Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft de vader onvoldoende geïnformeerd over het besluit dat er met één jeugdbeschermer (i.p.v. met twee) gewerkt zou gaan worden, en heeft de vader op een ongeschikt moment geïnformeerd over het voornemen een gezagsbeëindigende maatregel te gaan verzoeken, zonder dat zij deze kernbeslissing heeft afgestemd binnen het multidisciplinaire overleg.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel, voorzitter, mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, kantoorhoudende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugd- en gezinsbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI] te [plaatsnaam 2], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. C.J.P. Liefting, advocaat te Mijdrecht.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 17 januari 2019;
– het verweerschrift ontvangen op 14 maart 2019.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 29 april 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een collega aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is de vader van, voor zover van belang voor de onderhavige zaak, twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2007 en de zoon is geboren in 2009, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Op 16 januari 2014 heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) verzocht onderzoek te doen naar gezag en omgang. Op 30 april 2014 heeft de RvdK geadviseerd de hoofdverblijfplaats bij de moeder van de kinderen, hierna te noemen: de moeder, te laten en een zorgregeling met klager vast te stellen, in die zin dat klager de kinderen een weekend in de twee weken bij zich heeft.

2.3

Klager en de moeder zijn op 28 mei 2015 gescheiden en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Bij beschikking van 17 december 2014 is een zorgregeling vastgesteld: de kinderen zijn één keer in de veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur bij klager. Het gerechtshof heeft bij beschikking van 3 mei 2016 een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld (50-50).

2.4

Op 23 maart 2016 heeft de RvdK een melding over de kinderen ontvangen van Veilig Thuis. Hulpverlening in het vrijwillig kader heeft onvoldoende resultaat opgeleverd. De RvdK is opnieuw een onderzoek gestart op 29 maart 2016, dat op 1 augustus 2016 is afgerond.

2.5

De kinderrechter heeft bij beschikking van 15 november 2016 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden. Klager heeft verklaard achter de ondertoezichtstelling te staan, zodat de strijd gestaakt wordt en de kinderen rust en stabiliteit krijgen. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd.

2.6

De GI heeft in het kader van de complexiteit van het dossier twee jeugdbeschermers aangesteld. Beklaagde was het aanspreekpunt voor de moeder, een collega jeugdbeschermer het aanspreekpunt voor klager. (*Voorheen werden ‘jeugdbeschermers’ ook ‘gezinsvoogden’ genoemd. Beiden termen worden gebruikt in de onderhavige beslissing en met beiden wordt hetzelfde bedoeld.)

2.7

Op 14 februari 2017 is [instelling] (verder: [instelling]) gestart met wekelijkse gezinsbegeleiding. In april 2017 zijn de kinderen doorverwezen naar GGZ.

2.8

In april 2017 is de jeugdbeschermer, die was aangesteld voor klager, wegens gezondheidsklachten uitgevallen. Binnen de GI is besloten dat beklaagde de zaak alleen voortzet. Zij wordt gezinsvoogd voor zowel klager als de moeder.

2.9

Vanwege zorgen over de kinderen is – op verzoek van de GI – bij beschikking van 2 juni 2017 de huidige zorgregeling (van 17 december 2014) tussen klager en de kinderen opgeschort en is een tijdelijke zorgregeling vastgesteld voor de duur van drie maanden: van 2 juni 2017 tot 2 september 2017 hebben de kinderen één keer per veertien dagen anderhalf uur begeleide omgang met klager. [Instelling] heeft de omgang begeleid. De kinderrechter overweegt dat een wijziging in de omgang met [vader] op dit moment de beste aanpak is om de [kinderen] te ontlasten van het conflict tussen hun [ouders].

2.10

Medio juli 2017 heeft klager een interne klacht ingediend bij de GI over de handelswijze van beklaagde. Op 21 augustus 2017 heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden tussen klager, beklaagde en de manager van de GI. Er zijn vijf klachten besproken. Op 30 augustus 2017 heeft de manager het conceptverslag van voornoemd bemiddelingsgesprek aan klager gestuurd.

2.11

Op verzoek van de GI is bij beschikking van 1 september 2017 de huidige zorgregeling gewijzigd. De rechtbank heeft de zorgregeling opgeschort met ingang van 2 september 2017 tot 15 november 2017 (gelijk aan de duur van de ondertoezichtstelling): de kinderen hebben één keer per veertien dagen gedurende twee uur begeleide omgang met klager. De kinderrechter overweegt dat de omgang tussen [vader] en de [kinderen] nog niet helemaal goed verloopt. Het lukt [vader] niet altijd om aan te sluiten bij wat de [kinderen] nodig hebben. De [vader] heeft daarom voorlopig nog begeleiding nodig tijdens de bezoeken van de [kinderen].

2.12

Op verzoek van de GI heeft de kinderrechter bij beschikking van 29 november 2017 de zorg- en omgangsregeling opnieuw gewijzigd. De voorlopige regeling houdt in dat klager een oplopend aantal uren onbegeleid contact heeft met zijn kinderen vanaf [instelling] of een andere neutrale plaats, met een voor- en een nabespreking met een ambulant hulpverlener. Indien de opbouw goed verloopt, zal de eerste omgangsregeling van 17 december 2014 tussen klager en de kinderen hervat worden (zie onder 2.3). De kinderrechter overweegt dat naar voren is gekomen dat de [kinderen], ondanks de aanhoudende strijd tussen de [ouders], een prille doch positieve ontwikkeling hebben doorgemaakt. De [kinderen] hebben het naar hun zin op school en hebben aangegeven dat zij hun [vader] graag meer willen zien.

2.13

Op 15 maart 2018 heeft de GI klager een ‘aankondiging’ schriftelijke aanwijzing gegeven. Klager dient zich te onthouden van het (laten) beschrijven van de woon- en opvoedsituatie van de kinderen, de echtscheidingsproblemen met de moeder en geen namen te noemen of foto’s te delen in de sociale en geschreven media. Op 16 april 2018 is de schriftelijke aanwijzing daadwerkelijk uitgebracht en op 25 juli 2018 heeft de GI de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.

2.14

Bij beschikking van 20 april 2018 is op verzoek van de GI de op 29 november 2018 vastgestelde zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de kinderen één keer in de veertien dagen begeleide omgang op neutraal terrein voor de duur van twee uur. De kinderrechter overweegt dat vast is komen te staan, dat ongeacht de oorzaak, begeleide omgang tussen de [vader] en de [kinderen] op dit moment beter wordt geacht voor de [dochter]. Het verdient voorkeur dat de zorgregeling voor de [zoon] niet zal afwijken van de zorgregeling van de [dochter] om de band tussen de [kinderen] te waarborgen. De kinderrechter acht het niet het moment om te gaan experimenteren met andere oplossingen. Daarbij
neemt de kinderrechter in overweging dat het onderzoek van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (verder: NIFP) mogelijk meer duidelijkheid zal creëren […].

2.15

Op 12 september 2018 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen klager, beklaagde en de advocaat van klager, waar beklaagde haar voornemen kenbaar heeft gemaakt de maatregel tot gezagsbeëindiging van klager te gaan adviseren.

2.16

Op 30 oktober 2018 heeft klager zich gewend tot de klachtencommissie van de GI met vijftien klachten. De mondelinge behandeling heeft op 22 november 2018 plaatsgevonden. De uitspraak van de klachtencommissie is van 8 februari 2019. Twee klachtenonderdelen (klacht 4: de jeugdbeschermer heeft zich niet gehouden aan het beleid van de GI met betrekking tot het nemen van een kernbeslissing gericht op gezagsbeëindigende maatregel, en klacht 6a: bejegening: de jeugdbeschermer heeft klager vlak voor het omgangsmoment geïnformeerd over haar voornemen de RvdK te vragen de mogelijkheden te onderzoeken om klager uit zijn gezag te ontheffen) zijn gegrond verklaard.

2.17

Bij beschikking van 8 november 2018 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 15 november 2019. Klager heeft tevens een verzoek gedaan de GI te vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Dientengevolge is de GI per 1 december 2018 vervangen door het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LdH) en is beklaagde vanaf die datum niet meer bij de casus betrokken geweest.

2.18

Het onderzoek van het NIFP, dat op verzoek van de rechtbank is ingesteld naar de persoon van en/of de opvoedvaardigheden van de ouders is op 28 december 2018 gereedgekomen. De onderzoeksvragen waarop een antwoord moest worden gegeven zijn afkomstig uit de beschikking van 20 april 2018.

2.19

Beklaagde is als jeugdprofessional sinds [datum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager heeft tien klachtonderdelen ingediend die in de kern betrekking hebben op de wijze waarop beklaagde de ondertoezichtstelling heeft uitgevoerd. Beklaagde heeft volgens klager – onder andere – onvoldoende bevorderd dat de kinderen in hun opvoeding en ontwikkeling tot hun recht komen door niet voldoende samen te werken met de sociale omgeving. Beklaagde heeft onvoldoende bereidheid getoond klager te helpen bij opvoedings- en ontwikkelingsvragen, alsmede onvoldoende initiatief genomen tot het aangaan van een professionele relatie met klager. De persoon van klager met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie is onvoldoende gerespecteerd. Klager heeft van beklaagde onvoldoende informatie gekregen. Beklaagde heeft haar gezag en invloed ten opzichte van klager negatief aangewend en misbruikt. Er heeft geen regelmatige evaluatie van de samenwerking met klager plaatsgevonden en beklaagde heeft haar beroepsmatig handelen niet aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van haar collega’s getoetst.

3.1.4

Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, wordt door het College het handelen van een beklaagde getoetst aan – onder meer – de voor die kamer geldende Beroepscode. Voor wat betreft de registratie van beklaagde is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.19 van deze beslissing. Het College wijst erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dient te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Beklaagde heeft onvoldoende bevorderd dat de kinderen in hun opvoeding en ontwikkeling tot hun recht komen door niet voldoende samen te werken met de sociale omgeving. Volgens klager is dit klachtonderdeel verankerd in artikel A (Een jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen”) van de Beroepscode.

3.2.2

Toelichting:
Beklaagde heeft de ouders niet in de gelegenheid gesteld een familiegroepsplan te maken. Het opstellen van een dergelijk plan is verankerd in de Jeugdwet. Zonder enige constatering dat er sprake zou zijn van concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen, of input van de ouders, is beklaagde zelf overgegaan tot het opstellen van een gezinsplan. In het gezinsplan van januari 2017 heeft beklaagde verklaard dat er geen familiegroepsplan is, omdat de ouders geen plan hebben gemaakt. Klager heeft echter op eigen initiatief een sub-familiegroepsplan opgesteld, waar nimmer door beklaagde op is gereageerd.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan: Ouders kunnen gezamenlijk een familiegroepsplan indienen. Of één van beiden kan dat doen maar dan moet de ander meewerken aan de uitvoering van het plan. Van meet af aan was echter duidelijk dat ouders nauwelijks met elkaar konden communiceren. De moeder wilde niet met klager spreken, noch met hem in één ruimte zitten. Beklaagde heeft dit met de moeder besproken maar zij is onwrikbaar gebleven in haar standpunt. In de wet staat opgenomen dat er binnen zes weken na het uitspreken van de ondertoezichtstelling een gezinsplan moet liggen. Er was een duidelijke bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen en deze is ook vastgesteld door de kinderrechter. Indien beide ouders niets aanleveren, dient de jeugdbeschermer een gezinsplan op te stellen. Het gezinsplan is gebaseerd op het onderzoek van de RvdK, de doelen die de rechtbank in de beschikking benoemt en de bijdragen van beide ouders en derden, zoals leerkrachten en hulpverlening. Het plan is een ‘aanvulmodel’: iedere maand worden de gebeurtenissen en acties geactualiseerd. Klager heeft nooit gezegd dat hij zelf een plan wilde opstellen. Dat is pas in de zomer van 2018 gebeurd. Beklaagde heeft het sub-familiegroepsplan op 19 september 2018 via de e-mail ontvangen en direct gereageerd, namelijk dat het plan goede ideeën bevat voor het moment dat de kinderen weer met klager mee kunnen. Echter, er bestonden op dat moment zorgen bij [instelling] over het contact tussen ouders en er was nog geen onderzoeksrapport van het NIFP beschikbaar. Beklaagde heeft het sub-familiegroepsplan vastgehecht aan het gezinsplan en op 20 september 2018 verstuurd aan de moeder en de rechtbank.

3.2.4

Voor het College staat vast dat de ouders na het uitspreken van de ondertoezichtstelling in november 2016 niet zijn overgegaan tot het opstellen van een familiegroepsplan. Klager is twee jaar later, in het najaar van 2018, eenzijdig overgegaan tot het opstellen van een sub-familiegroepsplan. Uit het schriftelijke verweer van beklaagde, maar ook uit het gestelde tijdens de mondelinge behandeling heeft het College begrepen dat beklaagde bij de ouders geen enkele mogelijkheid zag om samen een familiegroepsplan op te stellen. Beklaagde heeft onweersproken gesteld dat de moeder geen contact wenste met klager, zodat er tussen de ouders nagenoeg geen communicatie was. Het College overweegt dat in de Jeugdwet staat opgenomen dat jeugdbeschermers eerst aan gezinnen de gelegenheid moeten bieden een familiegroepsplan op te stellen, samen met familie, vrienden en anderen die tot de sociale omgeving behoren. Het familiegroepsplan is een belangrijk middel om ervoor te zorgen dat de ouders en de kinderen zelf zoveel mogelijk aan zet blijven. Als het plan een goed antwoord geeft op de zorgen van de jeugdbeschermer dient het familiegroepsplan leidend te zijn voor het inzetten van hulp. In artikel 4.1.3 lid 5 van de Jeugdwet staat vermeld dat het gezinsplan wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken nadat is komen vast te staan dat wordt afgezien van het opstellen van een familiegroepsplan. Het College volgt beklaagde in haar besluit dat, nu zij zeker op korte termijn geen mogelijkheid zag om de ouders samen een familiegroepsplan op te laten stellen, zelf is overgegaan tot het schrijven van een gezinsplan. Voorts heeft beklaagde onbetwist gesteld, dat toen klager in september 2018 zijn sub-familiegroepsplan aan haar heeft gemaild, zij op 19 september 2018 direct inhoudelijk heeft gereageerd, het plan heeft toegevoegd aan de rapportage en het aan de moeder en de rechtbank heeft gestuurd. Dat beklaagde niet heeft gereageerd op het sub-familiegroepsplan, zoals klager stelt, kan het College dan ook niet volgen. Het College is van oordeel dat beklaagde heeft gehandeld zoals van een redelijk handelende jeugdprofessional verwacht mag worden.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Beklaagde heeft onvoldoende bereidheid getoond klager te helpen bij opvoedings- en ontwikkelingsvragen, alsmede heeft zij onvoldoende initiatief genomen tot het aangaan van een professionele relatie met klager. Beklaagde heeft hiermee volgens klager artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode geschonden.

3.3.2

Toelichting:
Beklaagde heeft klager onvoldoende opvoedondersteuning geboden. De ambulante hulpverlener biedt opvoedondersteuning voor, tijdens en na het begeleide bezoek, terwijl beklaagde dit hoort te doen. Ook dient beklaagde vorm te geven aan de omgangsregeling. Op 3 juli 2017 maakt de moeder kenbaar dat zij vanaf 20 juli 2017 tot begin augustus 2017 met de kinderen op vakantie wil. Hierdoor kon de begeleide omgang op 26 juli 2017 tussen klager en de kinderen niet doorgaan. Beklaagde is partijdig: zij laat de invulling van de omgangsregeling aan de moeder over. Tot slot wordt de begeleide omgang van 7 juni 2017 op het laatste moment geannuleerd, omdat beklaagde onvoldoende inspanningen heeft verricht om de omgang door te laten gaan. Beklaagde zou een bericht van klager hebben gemist en zou bovendien de ambulante hulpverlener niet hebben kunnen bereiken. Het niet plaatsvinden van de omgang is niet in het belang van de kinderen en het is de taak van de jeugdbeschermer om deze omgang te bevorderen.

3.3.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Klager heeft regelmatig gevraagd om opvoedondersteuning en dit is zo spoedig mogelijk ingezet. Er zijn therapeutische gesprekken gevoerd met de kinderen, waarbij de ouders oudergesprekken hadden kunnen krijgen. Dit is misgelopen. Direct in december 2016 heeft beklaagde contact gezocht met [instelling] en per februari 2017 is de hulp gestart. Omdat klager ver weg woont, is ervoor gekozen om de begeleiding te centreren rondom de omgang met de kinderen. Zo kon klager én de kinderen zien én opvoedondersteuning ontvangen. Het is de taak van beklaagde om hulpverlening in te zetten en te zorgen dat het goed verloopt. De jeugdbeschermer doet dan zelf een stapje terug en dat is klager ook uitgelegd. Klager had veel vragen, echter zijn manier van communiceren is boos en dwingend. Dit heeft beklaagde regelmatig aan de orde gesteld, juist om een betere professionele relatie met klager te krijgen. Daarnaast heeft beklaagde altijd getracht inhoudelijk te reageren.
Klager wilde, voordat hij toestemming zou geven aan de moeder om op vakantie te gaan, eerst een aantal vragen door haar beantwoord zien. Er was sprake van een begeleide omgangsregeling, die de kinderrechter op 2 juni 2017 heeft vastgesteld. De vakanties waren niet meegenomen in deze regeling. Alleen als de ouders samen tot overeenstemming zouden komen, kon er van de begeleide omgang worden afgeweken. Vandaar dat beklaagde de moeder heeft gevraagd, getuige de bijgevoegde e-mailcorrespondentie van 8 juli 2017, om aan klager een voorstel te doen. De discussie is dermate uit de hand gelopen dat klager geen toestemming heeft gegeven en zelf op vakantie is gegaan: de moeder en de kinderen zijn thuis gebleven. Tot slot blijkt uit verschillende e-mailberichten dat beklaagde zich juist zeer heeft ingespannen om de omgang op 7 juni 2017 door te laten gaan. Echter, de ambulante begeleider was een week op vakantie en toen heeft beklaagde beslist dat het bezoek een week uitgesteld moest worden.

3.3.4

Het College begrijpt het eerste deel van de klacht aldus dat beklaagde klager onvoldoende opvoedondersteuning heeft geboden, en dat beklaagde deze ondersteuning zelf had moeten geven. Het College overweegt allereerst dat een gezinsvoogd zelf geen opvoedondersteuning biedt maar als taak heeft passende (gespecialiseerde) hulp door derden in te zetten. Uit de voorhanden zijnde stukken maakt het College op dat nadat in november 2016 de ondertoezichtstelling is uitgesproken beklaagde in december 2016 contact heeft gelegd met [instelling] voor opvoedondersteuning aan de ouders. Vast staat dat deze opvoedondersteuning na gesprekken hierover met beide ouders in februari 2017 van start is gegaan. Uit het dossier (e-mailwisseling van 12 juni 2017) als ook uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, heeft het College de overtuiging gekregen dat er een verschil in visie bestaat tussen partijen over de inzet van opvoedondersteuning en de zwaarte daarvan. Klager vindt de ingezette opvoedondersteuning kennelijk te mager en beklaagde heeft desgevraagd aangevoerd dat zij tegen klager heeft gezegd dat hij meer hulp kon vragen, maar dat zij hem niet kon dwingen. Verder heeft beklaagde onbetwist verklaard dat verschillende instanties, die zij benaderd heeft om ondersteuning te bieden, als gevolg van de grote hoeveelheid gerechtelijke procedures die de ouders tegen elkaar voerden, daartoe geen mogelijkheid zagen. Tot slot heeft beklaagde naar voren gebracht dat ouders van kinderen, die in de GGZ terecht komen, recht hebben op ouderbegeleiding maar dat dat niet van de grond is gekomen. Voor het College staat vast dat beklaagde zorg heeft gedragen voor opvoedondersteuning aan klager, en voor zover het College kan nagaan, heeft beklaagde zich er ook voor ingezet deze ondersteuning verder uit te breiden. Klager heeft in zijn klacht echter nagelaten aan te geven wat hij precies mist en hoe beklaagde hier nadere invulling aan had kunnen geven. Daarnaast stond het klager vrij om ook zelf extra ondersteuning in te roepen. Het College is van oordeel dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen en ziet in dit deel van de klacht dan ook onvoldoende grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Ten aanzien van het deel van de klacht dat beklaagde partijdig is, omdat zij de moeder de omgangsregeling laat invullen, overweegt het College als volgt. Nu de rechter in de beschikking van 2 juni 2017 de omgang heeft beperkt en de vakanties daarbij buiten beschouwing heeft gelaten, volgt het College beklaagde dat de ouders overeenstemming moeten bereiken over de zomervakantie. Uit de voorhanden zijnde stukken is het College gebleken dat beklaagde voldoende gedaan heeft om de ouders hiertoe te bewegen. Direct op 5 juli 2017, dat wil zeggen twee dagen nadat de moeder haar voornemen kenbaar maakt, heeft beklaagde een e-mailbericht gestuurd aan beide ouders en aan [instelling]. Daarin heeft beklaagde de ambulante begeleider verzocht te onderzoeken of de ouders met betrekking tot de zomervakantie nader tot elkaar zouden kunnen komen. Op 8 juli 2017 heeft beklaagde de moeder verzocht zelf met klager tot een afspraak te komen en de ambulante begeleider te informeren over de regeling. Dat het de ouders niet is gelukt afspraken te maken, en dat hierdoor de vakantie van de moeder en de kinderen niet is doorgegaan, kan beklaagde naar het oordeel van het College niet verweten worden. Van partijdigheid is dan ook geen sprake: beklaagde heeft beide ouders betrokken en aangesproken op hun verantwoordelijkheid.

Tot slot overweegt het College dat beklaagde zich voldoende heeft ingespannen om de omgang op 7 juni 2017 door te laten gaan. Op 6 juni 2017, dat wil zeggen een dag voor de begeleide omgang heeft beklaagde aan de ouders een e-mailbericht gestuurd, waaruit blijkt dat zij geprobeerd heeft de ambulante begeleider te bereiken: hij zal pas op 7 juni weer bij [instelling] aanwezig zijn. Uit genoemd e-mailbericht blijkt tevens dat beklaagde ook geen bericht van klager heeft ontvangen of hij aanwezig kan zijn op 7 juni 2017. Het College acht het navolgbaar dat beklaagde om die reden kennelijk gemeend heeft de omgang een week te moeten verzetten naar 14 juni 2017. Uit een tweede e-mailbericht van 7 juni 2017 van beklaagde aan klager is het College gebleken dat beklaagde in dit verband kennelijk een sms-bericht van klager over het hoofd heeft gezien, waaruit blijkt dat klager wel in de gelegenheid was bij de omgang te zijn. Beklaagde heeft daar haar excuses voor aangeboden. Het College kan zich voorstellen wat het voor klager, die zijn kinderen beperkt ziet, betekent als een omgangsmoment geen doorgang kan vinden. Het College acht de teleurstelling van klager derhalve begrijpelijk maar is van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Dat het omgangsmoment niet door kon gaan, lag buiten haar macht en beklaagde heeft in de ogen van het College juist getracht om op korte termijn tot een alternatief moment te komen.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Beklaagde heeft onvoldoende het vertrouwen van klager in de jeugdhulp en jeugdbescherming bevorderd door het niet naleven van de beroepsnormen. Volgens klager ligt dit klachtonderdeel besloten in artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

3.4.2

Toelichting:
Klager heeft als vader een informatie- en consultatierecht. De moeder dient klager te informeren over de kinderen en te betrekken bij de opvoeding. Door de moeizame communicatie tussen klager en de moeder, dient beklaagde alert te zijn en klager van informatie te voorzien. Kennelijk is beklaagde er vanuit gegaan dat de moeder klager rechtstreeks bleef informeren. Er zijn door beklaagde geen duidelijke spelregels vastgesteld. Zo nam klager de moeder in ieder e-mailbericht mee in de cc, terwijl de moeder dit veelal naliet. Zodoende diende beklaagde klager dan weer eenzijdig te informeren. Het raadsrapport van 1 augustus 2016 maakt het familieverhaal inzichtelijk en van een jeugdbeschermer mag verwacht worden dat zij een bepaalde route kiest, zodat zij de helikopterview houdt. De methodiek bij de aanpak van complexe echtscheidingen van Jeugdzorg Nederland is hiervoor een waardevol instrument.

3.4.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde was er alert op dat de ouders van voldoende informatie werden voorzien en dat zij elkaar informeerden. Wanneer de moeder dit zelf niet deed, heeft beklaagde klager geïnformeerd, zowel telefonisch, als via de e-mail en door middel van rapportages. Probleem was dat klager steeds allerlei onderwerpen op de agenda zette waar iedereen (de moeder, school, hulpverlening) op moest reageren. Het was een logische reactie van de omgeving dat men dan liever geen informatie geeft. Dit patroon heeft beklaagde meerdere malen aan klager proberen uit te leggen. Beklaagde heeft ook bevorderd dat ouders zelf hun informatie haalden, bij de school, de hulpverlening en de huisarts.
Beklaagde heeft de raadsrapportage van 1 augustus 2016 bestudeerd en de genoemde doelen opgenomen in haar gezinsplan. Tevens heeft beklaagde in het kader van de overdracht contact opgenomen met één van de opstellers van dit raadsrapport. Beklaagde heeft een route gekozen en getracht zo veel mogelijk de helikopterview te behouden. Dit werd mogelijk door bij deze turbulente zaak regelmatig consult te vragen bij collega’s, de manager, de gedragsdeskundige en de advocaat van de GI. De methodiek ‘complexe echtscheiding’ heeft beklaagde – weloverwogen – niet toegepast in deze zaak. Beklaagde verwijst in dit verband naar haar verweer op het klaagschrift dat klager heeft ingediend bij de klachtencommissie.

3.4.4

Voor het College staat vast dat beklaagde voldoende heeft gedaan om ervoor te zorgen dat klager informatie ontving van de moeder, van de school en van andere betrokkenen. Over de wijze van communiceren heeft het College in het gezinsplan van januari 2017 een afspraak teruggelezen, namelijk dat de ouders communiceren per e-mail en de beide gezinsvoogden altijd in de cc plaatsen. Reeds op 9 december 2016 heeft de collega jeugdbeschermer de ouders daarop gewezen. Het College kan echter niet goed vast stellen wat de moeder heeft nagelaten om klager te informeren. Het College ziet in de voorhanden stukken regelmatig e-mailberichten terug van de ouders aan elkaar. De wantrouwige relatie tussen de ouders is er mogelijk debet aan dat de communicatie niet eenvoudig verliep. Het College leest dat ook terug in het hulpverleningsplan van [instelling] van 15 augustus 2018, waarin staat dat de communicatie die er wel was tussen de ouders het wantrouwen tussen hen juist vergrootte. Voor wat betreft de informatie van school heeft klager tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd bevestigd dat beklaagde klager verwezen heeft naar de school. In dat verband heeft het College in het dossier ook een e-mailbericht aangetroffen van 13 september 2018 waarin wordt afgesproken dat de moeder klager één keer per twee maanden informeert over school. Het College overweegt dat school en hulpverlening overigens ook een eigen verantwoordelijk hebben om klager, als gezaghebbende ouder, uit te nodigen en te informeren. Het College is van oordeel dat beklaagde klager zelf ook steeds uitgebreid op de hoogte heeft gehouden. Het College heeft in het dossier vele e-mailberichten aangetroffen van beklaagde aan klager, waarbij de moeder regelmatig in de cc staat opgenomen. Daarnaast heeft beklaagde brieven gestuurd aan de ouders met afspraken over de voortgang en heeft zij ter zitting onweersproken verklaard dat zij klager veelvuldig belde. Het deel van de klacht van klager dat beklaagde na het lezen van het raadsrapport van 1 augustus 2016 geen route zou hebben gekozen en de methodiek ‘complexe echtscheiding’ niet heeft ingezet, acht het College niet navolgbaar. Beklaagde heeft de doelen direct in haar eerste gezinsplan opgenomen. Beklaagde heeft in het begin contact opgenomen met de betrokken raadsmedewerker, steeds met alle betrokkenen contact gehouden en gecommuniceerd, ook met haar collega’s, haar manager en de gedragsdeskundige. Ten aanzien van de gekozen werkwijze van beklaagde volgt het College het verweer dat beklaagde geschreven heeft voor de klachtencommissie van de GI waarom er niet is gekozen voor genoemde methodiek ‘complexe echtscheiding’: de casus was te complex, te langdurig en te heftig om deze problematiek in te zetten. De methode is bovendien niet verplicht en kan alleen worden toegepast als te verwachten is dat de problematiek tussen een half jaar en een jaar is opgelost. Het College overweegt dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij hier een weloverwogen beluit in heeft genomen. Het College ziet in dit klachtonderdeel dan ook geen gronden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Beklaagde heeft de persoon van klager met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie onvoldoende gerespecteerd. Deze klacht vloeit voort uit artikel E (Respect) van de Beroepscode.

3.5.2

Toelichting:
Klager en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag, waardoor het de taak van een jeugdbeschermer is om ervoor te zorgen dat beide ouders betrokken blijven bij de kinderen. Beklaagde heeft onmiddellijk na het opstellen van het gezinsplan een verzoek bij de kinderrechter ingediend tot het inperken van de bestaande zorgregeling. Bij beschikking van 2 juni 2017 komt een voorlopige begeleide omgangsregeling tot stand. Op dat moment beschikt beklaagde echter over onvoldoende informatie waaruit blijkt dat het inperken van de omgang tussen klager en de kinderen noodzakelijk is. Beklaagde had eerst moeten onderzoeken waar een eventuele omgangsblokkade vandaan komt. Uit genoemd raadsrapport blijkt al dat de moeder er alles aan doet om klager niet bij de kinderen te laten. Beklaagde is niet benoemd om één van de ouders buiten spel te zetten en heeft onvoldoende gezocht naar mogelijkheden om de ouderrol van klager als vorm te geven.

3.5.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde en haar collega hebben met klager vanaf het begin gecommuniceerd om helder te krijgen wat klager belangrijk vindt voor de kinderen en hoe hij zijn vaderrol ziet. Beklaagde heeft hem altijd behandeld als de ouder met het gezag en met respect benaderd. De kinderen wonen bij de moeder en daarom is het belangrijk dat klager een vorm kon vinden om zo goed mogelijk het contact met de kinderen te hebben. Het eerste doel van de hulpverlening van beklaagde was erop gericht dat de kinderen opgroeien in een veilige opvoedsituatie. Goed contact met beide ouders was het tweede doel.
Beklaagde heeft niet onmiddellijk na het opstellen van het gezinsplan het verzoek gedaan tot het inperken van de zorgregeling. Dit is pas gebeurd nadat beklaagde in december 2016 en in februari 2017 zorgmeldingen over het gedrag van de zoon ontving en nadat de dochter in februari 2017 aan de therapeut had aangegeven niet meer naar haar vader te willen. In april 2017 gaf de dochter vervolgens aan dat zij haar vader alleen nog begeleid wilde zien. Er zijn brieven aan klager gezonden over de inperking van de regeling en er hebben soms meermalen per week gesprekken plaatsgevonden, ook over zijn vaderrol. Op 9 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden waarbij de gedragsdeskundige en de advocaat van klager aanwezig waren. Klager weigerde de beperking van de bezoekregeling te aanvaarden en dreigde de kinderen in het weekend op te zullen halen. Pas op 12 mei 2017 heeft beklaagde met spoed een verzoek tot beperking van de zorgregeling ingediend bij de rechtbank. Het was beklaagde bekend dat klager van mening was dat vooral de moeder degene is die de omgang blokkeerde. Beklaagde heeft terdege onderzoek en observatie gepleegd om te komen tot de voorgestelde beperkte omgangsregeling. Zij heeft met de ouders, de kinderen en met de begeleidende instanties als school, de therapeute en [instelling] gesproken. Er waren op dat moment echter weinig andere mogelijkheden. Beklaagde heeft zich er overigens altijd voor ingezet dat de kinderen ook via WhatsApp of telefonisch contact met klager konden hebben.

3.5.4

Voor het eerste deel van de klacht verwijst het College naar klachtonderdeel III, waarin het College reeds zijn oordeel heeft gegeven over de wijze waarop beklaagde klager als ouder met gezag betrokken heeft bij de kinderen, en dat dat volgens het College ruimschoots voldoende is geweest. Voor het tweede deel van de klacht staat voor het College vast dat beklaagde niet direct na het opstellen van het gezinsplan in januari 2017 is overgegaan tot een verzoek de omgang tussen klager en zijn kinderen te beperken. In november 2016 is de ondertoezichtstelling uitgesproken. In de beschikking van de kinderrechter van 15 november 2016 is duidelijk verwoord dat de opvoedsituatie voor de kinderen sinds het onderzoek in 2014 onverminderd stressvol is verlopen door aanhoudende conflicten en spanningen tussen de ouders, en dat de ouders onvoldoende in staat zijn de situatie te veranderen. De kinderrechter heeft de zorgen van de RvdK en van een betrokken psychiater onderschreven, dat er geen sprake was van kindeigen problematiek maar dat de problemen veroorzaakt worden door de conflictueuze relatie van de ouders. Uit de voorhanden zijnde stukken is het College gebleken dat beklaagde in december 2016 en in februari 2017 zorgmeldingen ontving, eerst over de zoon en vervolgens over de dochter. De dochter heeft in februari 2017 kennelijk aan haar toenmalige therapeut laten weten geen omgang met haar vader te willen. Het College overweegt dat daarop in multidisciplinair overleg is besloten dat de omgang tussen klager en de dochter vier keer plaatsvindt op [instelling] onder begeleiding. Op 23 februari 2017 heeft de beklaagde hier een brief over geschreven aan de ouders. In april heeft de dochter vervolgens verklaard begeleide omgang met klager prettig te vinden. De kinderen zijn in die periode ook aangemeld bij GGZ. Voor het College staat vast dat beklaagde pas op 12 mei 2017 een spoedverzoek bij de rechter heeft neergelegd en dat daaraan een aantal oorzaken ten grondslag lag. Volgens beklaagde was er veel spanning en hadden de kinderen merkbaar last van de problemen die er spelen tussen de ouders. Beklaagde meent dat het noodzakelijk was de rechtbank te verzoeken de begeleide regeling vast te leggen. Dat de rechter beklaagde heeft gevolgd in haar advies is volgens het College een sterke aanwijzing dat beklaagde zorgvuldig te werk is gegaan. Het College bekijkt of beklaagde weloverwogen tot haar besluit heeft kunnen komen en is van oordeel dat beklaagde voldoende heeft aangetoond hoe zij te werk is gegaan, welke argumenten zij mee heeft laten wegen en dat zij afstemming heeft gezocht binnen het multidisciplinaire team. Beklaagde is met deze werkwijze gebleven binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager heeft van beklaagde onvoldoende informatie gekregen, die voor hun professionele relatie relevant is. Volgens klager is dit klachtonderdeel verankerd in artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

3.6.2

Toelichting:
Beklaagde is kennelijk opgetreden als hoofdverantwoordelijke in dit dossier, ondanks de eerdere tussenkomst van haar collega. Beklaagde heeft dit echter nimmer duidelijk gemaakt aan klager. Voor de professionele relatie tussen klager en beklaagde was een schriftelijke mededeling relevant geweest. De mogelijkheden en vormen van de hulp- en dienstverlening zijn onvoldoende met klager besproken en hij heeft onvoldoende opvoedondersteuning gekregen. Tevens dient beklaagde zorg te dragen voor het verbeteren van de communicatie tussen de ouders, dat één van de (sub)doelen is van de ondertoezichtstelling. Beklaagde heeft toegelicht dat dit geen nut heeft, omdat de moeder hier nog niet aan toe zou zijn. Doordat het middel van communicatie niet is ingezet, zijn er conclusies getrokken en adviezen verstrekt zonder enige context. De kinderen zijn door het uitblijven van de communicatie tussen klager en de moeder verder tussen wal en schip geraakt. De conflictueuze sfeer tussen klager en de moeder is immers verder toegenomen. Beklaagde is bijvoorbeeld niet op zoek gegaan naar een deskundige om met de ouders in gesprek te gaan. De rigide opstelling van de moeder is door beklaagde gerespecteerd.

3.6.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Er is gestart met twee jeugdbeschermers om maximale inzet te kunnen leveren. Er was één jeugdbeschermer voor één ouder. Begin april 2017 is de collega jeugdbeschermer plotseling uitgevallen. Omdat de zaak zeer intensief en ingewikkeld bleek voor twee jeugdbeschermers, is er na intern overleg besloten om verder te gaan met één jeugdbeschermer. Beklaagde kan niet meer nagaan hoe en wanneer klager hiervan op de hoogte is gesteld. Beklaagde kan geen schriftelijke mededeling aan klager in het dossier vinden, behalve de vermelding in de rapportage die achteraf is opgemaakt. Het is gebruikelijk dat in een dergelijk geval de manager hierover een brief schrijft. Beklaagde had hier op moeten toezien. In het bemiddelingsgesprek van 21 augustus 2017 heeft klager dit onderwerp aangekaart. Hij heeft antwoord gekregen waarom er besloten is om het te houden bij één jeugdbeschermer, namelijk omdat men de zaak wilde ‘normaliseren’. Met normaliseren wordt in dit verband bedoeld dat wordt teruggegaan naar de gebruikelijke situatie, waarin slechts één jeugdbeschermer betrokken is.
Ten aanzien van het verbeteren van de communicatie tussen de ouders heeft klager een klacht ingediend bij de interne klachtencommissie van de GI. In de communicatie is een patroon zichtbaar, waarbij klager dwingend communiceert en de moeder de communicatie vermijdt. Beklaagde heeft dit aangekaart bij beide ouders. De situatie is zeer gecompliceerd en rechtszaken hebben onverminderd voortgang. Beklaagde heeft geen basis van vertrouwen kunnen leggen op grond waarvan gezamenlijke gesprekken gestart zouden kunnen worden. Beklaagde heeft hierover meermalen met [instelling] contact gezocht maar er is ook door hen geoordeeld dat het opstarten van ouderbemiddelingsgesprekken te riskant is voor de veiligheid van de kinderen.

3.6.4

Het College overweegt als volgt ten aanzien van het eerste deel van de klacht dat klager onvoldoende is geïnformeerd dat met één jeugdbeschermer, die van de moeder, is doorgegaan. Vast staat dat de tweede jeugdbeschermer in april 2017 is uitgevallen wegens ziekte en dat intern binnen de GI is afgesproken dat beklaagde nu ook de gezinsvoogd voor klager zou worden. Het College heeft van beklaagde begrepen dat zij niet met zekerheid kan zeggen hoe deze beslissing is gecommuniceerd met klager. Beklaagde heeft in haar verweer als ook tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat in een dergelijke situatie de manager een brief stuurt. Dat dat kennelijk niet is gebeurd, kan zij zich aantrekken: beklaagde had erop moeten letten dat klager geïnformeerd zou worden. Het College overweegt dat het teruggaan van twee naar één jeugdbeschermer in een complexe casus als deze een belangrijke beslissing is. Het College is dan ook van oordeel dat een dergelijk besluit duidelijk gecommuniceerd dient te worden. Ondanks dat klager tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij hierover wel een e-mailbericht van beklaagde heeft ontvangen, acht het College dat in dit geval te mager en verklaart dit deel van de klacht gegrond. Beklaagde heeft hier naar het oordeel van het College in strijd gehandeld met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.
Het College overweegt dat het deel van de klacht dat toeziet op te weinig opvoedondersteuning voor klager een herhaling is van klachtonderdeel II, waarover College reeds heeft geoordeeld.
Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde onvoldoende heeft gedaan om de communicatie tussen de ouders vlot te trekken overweegt het College als volgt. Het College heeft uit de voorhanden zijnde stukken opgemaakt dat de communicatie tussen de ouders al jaren bijzonder gecompliceerd is en dat de opvoedsituatie van de kinderen onverminderd stressvol verloopt door de aanhoudende conflicten en spanningen tussen de ouders. Het College verwijst hier ook naar zijn oordeel bij klachtonderdeel IV. In 2014 en 2016 heeft de RvdK dit reeds gesignaleerd, het is verschillende keren bevestigd in beschikkingen van de kinderrechter, en ook [instelling] durfde gezamenlijke oudergesprekken niet aan. De moeder beriep zich op het verdrag van Istanbul en wenst niet met klager te praten, dan wel in een ruimte te zitten. Beklaagde heeft onweersproken verklaard dat zij de moeder daar meerdere keren op heeft aangesproken maar dat zij onwrikbaar bleef. Het College overweegt dat klager zelf niet heeft bijgedragen aan het verbeteren van de communicatie met de moeder. Het College heeft in het dossier e-mailberichten van klager aan de moeder aangetroffen waaruit zijn wantrouwen blijkt over de manier waarop zij voor de kinderen zorgt en heeft de moeder en de kinderen diverse keren in de media gebracht. Daarnaast zijn de ouders continu doorgegaan met het voeren van gerechtelijke procedures tegen elkaar wat de spanning verhoogde. Zoals de kinderrechter opmerkt in de beschikking van 29 november 2017 ligt de verantwoordelijkheid voor het begraven van de strijdbijl bij de ouders. Het College overweegt dan ook dat beklaagde als eerste taak heeft de belangen en de veiligheid van de kinderen te behartigen, en meent dat nu het beklaagde niet is gelukt de communicatie tussen de ouders te verbeteren, haar dat niet tuchtrechtelijk te verwijten is.

3.6.5

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op de beslissing terug te gaan van twee naar één jeugdbeschermer en de magere communicatie hierover met klager. Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Beklaagde heeft haar gezag en invloed ten opzichte van klager negatief aangewend en misbruikt. Volgens klager heeft beklaagde hiermee artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden.

3.7.2

Toelichting:
Beklaagde heeft haar machtsmiddelen verkeerd ingezet. Allereerst is het gedrag van klager door beklaagde onder een vergrootglas gelegd: het is klager niet toegestaan om contact met de media te hebben, maar de moeder mag dat wel. Medio april 2018 heeft klager hier een schriftelijke aanwijzing over gekregen. Daarnaast heeft beklaagde vier verzoekschriften ingediend voor een afgeknepen zorgregeling waarbij klager de kinderen eens per veertien dagen tijdens begeleide omgang gedurende twee uren mag zien. Gelet op de rapportage (concept rapportage van medio oktober en definitieve rapportage van 28 december 2018) van het NIFP is klager een uitstekende vader en bestaat er geen enkele rechtvaardiging voor het vasthouden aan een beperkte zorgregeling. Tevens heeft beklaagde nooit onderzocht of vanuit het netwerk van klager begeleiding kon worden ingezet. Zij heeft direct gekozen om de begeleide omgang onder toezicht van een deskundige te laten plaatsvinden. Voorts heeft beklaagde klager meerdere malen verweten dat hij misbruik maakt van zijn procesrecht, terwijl klager zich dient te verweren tegen de door de moeder opgestarte gerechtelijke procedures. Tot slot heeft beklaagde klager vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek van het NIFP tijdens een overleg op 12 september 2018 geconfronteerd met het voornemen tot de maatregel van gezagsbeëindiging. Beklaagde heeft haar voornemen op dat moment echter niet multidisciplinair laten toetsen. Dit blijkt uit een e-mailbericht van 27 september 2018, waarin beklaagde aangeeft dat zij deze maatregel niet had mogen voorstellen nu deze volgens haar team pas in een later stadium kan worden aangewend. In een e-mailbericht van 15 oktober 2018 aan beide ouders heeft beklaagde gevraagd of de moeder de kinderrechter zal gaan verzoeken het éénhoofdig gezag aan haar toe te kennen. Door deze vraag te stellen heeft beklaagde onnodig een escalatie tussen de ouders laten ontstaan, en (de schijn) van partijdigheid gewekt. Deze onrust is door beklaagde bij klager veroorzaakt kort voor een contactmoment met de kinderen.

