Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen jeugdbeschermer over het gebrekkig informeren van klaagster en rechterlijke instanties en het niet proberen de omgang met de minderjarige weer op te starten.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

de heer mr. A.P. van der Linden, voorzitter,
mevrouw mr. C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
mevrouw D. de Gelder, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] (locatie: [plaatsnaam]), hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. L.A.E. Timmer, werkzaam bij Timmer & Hoesenie Advocatuur te Rotterdam.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. E. Lam, werkzaam bij Suez advocaten te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 2 november 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 24 december 2017;
– de door beklaagde tijdens de zitting overlegde beschikkingen van 21 maart 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 23 maart 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van twee minderjarige kinderen, te weten: [minderjarige1], geboren op [geboortedatum] 2004 (hierna te noemen: [minderjarige1]) en [minderjarige2], geboren op [geboortedatum] 2005 (hierna te noemen: [minderjarige2]), gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en de vader van de kinderen zijn sinds 2006 uit elkaar. Klaagster is belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De vader heeft de kinderen erkend, maar is niet in beeld bij de kinderen.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], van 9 maart 2016 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI en is een onderzoek bevolen aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna te noemen: NIFP) ter beantwoording van de in die beschikking geformuleerde vragen. Naar het oordeel van de kinderrechter is gebleken: ‘dat er sprake is van een ernstige bedreiging welke bestaat uit een terugkerend patroon van onverklaarbare en invaliderende ziekteklachten van [minderjarige1] en [minderjarige2].’ De ondertoezichtstelling is sindsdien telkens verlengd, laatstelijk tot 30 augustus 2018.

2.4

Bij dezelfde beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], van 9 maart 2016 is een machtiging uithuisplaatsing afgegeven voor [minderjarige2]. Bij beschikking van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], van 22 december 2016 is tevens een machtiging uithuisplaatsing afgegeven voor [minderjarige1], welke beslissing (mede) is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek van het NIFP. Klaagster heeft de rechtbank verzocht om plaatsing van [minderjarige1] in een netwerkgezin. Bij beschikking van 20 juli 2017 van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], is dit verzoek afgewezen. De kinderen verblijven ieder afzonderlijk in een geheim pleeggezin en aanvankelijk hadden zij onderling geen omgang. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de kinderen na verschillende pogingen op 1 maart 2018 omgang met elkaar hebben gehad.

2.5

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen en de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] samen met een collega belast met de uitvoering hiervan. Bij beschikking van 21 maart 2018 van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], is het verzoek van klaagster om beklaagde en haar collega te vervangen door andere jeugdbeschermers afgewezen.

2.6

Sedert [minderjarige2] in september 2016 te kennen heeft gegeven dat zij geen contact meer wenst met klaagster, is tussen hen geen omgangregeling van toepassing. Het stoppen van de omgang is per brief op 13 oktober 2016 aan klaagster toegelicht. Bij beschikkingen van 5 april 2017 en 19 juli 2017 van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], is het verzoek van klaagster tot vaststelling van een omgangsregeling met [minderjarige2] afgewezen. Klaagster heeft met [minderjarige1] een begeleide omgangsregeling van één keer per vier weken.

2.7

Op 21 december 2016 is klaagster door beklaagde verzocht toestemming te verlenen voor een medische behandeling bij [de instelling] en een onderzoek bij de kinderarts voor [minderjarige2]. Klaagster heeft toestemming gegeven voor het onderzoek bij de kinderarts. Op 1 februari 2017 is klaagster nogmaals verzocht om toestemming te verlenen voor de medische behandeling bij [de instelling]. Nu klaagster geen toestemming heeft gegeven, heeft de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], op een daartoe strekkend verzoek van de GI bij beschikking van 5 april 2017 de GI belast met het gedeeltelijk gezag over [minderjarige2] met betrekking tot het geven van toestemming voor een medische behandeling, laatstelijk verlengd tot 30 augustus 2018.

2.8

Op 12 oktober 2017 is een aankondiging schriftelijke aanwijzing gegeven over de omgangsregeling aan ouder(s) met gezag in het kader van een uithuisplaatsing. Bij beschikking van 21 maart 2018 van de rechtbank [arrondissement], locatie [plaatsnaam], is het verzoek van klaagster om de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren, afgewezen.

2.9

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster stelt dat beklaagde haar niet heeft geïnformeerd over het welzijn van de kinderen.

