Maak een selectie

727 van 727

   

Binnen het tuchtrecht is sprake van een vrij bewijsstelsel. Geluidsfragmenten die zonder toestemming zijn opgenomen, kunnen in beginsel in de procedure worden overgelegd. De wederpartij kan hiertegen bezwaar maken. Gedeeltelijke transcripties van geluidsfragmenten dienen in de context te worden gelezen/beluisterd.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw R.J. Douglas, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klaagster], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

Op 2 januari 2020 ingediende klaagschrift tegen:

[De jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] (locatie: [locatie]), hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.R. Veerman.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 21 januari 2020;
  • de drie geluidsopnames, inclusief transcripties, behorend bij het aangepaste klaagschrift;
  • het verweerschrift ontvangen op 23 april 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 6 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 13 mei 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020. De beslissing is op 20 juli 2020 aan partijen verzonden.

1.4 De moeder heeft het aangepaste klaagschrift van 21 januari 2020 onderbouwd met onder meer vijf geluidsopnames. De jeugdprofessional heeft op 11 februari 2020 gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen het inbrengen van deze geluidsopnames in de procedure. De gesprekken zijn zonder medeweten en zonder toestemming van de jeugdprofessional opgenomen. Tevens valt de authenticiteit van de gesprekken niet te controleren. Daarnaast is er een gesprek opgenomen tussen de moeder en een andere jeugdprofessional. Voor het opnemen van dit gesprek en het gebruik hiervan in de onderhavige tuchtprocedure is geen toestemming verleend.

1.5 Op grond van artikel 8.11 van het Tuchtreglement van SKJ, versie 1.3, kunnen partijen beeld- en geluidsopnames, voorzien van transcripties, in de tuchtprocedure inbrengen. Indien de wederpartij gemotiveerd bezwaar maakt, bepaalt de voorzitter of de overgelegde beeld- en geluidsopnames worden toegelaten tot de procedure. Het gemotiveerde bezwaar van de jeugdprofessional zoals onder 1.4 van deze beslissing is weergegeven, is voorgelegd aan de voorzitter. Op grond van voornoemd artikel heeft de voorzitter bepaald dat twee van de vijf overgelegde geluidsopnames niet tot de procedure worden toegelaten, omdat er derde partijen (de ex-partner van de moeder en een andere jeugdprofessional) op deze geluidsopnames te horen zijn en geen expliciete toestemming is overgelegd voor het gebruik van deze geluidsopnames en transcripties in de onderhavige procedure.

1.6 Voor wat betreft de drie toegelaten geluidsopnames en bijbehorende transcripties wordt het volgende overwogen. In een tuchtprocedure is sprake van een vrij bewijsstelsel. Dat betekent dat in principe alle bewijsmiddelen kunnen worden overgelegd. De acceptatie en waardering daarvan is aan het College. Uit  jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het algemene maatschappelijke belang tot waarheidsvinding, en het belang dat partijen hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, in beginsel zwaarder dient te wegen dan het belang van uitsluiting van (onrechtmatig verkregen) bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende (zwaarwegende) omstandigheden, is bewijsuitsluiting gerechtvaardigd (Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942). Het standpunt van de jeugdprofessional dat de ingebrachte geluidsopnames en transcripties niet dienen te worden toegelaten omdat deze slechts enkele delen uit een gesprek beslaan en de authenticiteit van de geluidsopnames niet te controleren is, is naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende om te spreken van bijkomende (zwaarwegende) omstandigheden die het zouden rechtvaardigen deze geluidsopnames en transcripties niet toe te laten tot de procedure. Dat de geluidsopnames en transcripties niet het gehele gesprek beslaan, wordt door het College in de uiteindelijke bewijswaardering meegewogen.

2 De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een meerderjarige dochter, hierna aan te duiden als: de dochter, en een minderjarige zoon geboren in 2004, hierna aan te duiden als: de zoon.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de dochter en de zoon, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2017 gescheiden. Het ouderlijk gezag over de zoon wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de vader. De dochter woont bij de moeder.

2.3 Sinds september 2017 heeft de zoon geen contact meer met de moeder. Op 26 september 2017 is ambulante hulpverlening bij [de instelling 1] gestart. Op 6 december 2017 is gestart met het zorgaanbod [module] bij [de instelling 1], waarbij de doelen als volgt zijn geformuleerd: “Er is zicht op de aard en oorzaken van de complexe scheidingsproblematiek en op de afwijzing van moeder door [de zoon]”.

2.4 De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 juni 2018 de zoon voor de duur van 12 maanden onder toezicht gesteld. De kinderrechter oordeelt dat sprake is van een “verscheurd geraakte gezinssituatie en dat bij [de zoon] signalen worden waargenomen die duiden op ouderverstoting ten aanzien van zijn moeder.” Tevens dient er naar het oordeel van de kinderrechter

“middels hulpverlening in een verplicht kader gewerkt te gaan worden aan met name het opgroeien van [de zoon] met een zeer negatief moederbeeld, herstel van het contact tussen [de zoon] en moeder, […]. Het team [module] van [de instelling 1] moet worden geacht voldoende te zijn toegerust om in dit hulpverleningstraject een prominente rol te vervullen.” De ondertoezichtstelling is nadien verlengd en op 19 december 2019 geëindigd.

2.5 De ondertoezichtstelling van de zoon werd in eerste instantie uitgevoerd door een collega van de jeugdprofessional. Van 17 augustus 2018 tot aan de aanstelling van de jeugdprofessional worden de benodigde contacten onderhouden middels de bureaudienst van de GI. Sinds oktober 2018 is de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. De collega is niet meer betrokken.

2.6 In een overdrachtsgesprek tussen [de instelling 1] en de jeugdprofessional op 22 oktober 2018 blijkt dat het hulpverleningstraject is vastgelopen. De jeugdprofessional verzoekt [de instelling 1] om de mogelijkheden te bekijken om het hulpverleningstraject toch voort te zetten. Op 14 december 2018 maakt [de instelling 1] per e-mailbericht aan de jeugdprofessional kenbaar dat het, naar aanleiding van het doorlopen traject en op basis van de laatste berichten van de moeder, de vraag is of er grond is voor het ontstaan van een samenwerking. [De instelling 1] laat weten dat zij van mening is dat het hulpverleningstraject beter door een andere zorgaanbieder kan worden opgepakt, zodat daar een nieuwe start gemaakt kan worden.

2.7 Op 14 juni 2019 wordt bij beschikking van de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de zoon voor zes maanden verlengd. De GI heeft aangegeven een ultieme poging te willen doen om te onderzoeken waarin de weerstand bij de zoon is gelegen voor contact met zijn moeder. De GI wil hiervoor een traject inzetten bij [de instelling 2], om te onderzoeken hoe authentiek het standpunt van de zoon is, om geen contact met de moeder te willen. Beide ouders ondersteunen dit traject. De kinderrechter oordeelt dat dit traject een eerlijke kans moet worden gegeven nu dit een van de laatste opties lijkt voor realisatie van contactherstel tussen de moeder en de zoon. Een onderzoek naar ouderverstoting wordt op dat moment door de kinderrechter een te zwaar middel geacht. Het zou volgens de kinderrechter goed zijn als de moeder en de GI hierover nog eens het gesprek met elkaar voeren.

2.8 Op 18 juni 2019 vindt er een gesprek plaats met de zoon en de systeemtherapeut van [de instelling 2]. Van dit gesprek is een verslag opgesteld met de titel ‘systeemonderzoek [de instelling 2]’. [De instelling 2] heeft geconstateerd dat er weinig ruimte is bij de zoon voor contactherstel met de moeder en dat er sprake is van oudervervreemding/hybride verstoting.  In het verslag staat het advies de hulpverlening te richten op de moeder om haar te ondersteunen in hoe zij op een voor haar en de zoon gepaste manier kan toewerken naar contactherstel.

2.9 De GI verzoekt op 23 september 2019 om de ondertoezichtstelling vroegtijdig te beëindigen, omdat het voor hen duidelijk is dat er geen ruimte bij de zoon is voor contactherstel met de moeder. De zoon heeft in een brief aan de kinderrechter aangegeven geen contact meer met zijn moeder te willen en geen behoefte te hebben om steeds over de moeder te moeten praten. Bij beschikking van de kinderrechter van 2 oktober 2019 wordt voornoemd verzoek van de GI afgewezen. Ter zitting wordt afgesproken dat er eenmalig een gesprek wordt gerealiseerd tussen de moeder en de zoon, waarin de zoon de kans krijgt om vanuit zijn beleving aan de moeder duidelijk te maken waarom hij geen contact meer met haar wil.

2.10 Op verzoek van de zoon heeft voornoemd gesprek niet plaatsgevonden. Hij heeft zijn standpunt op papier gezet en de jeugdprofessional heeft hiervan per e-mailbericht een afschrift naar de moeder toegestuurd.

2.11 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2017 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4 De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Het plan van aanpak is nooit met de moeder besproken. Zij heeft geen eigen inbreng kunnen leveren en er staan geen doelen, noch een tijdspad in opgenomen. Dit heeft de moeder zelf constant aangegeven.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft zonder behandelplan gewerkt. In de plannen van aanpak staan geen doelen en geen tijdspad opgenomen. De moeder heeft hier zelf vaak om gevraagd en zelfs een eigen plan van aanpak opgesteld. Vanuit de jeugdprofessional zijn geen reacties gekomen. De moeder voelde zich niet gehoord en niet serieus genomen. Zij heeft dit genoeg kenbaar gemaakt bij de jeugdprofessional. Hij heeft hier niets mee gedaan.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Het eerste plan van aanpak is gebaseerd op informatie en doelen uit het raadsrapport en de beschikking van de kinderrechter van 19 juni 2018. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) als de kinderrechter spreken uit dat het van belang is dat het traject bij [de instelling 1] wordt gevolgd en dat daarmee wordt gewerkt aan contactherstel en het normaliseren van de oudercommunicatie. [De instelling 1] heeft daar een uitgebreid plan van aanpak voor geschreven. De collega van de jeugdprofessional heeft het eerste plan van aanpak d.d. 1 augustus 2018 opgesteld. De mening van de ouders en de zoon konden nog opgenomen worden. Dat proces is verstoord door de klachtenprocedure tegen de collega van de jeugdprofessional en de wisseling van jeugdbeschermer. De jeugdprofessional heeft de moeder gehoord in haar vraag om een plan van aanpak en haar terugverwezen naar de doelen van het reeds opgestelde plan. Bij de start van de jeugdprofessional als jeugdbeschermer in dit gezin had [de instelling 1] al min of meer besloten dat zij zou stoppen met de hulpverlening. De moeder heeft antwoord gekregen op haar vragen voor wat betreft het contactherstel en wat zij daarin zou kunnen betekenen. De moeder is geadviseerd om vooral terughoudend te zijn in het contact zoeken met de zoon, om hem daarmee ruimte te geven om op termijn zelf een stap richting de moeder te zetten. De moeder blijft echter vasthouden aan haar mening dat er sprake is van ouderverstoting en dat tijd haar grootste vijand is. De opmerkingen van de moeder zijn opgenomen bij de evaluatie van het plan van aanpak voor de verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.1.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Uit een e-mailbericht van [de instelling 1] d.d. 29 augustus 2019 blijkt dat zij nog open staat om opnieuw naar de casus te kijken. De jeugdprofessional heeft altijd het beeld gegeven dat [de instelling 1] niets meer voor de casus wilde doen. Uit alle bijgevoegde plannen van aanpak bij het verweerschrift van de jeugdprofessional, kan de moeder geen duidelijke doelen halen. De jeugdprofessional heeft de moeder hier ook nooit duidelijkheid over gegeven. De moeder vindt het opvallend dat de jeugdprofessional een negatief beeld van haar schetst, terwijl zij altijd heeft benoemd dat zij wil samenwerken. De jeugdprofessional was niet helder en transparant in de communicatie met de moeder. Dat blijkt ook duidelijk uit de plannen van aanpak en de overgelegde e-mailcorrespondentie.

4.1.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Uit e-mailcorrespondentie tussen de jeugdprofessional en [de instelling 1] (zoals onder 2.6 van deze beslissing is weergeven) blijkt dat de zaak qua inhoud geschikt was voor [de instelling 1], maar dat er te weinig grond voor een samenwerking werd gezien, met name vanuit de moeder. De moeder heeft in haar reacties die opgenomen zijn in het eindverslag duidelijk laten merken geen vertrouwen te hebben in de lijn en expertise van [de instelling 1]. Dat is ook de strekking van het contact tussen de moeder en de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft getracht het met de moeder te hebben over een andere manier van denken en doen van haar zijde. Dat is ook steeds onderwerp van gesprek geweest bij de hulpverlening en tijdens zittingen bij de rechtbank. De moeder is er echter van overtuigd dat er sprake is van ouderverstoting en dat elke ander wijze van aanpak tijd kost, en tijd is haar grootste vijand. Helaas is het niet gelukt om in deze nader tot elkaar te komen. Het is niet de bedoeling van de jeugdprofessional om de moeder negatief of schuldig neer te zetten, maar wel om duidelijk te maken waar de samenwerking met de hulpverlening en tussen de jeugdprofessional en de moeder op stuk is gelopen.

4.1.5 Het College overweegt als volgt:
Het College zal zich in de beoordeling van dit klachtonderdeel, voor wat betreft het niet bespreken van het plan van aanpak, beperken tot het vervolgplan van aanpak van 23 april 2019 en van 23 september 2019, aangezien de jeugdprofessional nog niet betrokken was ten tijde van het opstellen van het eerste plan van aanpak van 1 augustus 2018.
Uit de evaluatie en het vervolgplan van aanpak d.d. 23 april 2019 blijkt dat de jeugdprofessional overleg heeft gehad met zowel de moeder, als de vader en de zoon. Onder het kopje ‘4. Hoe is de samenwerking verlopen (wat ging er goed en wat niet)?’ staat het volgende: “Moeder is van mening dat er helemaal niets wordt bereikt en dat er een onderzoek naar ouderverstoting in moet worden gesteld. Daarnaast is moeder van mening dat dit plan van aanpak eigenlijk niets inhoudt en dat het niet met haar is besproken.” Uit de overgelegde e-mailberichten bij het klaagschrift leest het College dat de moeder op 17 mei 2019 en 4 augustus 2019 aangeeft dat het vervolgplan van aanpak niet met haar is besproken en zij daarom niet akkoord kan gaan met de inhoud hiervan, hetgeen overeenkomt met wat in de evaluatie en het vervolgplan van aanpak is opgenomen onder het voornoemd kopje. Dat de moeder het niet eens is met de inhoud van het vervolgplan van aanpak, maakt niet dat het niet met haar is besproken. Bovendien staat in de beschikking van de kinderrechter d.d. 14 juni 2019 opgenomen dat de moeder heeft aangegeven dat het vervolgplan van aanpak inmiddels achterhaald is. Dit veronderstelt dat de moeder het vervolgplan van aanpak heeft ingezien, dan wel dat dit met haar is besproken. Het College verklaart dit gedeelte van de klacht ongegrond.
Het gedeelte van de klacht waarin de moeder stelt dat zij geen eigen inbreng heeft kunnen leveren voor het vervolgplan van aanpak verklaart het College eveneens ongegrond. Onder het kopje ‘3. Wat ging niet goed in de ontwikkeling van [de zoon] en hoe gaat het nu?’ is de mening van de ouders opgenomen. Tevens is in de evaluatie en het vervolgplan van aanpak d.d. 23 september 2019, onder hetzelfde kopje, de reactie van beide ouders opgenomen.
Voor betreft het verwijt dat er geen doelen staan opgenomen in het vervolgplan van aanpak, overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat het eerste plan van aanpak, zoals door de vorige jeugdbeschermer is opgesteld, en de vervolgplannen van aanpak, zoals door de jeugdprofessional zijn opgesteld, dezelfde lay-out hebben. Kennelijk is deze lay-out het format van de GI dat gebruikt wordt bij het opstellen van een plan van aanpak. Onder bovengenoemd kopje 3 staat het kopje ‘Wat zou goed zijn?’ opgenomen. Onder dit kopje leest het College de volgende twee doelen: “de zoon heeft een gezond moederbeeld en hij heeft positief contact met zijn beide ouders (passend bij zijn ontwikkelingsbehoeften).
Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie bij het klaagschrift blijkt dat de moeder in de periode november 2018 tot en met april 2019 meermaals om verduidelijking van het plan van aanpak en de daarbij behorende doelen heeft verzocht. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om de moeder te wijzen op het voornoemde kopje en de opgenomen doelen. Voor zover de jeugdprofessional in zijn verweer stelt dit gedaan te hebben, leest het College dit niet terug in de overgelegde e-mailcorrespondentie. In plaats van de moeder duidelijk op de opgenomen doelen te wijzen, heeft de jeugdprofessional haar terugverwezen naar het reeds opgestelde plan van aanpak door de vorige jeugdbeschermer. Gelet op het feit dat de moeder in een periode van vijf maanden meermaals om duidelijkheid heeft verzocht met betrekking tot de doelen was het naar het oordeel van het College beter geweest als de jeugdprofessional de moeder expliciet op de opgenomen doelen had gewezen dan wel concreter had benoemd. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er echter niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund, maar of hij met zijn handelen binnen de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening is gebleven. Het College oordeelt dat dit het geval is en verklaart dit gedeelte van de klacht derhalve ongegrond. Wel wil het College de jeugdprofessional meegeven dat het bespreekbaar maken van onduidelijkheden die bij cliënten spelen en daar eventueel het gesprek over aangaan op instellingsniveau, ook valt onder de verantwoordelijkheid van een autonoom handelend (jeugd)professional. Tot slot oordeelt het College voor wat betreft het ontbreken van een tijdspad als volgt. Het College stelt vast dat er in het plan van aanpak inderdaad geen tijdspad is opgenomen. Een tijdspad is kennelijk geen onderdeel van het format van de GI voor een plan van aanpak, maar mede gelet op het aandringen van de moeder om een tijdspad op te nemen, was het beter geweest als de jeugdprofessional, dit toch had opgenomen dan wel had verstrekt aan de moeder. Het College oordeelt dat ook dit handelen beter had gekund, maar dat de jeugdprofessional ook hier niet buiten de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening is getreden.

4.1.6 Het College heeft de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek buiten beschouwing gelaten in dit oordeel, omdat deze conclusies niet toezien op het klachtonderdeel zoals geformuleerd door de moeder.

4.1.7 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Opzettelijk de rechter verkeerd informeren met een systeemonderzoek vanuit [de instelling 2].

Toelichting:
[De instelling 2] heeft in opdracht van de jeugdprofessional een systeemonderzoek uitgevoerd. Hier staan aantoonbare grove fouten in. Zo staat er boven het verslag van [de instelling 2] dat het een ‘systeemonderzoek’ is. Er zijn conclusies getrokken en er is een eindadvies opgesteld zonder dat de moeder gesproken is. Het systeem van de zoon bestaat uit vier personen en niet enkel de zoon. Al deze mensen zijn niet gesproken. Dit maakt dat geen sprake is geweest van een systeemonderzoek. De moeder heeft de jeugdprofessional hierover ingelicht, maar de jeugdprofessional heeft het verslag van [de instelling 2] toch ingediend bij de rechtbank. De jeugdprofessional heeft daarmee willens en wetens gelogen in de rechtbank.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Er is gekozen – met toestemming van beide ouders – om [de instelling 2] in te zetten als hulpverlenende instantie na het stopzetten van het traject bij [de instelling 1]. [De instelling 2] heeft een gesprek met de ouders en de zoon gehad en tevens achtergrondinformatie ontvangen van de jeugdprofessional. [De instelling 2] heeft vervolgens een verslag gemaakt van het gesprek met de zoon en daaraan een conclusie en een advies verbonden, zoals opgenomen onder 2.8 van deze beslissing. De moeder is het hier echter niet mee eens en is van mening dat de term ‘hybride ouderverstoting’ door [de instelling 2] op een volledig foutieve wijze wordt geïnterpreteerd. De jeugdprofessional heeft hierover contact opgenomen met [de instelling 2]. Zij blijven achter de conclusie en het advies staan en hebben hierover ook contact gehad met de moeder. De jeugdprofessional heeft het verslag van [de instelling 2] vervolgens gebruikt in het verzoek naar de rechtbank inzake de tussentijdse beëindiging van de ondertoezichtstelling. Daarbij twijfelt de jeugdprofessional niet aan de expertise van [de instelling 2].

