Maak een selectie

497 van 497

   

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
de heer H.K. Blok, lid-beroepsgenoot,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klagers], klagers, hierna te noemen: de vader en de moeder, gezamenlijk te noemen: de ouders, wonende te [woonplaats],

op 1 mei 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T.S.A. Kloos.

De ouders worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde de heer mr. W.G. ten Have, advocaat te Winschoten.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 1 mei 2020;
  • het verweerschrift ontvangen op 16 juni 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 12 november 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 12 november 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 23 november 2020.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht op 9 november 2020 kon niet doorgaan in verband met het landelijk aangescherpte COVID 19-beleid. Hierna heeft de voorzitter op grond van artikel 3 van de ‘Tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona)’, versie 8 juni 2020, hierna te noemen: de Tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op 5 november 2020 zijn partijen hierover geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 5 van de Tijdelijke regeling nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 7 januari 2021. De beslissing is op 18 februari 2021 aan partijen verzonden.

2 De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De ouders hebben samen twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2017 en de zoon is geboren in 2019.

2.2 De ouders wonen samen. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders.

2.3 Op 11 oktober 2018 heeft de kinderrechter de dochter en de toen nog ongeboren zoon voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Tevens heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven voor de dochter tot 11 januari 2019. De dochter is in een pleeggezin geplaatst.

2.4 De jeugdprofessional is namens de GI belast met de uitvoering van de (voorlopige) ondertoezichtstelling. In dit kader heeft op 15 november 2018 een startgesprek plaatsgevonden tussen de ouders en de jeugdprofessional.

2.5 Op 21 december 2018 heeft de kinderrechter de dochter en de toen nog ongeboren zoon definitief onder toezicht gesteld van de GI. Tevens heeft de kinderrechter ten aanzien van de dochter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 21 december 2019.

2.6 Op 9 januari 2019 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven voor de toen nog ongeboren zoon tot 21 december 2019. De zoon is na zijn geboorte geplaatst in het pleeggezin waar de dochter reeds verbleef.

2.7 Op 28 maart 2019 om 16.10 uur heeft de jeugdprofessional een e-mail gestuurd aan de ouders om hen te informeren over de kinderen. In deze e-mail heeft de jeugdprofessional, onder meer, het volgende geschreven:
“[De dochter] is gisteren naar de kinderarts in het ziekenhuis geweest. […][De dochter] zit qua lengte en gewicht nog steeds ver onder het gemiddelde. Het viel de kinderarts ook op dat ze een heel klein hoofd heeft. De kinderarts geeft aan dat [de dochter] een meisje heel kwetsbaar meisje is en erg prikkelgevoelig. De kinderarts ziet dat [de dochter] veel heeft gemist in haar ontwikkeling en dat nu moet inhalen. […] Wel gaf de kinderarts aan dat gezien alle zorgen die er zijn en wat ze nu ziet bij [de dochter], ze denkt aan FAS. De kinderarts stuurt [de dochter] hierom ook door naar de [kliniek]. Hier komt een oproep voor.”

2.8 Op 28 maart 2019 om 18.52 uur heeft de moeder gereageerd op de e-mail van de jeugdprofessional, zoals weergegeven onder 2.7 van deze beslissing. De moeder schrijft in haar e-mail het volgende:
“Ik wil even terug komen op deze mail wat betreft met [de dochter]. [De dochter] heeft een klein hoofd? Dat heb ik ook want dat zit bij mij in de familie want mijn moeder had dat namelijk ook. Wat betreft met [de dochter] haar groei en lengte ik ben ook niet de grootste maar 1,62. Daar komt bij dat ik heb opgezocht wat FAS betekend. Ik schrik hier behoorlijk van omdat ik namelijk geen druppel drank heb aangeraakt tijdens de zwangerschap van [de dochter]. Dit is dus de redenen waarom ik ook al had aangegeven dat ik mee wou naar de afspraken van de kinderen, omdat wij dus nu niet gehoord worden op wat de familie kwaaltjes zijn.”

2.9 Op 18 november 2019 is de dochter met de pleegmoeder voor diagnostiek naar het Foetaal Alcohol Syndroom, hierna te noemen: FAS, bij de [kliniek] geweest. Op 20 november 2019 hebben de pleegmoeder en de moeder via WhatsApp contact gehad over dit bezoek.