3.2.2

Beklaagde voert hiertegen het volgende aan. Een ouder met gezag heeft recht op informatie over kinderen jonger dan 16 jaar, voor zover dit niet in strijd is met de belangen van het kind. Klaagster wordt naar behoren geïnformeerd over zaken die betrekking hebben op haar kinderen op het moment dat er iets speelt. Op dit moment zijn er grote zorgen over [minderjarige2] en wordt klaagster hiervan op de hoogte gehouden. Elke keer maakt beklaagde een afweging tussen de belangen van enerzijds [minderjarige2] en de vooruitgang die zij boekt en anderzijds het moment waarop klaagster wordt geïnformeerd. Hierin heeft beklaagde naar haar mening telkens een weloverwogen besluit genomen.

3.2.3

Het College oordeelt als volgt. Klaagster is een moeder met gezag en heeft in principe recht op informatie over haar kinderen. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing hebben echter een beperkend effect. Het College ziet dat beklaagde een afweging heeft willen maken tussen het belang van klaagster om geïnformeerd te worden en het belang van [minderjarige2]. Beklaagde heeft in lijn met artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gewerkt.

Artikel A van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker luidt:
‘De jeugdzorgwerker bevordert dat de jeugdige cliënt in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht komt en werkt daartoe samen met diens sociale omgeving.’

Naar het oordeel van het College heeft beklaagde er blijk van gegeven dat zij in voorkomende gevallen (zoals genoemd in de stukken en besproken ter zitting) een weloverwogen besluit heeft genomen over het moment waarop klaagster wordt geïnformeerd en de informatie die aan klaagster wordt verstrekt. Beklaagde heeft het College inzicht gegeven in de afwegingen die zij heeft gemaakt en naar het oordeel van het College heeft zij daarbij met voldoende zorgvuldig gehandeld. In de gegeven omstandigheden valt beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Voor het overige zijn uit het dossier en tijdens de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten gevonden die de stellingen van klaagster kunnen ondersteunen.

3.2.4

Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde opzettelijk onjuiste en onvolledige informatie aan de diverse gerechtelijke instanties heeft verstrekt. Zij stelt dat zij tijdens diverse zittingen is geconfronteerd met informatie, waaronder medische informatie, waarvan zij eerder nog niet op de hoogte was.

3.3.2

Beklaagde betwist het door klaagster aangevoerde. Volgens beklaagde is alle relevantie informatie met klaagster gedeeld. Bepaalde informatie wordt echter pas achteraf met klaagster gedeeld nu dat in het belang van de behandeling van [minderjarige2] wordt geacht.

De GI is in eerste instantie wel terughoudend geweest richting klaagster met betrekking tot de informatieverstrekking over de uitlatingen van [minderjarige2] over het eventuele seksuele misbruik. Om aan klaagster te kunnen toelichten waarom [minderjarige2] voor behandeling naar [de instelling] moest, is klaagster op enig moment wel geïnformeerd over de uitlatingen van [minderjarige2]. Beklaagde heeft tijdens de zitting toegelicht dat het hierbij gaat om uitlatingen die [minderjarige2] doet, die niet op waarheid zijn beoordeeld.

3.3.3

Het College is van oordeel dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft toegelicht waarom zij tijdens de zittingen bij de rechtbank heeft verteld over de uitlatingen van [minderjarige 2]. Voorts heeft beklaagde uitgelegd waarom bepaalde informatie pas achteraf aan klaagster wordt gegeven. Voor het College is het begrijpelijk dat het voor klaagster lastig is dat bepaalde informatie pas achteraf met haar wordt gedeeld maar acht het aan de hand van de geschetste casuïstiek voldoende onderbouwd waarom dit in het belang van de kinderen in voorkomende gevallen noodzakelijk dan wel gewenst is.

3.3.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat door beklaagde geen pogingen worden ondernomen om de omgang met [minderjarige2] weer op te starten. Op 29 juni 2017 heeft klaagster gevraagd om nieuwe afspraken over de omgangsregeling, waarop beklaagde pas op 12 oktober 2017 via een aankondiging schriftelijke aanwijzing heeft gereageerd. Tot slot is er geen onderzoek gedaan naar de juistheid van de uitlatingen van [minderjarige2] over haar redenen om de omgang met klaagster en [minderjarige1] te willen staken.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het juist is dat er op dit moment geen pogingen worden ondernomen om de omgang tussen klaagster en [minderjarige2] op gang te brengen. [minderjarige2] heeft namelijk meerdere malen en heel nadrukkelijk aangegeven dat zij geen omgang wil met klaagster en [minderjarige1]. [minderjarige2] heeft ook verteld dat zij gedurende de bezoeken buiten is geslagen door klaagster en [minderjarige1]. Het stoppen van de omgang met [minderjarige2] is per brief op 13 oktober 2016 en daarnaast ook verschillende keren mondeling toegelicht. Gezien de ernst van de problematiek acht de GI het in het belang van [minderjarige2] dat haar wens in deze wordt gerespecteerd en haar de rust en ruimte wordt gegeven om met haar trauma’s aan de slag te gaan. Ook de kinderrechter heeft het verzoek van klaagster tot omgang met [minderjarige2] afgewezen.

Over de schriftelijke aanwijzing heeft beklaagde aangevoerd dat zij erover twijfelde of een schriftelijke aanwijzing noodzakelijk was nu de rechtbank bij beschikking van 5 april 2017 reeds heeft bepaald dat er geen omgang wordt vastgesteld tussen klaagster en [minderjarige2]. Hierover is overleg geweest met de juridische afdeling van de GI, hetgeen de reden is geweest waarom het enige tijd heeft geduurd voordat de schriftelijke aanwijzing is gegeven. Voorts betwist beklaagde dat er een toezegging is gedaan om een onderzoek te doen naar de juistheid van de uitspraken van [minderjarige2]. [minderjarige2] blijft heel constant in haar uitlatingen. Ook wordt betwist dat beklaagde [minderjarige1] de belofte heeft gedaan dat hij omgang met [minderjarige2] gaat hebben. In februari 2017, afgelopen zomer en in de herfstvakantie heeft [minderjarige2] laten weten dat ze [minderjarige1] wil zien. Dit leidde echter steeds tot hele grote spanningen bij haar waardoor het nog niet gelukt is om een contact tussen de beide kinderen tot stand te brengen. Dit is met [minderjarige1] besproken en hij heeft aangegeven het te begrijpen.

3.4.3

Het College overweegt met betrekking tot de omgang tussen klaagster en [minderjarige 2] het volgende.

Bij beschikkingen van 5 april 2017 en 19 juli 2017 heeft de rechter het verzoek van klaagster om omgang tussen haar en [minderjarige2] afgewezen. De toelichting van de rechter hierop in de beschikking van 5 april 2017 luidt als volgt:

“[minderjarige2] heeft vele malen, heel nadrukkelijk, aangegeven dat zij absoluut geen omgang wil met moeder en [minderjarige1]. De kinderrechter volgt [minderjarige2] in deze wens. Gehoord hebbende over de zorgelijke toestand van [minderjarige2] is de kinderrechter van oordeel dat het zeker niet in het belang is van [minderjarige2] dat zij gedwongen wordt om omgang te hebben met moeder en [minderjarige1]. Het is bovendien gewenst dat sprake is van een rustige situatie op het moment dat de traumabehandeling van start gaat. Niet het belang van moeder, maar het belang van [minderjarige2] staat voorop. Er kan daarom op dit moment geen vorm van omgang zijn. Het verzoek van moeder hiertoe zal dan ook worden afgewezen.”

Niet het College maar de rechter is bevoegd om de gronden van de onder 2.6 genoemde beschikking te toetsen. Als klaagster het niet eens was met deze beschikking, had zij de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof.

Het College kan voorts beklaagde volgen in wat zij heeft aangevoerd over het niet opstarten van de omgangsregeling tussen klaagster en [minderjarige2]. Zij heeft zich gehouden aan de eerdergenoemde beschikking van de rechter. Ook heeft zij voldoende toegelicht in haar verweerschrift waarom zij geen actie heeft ondernomen en pas in een later stadium een schriftelijke aanwijzing heeft afgegeven. Dat beklaagde overleg heeft gehad met de juridische afdeling, geeft naar het oordeel van het College blijk van een zorgvuldige werkwijze.

Met betrekking tot de omgang tussen de kinderen onderling overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat er op 1 maart 2018 een eerste omgangsmoment heeft plaatsgevonden. Eerdere pogingen hiertoe, in februari 2017 en in de zomer van 2017, waren niet gelukt vanwege de stress die dit voor [minderjarige2] opleverde. Het College is van oordeel dat beklaagde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich dermate heeft ingespannen om de omgang tussen de kinderen te herstellen en hierover altijd open en transparant heeft gecommuniceerd met [minderjarige1].
Ten aanzien van het onderzoeken van de juistheid van de uitlatingen van [minderjarige2] overweegt het College dat beklaagde hier voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door therapie voor haar in te zetten en te handelen naar de zorgen en behoefte die zij nodig had.