4.2.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De moeder heeft reeds eerder een klacht bij het College van Toezicht ingediend tegen de systeemtherapeut van [de instelling 2] die het verslag ‘systeemonderzoek’ heeft opgesteld. Het behandelend College in die zaak heeft klachtonderdeel 1 gegrond verklaard: “Het College concludeert dat de [systeemtherapeut] ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ heeft gebruikt en dat hij het onderzoek onvoldoende deskundig op basis van actuele kennis en daarom niet conform de beroepsstandaard heeft uitgevoerd.” De jeugdprofessional stond en staat achter voornoemd verslag. Sterker nog, hij heeft het ingediend bij de rechtbank en daardoor is de rechter willens en wetens verkeerd geïnformeerd door de jeugdprofessional. De jeugdprofessional was regiehouder, dus verantwoordelijk.

4.2.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Voor zover bij hem bekend, is er niets gezegd in de procedure met betrekking tot [de instelling 2] over de inhoud van het onderzoek. Het onderzoek is ingebracht in een procedure bij de rechtbank. Alle partijen zijn daar gehoord en de kinderrechter heeft daarop beschikt.

4.2.5 Het College overweegt als volgt:
Uit de beschikking van de kinderrechter d.d. 14 juni 2019 blijkt dat de moeder onder meer aan de kinderrechter heeft verzocht dat de GI [de instelling 2] een actieve rol dient te geven, zowel bij het onderzoek naar ouderverstoting, als in het geval dat deze diagnose wordt gesteld, bij de vervolghulpverlening. De GI heeft aangegeven een traject te willen inzetten waarbij in eerste instantie twee gesprekken zouden plaatsvinden tussen een hulpverlener van [de instelling 2] en de zoon. Bij een positief verloop zal er ingestoken worden op een gesprek tussen de zoon en de moeder. Uit het verslag van [de instelling 2] blijkt dat  een gesprek met de zoon heeft plaatsgevonden, evenals een gesprek met de jeugdprofessional en dat sprake is geweest van een dossieranalyse. Dat de systeemtherapeut boven dit verslag ‘systeemonderzoek’ heeft gezet, valt niet tuchtrechtelijk aan de jeugdprofessional te verwijten. De jeugdprofessional heeft naar aanleiding van het e-mailbericht van de moeder waarin zij verzoekt het verslag ‘systeemonderzoek’ niet te gebruiken in de procedure om de ondertoezichtstelling tussentijds te beëindigen, contact opgenomen met de systeemtherapeut. De systeemtherapeut heeft toen aangegeven achter zijn verslag te staan. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional heeft mogen vertrouwen op de expertise van de systeemtherapeut van [de instelling 2]. Dat de moeder in haar conclusie van repliek aangeeft dat het College van Toezicht reeds eerder heeft geoordeeld dat het begrip ‘systeemonderzoek’ ten onrechte is gebruikt en dat het onderzoek onvoldoende deskundig en niet conform de beroepsstandaard is uitgevoerd, kan de jeugdprofessional niet achteraf worden tegengeworpen. Het College volgt de jeugdprofessional in zijn conclusie van dupliek en oordeelt dat hij de rechter niet opzettelijk verkeerd heeft geïnformeerd door het indienen van het verslag ‘systeemonderzoek’. Daarbij heeft de moeder tijdens de voornoemde procedure bij de rechtbank haar visie over het verslag ‘systeemonderzoek’ kenbaar kunnen maken. Het is vervolgens aan de kinderrechter om een waardeoordeel te hechten aan hetgeen tijdens de procedure door partijen wordt ingebracht.

4.2.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
Opzienbarende uitspraken.

Toelichting:
De moeder heeft alle gesprekken opgenomen die zij gevoerd heeft met de jeugdprofessional. Zij heeft hiervan transcripties overgelegd. De uitspraken van de jeugdprofessional passen niet binnen de gedragscodes.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Wat er in de gesprekken gebeurt, is dat de moeder ervan overtuigd is dat sprake is van ouderverstoting. Tevens heeft de moeder geen vertrouwen in de betrokken hulpverlening. De beide ouders, maar vooral de moeder, hebben het [de instelling 1] vrijwel onmogelijk gemaakt om hun traject voort te zetten. Vervolgens wordt de hulpverlening gestopt en wordt de vraag bij de jeugdprofessional neergelegd wat de volgende stap is. De jeugdprofessional heeft steeds geprobeerd om deze vraag terug te leggen en om voorbeelden uit eigen ervaring naar voren te brengen om het beeld van de moeder mogelijk enigszins te relativeren. De moeder blijft echter overtuigd dat zij het bij het rechte eind heeft en dat alle betrokkenen in de verkeerde richting zoeken. Dan worden de gegeven antwoorden soms wat stekeliger of op verkeerde wijze geïnterpreteerd. De jeugdprofessional heeft in de gesprekken getracht duidelijk te maken dat iedere situatie en ieder kind uniek is. Natuurlijk is ouderverstoting schadelijk en een vorm van mishandeling, maar er zijn meerdere vormen. Helaas blijft de moeder ervan overtuigd dat de vader hierin een zeer kwalijke rol speelt. De moeder is niet in staat om andere invalshoeken van [de instelling 1], [de instelling 2] of de GI serieus te nemen.

4.3.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Wat de moeder voornamelijk uit het verweerschrift van de jeugdprofessional haalt, is dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor de uitspraken die hij doet. Het ligt altijd aan iemand anders dan de jeugdprofessional en het is niet zijn schuld. Dit laat volgens de moeder zien dat de jeugdprofessional geen zelfinzicht heeft en geen verantwoordelijkheid neemt. De jeugdprofessional wordt aangesproken op zijn eigen uitspraken en hij legt direct de schuld bij anderen neer.

4.3.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De jeugdprofessional is het niet eens met wat de moeder schrijft over het ontbreken van zelfreflectie en het niet nemen van verantwoordelijkheid. Het is van groot belang dat een kind ontspannen contact kan onderhouden met beide ouders. De jeugdprofessional heeft getracht dit met de moeder te bespreken en met name haar eigen aandeel hierin nader te bekijken. Telkens bleek dat de moeder eerst een uitspraak wilde over of er sprake was van ouderverstoting, omdat zij overtuigd is dat dit het geval is. Dit meningsverschil is regelmatig onderwerp van gesprek geweest met collega’s van de jeugdprofessional.

De jeugdprofessional weet dat ouderverstoting als kindermishandeling wordt aangemerkt, maar doelde in zijn verweerschrift op de verschillende vormen van ouderverstoting/oudervervreemding. Ook [de instelling 2] hanteert een term (‘hybride ouderverstoting’) die duidt op een specifieke vorm van ouderverstoting. Ouderverstoting binnen complexe echtscheidingen heeft landelijk, ook binnen de GI, de volle aandacht. Helaas blijft het verschil van mening tussen de moeder en de jeugdprofessional over oorzaak en gevolg bestaan.

4.3.5 Het College overweegt als volgt:
Allereerst merkt het College op dat de moeder niet concreet heeft gemaakt waarom de uitspraken, zoals opgenomen in de bijlagen bij dit klachtonderdeel, niet passen binnen de gedrags- of beroepscodes. Het College heeft de ingebrachte geluidsopnames beluisterd en de transcripties hiervan gelezen. De genoemde uitspraken  dienen in de context van de betreffende geluidsopname/gesprekken te worden geplaatst. Het College concludeert dat er in de gesprekken tussen de moeder en de jeugdprofessional geen buitenproportionele/opzienbarende dingen zijn gezegd die maken dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft.

4.3.6 In haar conclusie van repliek heeft de moeder gesteld dat de jeugdprofessional geen verantwoordelijkheid neemt voor de gedane uitspraken. Nu het College heeft geoordeeld dat er binnen de context van de gevoerde gesprekken geen sprake is van opzienbarende uitspraken, wordt de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek voor wat betreft dit klachtonderdeel buiten beschouwing gelaten.

4.3.7 Ten overvloede wil het College nog het volgende meegeven. Het is bekend dat ouders/verzorgers binnen de jeugdhulpverlening met enige regelmaat gesprekken opnemen tussen hen en de betreffende jeugdprofessional(s). Dit gebeurt met of zonder toestemming van de jeugdprofessional. Indien dergelijke opnames overgelegd worden in een tuchtprocedure, geldt hetgeen onder 1.6 overwogen, namelijk dat binnen het tuchtrecht sprake is van een vrij bewijsstelsel. Dit betekent echter niet dat wanneer geluidsopnames ingebracht worden in een procedure bij het College, de setting van de geluidsopname(n) niet wordt meegenomen in de bewijswaardering. Het College acht het evident dat wanneer geklaagd wordt over bepaalde uitspraken van een jeugdprofessional, deze uitspraken ten alle tijden in de context van het gesprek dienen te worden beluisterd en gelezen. Tevens is het aan de klager om aan te geven waarom de gedane uitspraak/uitspraken zo ernstig is/zijn dat de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

4.3.8 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional heeft niet gehandeld volgens de meldcode kindermishandeling.

Toelichting:
In mei 2019 heeft de RvdK ouderverstoting erkend als kindermishandeling. Ouderverstoting en oudervervreemding betekenen hetzelfde. Het staat in het verslag van [de instelling 2] zwart op wit dat er sprake is van oudervervreemding. De jeugdprofessional heeft hier niet naar gehandeld, hij had de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna te noemen: de meldcode), moeten volgen. De veiligheidslijst die de moeder als bijlage bij haar klacht heeft toegevoegd, is na het verslag van [de instelling 2] ingevuld door de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft het risico op kindermishandeling in de veiligheidslijst beoordeeld met een zeven, waarbij een tien betekent dat er een laag risico op kindermishandeling is. Ouderverstoting is kindermishandeling, maar de jeugdprofessional heeft dit nergens benoemd in de veiligheidslijst. De veiligheidslijst is dus niet naar waarheid ingevuld.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Ook in dit klachtonderdeel geeft de moeder een andere invulling aan de term ouderverstoting/oudervervreemding. Het verslag van [de instelling 2] is helder. De meldcode kindermishandeling is niet op zijn plaats. Er is een ondertoezichtstelling en zicht op de situatie van de zoon. Alleen ontbreekt overeenstemming, met in dit geval de moeder, over wat er aan de hand is.