3.7.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft beide ouders aangesproken op het feit dat zij de kinderen niet in de media mochten brengen en klager een voorgenomen schriftelijke aanwijzing gegeven zodat hij in de gelegenheid was om zijn gedrag nog aan te passen. Moeder heeft zich tot de zomer van 2018 gehouden aan de toezegging de kinderen niet in de media te brengen. Er was een aanwijzing en een bekrachtiging schriftelijke aanwijzing met een dwangsom voor nodig om klager te stoppen. Toen de moeder na een lange periode ook weer een interview gaf, heeft beklaagde dit nogmaals met de moeder mondeling aangekaart en tevens schriftelijk via een e-mail aan beide ouders. Indien deze handelwijze zich zou hebben herhaald, zou ook de moeder een schriftelijke aanwijzing hebben moeten krijgen. Beklaagde heeft haar invloed en macht om deze handelwijze te proberen te stoppen niet misbruikt maar juist aangewend om de belangen van de kinderen te beschermen.
Beklaagde heeft de rechtbank terecht verzocht de omgang te beperken. Dit heeft zij gedaan naar aanleiding van, en na interpretatie van de feiten zoals zij deze heeft vernomen van de kinderen, de ouders, de school en andere betrokkenen. De kinderen zaten klem: de dochter wilde periodes niet naar klager en de zoon liet bij spanningen tussen de ouders probleemgedrag zien. Beklaagde heeft niet eigenmachtig gehandeld maar mede op advies van [instelling] en naar aanleiding van overleg met collega’s en de gedragsdeskundige. [instelling] heeft gerapporteerd dat klager tijdens het begeleide bezoek goed met zijn kinderen omgaat, maar dat klager niet in staat is de onderwerpen die ouders verdeeld houden buiten de omgang met de kinderen te houden. Het NIFP heeft onderzoek gedaan en haar advies uitgebracht aan de kinderrechter. Het feit dat het NIFP tot een ander oordeel komt, betekent niet dat beklaagde onjuist heeft gehandeld. In de laatste dagen dat beklaagde uitvoering gaf aan de ondertoezichtstelling heeft zij de rapportage van het NIFP opgevraagd maar niet op tijd ontvangen. Op de conceptrapportage (de enige rapportage die beklaagde gezien heeft) had beklaagde het een en ander aan te merken. Het advies van het NIFP om de kinderen onbegeleid met klager omgang te laten hebben met ondersteuning van forensische mediation of een cursus parallel ouderschap is volgens beklaagde onvoldoende onderbouwd en niet met haar besproken. Beklaagde heeft nooit ontkend dat de kinderen omgang met klager wensen en dit in rapportages en tijdens zittingen altijd naar voren gebracht.
Beklaagde heeft in het begin van de ondertoezichtstelling twee gesprekken op kantoor gevoerd met klager en zijn toenmalige vriendin en ook heeft zij telefonisch contact met haar gehad. Klager had begeleid bezoek en wist dat hij zelf personen mee kon nemen naar het bezoek. Klager heeft in zijn sub-familiegroepsplan de mogelijkheden van ondersteuning door zijn netwerk benoemd. Beklaagde heeft gereageerd dat dit zeer zeker goede plannen zijn wanneer het zo ver is dat er wellicht over gegaan zou kunnen worden naar onbegeleide omgang (zie ook onder klachtonderdeel I).
Beklaagde heeft klager verweten dat hij misbruik maakt van zijn gezag als vader omdat hij steeds nieuwe procedures aanhangig maakt. De kinderrechter heeft op 20 april 2018 de omgangsregeling beperkt. Op dat moment was er een proces gaande om samen met [instelling] te bekijken of de omgangsregeling op den duur kon worden uitgebreid. Klager kon de evaluatie hiervan niet afwachten en heeft steeds nieuwe procedures gestart. Beklaagde is van mening dat klager zich hier niet constructief in heeft opgesteld en onnodig veel druk op het gezin heeft gelegd. De kwestie van de gezagsbeëindiging en het moment dat deze met klager is besproken, is reeds naar voren gebracht bij de klachtencommissie van de GI. Met het vooraf bespreken wat beklaagde zou gaan doen, heeft zij juist willen voorkomen dat klager achter zijn rug om zou horen wat zij heeft voorgelegd aan haar team: zij wilde hiermee transparant communiceren naar de ouders.
De aanname dat beklaagde consequent voor één ouder heeft gekozen klopt niet. Zij heeft beide ouders aangesproken op hun handelwijze.

3.7.4

Het College acht het handelen van beklaagde ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing aan klager navolgbaar. Vast staat dat klager een aantal malen de media heeft opgezocht om zijn kant van het verhaal te vertellen en zijn kinderen en de moeder daaraan heeft blootgesteld. Beklaagde heeft klager verschillende malen gewaarschuwd geen contact te zoeken met de media, maar beklaagde heeft onweersproken verklaard dat klager desondanks volhardde in het opzoeken van de media, waar de moeder zich tot de zomer in 2018 hield aan gemaakte afspraken. Het College volgt beklaagde in haar afweging dat nu zij als eerste prioriteit heeft de belangen van de kinderen te beschermen, gemeend heeft klager een schriftelijke aanwijzing te geven. Deze beslissing heeft zij tevens intern overlegd. Reeds op 9 december 2014 is door het gerechtshof bepaald dat klager niet zonder toestemming van de moeder foto’s en/of beeldmateriaal van de kinderen dient aan te bieden of te plaatsen op voor het publiek toegankelijke (sociale) media. Het belang van de kinderen is daarin leidend, aldus het gerechtshof. Het College overweegt dat klager kennelijk eerder is aangesproken op zijn gedrag ten aanzien van privézaken en de (sociale) media. Vast staat dat beklaagde tot vier keer toe de kinderrechter heeft verzocht de zorgregeling te wijzigen. Het College overweegt dat beklaagde dat niet eigenhandig heeft besloten maar dat deze verzoeken zijn gedaan, mede op advies van [instelling] en na intern overleg binnen het multidisciplinaire team. Oorzaak was steeds dat klager volwassen zaken met zijn kinderen besprak en dat de dochter aangaf niet meer (alleen) met klager te willen zijn. De rechter heeft kennelijk met alle voorhanden zijnde informatie deze verzoeken steeds gehonoreerd. Het College overweegt dat het rapport van het NIFP, waarin klager beschreven wordt als een goede vader, van latere datum is, dat wil zeggen van na de verzoeken tot omgangsbeperking.
Ten aanzien van het netwerk van klager heeft beklaagde onweersproken verklaard dat zij in het begin zeker ook contact heeft gehad met de vriendin van klager. Ook heeft zij gereageerd op het sub-familiegroepsplan van klager en aangegeven dat daar goede plannen in stonden voor het moment dat klager weer onbeperkt contact met de kinderen kon hebben. Tevens heeft zij klager aangegeven dat hij op ieder moment iemand mee mocht nemen naar de omgangsmomenten. Het College kan beklaagde dan ook volgen in haar verweer en ziet niet in hoe er in de situatie waarin klager en de kinderen verkeerden een rol voor het netwerk was weggelegd. Bovendien heeft [instelling] in het hulpverleningsplan van 15 augustus 2018 verklaard dat het aanwezige netwerk verdeeld was.
Ook is het College van oordeel dat beklaagde niet buiten haar grenzen is getreden door klager aan te spreken op de reeks procedures die hij voerde. Het College kan zich voorstellen dat het voeren van rechtszaken de druk extra verhoogde en derhalve niet in het belang was van de kinderen.
Het College begrijpt het laatste deel van deze klacht aldus dat beklaagde klager tijdens een overleg van 12 september 2018 vlak voor een omgangsmoment tussen klager en de kinderen heeft geconfronteerd met het voornemen een maatregel tot gezagsbeëindiging van klager te verzoeken. Vast staat dat beklaagde haar voornemen op dat moment echter niet multidisciplinair heeft laten toetsen. Dat zij dat pas later heeft gedaan, blijkt uit een e-mailbericht van 27 september 2018, waarin beklaagde aangeeft dat zij deze maatregel niet had mogen voorstellen, doch dat zij eerst de RvdK dient te consulteren. Nu beklaagde een dergelijke belangrijke kernbeslissing met klager besproken heeft zonder dit eerst intern te laten toetsen, is het College van oordeel dat zij hier getreden is buiten de grenzen van een redelijk handelend beroepsbeoefenaar. Daarbij acht het College dit extra onzorgvuldig nu beklaagde dit te berde heeft gebracht vlak voor een omgangsmoment tussen klager en de kinderen. Bovendien is het College gebleken dat beklaagde op 15 oktober 2018 aan beide ouders een e-mailbericht heeft gestuurd, waarin zij de moeder vraagt of zij voornemens is éénhoofdig gezag te gaan verzoeken, nu klager een wijziging tot gezag en tot hoofdverblijfplaats heeft ingediend bij de rechter. Ten aanzien van de gekozen werkwijze van beklaagde kan het College het oordeel van de klachtencommissie voor zover deze heeft overwogen dat de handelswijze van beklaagde in dezen niet zorgvuldig is geweest en bij klager voor verwarring heeft gezorgd, dan ook volgen. Gelet op het voorgaande is het College van oordeel dat beklaagde niet in lijn heeft gehandeld met artikel E (Respect) van de Beroepscode, in die zin dat beklaagde hier onvoldoende oog heeft gehad voor de rol en positie van klager als gezaghebbend ouder. Voorts heeft beklaagde artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode geschonden, nu zij haar voornemen over te gaan tot het nemen van een kernbeslissing eerst met klager heeft besproken, alvorens dit collegiaal te toetsen.