2.10 Op 13 december 2019 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing met een jaar verlengd.

2.11 Op 29 december 2019 is de zoon met de pleegmoeder naar een ziekenhuisafspraak geweest op de polikliniek Keel-, Neus- en Oorheelkunde, hierna te noemen: KNO. Op 30 december 2019 hebben de pleegmoeder en de moeder via WhatsApp contact gehad over deze afspraak.

2.12 Op 31 december 2019 heeft de jeugdprofessional aan de ouders een e-mail gestuurd om hen te informeren over de kinderen. In deze e-mail heeft de jeugdprofessional, onder meer, het volgende geschreven:
“[De zoon] is bij de KNO-arts geweest voor controle. Hij heeft nog vaak een loopoor. Dit komt vocht achter zijn trommelvlies. Op dit moment doen zij hier nog niets aan. Maar het kan best zijn dat hij buisjes krijgt. Ook zijn [de zoon] zijn amandelen wat groot. Misschien moet hij hier nog een keer aan geopereerd worden. Over een paar maanden moet [de zoon] weer naar de KNO-arts. Dan gaan ze het verder bekijken.”

2.13 Op 2 maart 2020 heeft een zorgteamoverleg plaatsgevonden, waarbij, onder andere, aanwezig waren de ouders en de jeugdprofessional.

2.14 De jeugdprofessional heeft van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd gestaan in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 staat zij als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en het nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

4.1.1 De twee in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden één voor één besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek samengevat en zakelijk weergegeven. Aan het eind van ieder klachtonderdeel volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

 4.1.2 De reikwijdte van de klachtonderdelen dienen voor alle betrokkenen helder te zijn, inclusief de tuchtcolleges van SKJ. Het College richt zich dan ook uitsluitend op de twee klachtonderdelen zoals die zijn ingediend op 1 mei 2020. Voor zover de ouders in de conclusie van repliek nieuwe aspecten naar voren hebben gebracht of de klachtonderdelen hebben uitgebreid, geeft het College hier geen oordeel over.

4.2 Klachtonderdeel 1

4.2.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
Er is een FAS-onderzoek uitgevoerd bij de dochter. De ouders hebben hier als gezagdragende ouders geen toestemming voor gegeven en bovendien had de jeugdprofessional de ouders op zijn minst moeten informeren over het voornemen om dit onderzoek uit te laten voeren. Nadat de ouders hadden geïnformeerd bij de [kliniek] hoe dit onderzoek zonder toestemming van de ouders tot stand is gekomen, is hen medegedeeld dat de jeugdprofessional had aangegeven dat de ouders hiermee zouden hebben ingestemd. Dit is onjuist. Bovendien hadden de ouders hier schriftelijk voor moeten tekenen en bij weigering, had om vervangende toestemming moeten worden verzocht bij de rechtbank.

