Maak een selectie

727 van 727

   

Beklaagde wordt verweten dat zij de privacy van klager heeft geschonden, partijdig is en de zoon van klager opzettelijk benadeeld heeft in diens gezondheid

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en geoordeeld in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mr. A.R.O Mooy, lid-jurist,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. N. Jacobs.

Het College heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de door:

[klager], hierna te noemen: klager, ingediende klacht tegen:

[aangeklaagde], hierna te noemen: aangeklaagde.

Als gemachtigde van aangeklaagde is opgetreden mr. E.J.C. de Jong, KBS advocaten.

 1 Het verloop van de procedure

Op 20 november 2014 ontvangt het College een klachtschrift d.d. 19 november 2014 met dertien bijlagen van klager. Aan aangeklaagde wordt verweer gevraagd. Gemachtigde van aangeklaagde verzoekt en krijgt tweemaal uitstel voor het indienen van het verweer. Op 2 februari 2015 ontvangt het College het verweerschrift d.d. 2 februari 2015. Klager verzoekt op 12 februari 2015 om te mogen reageren op het verweer. Klagers bericht bereikt het College eerst op 6 maart 2015. Het College besluit om aan klager geen repliek toe te staan omdat het zich met de inhoud van het klacht- en het verweerschrift voldoende geïnformeerd acht. Het College besluit dat het wenselijk is om partijen in zitting bijeen te horen en verzoekt partijen om op 12 maart 2015 daartoe te verschijnen. De hoorzitting vindt plaats in aanwezigheid van partijen. Voorts zijn aanwezig klagers gemachtigde en twee collega’s van aangeklaagde. Klager leest ter zitting een pleitnota voor. Aangeklaagde en de voorzitter ontvangen een exemplaar. De pleitnota wordt toegevoegd aan het dossier. Het College heeft in het raadkameroverleg aansluitend aan de hoorzitting uitspraak gedaan.

2 De ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Primair heeft aangeklaagde zich op het standpunt gesteld dat de klachten niet ontvankelijk dienen te zijn. Hij heeft daartoe aangedragen dat aangeklaagde op [datum] 2013 is geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd als jeugdzorgwerker. Aangeklaagde is tot [datum] 2014 als gezinsvoogd opgetreden. Het tuchtrecht voor jeugdzorgwerkers is eerst per 1 januari 2015 in werking getreden. Het reglement is op 6 oktober 2014 vastgesteld en voorziet niet in terugwerkende kracht van het tuchtrecht. Alleen handelen van aangeklaagde dat heeft plaatsgevonden na 31 december 2014 kan door het College van Toezicht tuchtrechtelijk worden getoetst. Aangeklaagde is echter al voor 1 januari 2015 niet meer als gezinsvoogd voor [de zoon] opgetreden en klager heeft geen klachten jegens aangeklaagde naar voren gebracht die plaatsvonden in de periode vanaf 1 januari 2015. Aangeklaagde is hierdoor van mening dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair is aangeklaagde van oordeel dat zij slechts tuchtrechtelijk getoetst kan worden vanaf de datum waarop zij is geregistreerd, te weten vanaf [datum] 2013. Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat het College bevoegd is zich een oordeel te vormen over zijn klacht.

3 De beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht en de bevoegdheid van het College

Het College stelt vast dat het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw) in opdracht van de Stuurgroep Professionalisering Jeugdzorg in de periode 2012 tot en met september 2014 de registratie van jeugdzorgwerkers heeft opgezet en uitgevoerd. BAMw heeft op 1 oktober 2014 het register van jeugdzorgwerkers overgedragen aan de op 13 maart 2013 opgerichte stichting, ‘Stichting Kwaliteitsregister Jeugd’ (SKJ). De stichting, houder van het Kwaliteitsregister Jeugd, is op 17 november 2014 door de Minister erkend (Staatscourant 33806, 28 november 2014). De stichting stelt zich onder meer ten doel dat de geregistreerde professionals zich binden aan de voor hun beroepsgroep geldende professionele standaard en om uitvoering te geven aan tuchtrechtspraak ten aanzien van de geregistreerden.

Het College stelt vast dat jeugdzorgwerkers die bij BAMw in de periode van 2012 tot en met september 2014 werden geregistreerd zich door deze registratie aan het stelsel van tuchtrecht onderwierpen, onder meer gevormd door een Beroepscode voor de jeugdzorgwerker en een reglement voor de tuchtrechtspraak, zoals dat door het College van Toezicht en het College van Beroep van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers werd toegepast.

Het College stelt vast dat de professionele normen voor de jeugdzorgwerker eind 2010 in de algemene ledenvergadering van de NVMW en van Phorza, de voormalige vereniging voor sociale, (ortho)pedagogische en hulpverlenende werkers zijn vastgesteld en zijn uitgegeven als ‘Beroepscode voor de jeugdzorgwerker’ in augustus 2012. Het College stelt vast dat aangeklaagde derhalve redelijkerwijs van het bestaan en de inhoud van de voor haar beroep geldende normen op de hoogte kon zijn bij aanvang van haar registratie op [datum] 2013.

Het College stelt vast dat aangeklaagde zich derhalve vanaf [datum] 2013 heeft onderworpen aan het stelsel van tuchtrecht zoals dat op dat moment voor haar beroepsuitoefening gold.

Het College stelt vast dat BAMw de voortzetting van de registratie van aangeklaagde als jeugdzorgwerker op 1 oktober 2014 aan de registerstichting, welke zich op dat moment het ook voor aangeklaagde kenbare doel stelde om tuchtrechtspraak toe te passen op geregistreerden, heeft overgedragen.

Het College stelt concluderend vast dat het College zich ontvankelijk kan achten om het handelen van aangeklaagde op geleide van de klacht van klager te toetsen aan de algemene tuchtnorm.

Het College stelt vast dat de bevoegdheid om als College op te treden berust op art. 13 van de statuten van de registerstichting welke statuten op 8 oktober 2014 zijn gepasseerd. Klagers klacht werd ontvangen op 20 november 2014. De leden van het College werden op 1 januari 2015 benoemd conform de in de statuten geldende voorschriften.

Het College acht zich derhalve bevoegd om de klacht van klager te behandelen.

Het College stelt vast dat het onderhavige klachtschrift voldoet aan de vereisten gesteld door art. 10 lid 1 sub a en lid 4, art. 11 en art. 12 van het Tuchtreglement. Het klachtschrift is derhalve ontvankelijk.

Op grond van het vorenstaande, ook in onderling verband beschouwd, komt het College tot het oordeel dat zij bevoegd is een oordeel te geven over de inhoud van de klacht van klager en dat klager ontvankelijk is. Hierbij merkt het College op dat bij een toewijzen van – een onderdeel van – de klacht zij niet toekomt aan het opleggen van een maatregel als bedoeld in artikel 3 van het Tuchtreglement nu dit op het moment van registratie van aangeklaagde niet bekend was gemaakt.

Het niet ontvankelijkheidsverweer van aangeklaagde wordt in al zijn onderdelen verworpen.

4 De feiten en het verloop van de gebeurtenissen

Klager is vader van een zoon, [de zoon], geboren in 2006. Klager heeft [de zoon] erkend, [de zoon zijn] moeder heeft eenhoofdig gezag. Klager en moeder hebben hun affectieve relatie in 2012 ontbonden. [De zoon] is op 25 september 2012 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. Aangeklaagde wordt per die datum als gezinsvoogd aan [de zoon] toegewezen. De uithuisplaatsing (uhp) wordt op 17 september 2013 verlengd tot 25 september 2014.

5 De klachten

Klager verwijt aangeklaagde samengevat het volgende.

I

Aangeklaagde heeft klagers privacy geschonden, misbruik van bevoegdheid gemaakt en de beroepscode geminacht doordat zij, hoewel daartoe niet gerechtigd noch bevoegd, klagers persoonsgegevens in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) heeft geraadpleegd. Ter zitting merkt klager op dat hij geruster over de bedoelingen van aangeklaagde zou zijn geweest als zij over de raadpleging van het GBA transparant was geweest.

