Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft onvoldoende oog gehad voor de positie van de vader, waardoor het voor de vader tijdens de ondertoezichtstelling heeft ontbroken aan handvatten en structuur.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
mevrouw J.E. Blaauw-Glas, lid-beroepsgenoot,
mevrouw F.A. Leeflang, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam tot [datum] 2018 als jeugdbeschermer bij [GI], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 11 oktober 2018;
– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 24 december 2018;
– de beslissing van de klachtencommissie ontvangen op 9 januari 2019;
– de door klager tijdens de zitting overlegde pleitnotitie.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 1 februari 2019 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder aan de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zijn huidige partner aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee kinderen: een zoon, geboren in 2012, en een dochter, geboren in 2013, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn gescheiden. Klager en moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij moeder.

2.3

In juni 2017 is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis een onderzoek gestart naar de opvoedingssituatie van de kinderen. De RvdK heeft naar aanleiding van dit onderzoek een verzoek tot ondertoezichtstelling gedaan.

2.4

Bij beschikking van de rechtbank van 9 oktober 2017 is een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld. De rechtbank heeft onder meer bepaald dat: “de zorgregeling geldt zoals jeugdbescherming die vaststelt”.

2.5

De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 oktober 2017 de kinderen voor de duur van negen maanden onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 17 juli 2019.

2.6

Beklaagde is sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen – eerst samen met een collega – belast met de uitvoering hiervan. In september 2018 heeft beklaagde de zaak overgedragen aan een andere collega. Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2015 geregistreerd bij Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

2.7

Op 21 februari 2018 zijn er afspraken gemaakt over de omgangsregeling. Klager heeft op woensdagmiddag omgang met de kinderen.

2.8

Klager heeft begin april 2018 per e-mail aan beklaagde verzocht om in gesprek te gaan in aanwezigheid van zijn vertrouwenspersoon. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.

2.9

Op 11 september 2018 heeft beklaagde per e-mail aan klager en moeder een uitnodiging voor een gezamenlijk gesprek gestuurd. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat hij niet is geïnformeerd over de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Ook is klager niet gewezen op de mogelijkheid om het functioneren van beklaagde te bespreken.

3.2.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.2.3

Het College overweegt het volgende. Van een jeugdprofessional mag op grond van de Beroepscode worden verwacht dat hij cliënten actief en transparant informeert over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht dan wel de interne klachtenprocedure. Deze verplichting is opgenomen in de toelichting van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Uit het dossier blijkt niet dat beklaagde klager hierover heeft geïnformeerd. Het College is van oordeel nu beklaagde dit heeft nagelaten dat het klachtonderdeel gegrond is.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat hij niet zijn registratienummer heeft verstrekt.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij tijdens zijn betrokken periode ongeveer 600 e-mailberichten van klager heeft ontvangen. Sommige waren heel kort, zoals de e-mail waarin klager om het registratienummer heeft gevraagd. Beklaagde heeft bij het eerstvolgende contactmoment gevraagd of klager het registratienummer van SKJ bedoelde. Beklaagde heeft toen aangegeven dat klager dit natuurlijk kon ontvangen.

3.3.3

Het College stelt voorop dat het register van SKJ een openbaar register is waarin geregistreerde jeugdprofessionals voor eenieder op te zoeken zijn. Het doel van het register is om inzichtelijk te maken welke jeugdprofessional bij SKJ geregistreerd is. Op grond van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht te verstrekken.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager weersproken dat er na het verzoek per e-mail een contactmoment heeft plaatsgevonden met beklaagde. Volgens klager werd er alleen gecommuniceerd per e-mail. Nu uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van een contactmoment dan wel dat beklaagde op het verzoek van klager schriftelijk heeft gereageerd is het College van oordeel dat beklaagde niet conform het artikel uit de Beroepscode heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager stelt dat beklaagde niet in gesprek heeft willen gaan met hem en zijn vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon van klager heeft meerdere pogingen ondernomen om in gesprek te komen. Beklaagde heeft hier niet op gereageerd. Daarom is vervolgens een gesprek aangevraagd met de leidinggevende van beklaagde. Deze heeft afwijzend gereageerd op het verzoek.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat nadat er een aantal pogingen voor een gesprek waren ondernomen klager heeft aangegeven alleen nog met de leidinggevende van beklaagde te willen spreken. Later in het traject heeft klager dit ontkent. In deze periode zijn klager en zijn vertrouwenspersoon alleen uitgenodigd voor een breder overleg samen met moeder en haar vertrouwenspersoon. Door de vele gesprekken die al hadden plaatsgevonden was de motivatie vanuit beklaagde minder sterk aanwezig om tot deze afspraak te komen. Voor beklaagde leek het een manier om de gekozen methodiek te dwarsbomen. Dat er geen gesprek met de gebiedsmanager heeft plaatsgevonden is niet een beslissing van beklaagde geweest.

