Maak een selectie

727 van 727

   

Ambulant hulpverlener heeft onzorgvuldig gehandeld door een verouderd (en door vader afgewezen) concept behandelplan ter ondertekening voor te leggen aan de vader.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. M. Fiege, voorzitter,
mevrouw M. de Roos, lid-beroepsgenoot,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[Klager], hierna te noemen: klager, wonende te [Woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[Beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als [ambulant hulpverlener] bij [de instelling], locatie [plaatsnaam], hierna te noemen: [de instelling].

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als behandelcoördinator bij [de instelling].

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennis genomen van:
– het klaagschrift ontvangen op 3 juli 2017;
– het verweerschrift ontvangen op 11 september 2017.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 2 november 2017 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de hoorzitting heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over uiterlijk acht weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige kinderen: [zoon 1] (geboren op [geboortedatum] 2006) en [zoon 2] (geboren op [geboortedatum] 2008), samen aan te duiden als ‘de kinderen’.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn uit elkaar. Er is sprake van co-ouderschap. De kinderen verblijven om de week bij één van de ouders. Klager is met moeder gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen. De kinderen zijn onder toezicht gesteld van de [GI].

2.3

Beklaagde is werkzaam als [ambulant hulpverlener] bij [de instelling]. Op verwijzing van de [GI] heeft beklaagde vanaf eind 2016 tot medio juli 2017 ambulante gezinsbehandeling verleend aan klager en moeder. De gezinsbehandeling was gericht op het creëren van een situatie waarin de kinderen geen hinder zouden ondervinden van de meningsverschillen tussen klager en moeder. Beklaagde heeft een behandelplan opgesteld. Klager heeft dit plan niet ondertekend.

2.4

Beklaagde is geregistreerd bij SKJ sinds [datum] 2016.

3 De klacht

3.1

Klager verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:

Beklaagde heeft een behandelplan opgesteld. Omdat het plan niet was gebaseerd op feiten en onjuistheden bevatte, heeft klager driemaal geweigerd het behandelplan te ondertekenen. Op 21 juni 2017 heeft tussen klager en beklaagde een gesprek plaatsgevonden. Beklaagde heeft klager toen verzocht een handtekening te zetten onder een kort stukje tekst. Het ging om 1 a4-tje, maar klager merkte op dat onderaan de pagina stond vermeld: ‘pagina 12 van 13’. Bij navraag over de overige pagina’s bleek het te gaan om het behandelplan dat klager tot driemaal toe had geweigerd te tekenen. Beklaagde heeft geprobeerd de handtekening van klager alsnog onder het behandelplan te krijgen.

4 Het verweer

4.1

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:

Door beklaagde en zijn collega zijn verschillende pogingen ondernomen om met klager en moeder tot een behandelplan te komen dat de gezinssituatie zo beschrijft dat klager en moeder zich hierin kunnen vinden. Dit bleek echter niet mogelijk, waardoor er na circa zes maanden nog geen overeenstemming was over de probleemdefiniëring en behandelrichting. In samenspraak met de gedragswetenschapper is gekozen om te volstaan met een afgeslankte tekst in het behandelplan, die uitdrukking geeft aan de behandelrichting, maar die niet over zaken gaat die de ene ouder aanmerkt als feit en de ander als leugen. Beklaagde heeft klager het nieuwe verkorte behandelvoorstel per e-mail gestuurd, maar vervolgens gebruik gemaakt van een blanco handtekeningblad van de oude versie van het behandelplan. Beklaagde geeft aan dit ten zeerste te betreuren. Beklaagde stelt zich hierbij op het standpunt dat het gaat om een slordigheidsfout en dat het nooit zijn intentie is geweest om klager te laten tekenen voor een behandelplan dat niet zijn instemming heeft. Door het opstellen van het nieuwe verkorte behandelvoorstel was het oorspronkelijk behandelplan vervallen. Indien klager zijn handtekening zou hebben gezet, zou hij dus niet hebben getekend voor dit behandelplan. Beklaagde begrijpt dat door de verwarring die is ontstaan, doordat een verkeerde paginanummer onder het stuk stond de behandelrelatie is beschadigd, terwijl het vertrouwen reeds broos was. Beklaagde heeft via de behandelcoördinator zijn excuses aangeboden. Nu klager te kennen heeft gegeven dat zijn vertrouwen in de integriteit van beklaagde als gezinsbehandelaar onherstelbaar beschadigd is, is besloten dat de collega van beklaagde alleen het traject afrondt met klager en de moeder.

5 De beoordeling van de klacht

5.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

5.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

5.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

5.2

Het College oordeelt als volgt:

Beklaagde heeft tijdens het gesprek met klager op 21 juni 2017 een nieuw behandelplan, waarin slechts de concrete doelen stonden waar klager en moeder achterstonden, willen laten ondertekenen. Beklaagde heeft echter een oude pagina van een eerder conceptbehandelplan gebruikt. Omdat op deze pagina onderaan was vermeld dat het pagina 12 van de 13 betrof, heeft klager de indruk gekregen dat hij met het tekenen van dit document het eerder opgestelde behandelplan zou bekrachtigen. Voldoende is echter komen vast te staan, dat dit niet het geval was. Het eerder opgestelde behandelplan was vervallen door het opstellen van het nieuwe document. Dit is echter niet duidelijk richting klager gecommuniceerd en door het gebruik van het verkeerde paginanummer is hierover verwarring ontstaan.
Omdat beklaagde niet zorgvuldig heeft gehandeld, hetgeen hij ook erkent, acht het College de klacht gegrond. Uit artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker vloeit voort dat het op de weg van beklaagde had gelegen om klager duidelijk te informeren over het document waaronder hij zijn handtekening zou zetten, zodat voor klager duidelijk was wat de strekking en betekenis zou zijn van het zetten van die handtekening. Hierdoor zou ruis voorkomen zijn en zou het vertrouwen in beklaagde niet ter discussie zijn komen te staan. Hoewel het handelen van beklaagde zeer ongelukkig is geweest, is voor het College voldoende komen vast te staan dat het een eenmalig incident is geweest en een slordigheid betreft en hij klager niet bewust misleid heeft.

5.3

Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College houdt echter rekening met het feit dat het slechtst gaat om eenmalig onzorgvuldig handelen van beklaagde. Voorts heeft beklaagde zich direct na het onzorgvuldig handelen terug getrokken uit de zaak en heeft beklaagde gereflecteerd op zijn handelen. Beklaagde heeft aangegeven in de toekomst voorzichtiger te zijn met de stukken die hij aanbiedt en duidelijker te zijn in de communicatie. Het College ziet dan ook af van het opleggen van een maatregel.

Ten overvloede wenst het College op te merken dat de afsluiting van de professionele relatie door beklaagde zorgvuldiger had gekund (artikel I van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker: Beëindiging van de professionele relatie). Het had op de weg van beklaagde gelegen om zelf initiatief te nemen om het gesprek met klager aan te gaan nadat klager zijn ongenoegen had geuit bij de behandelcoördinator van beklaagde. Het initiatief is nu bij klager gelaten, waardoor het niet tot een gesprek is gekomen.

6 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College van Toezicht tot de volgende beslissing:

– verklaart de klacht gegrond;
– ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College van Toezicht en op 18 december 2017 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. M. Fiege                    mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                            secretaris