II

Aangeklaagde heeft klagers zoon opzettelijk benadeeld in diens gezondheid. Zij heeft medische handelingen toegepast op de minderjarige [zoon] zonder grondslag en zonder bevoegdheid. Zij heeft medische gegevens beïnvloed en verstrekt. Zij heeft bewust informatie over een medische behandeling van [de zoon] voor klager achtergehouden. Ter onderbouwing stelt klager het volgende. Klager wordt door aangeklaagde uitgenodigd om op 19 november 2013 bij [het ziekenhuis] deel te nemen aan een onderzoek. De uitkomsten van het onderzoek zullen onder meer dienen ter beantwoording van de vraag of de omgang van klager met [de zoon] zal worden uitgebreid. Op 11 februari 2014 ontvangt klager de einduitslag van het onderzoek. Daarin staat geen antwoord op de vraag of het omgangscontact zal worden uitgebreid. Wel staat er in dat bij [de zoon] [diagnose] is vastgesteld en dat hij medicatie zal krijgen. Op 29 augustus 2014 krijgt klager van de raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) een deel van het raadsrapport waarin een verklaring van pleegmoeder wordt weergegeven inhoudende dat [de zoon] in het [ziekenhuis] is geweest om te onderzoeken of er sprake is van [de diagnose]. Voor klager was deze medische handeling en deze informatie onbekend en een en ander blijkt langdurig en bewust door aangeklaagde voor klager te zijn achtergehouden. Klager maakt uit een telefoongesprek dat hij op 25 maar 2014 met [de instelling] voert op dat aangeklaagde [de zoon] op of omstreeks 21 maart 2014 aldaar heeft aangemeld en dat zij betrokken is bij medische besprekingen. Het gesprek van 10 april 2014 opent aangeklaagde met de mededeling dat de omgang per direct word omgezet in begeleide omgang. In het raadsrapport dat wordt ingebracht bij de zitting van 15 april 2014 ontdekt klager de verzwegen verrichte medische handelingen. In augustus 2014 blijkt aan klager, wanneer de pleegmoeder hem verzoekt tijdens een omgangsmoment een pilletje aan [de zoon] te geven, dat [de zoon] sinds maart van dat jaar [medicijn] krijgt toegediend. Uit dit alles blijkt, aldus klager, dat aangeklaagde klager heeft misleid met als doel dat de omgang niet zou worden uitgebreid. Ter zitting merkt klager nog op dat hij geruster over de bedoelingen van aangeklaagde zou zijn geweest als zij over de medische behandeling van [de zoon] transparanter was geweest.

 

III

Klager verwijt aangeklaagde partijdigheid, belangenverstrengeling en uitlokken tot beschadigen van klagers zoon door deze een gevoel van afwijzing te geven. Hiertoe stelt klager het volgende. Aangeklaagde biedt klager een gesprek aan in het pleeggezin van vijftien minuten in de avonduren, vlak voor de bedtijd van [de zoon], waarin aan [de zoon] zou kunnen worden verteld dat klager en zijn nieuwe partner een baby verwachten. Bij dit gesprek zou mogelijk ook aangeklaagde zijn. Om [de zoon] op deze wijze te informeren heeft klager schadelijk geacht voor [de zoon] en hij heeft het voorstel daarom ook van de hand gewezen. Op een dag dat aangeklaagde vrij is treft klager, wanneer hij [de zoon] terug brengt van omgang, haar aan bij de pleegmoeder. Klager krijgt daardoor de indruk dat aangeklaagde hem beloert in de hoop hem op een misstap te kunnen betrappen. Uit verschillende emails blijkt dat aangeklaagde de pleegmoeder beschermt en verdedigt. Ter zitting merkt klager op dat zij de relatie met de pleegmoeder voorop stelt terwijl het haar taak is om gezinsvoogd te zijn. Als klager kleren koopt met [de zoon] op een omgangsdag en [de zoons] haar laat knippen dan noemt aangeklaagde dit ondermijning van het gezag van de pleegmoeder. Aangeklaagde heeft met de dochter van de pleegmoeder op heimelijke wijze de weekendpleegzorg gerealiseerd. Uit een mail van aangeklaagde moet klager vernemen dat [de zoon] een bril nodig heeft en dat aangeklaagde heeft beslist dat de pleegmoeder deze met [de zoon] zal aanschaffen. Klager betoogt ter zitting dat uit deze voorbeelden blijkt dat hij pas achteraf door aangeklaagde wordt geïnformeerd. Klager is van mening dat verweerster door te handelen als in deze klachtonderdelen beschreven niet als een zorgvuldig gezinsvoogd heeft gehandeld.

6 Het verweer

Aangeklaagde voert met betrekking tot de bovenbeschreven klachtonderdelen het volgende aan.