Toelichting:
De ouders klagen dat zij onvoldoende zijn geïnformeerd over het FAS-onderzoek bij de dochter. De informatievoorziening had zich rechtstreeks tot de ouders moeten richten. Dit is niet gebeurd. Voorts hebben de ouders geen toestemming gegeven voor het laten uitvoeren van een FAS-onderzoek. De ouders stellen dat de jeugdprofessional (blijkbaar) ten onrechte haar toestemming namens de ouders voor het FAS-onderzoek heeft gegeven. In dit kader wijzen de ouders op de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, hierna te noemen: WGBO. Uit de WGBO vloeit voort dat kinderen tot twaalf jaar niet zelf mogen beslissen over een medische behandeling. De ouders met gezag moeten beide toestemming geven voor onderzoek en behandeling van hun kind. Om een goede beslissing te kunnen nemen over de behandeling van hun kind worden de ouders volledig geïnformeerd. Dit geldt onverkort als sprake is van een ondertoezichtstelling. Tot slot zijn de ouders niet betrokken bij het FAS-onderzoek. Dit betekent dat zij ook niet zijn gehoord en alle informatie ten behoeve van het onderzoek door de jeugdprofessional is verstrekt. Dit baart de ouders zorgen.
Op 10 januari 2020 hebben de ouders per e-mail aan de jeugdprofessional hun ongenoegen geuit over haar handelen. De jeugdprofessional heeft hierop gereageerd in de e-mail van 23 januari 2020. In deze e-mail erkent de jeugdprofessional volgens de ouders dat de informatievoorziening onvoldoende was en dat de ouders geen toestemming hebben gegeven voor het FAS-onderzoek. Daarnaast stelt de jeugdprofessional zich volgens de ouders ten onrechte op het standpunt dat het niet aan de jeugdprofessional is om de behandelaren te wijzen op hun verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de WGBO. De behandelaren zijn hier volgens de jeugdprofessional zelf verantwoordelijk voor. De ouders benadrukken dat juridische kwesties op het terrein van de WGBO tot het basispakket van de jeugdprofessional horen. De verantwoordelijkheid van de behandelaren ontslaat de jeugdprofessional niet van haar plicht om de ouders op behandelplannen te wijzen, een medische behandeling voor te leggen en de ouders daarbij te betrekken.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional stelt primair dat het niet haar verantwoordelijkheid is om de ouders te informeren over een medisch onderzoek. Evenmin is het haar verantwoordelijkheid om na te gaan of de ouders daar toestemming voor geven. De regels omtrent informatie over geneeskundige behandelingen en toestemming zijn vastgelegd in de WGBO. Deze wet schept geen verplichtingen voor de jeugdprofessional als jeugdbeschermer, maar wel voor de betreffende behandelaar. Op 15 mei 2020 heeft de jeugdprofessional, onder andere, telefonisch contact gehad met een medewerker van de [kliniek] om na te gaan hoe het één en ander destijds is gegaan. De medewerker heeft aan de jeugdprofessional laten weten dat de diagnostiek is gestart op basis van de mondelinge toezegging van de pleegmoeder dat de biologische ouders op de hoogte waren van het onderzoek en dat zij akkoord waren met het onderzoek. In een eerder contact tussen deze medewerker en de jeugdprofessional op 14 januari 2020 had de medewerker aangegeven dat een gegevensformulier en toestemmingsformulier, ondertekend door de ouders, ontbrak. De [kliniek] zou dit alsnog regelen.
Subsidiair stelt de jeugdprofessional dat het niet klopt dat de ouders niet op de hoogte waren van het onderzoek. In dit kader wijst de jeugdprofessional op het startgesprek met de ouders op 15 november 2018 bij de aanvang van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing. In dit gesprek hebben de ouders aangegeven dat zij bij voorkeur per e-mail met de jeugdprofessional communiceren. Conform deze wens van de ouders heeft de jeugdprofessional voornamelijk per e-mail met de ouders contact gehouden. De pleegmoeder van de kinderen heeft de ouders tussendoor op de hoogte gehouden van onderzoeken of ziekenhuisbezoeken, in lijn met hetgeen is afgesproken in het zorgteamoverleg van 2 maart 2020. De ouders zijn destijds op 28 maart 2019 door de pleegmoeder per e-mail op de hoogte gesteld dat de kinderarts de dochter heeft doorverwezen naar de [kliniek]. Op diezelfde datum heeft de jeugdprofessional de ouders hierover ook per e-mail geïnformeerd. Op 21 mei 2019 ontving de jeugdprofessional per WhatsApp het bericht van de pleegmoeder dat de ouders hadden laten weten blij te zijn met de onderzoeken bij de kinderen. Op 17 oktober 2019 heeft de pleegmoeder via WhatsApp aan de ouders ook benoemd dat een onderzoek volgt bij de [kliniek]. Vervolgens heeft de pleegmoeder via WhatsApp op 20 november 2019 de moeder geïnformeerd over de uitslag van het onderzoek. Uit dit contact blijkt niet dat de moeder tegen een FAS-onderzoek bij de dochter was. De ouders hebben op geen enkele wijze bezwaar geuit tegen een FAS-onderzoek en zij zijn aldus impliciet akkoord gegaan. De e-mail van 10 januari 2020 van de gemachtigde van de ouders verbaasde de jeugdprofessional, nu de ouders eerder zijn geïnformeerd en op geen enkele wijze bezwaar hebben geuit. Anders dan de ouders stellen is het geven van toestemming volgens de jeugdprofessional vormvrij. Dit hoeft niet schriftelijk middels een handtekening.

4.2.3 De ouders voeren in de conclusie van repliek het volgende aan:
In het verweerschrift schrijft de jeugdprofessional dat de ouders op geen enkele wijze bezwaar hebben geuit tegen een FAS-onderzoek en dat zij aldus impliciet akkoord zijn gegaan. De ouders zijn alleen geïnformeerd over (enkele) afspraken. Dit werd kort medegedeeld, maar een toelichting daarop ontbrak. Daarbij merken de ouders op dat zij de pleegouders zien bij omgangsmomenten met de kinderen. Op deze momenten gaan de ouders niet in op kwesties die de omgang kunnen bemoeilijken of kunnen frustreren.
De ouders zijn niet betrokken in de informatievoorziening, zij zijn niet bij de artsen geweest en zij hebben geen telefonisch contact gehad met de artsen. Hierdoor hebben de ouders geen afweging kunnen maken en zij hebben ook geen toestemming verleend voor een FAS-onderzoek. Dit terwijl de regelgeving hieromtrent bijzonder duidelijk is. Het zou voor de jeugdprofessional aanleiding moeten zijn om de ouders goed te informeren en bovendien ook de pleegouders te informeren over de juiste gang van zaken. De onderliggende reden is dat ouders volledig worden geïnformeerd over bijvoorbeeld de risico’s van een onderzoek, de methodiek en de voor- en nadelen. Met deze informatie kunnen de ouders een afweging maken of een dergelijk onderzoek in het belang is van het kind. Daar is hier op geen enkele wijze uitvoering aan gegeven. Het verweer miskent dit volledig.
Hieraan voegen de ouders toe dat de jeugdprofessional op 14 januari 2020 telefonisch contact heeft gehad met een medewerker van de [kliniek], omdat de vader het verslag van het onderzoek had opgevraagd. De jeugdprofessional stond blijkbaar geregistreerd als contactpersoon en niet de pleegmoeder, want uit de brief van 4 mei 2020 van de [kliniek] volgt een ander beeld. Dit maakt de kwestie bijzonder en de jeugdprofessional heeft hier niets over opgemerkt in haar verweerschrift. Volgens de ouders staat vast dat vooraf geen toestemmingsformulier is ondertekend voor een FAS-onderzoek bij de dochter en evenmin is door de GI aan de rechter om vervangende toestemming gevraagd. Tevens staat volgens de ouders vast dat de jeugdprofessional op de hoogte was van het FAS-onderzoek. Zij heeft echter nagelaten de ouders hierover uitdrukkelijk te informeren, hen hierbij te betrekken en ervoor te zorgen dat de ouders hun toestemming zouden geven. Het afschuiven van haar verantwoordelijkheid op de desbetreffende zorgverleners geeft volgens de ouders weinig blijk van inzicht.
Tot slot wijzen de ouders erop dat het diagnostisch onderzoek is gebruikt in de procedures ter onderbouwing van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing, terwijl de jeugdprofessional wist dat dit onderzoek niet gebruikt mocht worden omdat er geen onderliggende toestemming lag van de gezagdragende ouders.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional handhaaft haar standpunt uit het verweerschrift. De jeugdprofessional is in haar rol niet betrokken bij (het begeleiden van) medische aangelegenheden. De pleegouders zijn, zoals gebruikelijk, meegegaan naar het bezoek aan de arts. Zij zijn steeds transparant geweest dat zij niet het gezag dragen. Het is dan vervolgens aan de arts om zo nodig de gezagdragende ouder(s) te betrekken. De jeugdprofessional heeft daar geen rol in, zoals ook wordt onderschreven door de brief van de [kliniek] van 4 mei 2020.
De jeugdprofessional betwist dat zij als contactpersoon voor de [kliniek] stond geregistreerd of dat zij contact heeft onderhouden met de [kliniek]. Op 14 januari 2020 heeft een medewerker van de [kliniek] eenmalig contact met de jeugdprofessional opgenomen naar aanleiding van een verzoek van de vader om het onderzoeksverslag. Dit heeft de jeugdprofessional ook aangegeven in het verweerschrift.
Tot slot merkt de jeugdprofessional op dat tussen de datum van het bij de rechtbank indienen van het verzoekschrift ten behoeve van het verlengen van de ondertoezichtstelling en het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing (17 oktober 2019) en de zitting (13 december 2019), de pleegmoeder zowel de ouders als de jeugdprofessional heeft geïnformeerd over de uitslag van het FAS-onderzoek. De jeugdprofessional erkent dat zij ter zitting de uitslag van het onderzoek heeft genoemd. Op dat moment was het de jeugdprofessional niet bekend dat de ouders geen toestemming hadden gegeven, zodat haar hieromtrent geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:
De ouders verwijten de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter. Voorts verwijten zij haar dat het FAS-onderzoek is verricht zonder dat de ouders toestemming hadden gegeven voor dit onderzoek.
