevrouw mr. L.C. van der Meij.

de heer mr. R. Orie, voorzitter

mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris