Maak een selectie

727 van 727

   

De door appellante ingediende geluidopnamen zijn toegelaten tot de procedure, er zijn namelijk geen zwaarwegende belangen of bijkomende omstandigheden aangevoerd die het zouden rechtvaardigen het bewijs uit te sluiten. De raadsonderzoeker heeft echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld rondom de verzochte (voorlopige) ondertoezichtstelling en (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.

Het College van Beroep, hierna te noemen: het College, is samengesteld als volgt:

P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter,
A.P. van der Linden, lid jurist,
Mevrouw J.E. Blaauw-Glas, drs. M.C. Oosterom, mevrouw A. Wilting, leden-beroepsgenoten.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist in de zaak van

[Appellante], appellante,

tegen

[Verweerster], raadsonderzoeker, werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, verweerster in beroep, gemachtigde mr. E. Lam, advocaat te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

[Klaagster] – hierna klaagster – heeft op 22 februari 2016 bij het College van Toezicht (hierna: CvT) tegen [beklaagde] – hierna beklaagde – een klacht ingediend. Bij beslissing van 15 augustus 2016, onder nummer 16.019T heeft het CvT de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaard.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft als bijlage bij haar beroepschrift een aantal geluidsopnamen van gesprekken tussen haar en beklaagde aan het College toegezonden. Deze geluidsopnamen zijn door de voorzitter aanvankelijk niet toegelaten tot de procedure, omdat de expliciete toestemming van beklaagde hiervoor ontbrak.

Beklaagde heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 16 december 2016, waarbij beide partijen een toelichting op de zaak hebben gegeven.

Bij tussenbeslissing van 10 februari 2017 heeft het College van Beroep (hierna: CvB)  klaagster alsnog in de gelegenheid gesteld om de door haar bedoelde opnamen van telefoongesprekken, die zij (al dan niet samen met haar partner) met beklaagde heeft gevoerd in het geding te brengen alsmede de transcripties van die gedeelten uit de opgenomen gesprekken, waarvan klaagster meent  dat die haar klachten ondersteunen.

Vervolgens zijn transcripties overgelegd en heeft de secretaris van SKJ gecontroleerd dat  de transcripties daadwerkelijk overeenkomen met hetgeen is opgenomen.

Beklaagde heeft bij verweerschrift schriftelijk gereageerd en heeft haar bezwaren aangevoerd tegen de overgelegde opnamen c.q. transcripties.

Tenslotte heeft het CvB de uitspraak in deze zaak bepaald op 15 juni 2017.

2. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de leesbaarheid van de beslissing herhaalt het CvB hier de feiten en omstandigheden, zoals het CvB die in de tussenbeslissing van 10 februari 2017 heeft vastgesteld:

2.1 Klaagster is de moeder van een dochter, [jeugdige], geboren op [datum] 2002. Klaagster is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [jeugdige].

2.2 Beklaagde is werkzaam als Raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de Raad.

2.3 Beklaagde is sinds [datum] 2014 geregistreerd als raadsonderzoeker in het register van SKJ.

2.4 Op 21 oktober 2015 heeft klaagster aangifte gedaan tegen haar ouders, de grootouders van [jeugdige], in verband met het onttrekken aan het ouderlijk gezag van [jeugdige].  [jeugdige] verbleef op dat moment bij haar grootouders.

2.5 Op 22 oktober 2015 heeft de Raad een spoedmelding ontvangen van het Centrum voor Jeugd en gezin, hierna CJG, inzake [jeugdige].

2.6 Beklaagde had die dag bereikbaarheidsdienst. Besloten is door de Raad, na intern overleg, om met spoed een onderzoek in te stellen naar de situatie van [jeugdige].

2.7 Op 23 oktober 2015 heeft beklaagde naar aanleiding van de melding een gesprek gehad met klaagster over [jeugdige], die op dat moment bij de ouders van klaagster verbleef. In dit gesprek heeft beklaagde kenbaar gemaakt dat klaagster moest voldoen aan een aantal voorwaarden om de aanvraag van een spoedmachtiging uithuisplaatsing en een Voorlopige Ondertoezichtstelling (hierna: VOTS) af te wenden. Een van de voorwaarden was dat klaagster de aangifte tegen haar ouders zou intrekken.

2.8 Klaagster heeft te kennen gegeven zich niet in deze voorwaarden te kunnen vinden waarop door de Raad op 23 oktober 2015 is verzocht om een VOTS en een machtiging uithuisplaatsing (hierna: MUHP).

2.9 Bij beschikking van 23 oktober 2015 heeft de kinderrechter de VOTS over [jeugdige] uitgesproken tot 23 januari 2016. Daarnaast heeft de kinderrechter een MUHP verleend voor plaatsing in een netwerkpleeggezin, te weten opa en oma moederszijde, voor de duur van vier weken.

2.10 Op 27 oktober 2015 is door de Raad een beschermingsonderzoek ingesteld. Beklaagde was belast met de uitvoering van dit onderzoek.

2.11 Op 5 november 2015 heeft de kinderrechter, na verhoor van partijen, de  VOTS bekrachtigd  en is de MUHP verlengd tot 23 januari 2016 in bedoeld netwerkpleeggezin. De beslissing voor wat betreft een meer definitieve uithuisplaatsing werd aangehouden tot de zitting van 7 januari 2016.

2.12 In het kader van het door de Raad ingestelde onderzoek heeft beklaagde met appellante op 6 november 2016 een gesprek gevoerd.
Naar aanleiding van dit gesprek heeft klaagster per e-mail op 6 november 2015 aan beklaagde de namen van een aantal te raadplegen informanten door de Raad ter beschikking gesteld, alsmede een machtiging opvragen informatie ondertekend waarin voor zover van belang is opgenomen onder het kopje “Informanten”:
“- Gezinsvoogd SEH
– Basisschool [jeugdige]
– Grootouders mz.
– Overige hulpverlening: (maatschappelijk werk)
Handtekening voor akkoord”
(..)

2.13 Hierna heeft beklaagde een aantal informanten geraadpleegd, waaronder [informant 1] en [informant 2] die niet op de door klaagster aangeleverde lijst stonden. [informant 1] in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon bij de basisschool [naam basisschool]. [informant 2] van het CJG had eind juli 2015 gesproken met klaagster en haar partner en heeft namens het CJG de melding bij de Raad gedaan omtrent de VOTS.

2.14 Naar aanleiding van het door beklaagde uitgevoerde onderzoek is een concept raadsrapport opgesteld, hetgeen met klaagster besproken is op 18 december 2015.

2.15 Op 18 december 2015 heeft beklaagde het volgende e-mailbericht aan [informant 1] gestuurd:
“Geachte [informant 1],
Bij deze wil ik u informeren over het feit dat de Raad het opvoedingsonderzoek betreffende [jeugdige] heeft afgerond. Er heeft vandaag bij de Raad (18 december 2015) een adviesgesprek met moeder en stiefvader plaatsgevonden.
De raad sluit het onderzoek af met het verzoek [jeugdige] onder toezicht te stellen. Tevens vind de Raad het noodzakelijk om [jeugdige] uit huis te plaatsen. Dit houdt in dat [jeugdige] voorlopig bij grootouders mz. zal verblijven. Moeder en stiefvader waren het eens met de OTS, maar zijn beiden absoluut niet akkoord met de plaatsing van [jeugdige] bij haar grootouders en waren erg boos.
Ik hoop u hierbij voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
[beklaagde]
Raadsonderzoeker”

2.16 Op 18 december 2015 heeft klaagster per e-mail aan beklaagde verzocht om het verslag en het volledige dossier uit 2005 en 2007. Deze e-mail is door beklaagde doorgezonden aan haar teamleider.

2.17 Uiteindelijk is het definitieve raadsrapport opgesteld op 24 december 2015 en per post met een aanbiedingsbrief gedateerd 28 december 2015 in kopie aan klaagster gestuurd.

2.18 Op 7 januari 2016 heeft de zitting plaatsgevonden waarop werd besloten op het door de Raad ingediende verzoek om een definitieve ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.

2.19 De Raad heeft aan klaagster een brief gestuurd met dagtekening 15 januari 2016, in verband met het verzoek om een afschrift van het dossier van haar dochter, waarin wordt verzocht om een kopie van haar legitimatiebewijs mee te sturen.

2.20 Op 25 januari 2016 heeft beklaagde een e-mail gestuurd aan klaagster in reactie op de e-mail van 9 januari 2016 waarin klaagster haar ongenoegen kenbaar maakte over het rapport.

2.21 Op 9 februari 2016 verzocht klaagster per e-mail aan beklaagde om haar registratiegegevens kenbaar te maken.

2.22 Op 12 februari 2016 heeft beklaagde haar registratienummer aan klaagster verstrekt, maar dit bleek een onjuist nummer te zijn. Klaagster heeft bij e-mail van 19 februari 2016 na haar rappel op 18 februari 2016, via de leidinggevende van beklaagde het juiste registratienummer gekregen.

3. Beslissing in eerste aanleg, beroepsgronden en beslissing in hoger beroep

3.1 Het CvB bespreekt eerst de tweede grief van klaagster, gelet op het feit dat de inhoud van de uitspraak van dit College van 10 februari 2017 betrekking heeft op deze grief.
In 5.5 overwoog het CvT: “Het College begrijpt dat het erg spijtig is voor klaagster dat haar dochter niet bij haar wil wonen. Kennelijk heeft klaagster de verwachting gehad dat beklaagde [jeugdige] bij opa en oma zou weghalen en bij moeder zou terugbrengen. Gebleken is echter dat beklaagde bij de start van de VOTS een gesprek heeft gevoerd met klaagster over de rol van beklaagde en de verwachtingen. Daarnaast heeft beklaagde na afloop van het raadsonderzoek een eind-gesprek met klaagster gevoerd over de totstandkoming en inhoud van het raadsrapport. Het College is niet gebleken dat beklaagde verkeerde verwachtingen heeft geschept.”
De daartegen ontwikkelde grief van klaagster luidt:
In rechtsoverweging 5.5 wordt door het CvT ten onrechte vermeld dat klaagster de verwachting had dat beklaagde [jeugdige] bij opa en oma zou weghalen en weer bij klaagster terug zou brengen. Het gaat volgens klaagster niet om de verwachting, door beklaagde is tijdens het gesprek van 6 november 2016 volgens klaagster letterlijk gezegd, dat zij [jeugdige] bij klaagster zou terugbrengen.
Beklaagde heeft tijdens de zitting van 16 december 2016 duidelijk gemaakt dat het haar gewoonte is om in dergelijke gesprekken na een VOTS en UHP aan ouders kenbaar te maken onder welke voorwaarden kinderen weer terug kunnen keren naar huis. Het doel van een ondertoezichtstelling na uithuisplaatsing van kinderen is immers dat kinderen weer terugkeren naar hun ouders nadat de noodzakelijke hulp is verleend en ouders weer capabel genoeg zijn om de kinderen zo nodig met eventuele hulpverlening thuis weer op te voeden.
Klaagster heeft bewijs van haar stelling aangeboden door overlegging van onder meer de bandopnamen van telefoongesprekken van 23 oktober 2015, 6 november 2015 en 18 december 2015.
Bij de tussenbeslissing van 10 februari 2017 heeft het CvB klaagster in de gelegenheid gesteld om de door haar bedoelde opnamen van telefoongesprekken die zij (al dan niet samen met haar partner) met beklaagde heeft gevoerd alsmede de transcripties van die gedeelten uit de opgenomen gesprekken, waarvan klaagster meent dat die haar klachten ondersteunen, in het geding te brengen.
Een en ander is vervolgens gebeurd.
De advocate van aangeklaagde heeft in een (nader) verweerschrift principieel betoogd, dat zij het niet eens is met deze uitspraak van het CvB en dat zij meent dat de betreffende geluidsopnamen niet toegelaten mogen worden tot het bewijs van de stellingen van klaagster. Het feit, dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in een recente uitspraak (19-01-2016, ECLI:NL:TGZCTG:2016:39) de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot onrechtmatig verkregen bewijs (HR 11-07-2014, ECLI:NL:2014:1632) volgt, acht zij niet doorslaggevend. Veeleer verwijst zij naar de spelregels die de nationale ombudsman heeft opgesteld voor het maken van geluidsopnamen en het gebruik daarvan in het contact tussen overheid en burger. Een van die spelregels is dat een burger van te voren duidelijk maakt dat hij een geluidsopname wil maken. Omdat de bewijsregel van de Hoge Raad (en van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg) daaraan niet voldoet, worden de spelregels van de ombudsman op die manier volgens de advocate inhoudsloos.
Zoals uit het huidig tuchtreglement van SKJ blijkt, kiest het SKJ er uit het oogpunt van eenheid van rechtspraak nadrukkelijk voor om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bewijsregels van de Hoge Raad en van een vergelijkbaar tuchtcollege als het Centraal Medisch Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het feit, dat de Hoge Raad in het arrest van 13 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AW2082) in wat men zou kunnen noemen omgekeerde positie heeft uitgemaakt dat een tuchtrechtelijke beslissing niet op één lijn gesteld kan worden met een rechterlijke beslissing uit Burgerlijke Rechtsvordering, maakt dit oordeel niet anders. De omstandigheid dat een tuchtcollege zoveel mogelijk aansluit bij overheidsrechtspraak, betekent niet dat tuchtrechtspraak dan ook overheidsrechtspraak wordt. Ook de omstandigheid dat eerst recent op de website van het SKJ een nieuwe versie (versie 1.2 goedgekeurd d.d. 10 april 2017) van het tuchtreglement is gepubliceerd, waarin een bepaling is opgenomen over het overleggen van geluidsopnamen, brengt niet met zich mee, dat in deze oudere zaak die bewijsregel niet zou mogen worden toegepast. In het tuchtreglement was voorheen immers niets geregeld over onrechtmatig verkregen bewijs.
Naar het oordeel van het CvB zijn er voorts in de onderhavige zaak geen zodanig zwaarwegende belangen of bijkomende omstandigheden aangevoerd, die maken, dat geen rekening mag worden gehouden met de opgenomen gesprekken.
Door klaagster is de transcriptie van een gesprek overgelegd dat tussen haar en aangeklaagde, is gevoerd op 23 oktober 2015. Daaruit blijkt geenszins, dat beklaagde zou hebben gezegd dat zij [jeugdige] bij klaagster zou terugbrengen, zonder daaraan voorwaarden te verbinden. Integendeel heeft beklaagde toen herhaalde malen aan klaagster verzocht om [jeugdige] bij opa en oma te laten en verklaard dat als klaagster daaraan geen medewerking zou verlenen, een voorlopige ondertoezichtstelling zou worden aangevraagd met een plaatsing van [jeugdige] bij opa en oma.
Het CvB deelt de mening van beklaagde, dat uit de geluidsopname kan worden opgemaakt dat beklaagde zich begrip- en respectvol heeft opgesteld jegens klaagster en dat zij klaagster geen valse beloftes heeft gedaan over het terugbrengen van de minderjarige naar klaagster.
Zulks betekent dat de tweede grief van klaagster faalt.

3.2. Het CvB gaat thans over tot de behandeling van de overige grieven.
Het CvT overwoog in 2.3 en 2.4  als volgt:
“2.3. Op 22 oktober 2015 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de Raad, een spoedmelding ontvangen van het Centrum voor Jeugd en Gezin, hierna te noemen: het CJG, om de thuissituatie van [jeugdige] bij klaagster te onderzoeken.
2.4. Beklaagde had op het moment van de melding van het CJG bereikbaarheidsdienst en heeft naar aanleiding van de melding contact met klaagster gezocht. [Jeugdige] is vervolgens in eerste instantie vrijwillig door klaagster bij opa en oma (moederszijde) geplaatst.”
De daartegen gerichte grief 1 luidt als volgt:
De feiten die zijn vermeld onder 2.3 en 2.4 zijn onjuist weergegeven, met name is de constatering onjuist dat [jeugdige] in eerste instantie vrijwillig door klaagster bij opa en oma (moederszijde) zou zijn geplaatst;
Het CvB overweegt ten aanzien van de eerste grief als volgt.
Volgens het rapport van de Raad heeft moeder tegenover de Raad verklaard: ”Moeder vertelt dat [jeugdige] sinds twee weken bij haar ouders woont in [woonplaats]. Moeder legt uit dat ze dit gedaan heeft omdat ze er helemaal doorheen zit. Nu is het probleem dat haar vader [jeugdige] niet mee terug wil geven omdat hij beoordeelt dat de situatie niet veilig is bij moeder.” (p. 4 bovenaan). De lezing van de gezinsvoogd is: “Moeder geeft aan dat ze samen met haar huidige man en [jeugdige] op bezoek ging bij grootouders. Hier zou [jeugdige] ziek zijn geworden, en zou moeder haar om die reden bij grootouders hebben gelaten. Moeder geeft aan dat de autorit terug (ruim 2 uur) op dat moment niet wenselijk was voor [jeugdige].” (p. 12 onderaan en p. 13 bovenaan).
Het CvB laat in het midden welke lezing nu precies de juiste is, mogelijk dienen beide lezingen gecombineerd te worden. Naar het oordeel van het College is het echter aannemelijk dat [jeugdige] in ieder geval voor enige tijd door moeder vrijwillig is achtergelaten bij haar ouders. Alleen het woord “vervolgens” in de tweede zin van overweging 2.4 is een misslag van het CvT en dient te vervallen.  De eerste grief faalt.

3.3.Grief III van klaagster houdt in dat de concept-rapportage van de Raad  met klaagster onvoldoende is besproken, er is volgens klaagster alleen gesproken over de uitkomst en de conclusie van het onderzoek  en niet over de inhoud en of de totstandkoming van de conclusie c.q.  het raadsrapport;
Het CvT overwoog op dit punt als volgt:
“5.8. Al het voorgaande in overweging nemende, is het College van oordeel dat van een gebrekkige communicatie, inhoud of totstandkoming van het raadsrapport niet kan worden gesproken. Het College komt tot de slotsom dat beklaagde in lijn met haar beroepsnorm heeft gehandeld en dat beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.”

Het CvB oordeelt als volgt:
Door beklaagde is een onderzoeksplan opgesteld betreffende te onderzoeken aandachtsgebieden en welke informanten benaderd zouden worden. Beklaagde heeft klaagster steeds geïnformeerd over de te nemen stappen in het onderzoek door de Raad. Dit onderzoeksplan is met klaagster besproken en klaagster heeft hiermee ingestemd. Daarna heeft er een (advies)gesprek plaatsgevonden over de bevindingen van de Raad en daarmee ook over de inhoud van het onderzoek. In het rapport van de Raad staat vermeld onder “14 Reactie op het verzoek en rapport”: “Moeder gaf aan het eens te zijn met de OTS, maar toen moeder hoorde dat de Raad stelt dat het in het belang is van [jeugdige] dat zij voorlopig bij opa en oma [naam grootouders] in [woonplaats] verblijft, werd moeder erg boos. Ze zegt dat dit nooit meer goed gaat komen.” Vervolgens heeft klaagster in het verdere verloop van dat gesprek heel destructieve standpunten ingenomen zowel naar [jeugdige] als naar haar eigen ouders. Door dit verloop is beklaagde mogelijk niet toegekomen aan een voldragen bespreking van de rapportage van de Raad, maar haar kan onder deze omstandigheden hiervan geen verwijt worden gemaakt.  Deze grief faalt mitsdien.

3.4. Grief IV van klaagster houdt in dat zij het oneens is met de selectie van de geraadpleegde informanten, die ook niet als betrouwbare informanten kunnen worden gezien;
Het CvT overwoog met betrekking tot de geraadpleegde informanten het volgende.
“Gebleken is dat de Raad met klaagster heeft besproken welke informanten zouden worden benaderd. Klaagster heeft daar haar toestemming voor gegeven. Daarnaast heeft klaagster verzocht om andere informanten te benaderen. In multidisciplinair overleg is besloten daarvan af te zien.
Gezien het feit dat klaagster schriftelijk toestemming heeft verleend om de informanten te benaderen, beklaagde multidisciplinair heeft besloten om af te wijken van de door klaagster voorgestelde informanten en dit met klaagster heeft besproken, heeft beklaagde binnen de hieromtrent geldende regels gehandeld. Wel merkt het College op dat niet is gebleken dat beklaagde schriftelijk heeft vastgelegd waarom beklaagde van de door klaagster voorgestelde informanten heeft afgeweken en verwijst in dit kader naar artikel III onder E, hoofdstuk 3 van het Kwaliteitskader van de Raad. Nu het echter niet gaat om de vraag of het handelen van beklaagde zorgvuldiger had gekund maar om de vraag of binnen de grenzen van de beroepsnorm is gehandeld, is dit beklaagde niet tuchtrechtelijk te verwijten.”
Het oordeel van het CvB is als volgt.
Beklaagde is afgeweken van de door klaagster aangeleverde lijst van te raadplegen informanten. Het CvT overwoog terecht, dat van de door klaagster aangeleverde lijst met informanten gemotiveerd mag worden afgeweken, indien de Raad dit noodzakelijk acht in het belang van het onderzoek. Het CvT gaf in zijn uitspraak daarbij de aanbeveling om, indien er wordt afgeweken, dit schriftelijk en gemotiveerd aan de betrokkene kenbaar te maken. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij deze aanbeveling in voorkomende gevallen ter harte neemt. Wat betreft de betrouwbaarheid van de informanten, merkt het College op dat het tot de taak van de Raad behoort om zich op professionele wijze een oordeel te vormen over de mate van betrouwbaarheid van informanten.
Grief IV is dus ongegrond.

3.5. Grief V houdt in dat beklaagde de privacy van klaagster heeft geschonden door privacygevoelige informatie over klaagster zonder haar toestemming met informanten en de grootouders te delen. De grootouders zijn door beklaagde daarbij ten onrechte als belanghebbende aangemerkt;
Het oordeel van het CvT was als volgt:
“5.7. Voor wat betreft het aanmerken van opa en oma als belanghebbenden overweegt het College  als volgt. Nu beklaagde te kennen heeft gegeven dat zij tijdens het eindgesprek over het raadsrapport altijd benoemt wie als belanghebbenden zijn aangemerkt en zij hierover in dit geval geen andere herinnering heeft, gaat het College er redelijkerwijze van uit dat beklaagde inderdaad met klaagster heeft besproken dat opa en oma als belanghebbenden zijn aangemerkt en dat zij om die reden ook beschikking krijgen over het raadsrapport. Daarbij kan worden opgemerkt dat klaagster ook zelf in het conceptrapport had kunnen lezen dat opa en oma als belanghebbenden waren aangemerkt.”
Het oordeel van het CvB over deze grief is als volgt.
Uit de rapportage van de Raad blijkt dat de grootouders [naam grootouders] sinds lange tijd ondersteunend zijn ook naar [jeugdige].  Vanwege de belangrijke positie die de grootouders van [jeugdige] innemen in haar leven en het feit dat [jeugdige] al enige weken bij haar grootouders verbleef, heeft de Raad de grootouders als belanghebbenden aangemerkt en heeft beklaagde een afschrift van het rapport verstrekt aan de grootouders. Het College overweegt dat beklaagde hiermee niet onzorgvuldig heeft gehandeld. In het algemeen worden netwerkpleegouders aangemerkt als belanghebbenden indien zij een kind langer dan een jaar opvoeden en verzorgen als behorende tot hun gezin. De grootouders stonden altijd voor [jeugdige] klaar en hebben haar met liefde opgevangen, aldus de Raad. Deze positie kan mede in aanmerking worden genomen bij het feit, dat de grootouders thans gedurende kortere tijd zorg dragen voor [jeugdige].
Voor wat betreft de terugkoppeling die door beklaagde aan een van de informanten ([informant 1])is gegeven, merkt het College het volgende op.  Verwijzend naar de feiten onder 2.15 overweegt het College dat op zich genomen  een dergelijke terugkoppeling naar een informant in het belang van de minderjarige gerechtvaardigd is. Hoewel het beter was geweest indien beklaagde de laatste zinsnede over klaagster had weggelaten, is het College van oordeel dat beklaagde met de terugkoppeling naar de informant Jansen binnen de grenzen van redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
Deze grief wordt afgewezen.

3.6.Grief VI houdt in dat het CvT ten onrechte niet is ingegaan op de klacht van klaagster dat het rapport van 2008 ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet voor de zitting aan klaagster ter beschikking is gesteld;
Het CvB oordeelt als volgt.
Ter zitting is gebleken dat het door klaagster verzonden verzoek om een afschrift van het rapport van 2008 door beklaagde is doorgestuurd naar de teamleider. De procedure voor het opvragen van oude raadsrapporten verloopt via de teamleider van beklaagde. Beklaagde kan hiervan geen persoonlijk verwijt worden gemaakt. Deze grief kan derhalve niet slagen.

3.7. Grief VII houdt in dat het CvT ten onrechte in zijn uitspraak geen aandacht heeft besteed aan de klacht dat beklaagde geen verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen doordat zij niet open stond voor een gesprek met betrekking tot de onjuistheden in het raadsrapport en geen van de door klaagster aangedragen informatie heeft gebruikt. Daarbij heeft beklaagde de hoorn van de telefoon erop gegooid en heeft ook geweigerd haar SKJ registratienummer aan klaagster kenbaar te maken.
Het CvB oordeelt dat klaagster niet aannemelijk heeft kunnen maken, dat deze grief gegrond zou zijn. Mede door de overgelegde transcriptie heeft het CvB de eindindruk overgehouden dat beklaagde zonder meer correct heeft gehandeld naar klaagster. Voor wat betreft het verstrekken van het registratienummer (de zevende grief) heeft beklaagde in eerste instantie een verkeerd nummer gegeven, maar korte tijd later is het juiste nummer aan klaagster verstrekt. Ook deze grief faalt.

4. De Uitspraak

Het College van Beroep wijst het beroep van klaagster af en laat de beslissing van 15 augustus 2016, onder nummer 16.019T van het College van Toezicht in stand.

Aldus gegeven op 15 juni 2017 in de genoemde samenstelling.

Mr. P.A.J.Th. van Teeffelen, voorzitter
Mevrouw mr. J.I. Heuvelhorst, secretaris