I

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel voert aangeklaagde het volgende aan. BJZ[…] was gekoppeld aan de GBA op grond van een ministerieel besluit op basis van de Wet Basisregistratie Personen. Door klager is niet gesteld dat die koppeling onrechtmatig is. Aangeklaagde heeft de juistheid van klagers adres willen verifiëren om te voorkomen dat er misverstanden zouden ontstaan, bijvoorbeeld bij het verzenden van post. Aangeklaagde meent dat zij juist zorgvuldig heeft gehandeld en zeker niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

II

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel voert aangeklaagde het volgende aan. Aangeklaagde is door de pleegzorginstelling over het in te stellen onderzoek geïnformeerd. Aangeklaagde heeft klager van de vraagstelling van het onderzoek op de hoogte gebracht in haar brief van 12 november 2013. Door toedoen van aangeklaagde is er ten behoeve van het onderzoek ook met klager gesproken en verder heeft aangeklaagde klager geïnformeerd in haar email van 11 februari 2013 (door klager overgelegd) toen het eindgesprek was geweest in [het zienhuis]. Uit die email blijkt ook dat het [het ziekenhuis] voornemens was om [de zoon] te verwijzen naar [de instelling] en dat [de zoon] met medicatie zou worden behandeld. De verwijzing is niet geïnitieerd door aangeklaagde. Het was aan [het ziekenhuis] en aan [de instelling] om te bepalen in hoeverre klager zou worden geïnformeerd over het onderzoek en de voorgenomen behandeling. Aangeklaagde is van mening dat zij klager ter zake van het onderzoek in meer dan voldoende mate heeft geïnformeerd en betrokken. Het kan zijn dat klager meer informatie van [het ziekenhuis] had willen ontvangen maar als niet-gezagdragende ouder zijn de rechten van klager beperkt. Dit kan aangeklaagde niet worden verweten.

III

Met betrekking tot het derde klachtonderdeel voert aangeklaagde het volgende aan. Naar aanleiding van de vraag van klager om hem te adviseren hoe hij [de zoon] het beste kon vertellen over de zwangerschap van klagers partner en de op handen zijnde geboorte heeft aangeklaagde met klager afgesproken dat zij met de pleegzorginstelling overleg zou voeren en aan klager zou laten weten wat zij en pleegzorg de beste manier achtten om dit nieuws aan [de zoon] te vertellen. Het advies van de gedragswetenschapper van BJZ[…], die zij raadpleegde omdat overleg met de pleegzorginstelling niet op korte termijn kon plaatsvinden, luidde dat klager het nieuws het beste in de vertrouwde omgeving – het pleeggezin – kon vertellen. Daartoe is met klager een afspraak gemaakt voor een gesprek op 3 maart 2014. Klager heeft de afspraak afgezegd omdat hij nog advies wilde inwinnen van een pedagoog. Klager heeft later niet meer gevraagd om een nieuwe afspraak. Aangeklaagde heeft klager in een email d.d. 18 maart 2014 met de geboorte gefeliciteerd en aan hem gevraagd of hij al had besloten wanneer en hoe hij het nieuws aan [de zoon] zou vertellen. Aangeklaagde betreurt het dat klager de indruk had dat zij hem beloerde en hoopte dat hij een misstap zou maken. Daartoe bestond in de visie van aangeklaagde geen enkele aanleiding. Aangeklaagde was professioneel, namelijk als gezinsvoogd, aanwezig in het pleeggezin op 5 maart 2014. Zij heeft klager toen niet gezien. Aangeklaagde vermag niet in te zien hoe zij door het een en ander tuchtrechtelijk verwijtbaar zou kunnen hebben gehandeld. Ter zitting verklaart aangeklaagde desgevraagd dat zij klager over de positie van een niet met gezag belaste ouder heeft geïnformeerd. Aangeklaagde verklaart desgevraagd voorts dat zij over de zorg aan [de zoon] met aangeklaagde per email communiceerde. Na het klachtgesprek in januari 2013 is door aangeklaagde met klager afgesproken dat er met een tussenpoos van een aantal weken gesprekken met klager zouden worden gevoerd en dat klager over zaken zoals medische zorg aan [de zoon] zou worden geïnformeerd. Aangeklaagde heeft verschillende stukken niet aan klager ter inzage kunnen geven omdat moeder dit niet toestond.

7 De beoordeling van de klachtonderdelen

Het College wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel.

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat aangeklaagde klagers privacy heeft geschonden door klagers persoonsgegevens in de GBA te raadplegen. Het College stelt het volgende vast. Aangeklaagde heeft gesteld dat de koppeling van BJZ[…] aan de GBA grondslag vindt in een ministerieel besluit op basis van de Wet Basisregistratie Personen. Door klager is niet gesteld dat die koppeling onrechtmatig is. Aangeklaagde heeft voorts verklaard dat zij de juistheid van klagers adres heeft willen verifiëren om te voorkomen dat er misverstanden zouden ontstaan, bijvoorbeeld bij het verzenden van post. Het College is van oordeel dat verweerster door het raadplegen van de GBA met als doel de adresgegevens van klager te verifiëren legitiem en zorgvuldig heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel.

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat aangeklaagde klager heeft misleid met als doel dat de omgang niet zou worden uitgebreid. Het College stelt het volgende vast. Door toedoen van aangeklaagde is er ten behoeve van een onderzoek van [de zoon] met klager gesproken. Aangeklaagde heeft klager geïnformeerd over de vraagstelling van het onderzoek van [de zoon] met haar brief van 12 november 2013. Zij heeft klager geïnformeerd met een email van 11 februari 2014, toen het eindgesprek was geweest in [het ziekenhuis]. Uit deze email blijkt dat [het ziekenhuis] voornemens was om [de zoon] te verwijzen naar [de instelling] en dat [de zoon] met medicatie zou worden behandeld. Deze verwijzing is niet geïnitieerd door aangeklaagde. Het was aan [het ziekenhuis] en aan [de instelling] om te bepalen in hoeverre klager zou worden geïnformeerd over het onderzoek en de voorgenomen behandeling. Het College stelt vast dat de stelling van klager dat aangeklaagde hem heeft misleid door aangeklaagde aldus gemotiveerd is weerlegd. De stelling van klager dat aangeklaagde beoogde dat de omgang niet zou worden uitgebreid behoeft hierdoor geen zelfstandige bespreking. Het College oordeelt dat onder deze gegeven omstandigheden niet gesteld kan worden dat aangeklaagde niet binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot het derde onderdeel.

De klacht in dit onderdeel luidt samengevat dat aangeklaagde partijdig heeft gehandeld, onder meer door de pleegmoeder te beschermen en te verdedigen en door klager pas achteraf te informeren over beslissingen die ten aanzien van [de zoon] werden genomen door [de zoon zijn] pleegmoeder. Het College stelt het volgende vast. Aangeklaagde heeft met klager afgesproken dat zij met de pleegzorginstelling overleg zou voeren en aan klager zou laten weten wat zij de beste manier achtten om het nieuws over de zwangerschap van klagers partner en de op handen zijnde geboorte aan [de zoon] te vertellen; aangeklaagde heeft met klager een afspraak gemaakt voor een gesprek op 3 maart 2014. Klager heeft de afspraak afgezegd en niet meer gevraagd om een nieuwe afspraak. Het College stelt voorts vast dat aangeklaagde heeft verklaard dat zij op 5 maart 2014 in hoedanigheid van gezinsvoogd aanwezig was in het pleeggezin; dat zij klager toen niet heeft gezien; dat zij het betreurt dat klager de indruk had dat zij hem beloerde en hoopte dat hij een misstap zou maken en dat daartoe in haar beleving echter geen enkele aanleiding bestond. Ter zitting heeft aangeklaagde verklaard dat zij klager over de positie van een niet met gezag belaste ouder heeft geïnformeerd. Aangeklaagde heeft voorts verklaard dat zij, na het klachtgesprek in januari 2013, met klager heeft afgesproken dat er regelmatig gesprekken met klager zouden worden gevoerd en dat klager over zaken zoals medische zorg aan [de zoon] zou worden geïnformeerd maar dat zij verschillende stukken niet aan klager ter inzage kon geven omdat moeder dit niet toestond. Het College stelt vast dat aangeklaagde deze klacht aldus gemotiveerd heeft weerlegd. Het College stelt vast dat aan de niet met gezag belaste ouder ingevolge art. 377 c boek 1 BW enkel informatie op hoofdlijnen toekomt over diens minderjarige kind. Nu de moeder van [de zoon] geen toestemming heeft gegeven om klager te informeren over de medische conditie van [de zoon] heeft aangeklaagde door het niet verstrekken van die informatie gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

8 Uitspraak

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende uitspraak.

De klacht wordt in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Aldus gedaan de 7e mei 2015 door het College van Toezicht.

mevrouw mr. E. M. Jacquemijns
voorzitter

mevrouw mr. N. Jacobs
secretaris