3.4.3

Het College overweegt het volgende. Uit het overlegde dossier blijkt dat klager samen met zijn vertrouwenspersoon meerdere pogingen heeft ondernomen om tot een gesprek te komen met beklaagde. In dit gesprek wilde zij graag het functioneren van beklaagde bespreken. Beklaagde heeft hierop gereageerd door een gesprek over de invulling van de ondertoezichtstelling te willen organiseren samen met klager, zijn vertrouwenspersoon, moeder en haar vertrouwenspersoon. Tijdens de mondelinge behandeling en in het verweer heeft beklaagde erkend dat hij onvoldoende heeft gedaan om het gesprek waar klager om heeft verzocht van de grond te krijgen. Het College volgt hierin het oordeel van de klachtencommissie. Zij hebben geoordeeld dat beklaagde zich onvoldoende actief heeft opgesteld dan wel duidelijkheid heeft verschaft. Klager is in het ongewisse gelaten. Dit is volgens het College in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Op grond van dit artikel had beklaagde door middel van een gesprek persoonlijke verantwoording aan klager kunnen afleggen over zijn handelen. Nu hij dit heeft nagelaten is dit gedeelte van het klachtonderdeel gegrond.
Over het gedeelte van de klacht dat gaat over het gesprek met de leidinggevende overweegt het College dat een tuchtklacht betrekking dient te hebben op het individuele handelen van beklaagde. Nu dit klachtonderdeel zich richt tot anderen dan beklaagde verklaart het College klager niet-ontvankelijk in dit gedeelte van het klachtonderdeel.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat hij zich niet gehoord voelt als gezaghebbende ouder. Beklaagde geeft geen duidelijkheid doordat hij niet antwoordt op vragen die klager stelt over de omgang. Begeleiding vanuit de GI houdt volgens klager ook in dat onduidelijkheden bij de cliënt worden weggehaald.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij in een multidisciplinair overleg voortdurend het beleid over de communicatie en het opbouwen van een veilige omgang met de kinderen besproken heeft. Klager heeft in de gevoerde gesprekken steeds aangegeven niet gehoord of begrepen te worden waardoor de focus van gesprekken hierop kwam te liggen. Beklaagde heeft vanuit zijn kennis en kunde op meerdere manieren geprobeerd klager zich gehoord en begrepen te laten voelen, maar dit heeft er niet toe geleid dat hij andere keuzes ging maken over wat er moest gebeuren om de kinderen uit de strijd te halen. Dit heeft waarschijnlijk voor ontevredenheid bij klager gezorgd. Tot slot heeft beklaagde op veel e-mail berichten van klager niet geantwoord omdat het herhalingen waren uit eerdere e-mail berichten of vanuit gesprekken die hadden plaats gevonden.

3.5.3

Het College overweegt het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde toegelicht dat hij van de tien uur die hij aan klager en moeder besteedde er gemiddeld acht uur aan gesprekken met klager werden besteed. Klager heeft niet weersproken dat er veel gesprekken hebben plaatsgevonden tussen hem en beklaagde. Beklaagde zijn werkwijze bestond er echter niet uit om reacties op vragen die klager hem heeft gesteld op papier vast te leggen. Hierop terugkijkend heeft beklaagde gereflecteerd dat het voor klager mogelijk meer houvast had geboden wanneer hij afspraken en reacties altijd schriftelijk had vastgelegd. Uit het overgelegde dossier kan het College het verwijt van klager, dat hij als gezaghebbende ouder onvoldoende is gehoord, echter niet vaststellen. Het College is van oordeel dat het beter was geweest als beklaagde de reacties en afspraken schriftelijk (op papier of per e-mail) had vastgelegd. Het College kan niet vaststellen dat beklaagde niet heeft gereageerd dan wel niet in gesprek is gegaan met klager. Het klachtonderdeel is om die reden ongegrond.

3.6 Klachtonderdeel V

3.6.1

Klager stelt dat beklaagde geen standpunt inneemt over de omgang.

3.6.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat bij de start van de hulpverlening de echtscheiding nog niet was uitgesproken. Dit maakte het starten van passende hulpverlening lastig. De kinderen zaten dusdanig in de knel dat er wel pogingen zijn ondernomen om klager en moeder met elkaar in gesprek te laten gaan. De gesprekken gingen over de omgang en de communicatie. Deze gesprekken hebben niet geresulteerd in een oplossing.

3.6.3

Het College overweegt dat het verwijt dat beklaagde geen standpunt inneemt over de omgang niet is gebleken uit het overgelegde dossier. In bijlage 3 van het klaagschrift zijn de afspraken omtrent de omgang door een collega van beklaagde per e-mail gecommuniceerd aan klager en moeder. Hieruit blijkt dat klager op woensdagmiddag recht had op omgang met zijn kinderen.
Doordat er tijdens de betrokkenheid van beklaagde niet adequaat is gewerkt met een gezinsplan, waardoor er onvoldoende duidelijkheid was ten aanzien van gestelde werkdoelen, heeft het voor klager ontbroken aan handvatten. Handvatten om de omgang mogelijk uit te kunnen breiden en duidelijkheid te krijgen waarom de omgang beperkt was tot alleen de woensdagmiddag. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde wel een standpunt heeft ingenomen over de omgang maar het beter was geweest als het ook voor klager inzichtelijk was gemaakt waarom de omgangsregeling zo was ingevuld en hoe de omgang mogelijk uitgebreid kon worden. Het verwijt dat beklaagde geen standpunt in heeft genomen kan echter niet worden vastgesteld. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.7 Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klager verwijt beklaagde dat hij willekeur heeft gehanteerd en partij koos voor moeder. Op momenten dat klager en moeder er niet uitkwamen met de omgang heeft beklaagde voor de kant van moeder gekozen zonder hoor en wederhoor toe te passen. Ook heeft beklaagde, nadat was afgesproken dat er geen individuele contacten meer zouden plaats vinden, telefonisch contact gehad met moeder.

3.7.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.7.3

Het College overweegt over het hanteren van willekeur en het partij kiezen voor moeder het volgende. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij signalen van moeder ontving die hij graag met klager heeft willen bespreken. Klager heeft in reactie hierop aangegeven dat deze gesprekken niet hebben plaatsgevonden. In het dossier zijn geen aanknopingspunten gevonden die kunnen bevestigen dat klager en beklaagde over de signalen van moeder in gesprek zijn gegaan. Het College is van oordeel, nu niet is gebleken dat beklaagde met klager in gesprek is gegaan, dat niet kan worden vastgesteld dat naar de kant van klager is geluisterd voordat beklaagde een besluit nam. Er is volgens het College in de aangehaalde gevallen sprake geweest van willekeur waarbij het handelen van beklaagde gebaseerd is geweest op het (eenzijdige) verhaal van moeder. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel E (Respect) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld.
Over het telefonisch contact hebben met moeder nadat was overgegaan op de methodiek complexe echtscheiding overweegt het College als volgt. Volgens deze methodiek is individueel contact met beklaagde niet langer mogelijk. Alleen in de vorm van zogenaamde ‘driegesprekken’ kan gecommuniceerd worden. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat na het hanteren van deze methodiek er telefonisch contact is geweest met moeder. Op dat moment was volgens beklaagde echter de methodiek complexe echtscheiding weer los gelaten omdat het voor zowel klager als moeder niet werkbaar bleek te zijn. Beklaagde heeft aangegeven dat dit naar klager en moeder is gecommuniceerd. Klager heeft betwist dat dit aan hem is gecommuniceerd. Voor het College is uit het overgelegde dossier niet gebleken dat aan klager is gecommuniceerd dat de methodiek van complexe echtscheiding niet langer van toepassing was. Het College is van oordeel dat beklaagde niet op deze wijze op dat moment met moeder had mogen communiceren nu klager niet op de hoogte was van de wijziging in de methodiek. Beklaagde heeft met zijn handelen in strijd met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.8 Klachtonderdeel VII

3.8.1

Klager stelt dat beklaagde geen hoor en wederhoor heeft toegepast over wat zich heeft afgespeeld tijdens het contactmoment met de kinderen eind september 2018 op de voetbalvelden dan wel over het voorval waarbij klager zijn kinderen met een geheim zou hebben opgezadeld.

3.8.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.8.3

Het College overweegt het volgende. Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager in bijlage 13 en bijlage 14 e-mail correspondentie, tussen hem en beklaagde, toegevoegd. Het College stelt vast dat beklaagde tegen dit klachtonderdeel en de onderbouwende stukken geen verweer heeft gevoerd. Wel heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij niet aan waarheidsvinding doet, maar handelt naar aanleiding van de signalen die hij ontvangt. Uit het dossier is slechts gebleken dat beklaagde naar aanleiding van de signalen van moeder de omgangsregeling heeft opgeschort. Niet is gebleken dat beklaagde aan hoor en wederhoor heeft gedaan. Nu beklaagde uitsluitend heeft gehandeld op basis van de signalen van moeder en er niet is gesproken met klager en er dus geen sprake is geweest van hoor en wederhoor, oordeelt het College dat beklaagde in strijd met artikel E (Respect) en artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.9 Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klager stelt dat de begeleiding vanuit beklaagde te wensen heeft overgelaten. Er is door beklaagde een gezinsplan opgesteld waarin doelstellingen zijn opgenomen. Vervolgens is er niet gewerkt met het gezinsplan en de doelstellingen. Ook heeft klager meerdere keren aan beklaagde gevraagd wat de lijn was in de opbouw van de uitbreiding van de omgang met de kinderen. Hier heeft klager geen antwoord op gekregen.

3.9.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat bij de start van de hulpverlening de echtscheiding nog niet was uitgesproken. Dit maakte het starten van passende hulpverlening lastig. De kinderen zaten dusdanig in de knel dat er wel pogingen zijn ondernomen om klager en moeder met elkaar in gesprek te laten gaan. De gesprekken gingen over de omgang en de communicatie. Deze gesprekken hebben niet geresulteerd in een oplossing. In dit proces is heel veel moeite en tijd gaan zitten wat volgens beklaagde niet erg is. Klager en moeder kunnen volgens beklaagde te weinig aan elkaar bieden om tot werkende afspraken te komen. Bijkomende negatieve factor is de opstelling van klager waardoor bijna alle afspraken onmogelijk werden.

3.9.3

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat voordat hij betrokken was in het vrijwillig kader een gezinsplan is opgesteld. Dit gezinsplan heeft beklaagde niet overgelegd in deze procedure. Beklaagde heeft bevestigd dat hij na het uitspreken van de ondertoezichtstelling op 17 oktober 2017 geen nieuw gezinsplan heeft opgesteld dan wel het bestaande gezinsplan heeft aangepast. Het College merkt op dat een gezinsplan voor alle betrokkenen handvatten en structuur biedt voor de hulpverlening, inclusief voor beklaagde zelf. Beklaagde heeft in dit geval gewerkt met een korte termijn visie en het ad hoc oplossen van problemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde toegelicht dat hij voorafgaand aan een gesprek de doelstelling van het gesprek met zijn collega doornam. Van een eventuele terugkoppeling was geen sprake. Het College is van oordeel nu beklaagde op deze manier te werk is gegaan er sprake is geweest van een korte termijn visie waarbij de handvatten en structuur waarmee gewerkt kon worden aan doelstellingen om mogelijk de omgang voor klager met zijn kinderen uit te breiden heeft ontbroken. Ook als het contact en de samenwerking met in dit geval klager moeilijk is, dient beklaagde als jeugdprofessional altijd deze structuur te bieden en inzichtelijk te maken welke doeleinden zij gehaald respectievelijk wat er moet gebeuren om deze te halen. Doordat beklaagde dit heeft nagelaten valt hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken en heeft hij in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.10 Klachtonderdeel IX

3.10.1

Klager verwijt beklaagde dat hij niet heeft voorkomen dat de kinderen geconfronteerd zijn met de agressie van beklaagde. Klager is van mening dat hij onheus is bejegend tijdens een omgangsmoment eind 2017. Van beklaagde mag als professional worden verwacht dat hij een professionele houding aanneemt.

3.10.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat tijdens een begeleid bezoekmoment klager in de aanwezigheid van zijn kinderen zijn zorgen heeft geuit en aan beklaagde heeft gevraagd of hij boos was. Beklaagde heeft op dat moment aangegeven dat dit niet het juiste moment was voor zo’n gesprek. Op dat moment had klager namelijk een uur omgang met zijn kinderen. Het gesprek nam daarna een ongewenste vorm aan voor één van de kinderen waardoor het bezoek na 20 minuten is afgebroken.

3.10.3

Het College overweegt dat klager en beklaagde elkaar tegenspreken over het aangehaalde omgangsmoment. Voorts heeft geen van beiden stukken overgelegd waaruit blijkt wat er gebeurde op de bewuste dag. Onder deze omstandigheden, waarbij het College de feiten niet kan vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt, kan het klachtonderdeel niet gegrond worden bevonden. Aan het woord van de één wordt immers niet meer geloof gehecht dan aan het woord van de ander. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.11 Klachtonderdeel X

3.11.1

Klager verwijt beklaagde dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn macht. Een collega van beklaagde heeft op 11 september 2018 een voorstel gedaan voor een gesprek samen met moeder. Klager heeft laten weten dat hij niet aanwezig kon zijn en heeft een andere datum voorgesteld. Beklaagde heeft klager verplicht om bij het eerder geplande gesprek aanwezig te zijn door omgang met de kinderen anders stop te zetten. Voordat klager de kinderen mocht zien, moesten de ontstane problemen eerst op een goede manier worden besproken.

3.11.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.11.3

Het College overweegt dat beklaagde door de uitspraak uit punt 2.4 door de rechter in een lastige positie is gebracht. De invulling van de omgang is overgelaten aan het inzicht van beklaagde. De rechter heeft de keuze gemaakt om geen (basis)invulling aan de zorgregeling te geven. In dit geval heeft beklaagde een gesprek tussen hem, een collega, klager en moeder afhankelijk gesteld aan de omgang tussen klager en zijn kinderen anders gezegd als voorwaarde gesteld voor (intensivering van) de omgang. Hiermee heeft beklaagde een zeer lastige positie voor klager gecreëerd en heeft hij misbruik gemaakt van zijn machtspositie. De onderliggende strijd tussen klager en moeder is op deze manier van oneigenlijke invloed geweest op het contact met klager en zijn kinderen. Dit vloeit ook voort uit het feit dat uit het overgelegde dossier geen redenen blijken waarom er geen contact plaats zou kunnen vinden tussen klager en de kinderen. Uit de overgelegde bijlage 16 en bijlage 17 van het klaagschrift blijkt dat klager tijdig heeft aangegeven dat hij niet aanwezig kon zijn op het geplande moment en zich constructief heeft opgesteld door onmiddellijk nieuwe datavoorstellen te doen. In de e-mail van 5 oktober 2018 blijkt voor het College niet waarom het gesprek per sé op 10 oktober 2018 plaats moest vinden en hier niet is ingegaan op het alternatief van klager. Beklaagde heeft niet aangegeven wat maakte dat de datum niet verzet kon worden naar een ander tijdstip. Het College is van oordeel dat dit vanuit beklaagde geen zorgvuldige werkwijze is geweest en hij hiermee in strijd met artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker heeft gehandeld. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.12 Klachtonderdeel XI

3.12.1

Klager stelt dat beklaagde in strijd met artikel 1 van de Grondwet en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) heeft gehandeld. Klager verwijst hiervoor naar klachtonderdelen III, IV, VI, VII en X.

3.12.2

Beklaagde heeft tegen dit klachtonderdeel geen verweer gevoerd.

3.12.3

Het College overweegt dat dit klachtonderdeel onvoldoende concreet is geformuleerd. Voor het College is dan ook niet te beoordelen wat klager beklaagde precies verwijt. Nu de inhoud van dit klachtonderdeel niet duidelijk is en onvoldoende onderbouwd, verklaart het College klager niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

3.13 Conclusie

3.13.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot zeven klachtonderdelen (klachtonderdelen I, II, (deels) III, VI, VII, VIII en X) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Artikelen D (Vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect), F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening), G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden.
Beklaagde heeft nagelaten om klager zijn registratienummer te verstrekken en hem te informeren over de Beroepscode en het Tuchtrecht waar hij onder valt. Ook heeft beklaagde zich onvoldoende ingespannen om een gesprek, op verzoek van klager, met klager en zijn vertrouwenspersoon van de grond te krijgen. Voorts heeft beklaagde in meerdere gevallen gehandeld zonder hoor en wederhoor toe te passen. Daarnaast is niet gebleken dat aan klager is gecommuniceerd dat de methode van complexe echtscheiding niet langer van toepassing was en heeft er wel individueel contact met moeder plaats gevonden. Ook is uit de overgelegde stukken niet gebleken dat er constructief is gewerkt met het gezinsplan waardoor het voor klager heeft ontbroken aan structuur en handvatten tijdens de hulpverlening. Tot slot heeft beklaagde klager in een afhankelijke positie gebracht door de omgang met zijn kinderen afhankelijk te maken van het wel of niet doorgaan van een gesprek.
Door zijn handelen is beklaagde verwijtbaar te kort geschoten. Het College concludeert dat het handelen van beklaagde schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening en het aanzien van de beroepsgroep. Tijdens de mondelinge behandeling en in het verweer heeft beklaagde een minimale blijk van reflectie gegeven op zijn handelen. Hierbij neemt het College in overweging dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de gevolgen van zijn handelen voor (de positie van) klager. Op grond van bovengenoemde omstandigheden acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van berisping op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klager niet-ontvankelijk in klachtonderdeel (deels) III en XI;
– klachtonderdelen IV, V en IX ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I, II, (deels)III, VI, VII, VIII en X gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van berisping.

Aldus gedaan door het College en op 15 maart 2019 aan partijen toegezonden.

 

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                   mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                               secretaris