Het College is van oordeel dat de informatievoorziening van de jeugdprofessional aan de ouders over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter onvoldoende is geweest. In de e-mail van 28 maart 2019, beschreven onder 2.7 van deze beslissing, heeft de jeugdprofessional de ouders geïnformeerd over de doorverwijzing van de dochter door de kinderarts naar de [kliniek]. In de e-mail stond geen aanvullende toelichting op het FAS-onderzoek. Voor zover bij het College bekend, zijn de ouders hierna evenmin door de jeugdprofessional inhoudelijk geïnformeerd over wat bijvoorbeeld een FAS-onderzoek inhoudt of wat het doel en belang is van een dergelijk onderzoek. Dit klemt te meer nu de moeder in haar e-mail van 28 maart 2019, beschreven onder 2.8 van deze beslissing, aan de jeugdprofessional haar verbazing en ongenoegen over het FAS-onderzoek heeft geuit. Het College is het met de jeugdprofessional eens dat de betrokken zorgverleners in dit kader een eigen verantwoordelijkheid hebben. Dit ontslaat de jeugdprofessional echter niet van haar verantwoordelijkheid in het geheel: het is juist de jeugdprofessional die de schakel dient te zijn tussen in dit geval de ouders, de pleegouders en de zorgverleners van de [kliniek]. In dit kader wijst het College ook op artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode. In dit artikel staat omschreven dat een jeugdprofessional zich inzet voor een goede en efficiënte samenwerking en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. De jeugdprofessional draagt daarmee bij aan een transparante en eenduidige regie van de hulpverlening. Daarbij is het van belang dat de jeugdprofessional overlegt met de jeugdige en/of diens ouders om tot overeenstemming/instemming te komen over de hulp- en dienstverlening of andere (wettelijk opgelegde) taken. Dit volgt uit artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Om tot overeenstemming/instemming te komen is het eveneens van belang dat de jeugdprofessional de jeugdige en/of de ouders de voor een goede professionele relatie relevante informatie verschaft, zoveel mogelijk in een voor de cliënt(en) begrijpelijke taal. Dit is vastgelegd in artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Dat de ouders zouden hebben aangegeven bij voorkeur te communiceren per e-mail, doet hier niets aan af. Het betrof een medisch onderzoek van betekenis, waarbij het op de weg van de jeugdprofessional had gelegen om bijvoorbeeld een e-mail te sturen met het verzoek om dit onderwerp mondeling te bespreken of, indien dit niet mogelijk zou zijn, de ouders uitgebreid te informeren per e-mail. Wat betreft de stelling van de jeugdprofessional dat de ouders in het zorgteamoverleg van 2 maart 2020 zouden hebben aangegeven dat zij door de pleegouders geïnformeerd wilden worden over ziekenhuisafspraken, stelt het College vast dat het FAS-onderzoek ten tijde van dit zorgteamoverleg al had plaatsgevonden. Indien deze werkwijze al van toepassing zou zijn ten tijde van het plaatsvinden van het FAS-onderzoek, dan zou dit de jeugdprofessional evenmin ontslaan van haar verplichting om in dat geval te controleren of de ouders voldoende uitgebreid zijn geïnformeerd. Uit de stukken maakt het College evenmin op dat op deze wijze is gehandeld door de jeugdprofessional. Het College is dan ook van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de informatievoorziening richting de ouders over het FAS-onderzoek bij de dochter. Door op deze wijze te handelen heeft de jeugdprofessional volgens het College in strijd gehandeld met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Daarbij oordeelt het College dat de jeugdprofessional als belangrijke schakel tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners onvoldoende regie heeft genomen, waardoor artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode is geschonden.
Daarnaast verwijten de ouders de jeugdprofessional dat het FAS-onderzoek is uitgevoerd zonder hun toestemming. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, benadrukt het College (nogmaals) het belang van een adequate informatievoorziening. Immers, om toestemming te kunnen verlenen voor bijvoorbeeld een medisch onderzoek is het van belang dat de ouders ook weten waarvoor zij toestemming verlenen. De jeugdprofessional heeft in haar verweer erkend dat de ouders geen expliciete toestemming hebben verleend. Juist in de situatie waar een medisch onderzoek van betekenis gewenst is, dient na gedegen informatievoorziening expliciete toestemming te worden verleend. Dit geldt eens te meer nu de moeder in haar e-mail van 28 maart 2019, beschreven onder 2.8 van deze beslissing, haar verbazing en ongenoegen over het FAS-onderzoek heeft geuit. Het College is dan ook van oordeel dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten door zich niet er van te vergewissen dat de ouders expliciet instemden met het laten uitvoeren van het FAS-onderzoek bij de dochter, waardoor de jeugdprofessional eveneens in strijd heeft gehandeld met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Tot slot oordeelt het College dat de jeugdprofessional artikel E (Respect) van de Beroepscode heeft geschonden door de wijze waarop de jeugdprofessional de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij het FAS-onderzoek van de dochter. Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat een jeugdprofessional binnen de wettelijke kaders blijft zoeken naar de mogelijkheden om de ouderrol vorm te geven, waarbij de jeugdprofessional de persoon van de ouder respecteert met zijn eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisies, voor zover niet in strijd met de wettelijke kaders. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hier onvoldoende blijk van heeft gegeven.
Ten overvloede wenst het College op te merken dat in onderhavige zaak voldoende tijd was om de ouders te informeren over het FAS-onderzoek en om hun toestemming te verkrijgen. Het is het College niet gebleken dat sprake was van een acute noodsituatie. Op 27 maart 2019 is de dochter door de kinderarts doorverwezen naar de [kliniek], waarna omstreeks november 2019 het onderzoek bij de [kliniek] heeft plaatsgevonden.