4.4.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
De moeder verwijst naar het bij haar klaagschrift overgelegde informatieblad van de RvdK “proces oudervervreemding/ouderverstoting na scheiding”. In dit informatieblad staat heel duidelijk onder het kopje ‘Onderzoeken en (h)erkennen ouderverstoting/oudervervreemding’ het volgende: “Bij herkenning van de beschreven signalen is het zaak om én goed feitenonderzoek te doen (waarheidsvinding) én verder en dieper te kijken naar de dynamiek in het gezin en naar het kind om zo een tijdige verwijzing te doen naar de juiste hulpverlening. Beide ouders hebben los van elkaar professionele hulp nodig om te leren zich als ouders te gedragen en steunend om te gaan met het kind. In plaats van alle aandacht voor de ‘boze’ ouder, is het van belang tevens aandacht te besteden aan het gedrag van de afwijzende ouder. De ‘boze’ ouder kan daarentegen baat hebben bij een assertiviteitstraining. Voor het kind is het van belang een eigen vertrouwenspersoon c.q. hulpverlener te hebben.” De jeugdprofessional stelt in zijn verweerschrift dat er zicht op de situatie met de zoon is. De jeugdprofessional heeft twee gesprekken met de zoon gehad en vanuit [de instelling 2] is er één gesprek met de zoon geweest. De moeder vraagt zich af hoe er dan zicht kan zijn (geweest) op de zoon terwijl de ondertoezichtstelling anderhalf jaar heeft geduurd. De ondertoezichtstelling is op 19 december 2019 geëindigd. Op dit moment is er geen hulpverlening.

4.4.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
Er was sprake van een ondertoezichtstelling. De melding van kindermishandeling komt dan bij de betrokken jeugdbeschermer van de GI terecht. Het gezinssysteem was bij aanvang van de ondertoezichtstelling in een intensief hulpverleningsprogramma bij [de instelling 1] opgenomen. De redenen waarom dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, zijn reeds benoemd. Terugkijkend op dit proces heeft het ontbreken van regie hier wellicht een rol gespeeld. Er heeft namelijk enige tijd gezeten tussen het stoppen van de vorige jeugdbeschermer en de start van de jeugdprofessional. Er had bijvoorbeeld met aanwijzingen naar beide ouders gewerkt kunnen worden om ervoor te zorgen dat het traject bij [de instelling 1] door kon lopen. Bij de start van de jeugdprofessional was het besluit feitelijk al genomen dat [de instelling 1] zich terugtrok.

4.4.5 Het College overweegt als volgt:
Oudervervreemding, ouderverstoting en ernstige loyaliteitsproblemen hangen sterk samen met ernstige ouderlijke conflicten. Al deze fenomenen zijn negatief voor de ontwikkeling van een kind en kunnen deze (ernstig) bedreigen. Hetgeen ook door de RvdK in het voornoemd nieuwsbericht staat opgenomen: “Onrechtmatig contactverlies van een kind met zijn ouder ziet de RvdK als een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van het kind”. In dit nieuwsbericht leest het College niet dat de RvdK ouderverstoting heeft erkend als kindermishandeling. Het College overweegt voorts dat indien er sprake is van een onderzoek in een gezin (bijvoorbeeld door de RvdK), de conclusie van het onderzoek kan zijn dat er sprake is van kindermishandeling, waarvan het gevolg is dat bij een kind sprake is van ouderverstoting van (een van) de ouder(s). Dit betekent echter niet dat ouderverstoting gelijk staat aan kindermishandeling. Het College concludeert derhalve dat ouderverstoting/oudervervreemding niet is erkend (door de RvdK) als zijnde kindermishandeling, maar dat dit wel als gevolg van kindermishandeling kan optreden. De meldcode is daarom in de onderhavige casus niet op zijn plaats.
Het College wil de jeugdprofessional – en de beroepsgroep in het algemeen – het volgende nog meegeven. De jeugdprofessional stelt in zijn verweerschrift en conclusie van dupliek dat de meldcode niet op zijn plaats is, omdat er door de ondertoezichtstelling zicht op de zoon was en een melding van kindermishandeling dan bij de betrokken jeugdbeschermer van de GI komt. Naar het oordeel van het College is deze stelling onjuist. Ook wanneer er sprake is van een ondertoezichtstelling kan de meldcode van toepassing zijn. De meldcode zorgt ervoor dat alle meldingen wegens (vermoeden van) kindermishandeling bij Veilig Thuis terecht komen, zodat deze zijn radarfunctie kan uitoefenen. De radarfunctie heeft als doel om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de aard en ernst van de problematiek, zodat er een passende interventie ingezet kan worden ten aanzien van de veiligheid van het kind. Tijdens een ondertoezichtstelling kan er een nieuwe situatie ontstaan waardoor de veiligheid van het kind in het geding is. Ook dan dient een jeugdprofessional de stappen in de meldcode te volgen en, als de meldcode hier om vraagt, een melding te doen bij Veilig Thuis.
Voor zover de moeder stelt dat de jeugdprofessional de veiligheidslijst niet naar waarheid heeft ingevuld, omdat de jeugdprofessional niet heeft aangegeven dat er volgens de moeder sprake is van ouderverstoting, overweegt het College als volgt. In de door de moeder bijgevoegde veiligheidslijst leest het College onder het kopje ‘Eindoordeel risico’s en veiligheid. Weging van bovenstaande uitkomsten.’ het volgende: “ [De zoon] is in gesprek geweest met [de instelling 2]. Zij zijn van mening dat er sprake is van ‘hybride ouderverstoting’. Het College heeft hierboven reeds uitgelegd dat ouderverstoting niet is erkend als kindermishandeling. De jeugdprofessional heeft de mening van [de instelling 2], voor wat betreft hybride ouderverstoting, weergegeven in het eindoordeel van de veiligheidslijst. Het College concludeert derhalve dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld bij het invullen van de veiligheidslijst.

4.4.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:
De jeugdprofessional doet niet aan waarheidsvinding. De moeder verwijst hiervoor naar artikel 3.3. van de Jeugdwet.

Toelichting:
Gelet op de voornoemde klachten is het duidelijk dat de jeugdprofessional niet aan waarheidsvinding doet. Dit staat duidelijk in artikel 3.3. van de Jeugdwet. De moeder verwijst hiervoor naar klachtonderdeel 2 voor wat betreft het verkeerd inlichten van de rechter. Tevens verwijst de moeder naar klachtonderdeel 3 voor wat betreft de gedane uitspraken. Tot slot verwijst de moeder naar klachtonderdeel 4, waarin wordt gesteld dat de veiligheidslijst niet naar waarheid is ingevuld.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
In een complexe echtscheiding tracht de GI, samen met ingezette hulpverlening, zoveel als mogelijk feiten boven tafel te krijgen. Valkuil is dat meningen van de ouders dit proces vertroebelen. Door met meerdere bronnen contact op te nemen, zoals de RvdK, [de instelling 1] en de GI hebben gedaan, wordt er een zo compleet mogelijk beeld geschetst. De jeugdprofessional heeft gesprekken gehad met de ouders, de zoon, ingezette hulpverlening en de school. Dat betekent echter niet dat er dan overeenstemming is met betrokkenen over hoe die feiten vervolgens worden geïnterpreteerd of gebruikt in de hulpverleningslijn. Helaas is het niet gelukt om hier met de moeder over op één lijn te komen.

4.5.3 De moeder voert in de conclusie van repliek het volgende aan:
Voor zover de jeugdprofessional stelt dat hij heeft geprobeerd zoveel mogelijk feiten boven tafel te krijgen, heeft hij de feiten die er echt toe doen nooit benoemd. Er liggen vijf beschikkingen waarin een zorg- en contactregeling is vastgesteld. De vader is deze beschikkingen, zelfs met opgelegde dwangsommen, nooit nagekomen. Niemand van de hulpverlening heeft een beeld van de situatie van de zoon. De zoon heeft eigenlijk met niemand van de hulpverlening echt contact gehad. Het waren gesprekken van vijf à tien minuten. Ouderverstoting is vastgesteld bij [de instelling 3], de rechtbank en bij [de instelling 2]. Het valt de moeder op dat de jeugdprofessional niet reflecteert op zijn eigen handelen en weer de schuld buiten zichzelf legt.

4.5.4 De jeugdprofessional voert in de conclusie van dupliek het volgende aan:
De basis voor de ondertoezichtstelling is het rapport van de RvdK van 7 juni 2018 en de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2018. Tijdens de betrokkenheid van de jeugdprofessional is veel meer ingezet om ruimte te zoeken voor een vorm van contactherstel. Alleen [de instelling 2] spreekt over een vorm van ouderverstoting, met daaraan gekoppeld hun conclusie en advies. De rechter en [de instelling 3] hebben geen ouderverstoting vastgesteld, maar spreken van ‘signalen van’ ouderverstoting.

4.5.5 Het College overweegt als volgt:
Op grond van artikel 3.3 van de Jeugdwet is de GI verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. In de richtlijn ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ onder het kopje 4.3 ‘Omgaan met ouders’ staat hierover het volgende opgenomen: “De Jeugdwet hanteert het uitgangspunt dat de jeugdhulp en jeugdbescherming zich binnen het redelijke, tot het uiterste inspant om feiten en omstandigheden te achterhalen, voor zover die van doorslaggevend belang zijn voor het maken van de zorgvuldige inschatting van de veiligheid en ontwikkeling van het kind.” Het College volgt de jeugdprofessional in zijn standpunt dat verschillende meningen van de ouders het proces van waarheidsvinding kan vertroebelen. Van een jeugdprofessional kan niet worden gevraagd om in elk voorkomend geval onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van beweringen van ouders die over en weer worden gedaan (zoals ook werd geoordeeld door het College van Beroep in zaaknummer 19.013B in overweging 4.3.5). De jeugdprofessional heeft in de onderhavige casus met meerdere bronnen contact opgenomen om zo te komen tot hetgeen hij heeft opgenomen in de evaluatieverslagen plannen van aanpak en de veiligheidslijst en met betrekking tot het infomeren van de rechter. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional heeft gedaan wat van hem verwacht wordt. Door bij verschillende bronnen informatie op te vragen heeft hij, mede tegen de achtergrond van de opdracht die hij van de kinderrechter heeft meegekregen, geprobeerd een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van de situatie.

4.5.6 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

5 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 20 juli 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns                                                 mevrouw mr. M.R. Veerman

voorzitter                                                                                     secretaris