3.4.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster is van mening dat beklaagde ten onrechte al ruim één jaar niet bij klaagster op huisbezoek is geweest en daarnaast ook [minderjarige1] te weinig bezoekt.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat klaagster geen contact met beklaagde en haar college heeft gewild en dat zij ervoor heeft gekozen om hen niet langer in haar huis binnen te laten. Nu beide kinderen uit huis zijn geplaatst en een terugplaatsing niet aan de orde is, is de noodzaak van een huisbezoek minder urgent geworden. Toen [minderjarige1] thuis woonde, heeft klaagster voorwaarden verbonden aan het contact tussen [minderjarige1] en beklaagde. Het contact is hierdoor bemoeilijkt. Nu [minderjarige1] in een pleeggezin is ondergebracht is er ook een pleegzorgwerker betrokken die zowel het pleeggezin als [minderjarige1] begeleidt.

3.5.3

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling uiteengezet, dat zij sinds [minderjarige1] in een pleeggezin is geplaatst drie keer op huisbezoek is geweest bij het pleeggezin. Er zijn voor het College geen aanknopingspunten in het dossier om te kunnen concluderen dat drie huisbezoeken in een periode van acht maanden onvoldoende is. Voorts heeft beklaagde aangevoerd dat sinds de kinderen niet langer thuis wonen en er geen zicht is op terugplaatsing met klaagster, de afspraken op kantoor worden gehouden. Het College kan beklaagde in deze zienswijze volgen.

3.5.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde post van haar aan de kinderen niet tijdig en of niet volledig aan de kinderen ter hand heeft gesteld.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het doorsturen van post en de frequentie waarin dit plaats vindt, in april 2017 met klaagster is besproken. De afspraak is dat er eens per vier tot zes weken post wordt doorgestuurd aan de kinderen. Het is klaagster die telkens op deze afspraak blijft terugkomen. De post van klaagster aan [minderjarige2] wordt aan de pleegmoeder van [minderjarige2] overhandigd en die laat weten dat [minderjarige2] geen post van klaagster wil krijgen. De pleegmoeder bewaart wel alle post. Dit is ook met klaagster besproken. Over het verwijt dat beklaagde de verjaardag foto’s te laat zou hebben doorgestuurd, merkt beklaagde op dat klaagster hierbij vergeet te vermelden dat de foto’s pas eind september 2017 aan beklaagde zijn verstrekt.

3.6.3

Het College overweegt het volgende. Desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling bij het College heeft beklaagde gecorrigeerd dat de frequentie voor het versturen van de post eens per drie tot vier weken plaats vindt. Beklaagde heeft te kennen gegeven dat zij de post verzamelt en dit aan de kinderen verstuurt. Beklaagde en klaagster hebben beide een verschillende visie over de frequentie waarin de post van de kinderen naar klaagster wordt verstuurd en of het daadwerkelijk wordt uitgevoerd door beklaagde. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen of beklaagde in strijd met de gemaakte afspraken heeft gehandeld nu aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.

3.6.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster stelt tot slot dat er door beklaagde onvoldoende invulling is gegeven aan het doel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Uitsluitend de GI is van oordeel dat niet gewerkt zou kunnen worden aan herstel en aan een terugplaatsing (op termijn) van beide kinderen in het gezin van klaagster.

3.7.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het NIFP in haar onderzoeksresultaten heeft aangegeven dat klaagster eerst een behandeling nodig heeft alvorens de mogelijkheden van terugplaatsing worden bekeken. Voor een behandeling is echter noodzakelijk dat klaagster haar ziektebeeld erkent en de juiste behandeling ondergaat. Klaagster heeft weliswaar een behandeling ondergaan, maar niet zoals was voorgeschreven door het NIFP. Beklaagde heeft tweemaal contact gehad met de huisarts en heeft hem voorzien van de nodige informatie.

3.7.3

Het College overweegt dat beklaagde aan klaagster voldoende duidelijk heeft gemaakt waarom van een terugplaatsing van de kinderen op dit moment geen sprake is. De rechtbank heeft zich meerdere keren hierover uitgelaten. Het College kan beklaagde volgen in haar handelswijze. Zij heeft voorts zorgvuldig gehandeld door binnen de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing het belang van de kinderen voor het belang van klaagster te stellen.

3.7.4

Het klachtonderdeel is ongegrond.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 4 mei 2018 aan partijen toegezonden.

de heer mr. A.P. van der Linden        mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                secretaris