4.2.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 2

4.3.1 De ouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
De ouders hebben via de pleegmoeder vernomen dat de zoon is aangemeld voor een afspraak in het ziekenhuis waar hij eventueel op de nominatie staat voor een medische behandeling (operatie) waarbij buisjes in zijn oor geplaatst worden en/of zijn amandelen worden verwijderd. Dit was de ouders onbekend en het baart de ouders zorgen dat zij hiervan niet op de hoogte waren gesteld door de jeugdprofessional. Voor een aanmelding op de wachtlijst dienen de ouders uitdrukkelijk hun toestemming te verlenen.

Toelichting:
De ouders klagen dat zij door de jeugdprofessional onvoldoende zijn betrokken bij en geïnformeerd over de medische behandeling van de zoon. Daarbij hebben de ouders geen toestemming verleend voor het plaatsen van hun zoon op de wachtlijst. In dit kader wijzen de ouders op de WGBO. Uit de WGBO vloeit voort dat kinderen tot twaalf jaar niet zelf mogen beslissen over een medische behandeling. De ouders met gezag moeten beide toestemming geven voor onderzoek en behandeling van hun kind. Om een goede beslissing te kunnen nemen over de behandeling van hun kind worden de ouders volledig geïnformeerd. Dit geldt onverkort als sprake is van een ondertoezichtstelling. De ouders zien zich echter geconfronteerd met een voldongen feit.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Primair stelt de jeugdprofessional dat het niet haar verantwoordelijkheid is om de ouders te informeren over het aanmelden van de zoon voor een KNO-operatie (buisjes).
Subsidiair stelt de jeugdprofessional dat de ouders door zowel de pleegouders als de jeugdprofessional hierover zijn geïnformeerd. Tijdens een bezoek van de ouders aan de kinderen bij het pleeggezin zijn zij op de hoogte gesteld van de oproep van de KNO-arts. De pleegmoeder heeft aan de jeugdprofessional laten weten dat zij de ouders de uitnodigingsbrief heeft laten zien. Op 30 december 2019, één dag na de afspraak bij de KNO-arts, heeft de pleegmoeder de ouders via WhatsApp geïnformeerd over de afspraak. Vervolgens heeft de jeugdprofessional de ouders per e-mail van 31 december 2019 ook over de afspraak bij de KNO-arts geïnformeerd. In dit contact heeft de jeugdprofessional de ouders eveneens bericht dat over een paar maanden bij een volgend bezoek gekeken zou worden of de zoon geopereerd moet worden. Dit was echter op dat moment nog niet aan de orde. In dit kader merkt de jeugdprofessional (nogmaals) op dat zij conform de wens van de ouders voornamelijk per e-mail contact met hen heeft gehouden. De pleegmoeder van de kinderen heeft de ouders tussendoor op de hoogte gehouden van ziekenhuisafspraken, zoals tijdens het zorgteamoverleg van 2 maart 2020 ook de voorkeur had van de ouders. De e-mail van 10 januari 2020 van de gemachtigde van de ouders, waarin zij stellen dat zij niet geïnformeerd zijn over een eventuele operatie van de zoon bij de KNO-arts, verbaasde de jeugdprofessional, nu de ouders eerder zijn geïnformeerd en op geen enkele wijze bezwaar hebben geuit.

