Maak een selectie

457 van 457

   

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,
de heer W.M.P. van Engelen, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager 1], hierna te noemen: de pleegvader, [klager 2], hierna te noemen: de pleegmoeder, en gezamenlijk te noemen: de pleegouders, wonende te [woonplaats],

op 5 december 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. T.S.A. Kloos.

De pleegouders worden in deze zaak bijgestaan door hun gemachtigde [vertrouwenspersoon], werkzaam als vertrouwenspersoon bij het AKJ.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als hoofd van de juridische afdeling van de GI.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 31 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 4 maart 2020;
  • de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 4 augustus 2020;
  • de door de pleegouders tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde aantekeningen van hun slotwoord.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Op grond van artikel 8.8 van het Tuchtreglement heeft de voorzitter besloten de zaaknummers 19.556Ta en 19.556Tb gezamenlijk te behandelen. Bij de behandeling waren aanwezig de pleegouders, de jeugdprofessional en haar collega (beklaagde in zaaknummer 19.556Tb) en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2. De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit:

2.1 De betrokken minderjarige, hierna te noemen: de pleegdochter, is geboren in 2015. Het ouderlijk gezag over de pleegdochter wordt uitgeoefend door de biologische moeder van de pleegdochter. Vanaf haar uithuisplaatsing op of omstreeks 9 maart 2018 heeft de pleegdochter, in eerste instantie in het vrijwillig kader, gewoond bij een pleeggezin, hierna te noemen: het eerste pleeggezin. In deze periode heeft de pleegdochter ook kortstondig gewoond bij het pleeggezin van haar biologische broertje. Deze plaatsing is echter afgebroken.

2.2 Op 23 januari 2019 heeft de kinderrechter de pleegdochter onder toezicht gesteld van de GI. Namens de GI is de jeugdprofessional, samen met haar collega, tevens beklaagde in zaaknummer 19.556Tb, belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.3 Na het uitspreken van de ondertoezichtstelling is het verblijf van de pleegdochter bij het eerste pleeggezin voortgezet.

2.4 Begin 2019 heeft het eerste pleeggezin aangegeven dat zij de pleegdochter, vanwege hun leeftijd, een jonger perspectief biedend pleeggezin gunden. Het eerste pleeggezin heeft toen ook aangegeven een mogelijk geschikt pleeggezin te kennen, namelijk het pleeggezin van de pleegouders, hierna te noemen: het pleeggezin.

2.5 De pleegouders vormden samen met drie biologische kinderen en twee pleegkinderen reeds een gezin.

2.6 Op 25 juni 2019 hebben de pleegouders met de pleegzorgaanbieder een pleegcontract getekend. In dit contract is, onder andere, bepaald dat met ingang van 27 juli 2019 de pleegdochter wordt opgenomen in het gezin van de pleegouders. De aard van de pleeggezinplaatsing is bij aanvang van het contract: ‘[opvoedingsvariant]’.

2.7 Op 27 juli 2019 is de pleegdochter vanuit het eerste pleeggezin bij het pleeggezin geplaatst, na enkele logeerweekenden. Belangrijke voorwaarde bij de plaatsing was het behoud van de bestaande hechtingsrelatie met het eerste pleeggezin, in de rol van grootouders.

2.8 Op 4 september 2019 heeft de pleegmoeder via whatsapp aan de jeugdprofessional en haar collega, onder andere, een update gegeven over de bezoekregeling met de biologische moeder van de pleegdochter eerder die dag. In reactie daarop heeft de jeugdprofessional de pleegmoeder als volgt bericht:
“Mooi om te lezen [de pleegmoeder]. Het contact zag er tijdens het bezoek ook mooi uit. Ik ben benieuwd of ze nog ander gedrag laat zien nav het bezoek. We zien en spreken elkaar sws tijdens de evaluatie.”

2.9 Op 5 september 2019 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de jeugdprofessional en de pleegzorgaanbieder. In dit telefoongesprek zijn de zorgen van de jeugdprofessional en haar collega met betrekking tot de plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin besproken en is aangegeven dat de zorgen ook intern zullen worden besproken met een gedragswetenschapper.

2.10 Op 18 september 2019 stond de evaluatie van de plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin gepland met, onder andere, de pleegouders en de jeugdprofessional en haar collega. Deze afspraak is op 17 september 2019 door de jeugdprofessional afgezegd. De jeugdprofessional gaf hierbij aan dat de GI en de pleegzorgaanbieder eerst gezamenlijk in overleg zouden gaan en dat de jeugdprofessional en haar collega daarna met de pleegouders contact zouden opnemen om de verdere inhoud te bespreken.

2.11 Op 18 september 2019 had de jeugdprofessional of haar collega telefonisch contact met de pleegouders om een afspraak te maken voor een huisbezoek op 19 september 2019. In het telefoongesprek werd aan de pleegouders te kennen gegeven dat er twijfels bestonden over de plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin.

2.12 Op 19 september 2019 vond het huisbezoek plaats. Bij het gesprek waren aanwezig de jeugdprofessional en haar collega, de pleegzorgaanbieder en de pleegouders. In dit gesprek hebben de jeugdprofessional en haar collega hun zorgen over de plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin besproken en kenbaar gemaakt dat is besloten om de plaatsing af te breken. Redenen voor het afbreken van de plaatsing waren, onder andere, loyaliteitsproblemen van de pleegdochter richting het eerste pleeggezin, de moederrol van de pleegmoeder, het veelvuldig gebruik van de [streektaal] in het pleeggezin en grensoverschrijdend gedrag van de pleegouders in eerdere incidenten. Tevens werd een vervolgafspraak gemaakt voor 23 september 2019 om de beslissing met de pleegdochter te bespreken.

2.13 Op 20 september 2019 hebben de pleegouders de jeugdprofessional en haar collega per e-mail verzocht om uitstel van het gesprek met de pleegdochter om de beslissing over het afbreken van de plaatsing te bespreken. Tevens vroegen zij om de beslissing en de totstandkoming van de beslissing (nogmaals) schriftelijk toe te lichten.

2.14 Op 23 september 2019 bevestigden de jeugdprofessional en haar collega per e-mail dat het gezamenlijke gesprek met de pleegdochter op het verzoek van de pleegouders niet is doorgegaan en stelden zij voor een nieuwe afspraak in te plannen.

2.15 Op 25 september 2019 vond een telefoongesprek plaats tussen de gedragswetenschapper van de GI en de pleegzorgaanbieder. In dit gesprek is de beslissing om de pleegdochter terug te plaatsen naar het eerste pleeggezin toegelicht. De inhoud van dit gesprek is op hoofdlijnen per e-mail bevestigd door de gedragswetenschapper aan de pleegzorgaanbieder. In de e-mail is, onder meer, het volgende opgenomen:
“De plaatsing van [de pleegdochter] van het niet-perspectiefbiedende pleeggezin naar een perspectief biedend netwerkpleeggezin voldoet niet aan de verwachting van het eerste pleeggezin, in de vorm van een opa en oma rol, de opgebouwde veilige hechtingsrelatie aan [de pleegdochter] kan blijven bieden. Dit blijkt onder andere uit de strijd die is ontstaan tussen het voormalig en het huidige pleeggezin wat o.a. geleid heeft tot een incident waarbij de voormalig pleegouders in het bijzijn van [de pleegdochter] het huis uit zijn gezet.
Overplaatsing van een onveilig opgegroeid meisje van ruim vier jaar is zeer kwetsbaar. Daarom is er een plan ontwikkeld waarbij geprobeerd wordt de schade te beperken door de bestaande veilige hechtingsrelaties met het vorige pleeggezin, op afstand maar wel in nabijheid, te behouden. Helaas duiden bovengenoemde signalen erop dat de overplaatsing niet volgens plan loopt.”

2.16 Op 30 september 2019 vond het gesprek met de pleegdochter plaats waarin de beslissing om de plaatsing af te breken met haar werd gedeeld.

2.17 Op 1 oktober 2019 is de pleegdochter teruggeplaatst naar het eerste pleeggezin.

2.18 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3. Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4. De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Vanwege de samenhang worden klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 6 gezamenlijk besproken. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 Klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 6

4.1.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
De perspectief biedende plaatsing van de pleegdochter is plotseling en onnodig afgebroken (klachtonderdeel 1). Daarbij heeft de jeugdprofessional verzaakt de plaatsing van de pleegdochter te evalueren met de pleegouders en/of haar zorgen en die van haar collega tijdig met de pleegouders te bespreken (klachtonderdeel 2). Vervolgens is de beslissing om de plaatsing af te breken onnodig met spoed doorgezet, zonder ruimte voor discussie (klachtonderdeel 3). De jeugdprofessional wilde niet haar eigen handelen rond de beslissing om de plaatsing af te breken evalueren of hierover in gesprek gaan met andere professionals (klachtonderdeel 6). Tevens is de jeugdprofessional niet ingegaan op de vraag van de pleegouders om de beslissing schriftelijk toe te lichten (klachtonderdeel 4).

Toelichting:
De pleegouders geven aan dat sprake was van een perspectief biedende plaatsing met de intentie voor de opvoedingsvariant van pleegzorg. In verband met een eerdere afgebroken plaatsing benadrukten de jeugdprofessional en haar collega dat er alles aan gedaan moest worden om de nieuwe plaatsing niet te laten mislukken. Desondanks is de plaatsing plotseling en onnodig afgebroken. Het geplande evaluatiegesprek op 18 september 2019 heeft op initiatief van de jeugdprofessional en haar collega niet plaatsgevonden, omdat zij eerst met de pleegzorgaanbieder in overleg wilden gaan. In het telefoongesprek hierna op 18 september 2019 werd aan de pleegouders te kennen gegeven dat er twijfels bestonden over de plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin. Een dag later, op 19 september 2019, vond het huisbezoek plaats. Tijdens het huisbezoek is door de jeugdprofessional en haar collega aan de pleegouders de beslissing medegedeeld om de plaatsing af te breken. Aanvankelijk deelden de jeugdprofessional en haar collega weinig over de redenen voor deze beslissing. Na aandringen van de pleegouders gaven zij (een deel van) de redenen die ten grondslag lagen aan de beslissing. Later hoorden de pleegouders van de pleegzorgaanbieder dat er nog meer redenen waren. Weliswaar hebben de jeugdprofessional en haar collega de zorgen besproken met de gedragswetenschapper van de GI, maar geen van allen hebben deze zorgen (in een eerder stadium) besproken met de pleegouders. Op 4 september 2019 had de jeugdprofessional nog positief gereageerd op de update die de pleegmoeder had gestuurd naar aanleiding van de bezoekregeling eerder die dag met de biologische moeder van de pleegdochter.
De pleegouders benadrukken dat voor de redenen op basis waarvan de beslissing is genomen om de plaatsing te beëindigen, oplossingen waren te vinden. De jeugdprofessional en haar collega hebben de pleegouders echter geen mogelijkheid gegeven om over deze redenen en/of de beslissing in gesprek te gaan. Al tijdens het huisbezoek op 19 september 2019 werd door de pleegzorgaanbieder voorgesteld om de beslissing te bespreken alvorens actie te ondernemen. De intentie was namelijk om op 23 september 2019 de beslissing met de pleegdochter te delen en op 25 september 2019 de verhuizing te laten plaatsvinden. De jeugdprofessional en haar collega hebben verklaard bereid te zijn om het gesprek over de beslissing aan te gaan, maar de beslissing zelf stond vast. In de periode van 19 september 2019 tot en met 1 oktober 2019 zijn vervolgens meerdere pogingen gedaan om over de beslissing in gesprek te gaan. Tevens hebben de pleegouders op 20 september 2019 per e-mail aan de jeugdprofessional en haar collega gevraagd om een schriftelijke toelichting op de beslissing en hoe tot de beslissing is gekomen. Op 23 september 2019 heeft de jeugdprofessional via whatsapp bevestigd de e-mail ontvangen te hebben en later op de e-mail terug te komen. In de e-mail van de jeugdprofessional en haar collega van diezelfde dag wordt niet ingegaan op het verzoek om een schriftelijke uitleg. Ook de andere pogingen om over de beslissing in gesprek te gaan hebben de jeugdprofessional en haar collega steeds afgehouden. De pleegzorgaanbieder heeft eveneens op management- en directieniveau verzocht om in gesprek te gaan over de beslissing en zelfs de beslissing stop te zetten. Dit was ook zonder resultaat. De jeugdprofessional en haar collega waren niet bereid om hun proces kritisch te bekijken. De pleegouders geven eveneens aan dat ook na het afbreken van de plaatsing geen terugkoppeling en/of evaluatie heeft plaatsgevonden. Tot op heden hebben de pleegouders ook geen schriftelijke uitleg ontvangen van de jeugdprofessional en haar collega. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht hebben de pleegouders hieraan toegevoegd, dat zij door de jeugdprofessional en haar collega evenmin zijn geïnformeerd dat zij de beslissing mondeling wilden toelichten, gelet op de gevoeligheid. Tot slot hebben de pleegouders opgemerkt dat de pleegdochter al in het weekend van 14 en 15 september 2019 door het eerste pleeggezin is ingelicht over de terugplaatsing.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De plaatsing van de pleegdochter in het pleeggezin had het doel om de pleegdochter een perspectief biedend pleeggezin te bieden met behoud van de bestaande hechtingsrelatie met het eerste pleeggezin, in de rol van grootouders. Na de plaatsing bleek echter dat het pleeggezin niet aan de noodzakelijke voorwaarden voldeed om het doel van een plaatsing met behoud van de bestaande hechtingsrelatie te bereiken. Er kwam strijd met het eerste pleeggezin en er was sprake van een ernstige escalatie. Alvorens tot de beslissing te komen om de plaatsing af te breken, zijn op 5 september 2019 de zorgen omtrent de plaatsing gedeeld door de jeugdprofessional met de pleegzorgaanbieder. De pleegzorgaanbieder heeft tijdens het gesprek de signalen (deels) herkend en ook aangevuld met eigen signalen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de collega van de jeugdprofessional verklaard dat zij niet hebben gecontroleerd of de pleegzorgaanbieder de signalen vervolgens met het pleeggezin heeft besproken. Uiteindelijk is de beslissing om de plaatsing af te breken genomen in het belang van de pleegdochter en met alle vereiste zorg. De jeugdprofessional heeft binnen haar eigen organisatie voortdurend afgestemd en geëvalueerd met andere professionals over de beslissingen. Onderdeel van de beslissing om de plaatsing af te breken, was dat het overplaatsen van de pleegdochter met voortvarendheid moest worden uitgevoerd en dat de beslissing niet zou mogen worden teruggedraaid. Dat het belang van de pleegdochter hiermee gediend was, blijkt ook uit de e-mail van 25 september 2019 van de gedragswetenschapper van de GI. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional hieraan toegevoegd dat met de gedragswetenschapper van de GI de afweging is gemaakt dat het voor de pleegdochter traumatischer zou zijn om haar hechtingsfiguren uit het eerste pleeggezin te verliezen, dan om de plaatsing in het pleeggezin voortijdig te beëindigen. Nadat de beslissing was genomen, hebben de jeugdprofessional en haar collega op 16 september 2019 een gesprek gehad met het eerste pleeggezin en hen gepolst over een mogelijke terugplaatsing. Hierna hebben de jeugdprofessional en haar collega, op 17 september 2019, de pleegzorgaanbieder geïnformeerd over de beslissing om de plaatsing in het pleeggezin af te breken. Om die reden is ook het evaluatiegesprek van 18 september 2019 met de pleegouders afgezegd. Het evaluatiegesprek had immers geen zin meer. Vervolgens heeft op 19 september 2019 het huisbezoek plaatsgevonden, waarbij de beslissing om de plaatsing af te breken is besproken. Toen is ook een vervolgafspraak gemaakt door de jeugdprofessional en haar collega voor 23 september 2019. Deze afspraak is op 20 september 2019 per e-mail door de pleegouders afgezegd. In deze e-mail hebben de pleegouders ook verzocht om een schriftelijke toelichting. Dit betrof een eenmalig verzoek van de pleegouders. De jeugdprofessional en haar collega hebben er echter voor gekozen om niet schriftelijk een toelichting te geven op de beslissing, maar juist persoonlijk nogmaals de beslissing toe te lichten, vanwege de beladenheid van de beslissing, de vele emoties dat het veroorzaakte en de mogelijke andere vragen die het nog zou oproepen. De pleegouders hebben niet ingestemd met een dergelijk gesprek. Zij wensten enkel in gesprek te gaan over het terugdraaien van de beslissing. Het is op zichzelf juist dat er geen ruimte meer werd geboden om over de beslissing in discussie te gaan, nadat de beslissing om de plaatsing af te breken was genomen. Aan de pleegouders is ook toegelicht dat het terugdraaien van de beslissing niet in het belang van de pleegdochter zou zijn, wiens belang de jeugdprofessional behoort te beschermen. Wel is aangeboden om de beslissing toe te lichten, eventueel in overleg tussen de gedragswetenschapper van de GI en de gedragswetenschapper van de pleegzorgaanbieder, maar deze voorstellen zijn afgewezen door de pleegouders. Op 25 september 2019 is wel de visie van de GI met betrekking tot de beslissing om de plaatsing af te breken per e-mail aan de manager van de pleegzorgaanbieder gestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht hebben de jeugdprofessional en haar collega verklaard dat zij op drie momenten geprobeerd hebben om een gesprek met de pleegouders te plannen om de achtergrond en de redenen van de beslissing nader toe te lichten en vragen te beantwoorden, namelijk tijdens het gesprek waarin de beslissing om de plaatsing af te breken werd medegedeeld, tijdens het bezoek dat de pleegdochter werd geïnformeerd over de beslissing en op de dag dat de pleegdochter werd teruggeplaatst. De jeugdprofessional en haar collega gaven aan dat de pleegouders echter duidelijk lieten merken niets meer met hen te maken te willen hebben. Zo negeerden zij de jeugdprofessional en haar collega, wilden zij niet in gesprek gaan en negeerden zij hun uitgestoken handen in het bijzijn van de pleegdochter. Door de opstelling van de pleegouders was in de ogen van de jeugdprofessional en haar collega de deur zo hard dichtgegooid, dat zij geen ruimte voelden om de pleegouders te ondersteunen in de emotie en hebben zij de nazorg overgelaten aan de pleegzorgaanbieder. Desgevraagd hebben de jeugdprofessional en haar collega tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verklaard dat zij niet hebben gecontroleerd of de pleegzorgaanbieder de nazorg ook heeft aangeboden.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Het College leest in de samengevoegde klachtonderdelen het overkoepelende verwijt van de pleegouders aan de jeugdprofessional en haar collega dat de communicatie heeft ontbroken over het proces rond de totstandkoming van de beslissing om de perspectief biedende plaatsing af te breken. In de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ wordt benadrukt dat stabiliteit en continuïteit van pleegzorgplaatsingen essentieel zijn voor de ontwikkeling van pleegkinderen en dat in het hele pleegzorgproces zou moeten worden ingezet op het voorkomen van verplaatsingen van pleegkinderen. De ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ benadrukt dat het van groot belang is dat ouders, pleegkinderen (vanaf twaalf jaar), pleegouders, belangrijke personen uit het netwerk en de professionals om hen heen goed samenwerken om de stabiliteit voor het pleegkind te bevorderen, onder andere, door op terugkerende basis bijeen te komen. Open communicatie wordt genoemd als voorwaarde voor de samenwerking: transparant zijn, naar elkaar luisteren, overleggen over beslissingen en elkaar informeren (bijvoorbeeld in mailcontact). Het College is van oordeel dat in het proces rondom de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing af te breken, onvoldoende sprake is geweest van open communicatie met de pleegouders door de jeugdprofessional en haar collega. Weliswaar hebben zij intern regelmatig afgestemd en geëvalueerd en hun eerste zorgen geuit richting de pleegzorgaanbieder, maar zij hebben niet gecontroleerd of de pleegzorgaanbieder hierover vervolgens in gesprek is gegaan met de pleegouders. Daarnaast is het College niet gebleken dat de zorgen, de ernst daarvan in de ogen van de jeugdprofessional en haar collega en de mogelijke consequenties (het afbreken van de plaatsing), zijn besproken met de pleegouders (al dan niet in aanwezigheid van de overige betrokkenen bij de pleegdochter) in aanloop naar de totstandkoming van de beslissing. Op basis van de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ zijn de pleegouders belangrijke personen rondom de pleegdochter, waardoor het op de weg van de jeugdprofessional en haar collega had gelegen om samen met de pleegzorgaanbieder het gesprek met de pleegouders aan te gaan en hen in de gelegenheid te stellen hun visie te geven op het voornemen om de plaatsing af te breken. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat de beslissing om de plaatsing af te breken in een korte periode tot stand is gekomen, omdat met de gedragswetenschapper van de GI de afweging was gemaakt dat het voor de pleegdochter traumatischer zou zijn om haar hechtingsfiguren uit het eerste pleeggezin te verliezen, dan om de plaatsing in het pleeggezin voortijdig te beëindigen. Hoewel het College inziet dat de jeugdprofessional het belang van de pleegdochter voor ogen had, heeft het College in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling van de klacht geen aanknopingspunten gevonden dat sprake was van een dermate acute en (levens)bedreigende situatie (in analogie met de criteria uit de ‘Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming’) dat er geen ruimte meer was om het gesprek met de pleegouders aan te gaan en de zorgen te bespreken, alvorens de beslissing te nemen. In plaats daarvan hebben de jeugdprofessional en haar collega de beslissing aan de pleegouders medegedeeld. Dat de pleegdochter al in het weekend van 14 en 15 september 2019 door het eerste pleeggezin over de terugplaatsing is ingelicht, is naar het oordeel van het College – mede gelet op de betwisting door de jeugdprofessional en haar collega – onvoldoende vast komen te staan.
Verder maakt het College uit de stukken op dat de pleegouders in hun e-mail van 20 september 2019 aan de jeugdprofessional en haar collega gevraagd hebben om de beslissing schriftelijk toe te lichten. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij en haar collega juist om zorgvuldigheid te betrachten de toelichting op de beslissing mondeling wilden geven aan de pleegouders, omdat de emoties hoog opliepen. Zij hebben getracht de beslissing toe te lichten tijdens het huisbezoek waar ook de mededeling van het beëindigen van de plaatsing werd gegeven, tijdens het bezoek waarbij de pleegdochter werd geïnformeerd over de beslissing en op de dag van de verhuizing van de pleegdochter. Het College kan gelet op de specifieke omstandigheden van deze casus weliswaar de jeugdprofessional en haar collega volgen in de keuze om de beslissing (eerst) mondeling te willen toelichten, maar heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden dat dit ook is gecommuniceerd richting de pleegouders. De jeugdprofessional en haar collega hadden zich ervan bewust moeten zijn dat de gesprekken na 20 september 2019, zoals het kindgesprek en de dag van de terugplaatsing, zeer beladen momenten waren voor de pleegouders. Het had op de weg van de jeugdprofessional en haar collega gelegen om op een ander moment de pleegouders te benaderen om een mondelinge toelichting te geven op de beslissing, het proces te evalueren en/of in ieder geval uitleg te geven dat zij gelet op de hoog oplopende emoties de beslissing mondeling willen toelichten.
Alles overziend is het College van oordeel dat de jeugdprofessional en haar collega de pleegouders in het proces rond de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing af te breken onvoldoende hebben meegenomen. De jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional, hierna te noemen: de Beroepscode. Ook heeft de jeugdprofessional door haar handelen het vertrouwen van de pleegouders in de jeugdhulp en jeugdbescherming niet bevorderd, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode. Tot slot heeft de jeugdprofessional de norm uit artikel E (Respect) van de Beroepscode geschonden doordat zij in het geheel niet gereageerd heeft op het verzoek van de pleegouders om de beslissing en de totstandkoming daarvan schriftelijk toe te lichten.

4.1.4 Het College zal de klachtonderdelen gegrond verklaren.

4.2 Klachtonderdeel 5

4.2.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft gebruik gemaakt van een leugen voor het onderbouwen van de beslissing om de plaatsing af te breken.

Toelichting:
Tijdens het gesprek op 30 september 2019 hebben de jeugdprofessional en haar collega verklaard dat de pleegouders hebben aangegeven dat het bezoekmoment met het biologische broertje van de pleegdochter goed ging. Dit was echter niet het geval, zoals de pleegouders op 23 augustus 2019 ook hebben teruggekoppeld aan de pleegzorgaanbieder. Over dit bezoekmoment hebben de pleegouders niets teruggekoppeld aan de jeugdprofessional en haar collega. Hier is ook niet om gevraagd. Desalniettemin wordt deze ongegronde bewering door de jeugdprofessional en haar collega gebruikt als argument dat de pleegmoeder een onrealistisch beeld van de situatie had.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional herkent niet dat zij heeft gesteld dat de pleegouders zouden hebben aangegeven dat het bezoekmoment met het biologische broertje goed zou zijn gegaan. Wel herkent de jeugdprofessional het signaal dat zij van de betrokken pleegzorgbegeleider van het biologische broertje ontving over de reacties op het gedrag van de pleegdochter, terwijl daarover in de terugkoppelingen van het pleeggezin naar de jeugdprofessional niets werd gemeld.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:
Het verwijt van de pleegouders dat gebruik is gemaakt van een leugen voor het onderbouwen van de beslissing om de plaatsing af te breken, is niet nader onderbouwd met relevante stukken. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zijn ook geen aanknopingspunten naar voren gekomen die het verwijt van de pleegouders ondersteunen. Evenmin is door de pleegouders aannemelijk gemaakt, indien er al sprake zou zijn van een leugen, dat dit ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing om de plaatsing af te breken.

4.2.4 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.3 Klachtonderdeel 7

4.3.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional discrimineert op basis van taal en religie.

Toelichting:
De pleegouders verklaren dat als redenen voor het afbreken van de plaatsing, onder andere, zijn aangevoerd dat de pleegmoeder ‘systematisch’ [streektaal] zou spreken en de christelijke geloofsovertuiging van het pleeggezin. De pleegouders geven aan dat in het pleeggezin hoofdzakelijk Nederlands wordt gesproken en dat het contact met de jeugdprofessional en haar collega ook in het Nederlands was. Daarnaast was tijdens de plaatsing het gebruik van de [streektaal] in het pleeggezin bekend, verstaat de pleegdochter ook [streektaal] en werd in het eerste pleeggezin een dialect gesproken dat een vermenging is van [streektaal] en het Nederlands ([dialect]). Ten aanzien van de christelijke geloofsovertuiging merken de pleegouders op dat bij de plaatsing de geloofsovertuiging van de pleegouders bekend was en dat de biologische moeder van de pleegdochter ook een christelijke geloofsovertuiging heeft. Tot slot betwisten de pleegouders dat de pleegmoeder gezegd zou hebben tegen de jeugdprofessional en haar collega dat God de pleegdochter bij hen heeft gebracht.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional geeft aan dat het veelvuldig gebruik van de [streektaal] aan de orde is gesteld met het oog op de situatie en belangen van de pleegdochter, niet om te discrimineren. De pleegdochter was namelijk pas net begonnen met het leren van Nederlands. Het onderwerp geloofsovertuiging is niet als reden gebruikt door de jeugdprofessional en haar collega om de plaatsing af te breken of anders richting de pleegouders aan de orde gesteld. De jeugdprofessional en haar collega hebben dit signaal van de pleegzorgaanbieder vernomen en toen wel de vraag gesteld hoe de pleegouders hun rol dan zien in relatie tot de biologische moeder van de pleegdochter.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
In artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode is vastgelegd dat een jeugdprofessional bereid dient te zijn iedere cliënt te helpen. In de toelichting staat beschreven dat gelijke bereidheid impliceert dat iedereen gelijke kansen behoort te krijgen bij het aangaan van een professionele relatie. Dit betekent dat de jeugdprofessional geen onderscheid maakt op grond van ras, etniciteit, seksuele geaardheid, aard van de problemen, geslacht, handicap, ziekte, levens- of politieke overtuiging bij het aangaan van de relatie. Het College is van oordeel dat het enkele feit dat de jeugdprofessional en haar collega aandacht wilden voor het (veelvuldig) spreken van de [streektaal] in het pleeggezin (in het kader van een kennelijke taalachterstand van de pleegdochter) en dat zij aan de pleegzorgaanbieder de vraag hebben gesteld hoe de pleegouders hun rol zien in relatie tot de biologische moeder van de pleegdochter, niet maakt dat zij een ontoelaatbaar onderscheid hebben gemaakt in de zin van artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode.

4.3.4 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.4 Klachtonderdeel 8

4.4.1 De pleegouders verwijten de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft het pleeggezin respectloos behandeld.

Toelichting:
De pleegouders geven aan dat zij en hun pleeggezin zich hebben opengesteld voor de pleegdochter. Zij hebben hun leven aangepast, tijd en geld geïnvesteerd in de komst van de pleegdochter en aandacht besteed aan de hechting. De pleegouders zijn van mening dat ondanks hun inzet om de plaatsing te laten slagen, het pleeggezin respectloos is behandeld door de jeugdprofessional en haar collega, onder andere, doordat de plaatsing van de pleegdochter op stel en sprong is afgebroken. Daarbij is bij het proces van het afbreken van de plaatsing geen rekening gehouden met het pleeggezin zelf en waren de jeugdprofessional en haar collega dwingend in het maken van verhuisafspraken. Er is ook geen blijk van waardering geuit. Tot slot hebben de pleegouders na de verhuizing op 1 oktober 2019 niets meer van de jeugdprofessional of haar collega vernomen.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional onderschrijft dat zowel in de voorbereidende fase als na de plaatsing, het veel tijd en energie kost en dat er veel moet worden geïnvesteerd door het gehele pleeggezin. Zowel de GI als de jeugdprofessional en haar collega hebben er ook begrip voor dat de beslissing om de plaatsing af te breken emotioneel belastend en teleurstellend kan zijn voor het hele gezin. Anders dan de pleegouders de jeugdprofessional verwijten, meent de jeugdprofessional dat zij wel degelijk zoveel mogelijk de belangen van het pleeggezin heeft gerespecteerd. Dit blijkt, onder andere, uit het feit dat de jeugdprofessional en haar collega hebben ingestemd met het uitstellen van het gesprek van 23 september 2019, waarin aan de pleegdochter de beslissing zou worden medegedeeld. De jeugdprofessional voert aan zeker respect te hebben getoond voor het pleeggezin en te hebben geprobeerd de beslissing zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren naar alle partijen toe. Zij en haar collega hebben zich daarbij niet dwingend opgesteld. De jeugdprofessional geeft aan het jammer te vinden dat een persoonlijk gesprek niet meer mogelijk bleek of op prijs werd gesteld. Hierdoor is ook de jeugdprofessional en haar collega een mogelijkheid onthouden om het traject te evalueren en empathie te tonen. Het pleeggezin heeft evenwel heel duidelijk aangegeven dat zij het contact met de GI niet meer op prijs stelden. Dat verzoek is ook gerespecteerd en was de reden waarom de jeugdprofessional en haar collega niet meer zelf initiatief hebben getoond voor nader contact.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Het College acht het verwijt van de pleegouders dat de jeugdprofessional en haar collega het pleeggezin respectloos hebben behandeld, verstrekkend. Naar het oordeel van het College ligt het dan ook op de weg van de pleegouders om een dergelijk verwijt voldoende met relevante stukken te onderbouwen. De pleegouders hebben ten aanzien van dit klachtonderdeel alleen een afbeelding van de laatste whatsappcorrespondentie tussen hen en de jeugdprofessional en haar collega overgelegd. Hierbij neemt het College in overweging dat reeds onder 4.1.3 van deze beslissing is geoordeeld dat de jeugdprofessional en haar collega in strijd hebben gehandeld met, onder andere, artikel E (Respect) van de Beroepscode doordat zij niet hebben gereageerd op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het College is in dit licht van oordeel dat de jeugdprofessional en haar collega weliswaar niet op alle onderdelen in het proces rondom de beslissing om de plaatsing af te breken respectvol hebben gehandeld richting het pleeggezin, maar het voert te ver om in zijn algemeenheid te oordelen dat de jeugdprofessional en haar collega het pleeggezin respectloos hebben behandeld.

4.4.4 Het College zal het klachtonderdeel ongegrond verklaren.

4.5 Conclusie

 4.5.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 6 een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Deze klachtonderdelen hebben allen betrekking op de (open) communicatie van de jeugdprofessional rondom de beslissing om de plaatsing voortijdig af te breken. De jeugdprofessional heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in dit proces en heeft daarnaast nagelaten te reageren op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

4.5.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional ten aanzien van vijf klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College houdt er rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de pleegdochter voorop heeft willen stellen en dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen. Zo veranderde de rol van het eerste pleeggezin en de pleegzorgaanbieder na het overplaatsen van de pleegdochter naar het pleeggezin en werd zij ermee geconfronteerd dat tussen beide gezinnen strijd ontstond. Hierdoor kwam de belangrijke voorwaarde bij de plaatsing, namelijk het behoud van de hechtingsfiguren van het eerste pleeggezin, onder druk te staan. Desalniettemin benadrukt het College het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een pleegzorgplaatsing te bevorderen. Het College gaat ervan uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit deze casus, mede gelet op de getoonde reflectie tijdens de mondelinge behandeling, en dat deze beslissing bijdraagt aan de bewustwording van de jeugdprofessional betreffende haar eigen verantwoordelijkheid. Alles in overweging nemende acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional de maatregel van waarschuwing op te leggen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 5, 7 en 8 ongegrond;
  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 3, 4 en 6 gegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 30 september 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. S.C. van Duijn
voorzitter

mevrouw mr. T.S.A. Kloos
secretaris