3.7.5

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op het bespreken met klager van het voornemen van beklaagde een kernbeslissing te gaan nemen zonder interne afstemming, het moment waarop dit aan klager is voorgelegd, en het versturen van een e-mailbericht aan beide ouders waarin de moeder wordt gevraagd of zij voornemens is éénhoofdig gezag te gaan verzoeken. Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Beklaagde heeft onvoldoende voldaan aan haar zorgplicht bestaande uit een regelmatige evaluatie van de samenwerking met klager. Klager is van mening dat dit klachtonderdeel is verankerd in artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. 3.8.2 Toelichting:
Beklaagde heeft als jeugdbeschermer en casemanager volgens klager onvoldoende de samenwerking geëvalueerd en op schrift inzichtelijk gemaakt wanneer de begeleide omgang zou kunnen worden uitgebreid naar de oude onbegeleide zorg- en contactregeling. Er is geen duidelijk tijdspad geweest. Ook heeft beklaagde nagelaten aan klager duidelijk te maken wie zijn aanspreekpunt is en wie de eindverantwoordelijke is. Vlak voor de verlenging van de ondertoezichtstelling heeft klager een evaluatiemoment gehad met beklaagde. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn pas voor het eerst in augustus 2018 gewijzigd, terwijl deze doelen door het inperken van de zorg- en contactregeling in de lente van 2017 al niet meer representatief waren. De moeizame samenwerking tussen klager en beklaagde kwam aan de orde tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 augustus 2017. Beklaagde was tijdens dit gesprek niet aanwezig. Na het bemiddelingsgesprek zijn er geen evaluatiegesprekken meer ingepland. Beklaagde had naar aanleiding van het bemiddelingsgesprek dienen bij te dragen aan een transparante en eenduidige regie van de hulpverlening.

3.8.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Klager is altijd betrokken geweest bij de start- en evaluatiegesprekken van de begeleide omgang bij [instelling]. Bij de therapeut en GGZ heeft klager zijn intake gehad in aanwezigheid van beklaagde en bij GGZ waren klager en beklaagde samen aanwezig bij de evaluatie. In de zomer van 2017, dus voor de verlenging van de ondertoezichtstelling, hebben twee gesprekken plaatsgevonden. Op 27 juli 2017 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen beklaagde en klager. Op 21 augustus 2017 is er een bemiddelingsgesprek geweest. Er heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden op [instelling] op 6 november 2017. Ook heeft beklaagde rondom de verlenging van de ondertoezichtstelling in het najaar van 2017 regelmatig contact gehad met de toenmalige advocaat van klager. Beklaagde heeft de stukken voor de verlenging van de ondertoezichtstelling aan de advocaat gestuurd. Klager heeft echter niet op tijd gereageerd op de concept-rapportage. Klager heeft de concept-rapportage ontvangen maar vond de tijd die hem gegeven is om te reageren onvoldoende (eerst 8 dagen, later 13 dagen). Tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 augustus 2017 is afgesproken dat klager in het vervolg minstens twee weken voor het indienen van de definitieve rapportage de concept-rapportage zal ontvangen. Beklaagde was wel aanwezig tijdens het bemiddelingsgesprek. Uit een interne e-mail van 14 augustus 2017 blijkt dat klager er geen bezwaar tegen heeft als beklaagde aanwezig is. Na het bemiddelingsgesprek zijn de noodzakelijke evaluatiemomenten ingepland. Echter de hectiek waar beide ouders debet aan waren, maakte de situatie regelmatig gecompliceerd en er was vaak sprake van tijdsdruk. Toch is beklaagde van mening dat er gedurende de hele uitvoering van de ondertoezichtstelling voldoende evaluaties zijn geweest. De jeugdbeschermer draagt inderdaad twee petten: jeugdbeschermer en casemanager.

3.8.4

Het College overweegt als volgt. Vast staat dat op 15 november 2016 de ondertoezichtstelling is uitgesproken en dat er doelen zijn vastgesteld. Bij beschikkingen van 2 juni 2017 en 1 september 2017 is de zorgregeling ingeperkt. Bij beschikking van 29 november 2017 is de zorgregeling uitgebreid en bij beschikking van 20 april 2018 is deze teruggedraaid. Het College kan klager niet volgen in zijn klacht dat de doelen in 2017 al niet meer representatief waren: klager heeft onvoldoende onderbouwd wat hij hiermee bedoelt. Het College heeft geconstateerd dat er weinig tot geen progressie is geboekt, waardoor de doelen in principe ongewijzigd zijn gebleven. Het College overweegt dat beklaagde genoegzaam heeft aangetoond hoeveel contactmomenten er zijn geweest met klager en hoe vaak er met hem is geëvalueerd, zowel door beklaagde als door [instelling]. Voor wat betreft de opmerking van klager dat er geen tijdspad was en dat de moeizame samenwerking tussen klager en beklaagde gebleken is tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 augustus 2017, verwijst het College naar klachtonderdeel X.

3.8.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Beklaagde is niet bereid gebleken om de grenzen van haar eigen expertise te erkennen, alsmede haar professionele oordelen ter discussie te stellen. Volgens klager heeft beklaagde hiermee artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden.

3.9.2

Toelichting:
Van beklaagde mag worden verwacht dat zij door het wegvallen van haar collega per 6 april 2017 om kan gaan met de verschillende belangen, zonder dat zij in de strijd wordt meegezogen. Het is klager echter nooit duidelijk geworden hoe beklaagde invulling heeft gegeven aan haar veranderde rol en daarmee de transparantie heeft gewaarborgd. Klager verwijst in dit verband ook naar klachtonderdeel V. Of er nu één of twee jeugdbeschermers optreden, in alle gevallen is de voorwaarde dat de communicatie transparant verloopt en dat alle afspraken met iedereen worden gedeeld. Beklaagde heeft deze voorwaarde onvoldoende kunnen waarborgen, doordat zij de moeder er niet op aansprak dat zij klager niet rechtstreeks meenam in de correspondentie.

3.9.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De rol van beklaagde is veranderd na het wegvallen van haar collega, maar deze is niet anders dan het overgrote deel van de ondertoezichtstelling-zaken die worden uitgevoerd en waar één gezinsvoogd op de zaak staat. Na intern overleg met de gedragsdeskundige is duidelijk geworden dat beklaagde de zaak kon overnemen. Voordeel was ook dat er dan geen nieuwe jeugdbeschermer hoefde te worden ingewerkt. Klager heeft in eerste instantie geen bezwaar gemaakt tegen deze wisseling. Dat klager zich later te kort gedaan voelde omdat hij te maken kreeg met de jeugdbeschermer van de moeder is begrijpelijk. De jeugdbeschermer is echter geen vertrouwenspersoon voor een ouder, maar dient voor alles het welzijn van het kind te bevorderen. Tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 augustus 2017 is het onderwerp van de twee jeugdbeschermers besproken. In het verslag heeft de manager hier een passage aan gewijd. Klager heeft in tweede instantie ook geen bezwaar gemaakt dat beklaagde aanbleef als jeugdbeschermer. De stelling dat beklaagde de moeder er niet op heeft aangesproken klager te betrekken in de communicatie over de kinderen is onjuist.

3.9.4

Het College verwijst hier naar klachtonderdeel V waar het gegeven dat er is teruggegaan van twee naar één jeugdbeschermer reeds aan de orde is geweest: het College heeft geoordeeld dat de beslissing om van twee naar één gezinsvoogd terug te gaan een beslissing is geweest van de GI. Echter, beklaagde had er naar het oordeel van het College op toe moeten zien dat klager over deze beslissing zorgvuldig geïnformeerd zou worden. Verder heeft het College onder klachtonderdeel V reeds geoordeeld dat beklaagde transparant gecommuniceerd heeft met klager en naar beide ouders afdoende heeft gecommuniceerd.

3.9.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Beklaagde toetst haar beroepsmatig handelen niet aan het professioneel en beroepsethisch oordeel van haar collega’s. Dit klachtonderdeel ligt besloten in artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode.

3.10.2

Toelichting:
Beklaagde heeft klager meerdere malen geconfronteerd met het feit dat zij de kinderrechter, dan wel de RvdK zal adviseren de moeder te belasten met het éénhoofdig gezag. Op voorhand heeft beklaagde dit onvoldoende getoetst of aan de orde gesteld bij het multidisciplinaire team.

3.10.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft haar twijfels en haar overwegingen over de zaak zeer regelmatig voorgelegd als casuïstiekvraag aan haar collega’s, de gedragsdeskundige, de manager en de advocaat van de GI. De kernbeslissingen zijn volgens protocol vastgelegd in het dossier. Met betrekking tot het nemen van de kernbeslissing gezagsbeëindigende maatregel verwijst beklaagde naar haar verweer onder klachtonderdeel VI.

3.10.4

Het College overweegt dat er geen aanwijzingen zijn dat beklaagde voorafgaand aan beslissingen te weinig professionele ruggenspraak zou hebben gehouden. Dit is alleen anders bij het nemen van de kernbeslissing over de gezagsbeëindigende maatregel, zoals beoordeeld is bij klachtonderdeel VI.

3.10.5

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, voor zover het betrekking heeft op het nemen van de kernbeslissing over de gezagsbeëindigende maatregel. Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond.

3.11 Klachtonderdeel X

3.11.1

Beklaagde is niet in overleg getreden met collega’s dan wel haar manager over een passende actie in geval van misstanden. Klager is van mening dat dit klachtonderdeel is verankerd in artikel W (Signalering misstanden in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

3.11.2

Toelichting:
Dit klachtonderdeel is deels terug te lezen in de eerdere klachtonderdelen V, VIII en IX. Het heeft betrekking op het voornemen tot de gezagsbeëindigende maatregel, maar ook op het feit dat beklaagde naar aanleiding van de tijdens het bemiddelingsgesprek geconstateerde misstanden tot passende oplossingen zou overgaan. De mededeling van de manager dat klager bij het ondervinden van nieuwe problematiek opnieuw aan de bel kan trekken, is voor klager onvoldoende in de relatie tussen hem en beklaagde. Naast de oplossing vanuit het management had beklaagde zelf ook over kunnen gaan tot een passende actie. Beklaagde heeft nooit met klager besproken waarom hij een vijftal klachten heeft ingediend. Dit is tussen hen in blijven staan. Voorts dient beklaagde feiten en meningen te onderscheiden.

3.11.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De vijf klachten die klager tijdens het bemiddelingsgesprek naar voren heeft gebracht, zijn uitgebreid besproken. Beklaagde was hierbij aanwezig en heeft haar uiterste best gedaan om de afspraken die gemaakt zijn na te komen, onder andere om de kinderen te monitoren nadat zij bij klager waren geweest. Opvoedondersteuning voor klager is neergelegd bij [instelling]. Beklaagde heeft er voor gezorgd dat klager iedere keer te horen kreeg hoe het bezoek in de ogen van de begeleider was verlopen. De afspraak over het tijdig opsturen van de rapportage is opgevolgd, tenzij er sprake was van een spoedsituatie. Het advies van de GGZ is zo goed mogelijk opgevolgd. De afspraak over het tijdspad waarbinnen de klager weer normale omgang zou kunnen hebben met de kinderen heeft beklaagde niet goed kunnen uitvoeren. Zij heeft eind 2017, begin 2018 getracht de omgang op te bouwen tot de oorspronkelijke regeling. Omdat de kinderen hier niet goed op reageerden, heeft zij de rechtbank geadviseerd deze weer terug te draaien naar begeleid bezoek. Het belang van de kinderen is hierin leidend geweest. Bij de evaluatie in de zomer 2018 op [instelling] heeft beklaagde aan klager laten weten dat de begeleide omgang nog minstens zou doorlopen tot de datum van de verlenging van de ondertoezichtstelling. Klager was het hier niet mee eens en er ontstond steeds meer een patstelling. Deze gang van zaken heeft niet tot verbetering van het contact met beklaagde geleid. Een goede werkrelatie is voor beklaagde echter voldoende. Klager heeft bij de klachtencommissie ook geklaagd over de bejegening van beklaagde. Genoemde uitspraken geven duidelijk de mening van beklaagde aan en deze heeft zij een enkele keer gebruikt om haar indruk weer te geven. Misschien had aan deze opmerkingen toegevoegd moeten worden: “is de mening van beklaagde”. Beklaagde heeft het belang van de kinderen voorop willen stellen. Beklaagde heeft in haar rapportages grotendeels feitelijk geschreven wat er is gebeurd. Dit wil nog niet zeggen dat beklaagde geen onderscheid weet te maken tussen feiten en meningen.

3.11.4

Het College overweegt dat het eerste deel van de klacht over de gezagsbeëindiging een herhaling is van klachtonderdeel VI en VIII. Bij die klachtonderdelen is het College reeds voldoende duidelijk in zijn oordeel. Het College heeft de stelling van klager dat beklaagde na het vaststellen van misstanden tijdens het bemiddelingsgesprek op 21 augustus 2017 niet tot passende oplossingen is overgegaan, niet kunnen vaststellen. Klager heeft dit deel van de klacht ook niet met feiten onderbouwd. Beklaagde daarentegen, heeft in haar verweer als ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende duidelijk gemaakt welke acties zij na het gesprek heeft uitgezet. Dat beklaagde het tijdspad waarbinnen de klager weer normale omgang zou kunnen hebben met de kinderen niet goed heeft kunnen uitvoeren, begrijpt het College. Beklaagde heeft in de ogen van het College aangetoond dat zij eind 2017, begin 2018 getracht heeft de omgang op te bouwen tot de oorspronkelijke regeling. Doordat er zorgen waren over de kinderen, heeft zij naar het oordeel van het College niet anders kunnen handelen dan de rechtbank te verzoeken de zorgregeling te wijzingen. Het belang van de kinderen is hierin terecht leidend geweest. Het College overweegt voorts dat klager tijdens het bemiddelingsgesprek zelf heeft aangegeven weinig heil te zien in de wisseling van gezinsvoogd en bovendien leest het College in het verslag niet terug dat de mededeling van de manager dat klager bij het ondervinden van nieuwe problematiek opnieuw aan de bel kan trekken, voor klager onvoldoende is geweest in de relatie tussen hem en beklaagde. Verder heeft het College in het verslag van het bemiddelingsgesprek teruggelezen dat het scheiden van feiten en meningen besproken is. Er zijn excuses aangeboden en klager is aangegeven dat hij feedback kon geven als hij dat opnieuw constateerde. Nu klager daar thans geen specifieke voorbeelden voor heeft aangedragen, kan het College niet vast stellen of beklaagde na genoemd gesprek hier opnieuw onvoldoende op heeft toegezien. Het College is van oordeel dat beklaagde met haar wijze van handelen niet buiten de grenzen van een redelijk handelend beroepsbeoefenaar is getreden.

3.11.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.12 Conclusie

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de klachtonderdelen V, VI en IX een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klager is onvoldoende geïnformeerd over het besluit dat er in plaats van twee jeugdbeschermers gewerkt zou gaan worden met één jeugdbeschermer. Voorts heeft beklaagde klager op een ongeschikt moment geïnformeerd over haar voornemen om een gezagsbeëindigende maatregel te gaan verzoeken, zonder dat zij deze kernbeslissing binnen het multidisciplinaire overleg heeft afgestemd. Artikel E (Respect), artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode zijn geschonden.
Het College heeft echter begrip voor beklaagde, en de situatie waarin zij heeft verkeerd. Klager is reeds in 2015 gescheiden maar er is een langdurige strijd ontstaan, waar de ouders niet in staat zijn gebleken met elkaar te communiceren. Beklaagde heeft in de ogen van het College veel moeite gedaan de samenwerking met klager te zoeken en deze goed te laten verlopen. Beklaagde heeft in een spagaat gezeten en onder moeilijke omstandigheden terecht de belangen van de kinderen als leidraad genomen voor haar handelen. Daarbij heeft zij regelmatig overleg gehad met collega’s, haar manager en de gedragsdeskundige. De twee misstappen die zij heeft gemaakt, heeft zij erkend en zij heeft daarvoor alweer enige tijd geleden, haar excuses aangeboden. Het College stelt het reflectieve vermogen van beklaagde op prijs. Gelet op bovengenoemde omstandigheden, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.
Het College heeft ook oog voor het verdriet van klager en zijn frustratie over het feit dat hij in de afgelopen jaren zijn kinderen relatief weinig heeft gezien. Doch het enkele feit dat de moeder niet meer met klager wenste te communiceren, en dat klager daar naar het oordeel van het College zelf ook een aandeel in heeft gehad, maakt nog niet dat beklaagde (met uitzondering van de twee bovengenoemde misstappen) haar werk niet goed heeft gedaan. De stelling van klager dat beklaagde daar een mouw aan moet passen, houdt geen stand. Een ondertoezichtstelling is geen garantie voor het tot stand brengen van de communicatie tussen de ouders. De ouders zijn voornamelijk aan zet om dit mogelijk te maken. De gezinsvoogd reikt de middelen aan, maar het is uiteindelijk aan de ouders om het te doen slagen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart de klachtonderdelen V, VI en IX deels gegrond;
– verklaart de klachtonderdelen I, II, III, IV, VII, VIII en X ongegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 11 juni 2019 aan partijen toegezonden.

de heer mr. drs. P.H.A. van Geel
voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing
secretaris