4.3.3 De ouders voeren in de conclusie van repliek het volgende aan:
Uit het verweerschrift maken de ouders op dat de jeugdprofessional zich op het standpunt stelt dat de ouders op geen enkele wijze bezwaar hebben geuit tegen een behandeling van de zoon bij de KNO-arts en dat zij aldus impliciet akkoord zijn gegaan. De ouders zijn alleen geïnformeerd over (enkele) afspraken. Dit werd kort medegedeeld, maar een toelichting daarop ontbrak. Daarbij herhalen de ouders dat zij de pleegouders zien bij omgangsmomenten met de kinderen. Op deze momenten gaan de ouders niet in op kwesties die de omgang kunnen bemoeilijken of kunnen frustreren.
De ouders zijn niet betrokken in de informatievoorziening, zij zijn niet bij de artsen geweest en zij hebben geen telefonisch contact gehad met de artsen. Hierdoor hebben de ouders geen afweging kunnen maken en zij hebben ook geen toestemming verleend. Dit terwijl de regelgeving hieromtrent bijzonder duidelijk is. Het zou voor de jeugdprofessional aanleiding moeten zijn om de ouders goed te informeren over de bezoeken aan de KNO-arts en bovendien ook de pleegouders te informeren over de juiste gang van zaken. De onderliggende reden is dat de ouders volledig worden geïnformeerd over bijvoorbeeld de risico’s van een behandeling, de methodiek, de complicaties en de voor- en nadelen. Met deze informatie kunnen de ouders een afweging maken of een dergelijke behandeling in het belang is van het kind. Daar is hier op geen enkele wijze uitvoering aan gegeven. Het verweer miskent dit volledig.
Volgens de ouders staat vast dat vooraf geen toestemmingsformulier is ondertekend voor een de medische behandeling van de zoon en evenmin is door de GI aan de rechter om vervangende toestemming gevraagd. Tevens staat volgens de ouders vast dat de jeugdprofessional op de hoogte was van de medische behandeling van de zoon. Zij heeft echter nagelaten de ouders hierover uitdrukkelijk te informeren, hen hierbij te betrekken en ervoor te zorgen dat de ouders hun toestemming zouden geven. Het afschuiven van haar verantwoordelijkheid op de desbetreffende zorgverleners geeft volgens de ouders weinig blijk van inzicht.

4.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional handhaaft haar standpunt uit het verweerschrift. De jeugdprofessional is in haar rol niet betrokken bij (het begeleiden van) medische aangelegenheden. De pleegouders zijn, zoals gebruikelijk, meegegaan naar het bezoek aan de arts. Zij zijn steeds transparant geweest dat zij niet het gezag dragen. Het is dan vervolgens aan de arts om zo nodig de gezagdragende ouder(s) te betrekken. De jeugdprofessional heeft daar geen rol in.

4.3.5 Het College overweegt als volgt:
Uit de formulering van dit klachtonderdeel maakt het College op dat de ouders de jeugdprofessional enerzijds verwijten dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts en anderzijds dat de ouders geen toestemming hebben verleend voor het plaatsen van de zoon op de wachtlijst voor een operatie.
Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional zelf de ouders heeft geïnformeerd over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Uit de stukken maakt het College wel op dat de jeugdprofessional de ouders ná de afspraak heeft geïnformeerd over het verloop hiervan. Zoals ook overwogen door het College onder 4.2.5 van deze beslissing, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional eveneens in deze situatie een eigen verantwoordelijkheid heeft om de ouders te informeren, een schakel dient te zijn tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners, maar ook om ouders op afstand weer te betrekken.
Het had volgens het College op de weg gelegen van de jeugdprofessional om de ouders ook zelf te informeren in aanloop naar de afspraak bij de KNO-arts. Als gezinsvoogd was de jeugdprofessional bij uitstek degene om hierin de regierol te nemen. Dit is het College niet gebleken. Daarnaast stelt het College, onder verwijzing naar de overwegingen onder 4.2.5 van deze beslissing, ook ten aanzien van dit klachtonderdeel vast dat het zorgteamoverleg van 2 maart 2020, waarbij de ouders zouden hebben aangegeven bij voorkeur door de pleegouders te willen worden geïnformeerd over ziekenhuisafspraken, heeft plaatsgevonden na de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Indien deze werkwijze al van toepassing zou zijn ten tijde van het plaatsvinden van de afspraak bij de KNO-arts, dan zou dit de jeugdprofessional evenmin ontslaan van haar verplichting om in dat geval te controleren of de ouders voldoende uitgebreid zijn geïnformeerd. Uit de stukken maakt het College niet op dat de jeugdprofessional op deze wijze heeft gehandeld. Het College is derhalve van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de informatievoorziening richting de ouders over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts, waardoor zij in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode heeft gehandeld. Door ook ten aanzien van de afspraak bij de KNO-arts niet de regie te nemen, heeft de jeugdprofessional volgens het College eveneens artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. Tevens oordeelt het College dat de jeugdprofessional in strijd met artikel E (Respect) van de Beroepscode heeft gehandeld door de wijze waarop de jeugdprofessional de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij de afspraak van de zoon bij de KNO-arts.
Daar waar de ouders de jeugdprofessional verwijten dat de zoon zonder hun toestemming is geplaatst op de wachtlijst voor een operatie, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Immers, uit de e-mail van de jeugdprofessional aan de ouders van 31 december 2019, zoals weergegeven onder 2.12 van deze beslissing, blijkt volgens het College dat een operatie vooralsnog niet aan de orde is, en derhalve ook niet het plaatsen van de zoon op een wachtlijst.

4.3.6 Het College is van oordeel dat het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond is, namelijk voor zover de ouders de jeugdprofessional verwijten dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Voor het overige is het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Conclusie

 4.4.1 Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 en een gedeelte van klachtonderdeel 2 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De jeugdprofessional heeft nagelaten de ouders voldoende te informeren over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter en de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Met betrekking tot het FAS-onderzoek bij de dochter ontbrak bovendien de expliciete toestemming van de ouders. Daarbij heeft de jeugdprofessional als belangrijke schakel tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners in de onderhavige zaak onvoldoende de regie genomen. Derhalve concludeert het College dat de artikelen F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode zijn geschonden. Tot slot acht het College artikel E (Respect) van de Beroepscode eveneens geschonden door de wijze waarop de jeugdprofessional de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij het FAS-onderzoek van de dochter en de afspraak bij de KNO-arts van de zoon.

4.4.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de (zwaarte van de) op te leggen maatregel overweegt het College als volgt. Allereerst wordt het de jeugdprofessional aangerekend dat zij tot tweemaal toe de ouders onvoldoende heeft geïnformeerd over de medische behandelingen van de kinderen. De jeugdprofessional heeft hierbij onvoldoende oog gehad voor haar verantwoordelijkheid bij het invullen van de rol van de ouders op afstand en de regie die zij hierbij had dienen te nemen. Daarnaast vindt het College het verwijtbaar dat het FAS-onderzoek, een onderzoek van betekenis, zonder expliciete toestemming en betrokkenheid van de ouders is verricht. Naar het oordeel van het College is hiermee de essentie van de uitvoering van het werk van een jeugdprofessional geraakt. Het is het College tot slot niet gebleken dat de jeugdprofessional ergens in het proces haar handelen binnen de organisatie heeft getoetst. Evenmin is gebleken dat de jeugdprofessional op haar handelen heeft gereflecteerd.
Concluderend acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op te leggen. Het openbaar maken van de maatregel van berisping zou met zich mee brengen dat deze maatregel, met daarbij vermelding van de persoonsgegevens van de jeugdprofessional, gedurende vijf jaar zichtbaar is in het openbare deel van het Kwaliteitsregister Jeugd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het verwijtbare handelen toeziet op soortgelijk handelen door de jeugdprofessional rondom de medische behandelingen van de kinderen in tijd kort op elkaar volgend, ziet het College voldoende aanleiding om hiervan af te zien. Aan de jeugdprofessional wordt dan ook de maatregel van berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 2 gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping, zonder openbaarmaking van deze maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 18 februari 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris