Maak een selectie

727 van 727

   

Een raadsonderzoeker heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld met het al dan niet benaderen van drie informanten. Ook bevat het opgestelde raadsrapport meerdere feitelijke onjuistheden.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
de heer D.N.A. Bidjai, lid-beroepsgenoot,
mevrouw S.P. van Buuren, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als raadsonderzoeker bij de Raad voor de Kinderbescherming, locatie: [plaatsnaam], hierna te noemen: de RvdK.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. G.V. van Campen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. H.M.Th. de Pont, advocaat te Tilburg.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 31 juli 2018, met de bijlagen;
– het verweerschrift ontvangen 21 september 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van klaagster is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar zus aanwezig geweest. Vanuit het College is als toehoorder tijdens de mondelinge behandeling van de klacht een tweede secretaris aanwezig geweest.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is de moeder van een minderjarige dochter. De dochter is geboren in 2016.

2.2

Klaagster en haar ex-partner, de vader van de dochter, hierna te noemen: de vader, zijn sinds mei 2017 uit elkaar. Klaagster en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter. De dochter woont bij klaagster.

2.3

Veilig Thuis doet op 1 september 2017 een melding bij de RvdK vanwege de ernstige zorgen over de ontwikkeling van de dochter en omdat vrijwillige hulpverlening niet toereikend lijkt.

2.4

Op 7 december 2017 ontvangt de RvdK een verzoek tot onderzoek van de rechtbank inzake gezag en omgang van de dochter, omdat de ouders het niet eens zijn over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken.

2.5

Het onderzoek is door de RvdK op 18 december 2017 gestart en uitgevoerd door beklaagde. Het onderzoek is ambtshalve uitgebreid met een onderzoek naar de opvoedingssituatie van de dochter. De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in het raadsrapport van 1 mei 2018, hierna te noemen: het raadsrapport.

2.6

De conclusie van het raadsonderzoek is dat de kinderrechter verzocht wordt de dochter onder toezicht te stellen voor een periode van twaalf maanden. Op pagina 23 van het raadsrapport wordt dit besluit als volgt gemotiveerd: “omdat duidelijk is dat er een lang en stevig proces nodig is, om beide ouders inzicht te laten krijgen in hun eigen rol en verantwoordelijkheid. Daarnaast speelt deze problematiek al langere tijd, is [de dochter] nog heel jong en lijken de verschillen tussen ouders groter te worden.” Daarnaast wordt de rechtbank geadviseerd de zaak met betrekking tot het verzoek tot omgang van de vader aan te houden voor de duur van negen maanden. Dit besluit wordt op pagina 23 en 24 als volgt gemotiveerd: “teneinde de zaak door te verwijzen naar het omgangshuis waar via maatwerk en gesprekken tussen de ouders de omgang tussen vader en [de dochter] kan worden opgestart met terugkoppeling van de bevindingen van het verloop van het traject aan de rechtbank. Na deze terugkoppeling dient de actuele stand van zaken met betrekking tot het verzoek worden getoetst op de omstandigheid hoe op het verzoek van vader tot omgang kan worden beslist.”

2.7

Beklaagde is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. Sinds [datum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster heeft drie klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op hoe beklaagde het raadsonderzoek heeft uitgevoerd en haar bevindingen heeft vastgelegd in het raadsrapport. Klaagster meent dat beklaagde kwalitatief geen goed onderzoek verricht heeft en dat zij de basale regels omtrent onderzoek doen niet heeft nageleefd.

3.1.4

Het College dient te beoordelen of beklaagde – als raadsonderzoeker – is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College toetst daartoe het handelen van beklaagde aan de professionele standaard, te weten de beroepscode, de richtlijnen en specifieke aan de organisatie gerelateerde kaders. De ten tijde van het handelen van beklaagde geldende beroepscode was de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode. Het specifieke aan de organisatie gerelateerde kader waar het College aan toetst betreft in deze casus het Kwaliteitskader van de Raad voor de Kinderbescherming 2016, hierna te noemen: het Kwaliteitskader van de RvdK. Daarin zijn de algemene kwaliteitseisen vastgelegd die gelden voor onderzoeken die door (de medewerkers van) de RvdK worden uitgevoerd.

3.1.5

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. De klachtonderdelen en het verweer hiertegen worden zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De benaderde informanten in het raadsonderzoek zijn deels niet de juiste geweest en de informanten zijn door beklaagde op onprofessionele wijze benaderd. Er is op suggestieve wijze verslag gedaan van hetgeen door de informanten te kennen is gegeven. Voorts is in het raadsrapport over de hele linie sprake van aannames en veronderstellingen, waarbij feitelijke onderbouwing ontbreekt.

3.2.2

Toelichting:
Beklaagde heeft kort na aanvang van het raadsonderzoek een mededeling gedaan dat het kon dat zij maar één informant zou benaderen, als het beeld dan al duidelijk was. Klaagster stelt zich op het standpunt dat in een kwalitatief goed onderzoek altijd meerdere informanten dienen te worden gesproken. Voor wat betreft de al dan niet benaderde informanten wordt beklaagde het volgende verweten:

– De huisarts: beklaagde heeft allereerst zonder toestemming van klaagster de sinds december 2017 nieuwe huisarts van de vader benaderd. Beklaagde heeft onduidelijkheid laten bestaan over de persoon van de te benaderen huisarts. Ten tweede is beklaagde onvoldoende kritisch geweest op de verklaring van de betreffende huisarts. De verklaring dat de vader sinds 2013 de praktijk bezoekt, berust op een onwaarheid. Uit de overgelegde verklaring van de voormalige huisarts van de vader blijkt dat de vader in december 2017 bij die praktijk is uitgeschreven. Van beklaagde mocht verwacht worden dat zij kritisch was geweest op de inhoud van de verklaring en dat zij daarop had doorgevraagd. Tot slot vindt klaagster het onbegrijpelijk dat geen contact is opgenomen met de huisarts van de dochter.

– De wijkagent: blijkens pagina vijf van het raadsrapport is op aansporen van de vader contact opgenomen met een geheel andere wijkagent dan van tevoren afgesproken. De andere wijkagent is de beste vriend van de vader en in een andere regio werkzaam. Hij is professioneel niet betrokken bij het gezin. In het raadsrapport wordt niet duidelijk gemaakt wat er inhoudelijk met de wijkagent is besproken en evenmin wordt duidelijk gemaakt waarom een andere wijkagent is benaderd dan vooraf afgesproken. Beklaagde heeft nagelaten de juiste, relevante informatie te vergaren.

– De psychiater: uit de reactie van de psychiater volgt dat deze met de verkeerde vraagstelling is benaderd, namelijk dat de ouders een gezamenlijke therapie hebben gevolgd. Het is onduidelijk waarop beklaagde deze aanname gebaseerd heeft. Bovendien had beklaagde in een reactie op de e-mail de vraagstelling kunnen aanpassen. Gelet op de zorgen die bij klaagster over de vader bestonden, had van beklaagde verwacht mogen worden dat zij relevante informatie bij de psychiater had opgevraagd.

– Het kinderdagverblijf, hierna te noemen: het KDV: op pagina vijf van het raadsrapport is onder het kopje “factoren die van invloed zijn geweest op het verloop van het onderzoek” een onjuiste passage opgenomen aangaande het contact tussen het KDV, klaagster en haar gemachtigde. Voorts heeft het KDV tegenover klaagster beweerd dat de informatie in het raadsrapport niet overeenkomt met de door hen geaccordeerde versie. Ook vond de medewerker van het KDV het een vervelend telefoongesprek met beklaagde, omdat er suggestieve vragen gesteld werden. Tot slot is aanvullende, belangrijke informatie, wat later per e-mail aan beklaagde toegestuurd is, niet aan het raadsrapport toegevoegd.

– De psycholoog: ook hier is op verzoek van de vader een psycholoog benaderd, die niet de psycholoog is die destijds de diagnose ADHD bij de vader gesteld heeft. Deze psycholoog is pas kort voor het raadsonderzoek door de vader ingeschakeld. Het is onduidelijk met welke hulpvraag deze psycholoog is ingeschakeld, evenmin wat de diagnose, voorgestelde behandeling en prognose zouden zijn. Ook is onduidelijk wie deze psycholoog is, deze is niet te traceren in het BIG-register. Beklaagde is voorts onvoldoende kritisch geweest ten aanzien van de door vader aangedragen persoon. Overigens zou deze psycholoog inmiddels ook ontslagen zijn.

– De NLP-coach: in de overgelegde schriftelijke verklaring laat deze coach weten dat hij de manier van vragen stellen door beklaagde als onprettig, oordelend en suggestief heeft ervaren. Ook deed beklaagde in het contact met hem onprofessionele uitspraken. De informatie van de coach is geïnterpreteerd op een wijze die niet passend is bij de inhoud.

– De zus van klaagster: klaagsters zus is onterecht niet als informant in het onderzoek benaderd, terwijl zij als enige iets kan vertellen over de contacten tussen de dochter en de vader. Het is klaagster onbekend waarom zij niet is benaderd. Ook zijn de toegestuurde verslagen van klaagsters zus, over de omgang tussen de vader en dochter, als bijlagen bij het rapport gevoegd, zonder daarvan de inhoud te duiden.

Tot slot had beklaagde haar advies al geformuleerd nog voordat de geaccordeerde informatie van informanten aanwezig was. Het adviesgesprek dateert namelijk van 29 maart 2018 en het conceptrapport van 10 april 2018, terwijl het merendeel van de informanten pas nadien akkoord gegeven heeft op de weergave van de door hen verstrekte informatie. In het kader van het doen van onderzoek is het van belang om pas conclusies te trekken op het moment dat alle informatie volledig en accuraat is.

3.2.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde verwerpt het verwijt dat sprake is geweest van een tunnelvisie. Bij aanvang van het onderzoek had beklaagde geen aannames. Zij was volstrekt neutraal. Dat niet sprake is geweest van een tunnelvisie blijkt ook uit de vijf benaderde informanten, van wie enkelen uitvoerig hebben gerapporteerd. Beklaagde voert het volgende aan voor wat betreft de verwijten rondom de al dan niet benaderde informanten:

– De nieuwe huisarts van de vader heeft op basis van de aan haar bekende gegevens, gebaseerd op de overgedragen medische status van de vader, informatie aan beklaagde verstrekt. Beklaagde had geen enkele reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Over het mogelijke cannabisverbruik van de vader is door beklaagde met de huisarts wel degelijk gesproken. De vader is daar zelfs (negatief) op getest, zodat er geen aanleiding was om uit te gaan van verslavingsproblematiek. Omdat er geen medische problemen bij de dochter waren, is het KDV benaderd om het functioneren van de dochter te objectiveren.

– Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde kenbaar gemaakt dat ze het benaderen van de wijkagent zorgvuldiger had kunnen doen. Omdat klaagster stelde dat sprake was geweest van huiselijk geweld is het vast protocol binnen de RvdK dat de betreffende wijkagent benaderd wordt. De vader had hiervoor contactgegevens doorgegeven, maar dit bleek een kennis van hem te zijn en niet de betrokken wijkagent. Beklaagde heeft op dat moment ervan afgezien om de juiste wijkagent te benaderen.

– De psychiater: beklaagde heeft zich conform artikel 3.3 van de Jeugdwet ingespannen om zoveel als mogelijk een waarheidsgetrouw en volledig beeld te schetsen van de situatie. Hetgeen klaagster verwacht van beklaagde omtrent de vraagstelling aan de psychiater is in strijd met het beroepsgeheim van de psychiater en de privacy van de vader. De verstrekte verklaring was voor beklaagde voldoende.

– Beklaagde heeft op geen enkel moment het idee gekregen dat de medewerkers van het KDV het contact met beklaagde als onprettig ervaarden. Zij heeft samen met het KDV geprobeerd te kijken naar een manier waarop zij de dochter konden helpen en de situatie konden normaliseren en tegelijkertijd klaagster niet als hun klant te laten verliezen. Duidelijk is dat klaagster, wellicht geconfronteerd met aan haar niet geheel welgevallige informatie, contact heeft opgenomen met het KDV teneinde de verklaring aan te laten vullen. Hetgeen voor beklaagde een herkenbaar patroon is.

– Ook de psycholoog is volgens klaagster “louche” en niet ter zake kundig, kennelijk omdat deze niet de problematiek inziet waarmee de vader volgens klaagster te kampen heeft.

– De NLP-coach heeft zijn verslag geaccordeerd. Het klopt dat beklaagde naast open ook sturende vragen gesteld heeft. Uit hetgeen deze informant uit eigen beweging wilde vertellen, ontstond bij beklaagde de twijfel over zijn objectiviteit over de situatie. Temeer omdat klaagster zich inmiddels bij beklaagde als zeer confronterend en bijzonder kritisch naar elke professional getoond had. Voor wat betreft het doen van uitspraken over de psychische gezondheid van klaagster, stelt beklaagde zich op het standpunt dat zij aan therapeuten vragen mag stellen over diagnoses. Ten aanzien van de confirmation bias valt dat volgens beklaagde niet altijd te voorkomen, maar dat wordt bijgestuurd door de betrokken deskundigen. Beklaagde heeft gepoogd de “bijzondere persoonlijkheden” van ouders en hun onderlinge problematiek op verschillende manieren te objectiveren.

– De zus van klaagster is niet benaderd als informant omdat uit haar verslagen in de ogen van de RvdK al sprake was van een niet objectieve en zelfs uitgesproken negatieve wijze van observeren. Wellicht heeft de RvdK onvoldoende geëxpliciteerd dat de door beklaagde waargenomen subjectiviteit bij de zus van klaagster niet helpend zou zijn. De observaties zijn uiteindelijk wel meegenomen in het onderzoek, omdat de RvdK anders niets had kunnen zeggen over de waarde die de observaties in de ogen van de RvdK hadden.

3.2.4

Het College overweegt als volgt:
Het klachtonderdeel bevat meerdere verwijten die volgens het College samengevat zien op de wijze waarop beklaagde het raadsonderzoek heeft vormgegeven en hoe haar bevindingen zijn vastgelegd in het raadsrapport. Ter zake het benaderen van de informanten baseert het College zich op hetgeen de RvdK hieromtrent vermeldt op de website ‘Hoe verloopt een Raadsonderzoek?; Informatie van mensen die het kind of gezin goed kennen’, de brochure ‘Als de Raad voor de Kinderbescherming u om informatie vraagt’ en het Kwaliteitskader van de RvdK. Daaruit komt samengevat het volgende naar voren. Een informant kan een familielid zijn of iemand die vanuit zijn werk bij het kind of gezin betrokken is. De raadsonderzoeker bespreekt met de ouders wie benaderd worden en de ouders geven hiervoor al dan niet toestemming. Soms benadert de raadsonderzoek ook informanten als de ouders geen toestemming hebben gegeven. Dit wordt uitgelegd aan de ouders en medegedeeld aan de informant. De raadonderzoeker mag zelf beslissen welke informanten hij benaderd. De ouders kunnen een informant voorstellen, maar de raadsonderzoeker is niet verplicht deze informant te benaderen. De raadsonderzoeker neemt contact op met de informant en legt uit waarom hij informatie wil hebben. De informant bepaalt zelf of hij wil meewerken aan het raadsonderzoek, niemand is verplicht om informatie te geven. Op de voormelde pagina op de website van de RvdK wordt hierover het volgende vermeld: ‘Overigens blijft de beslissing om informatie te verstrekken aan de RvdK bij de informant. Elke informant zal op basis van de vragen van de raadsmedewerker altijd zelf afwegen of het delen van informatie noodzakelijk en passend is. Het staat de beroepsbeoefenaar vrij om, in het kader van diens professionele verantwoordelijkheid, geen informatie te delen. Verantwoording daarover wordt (desgewenst) afgelegd in de eigen beroepsgroep.”

3.2.5

Ten aanzien van de als informant gehoorde huisarts, psychiater, het KDV en de NLP-coach is het College van oordeel dat beklaagde geen tuchtrechtelijke norm heeft geschonden en overweegt hiertoe als volgt.
Ten aanzien van de huisarts kan het College niet nagaan welke huisarts al dan niet door beklaagde benaderd zou worden, omdat de door de ouders getekende toestemmingsverklaring voor het raadplegen van de informanten door geen van de partijen overgelegd is. Ook is het College van oordeel dat aan de onderzoeker van de RvdK de nodige vrijheid en zelfstandigheid gelaten moet worden om het raadsonderzoek (zo goed mogelijk) te verrichten. Zoals reeds eerder vermeld heeft de (medewerker van de) RvdK ook de ruimte om te beslissen een informant al dan niet in een onderzoek te benaderen, in casu welke huisarts benaderd zou worden. Uiteraard met inachtneming van de daartoe opgestelde richtlijnen en kwaliteitseisen zoals vastgelegd in het Kwaliteitskader van de RvdK. Het College ziet in de geaccordeerde verklaring van de huisarts geen aanwijzingen ertoe leidend dat beklaagde aan de juistheid van die verklaring had moeten twijfelen.
Ten aanzien van de psychiater overweegt het College het volgende. Uit de verklaring van de psychiater (pagina 12 van het raadsrapport) valt op te maken dat er een professionele relatie bestond tussen de vader en de psychiater, namelijk dat de vader door de psychiater enkele malen gezien is in het kader van medicatiebewaking. De psychiater heeft desgevraagd informatie aangeleverd en deze daarna geaccordeerd. Uit de informatie op de website van de RvdK valt op te maken dat elke informant op basis van de vragen van de raadsmedewerker altijd zelf zal afwegen of het delen van informatie noodzakelijk en passend is. Het is ook niet aan het College om te treden in een inhoudelijke beoordeling over de vraag of de door de psychiater verstrekte informatie al dan niet afdoende zou zijn. Dat oordeel is aan de raadsonderzoeker. Beklaagde heeft aangegeven dat de door de psychiater verstrekte verklaring voldoende was. Mede gezien de kennelijk beperkte omvang van de contacten tussen de psychiater en de vader, kan het College het standpunt van beklaagde volgen dat zij geen aanleiding zag om nadere informatie op te vragen. Voor wat betreft het medisch beroepsgeheim en de privacy van de vader wijst het College op het volgende. Volgens de Rvdk staat het de beroepsbeoefenaar vrij om, in het kader van diens professionele verantwoordelijkheid, al dan niet informatie te delen en wordt verantwoording daarover (desgewenst) afgelegd in de eigen beroepsgroep.
Voor wat betreft het KDV verschillen partijen van visie over hoe de informatie tot stand is gekomen en hoe het contact tussen beklaagde en het KDV is verlopen. Het College beschikt alleen over de door het KDV geaccordeerde verklaring in het raadsrapport. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen hoe de verklaring tot stand is gekomen, evenmin hoe het contact tussen het KDV en beklaagde is verlopen.
Ten aanzien van de NLP-coach overweegt het College dat zijn verklaring door hem geaccordeerd is. In het geval hij de wijze van bevraging door beklaagde als niet prettig heeft ervaren, ligt het volgens het College op zijn weg om dat kenbaar te maken en daarover het gesprek met beklaagde aan te gaan.

3.2.6

Voor wat betreft de wijkagent overweegt het College als volgt. Gelet op klaagsters verklaring over huiselijk geweld, had het op de weg van beklaagde gelegen om de vermoedens hierover te staven bij de betrokken wijkagent. Beklaagde heeft dit tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend en toegelicht dat daarom de afspraak gemaakt was dat de wijkagent benaderd zou worden. Het College kan niet volgen dat beklaagde zich vervolgens heeft gebaseerd op de door de vader verstrekte contactgegevens van een wijkagent, die naar later bleek niet in die hoedanigheid bij het gezin betrokken was. Nadien heeft beklaagde niet meer gepoogd om de juiste wijkagent te benaderen. Het College acht dit nalaten in strijd met artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode en artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK.

3.2.7

Ten aanzien van de psycholoog overweegt het College als volgt. Het College leidt uit pagina 4 en 5 van het raadsrapport af dat de psycholoog lopende het raadsonderzoek naar aanleiding van het verzoek van de vader benaderd is. Dat deze informant benaderd zou worden, is blijkens pagina 4 van het raadsrapport niet met klaagster besproken. Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd toegelicht dat zij is uitgegaan van de verstrekte gegevens van de vader en dat zij niet om nadere informatie gevraagd heeft, noch dat zij de functie van psycholoog is nagegaan. Het College is van oordeel dat op een raadsonderzoeker in zijn algemeenheid de plicht rust de betrouwbaarheid van een (voorgedragen) informant na te gaan en zich op enigerlei wijze te vergewissen van de hoedanigheid van de betrokken informant. In de onderhavige casus te meer nu de informant lopende het raadsonderzoek naar aanleiding van het verzoek van de vader is benaderd en dit niet met klaagster is afgestemd. Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat beklaagde tenminste de functie van de informant diende na te gaan. Het College acht dit nalaten in strijd met artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode.

3.2.8

Voor wat betreft het verwijt dat klaagsters zus niet als informant in het onderzoek is betrokken overweegt het College als volgt. Het College heeft begrip voor het standpunt van klaagster dat zij graag gezien had dat haar zus als informant benaderd zou worden. Zoals hiervoor ook reeds aangegeven is het College van oordeel dat aan de onderzoeker van de RvdK de nodige vrijheid en zelfstandigheid gelaten moet worden om het raadsonderzoek zo goed mogelijk te verrichten. In lijn hiermee heeft de (medewerker van de) RvdK ook de ruimte om te beslissen een informant al dan niet in een onderzoek te benaderen. Uiteraard met inachtneming van de daartoe opgestelde richtlijnen en kwaliteitseisen, zoals onder meer vastgelegd in het Kwaliteitskader van de RvdK. Het College concludeert dat beklaagde geen norm heeft overschreden door klaagsters zus niet als informant te benaderen en verklaart dit deel van de klacht ongegrond.
Beklaagde wordt daarnaast verweten dat zij het besluit niet heeft toegelicht om klaagsters zus niet als informant te benaderen. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat klaagster verzocht had haar zus als informant tijdens het raadsonderzoek te benaderen. Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd haar beweegredenen om klaagsters zus niet als informant te benaderen toegelicht, namelijk omdat de RvdK familieleden in het algemeen geen objectieve bron acht en omdat bleek dat de toegestuurde verslagen van klaagsters zus gekleurd waren. Het College acht dit besluit van beklaagde navolgbaar. Op beklaagde rust echter op grond van artikel 3.III sub E van het Kwaliteitskader van de RvdK de verplichting dit ook als zodanig te communiceren en in het raadsrapport te motiveren. In dit artikel is namelijk onder meer het volgende opgenomen: “De ouder en/of het kind kan de RvdK verzoeken bepaalde informanten te horen. Ingeval de RvdK besluit dit niet te honoreren wordt dit besluit gecommuniceerd en gemotiveerd in het rapport.” Dit besluit is door beklaagde niet naar klaagster gecommuniceerd, noch is de motivatie in het raadsrapport opgenomen. Het College is van oordeel dat beklaagde met dit nalaten voornoemd artikel uit het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode heeft geschonden.

3.2.9

Klaagster verwijt beklaagde ook dat zij het adviesgesprek gevoerd heeft voordat alle informanten de door hen verstrekte informatie geaccordeerd hadden. Dit valt door het College niet vast te stellen. Uit de overgelegde stukken komt namelijk niet naar voren wanneer het adviesgesprek heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht desgevraagd aangegeven dat zij zich de datum van dit gesprek niet meer kan herinneren. Ook de verwijten dat door beklaagde op suggestieve wijze verslag is gedaan, dat sprake is geweest van aannames en veronderstellingen of dat gewerkt is vanuit een confirmation bias zijn volgens het College door klaagster onvoldoende onderbouwd en kunnen om die reden niet door het College worden vastgesteld.

3.2.10

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt ten aanzien van de wijkagent, de psycholoog en ten aanzien van de communicatie over en het ontbreken van de motivatie van het besluit om klaagsters zus gedurende het raadsonderzoek niet als informant te benaderen.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde is in haar rapport niet inhoudelijk ingegaan op de zorgen van klaagster over de psychische gesteldheid van de vader en op de aanbeveling van inschakeling van het omgangshuis.

3.3.2

Toelichting:
Klaagster heeft in haar verweerschrift alsmede in de gesprekken met beklaagde duidelijk gemaakt waarom zij zorgen heeft. Desondanks is noch bij de vader, noch bij de informanten, doorgevraagd over bijvoorbeeld de cannabisafhankelijkheid die al ruim 25 jaar bij de vader bestaat. Wel heeft beklaagde kennelijk de overtuiging dat sprake is van psychische problemen aan de zijde van de vader, getuige de uitlatingen richting de NLP-coach en het aanbod van een KOPP-training. Over een dergelijke training heeft klaagster haar verbazing geuit, gelet op de leeftijd van de dochter. Beklaagde had op de hoogte moeten zijn van het aanbod van de hulpverlening en de doelgroep. Daarnaast had in het raadsrapport gemotiveerd moeten worden waarom een dergelijk aanbod gedaan werd, hetgeen niet gebeurd is. Voorts is klaagster overvallen door de conclusies en aanbevelingen in het raadsrapport, omdat deze niet stroken met hetgeen in de gesprekken aan haar is verteld. Zo heeft beklaagde zich negatief uitgelaten over het systeem van de vader, maar dit komt niet terug in het raadsrapport. Ook is aangegeven dat het verzoek tot ondertoezichtstelling geen betrekking op klaagster had, omdat er geen enkele zorgen zijn over haar als ouder. Deze uitlatingen komen op geen enkele wijze terug in het raadsrapport. Tot slot kan klaagster niet volgen hoe beklaagde is gekomen tot het advies van het inschakelen van het omgangshuis. Daar worden slechts zes korte begeleide contacten en oudergesprekken aangeboden en er wordt niet gekeken naar de hechtingsrelatie tussen ouder en kind. Evenmin wordt daarop geïntervenieerd. Ook is geen deskundigheid aanwezig op het gebied van KOPP-problematiek. Het is voor klaagster dan ook niet duidelijk op grond waarvan beklaagde tot haar advies is gekomen.

3.3.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Door beklaagde zijn twee informanten benaderd die een uitspraak hadden kunnen doen over mogelijke verslavingsproblematiek bij de vader: de psychiater en de huisarts. Beiden hebben hiervan geen melding gemaakt. De uitslag van de daartoe strekkende test van de huisarts was tevens negatief. Op dat moment is er dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat bij de vader sprake is van verslavingsproblematiek. In het geval wel sprake zou zijn van verslavingsproblematiek, vraagt beklaagde zich af hoe deze informatie bij haar bekend zou moeten worden zonder de privacy van de vader te schenden of de Beroepscode te schenden. Voor wat betreft de conclusies en aanbevelingen waardoor klaagster zich overvallen voelt, stelt beklaagde zich op het volgende standpunt. Klaagster focust zich op een beschrijving van de situatie zoals die gold bij aanvang van het onderzoek. Op basis van de door beklaagde verworven informatie en op grond van de verkregen informatie uit aanvullende onderzoeksmiddelen zijn er duidelijke signalen gezien die wijzen op mogelijkheden van de vader om aan te sluiten bij de dochter. Het klopt dat over klaagster als ouder van de dochter geen zorgen zijn, wel over de wijze waarop zij de vader bij de dochter tracht weg te houden. Tot slot voor wat betreft het omgangshuis betwist beklaagde dat hierbij slechts zes korte begeleide contacten mogelijk zouden zijn. Er zijn diverse omgangshuizen die veel meer aanbieden dan dit.

3.3.4

Het College overweegt als volgt:
Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde niets met de zorgen van klaagster heeft gedaan omtrent de psychische gesteldheid van de vader en het mogelijke cannabisgebruik van de vader overweegt het College als volgt. Beklaagde voert aan dat de huisarts en de psychiater als informant uitspraken hadden kunnen doen over de verslavingsproblematiek van de vader, hetgeen zij niet gedaan hebben. Het College herhaalt gedeeltelijk het oordeel ten aanzien van klachtonderdeel I onder 3.2.4 van deze beslissing, in die zin dat elke informant op basis van de vragen van de raadsmedewerker altijd zelf zal afwegen of het delen van informatie noodzakelijk en passend is. De beroepsbeoefenaar maakt hierin zelf een keuze welke informatie gedeeld wordt. Dat de huisarts en de psychiater geen informatie gedeeld hebben over de psychische gesteldheid dan wel over de vermeende cannabisverslaving van de vader valt beklaagde naar het oordeel van het College dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten. Beklaagde had naar eigen zeggen voldoende aan de reeds verstrekte informatie.

3.3.5

Voor wat betreft de uitspraken van beklaagde over de KOPP-training en het gegeven advies om het omgangshuis in te schakelen acht het College geen tuchtrechtelijke normen geschonden. Het College acht het voldoende aannemelijk dat beklaagde in het gesprek met klaagster, op basis van haar zorgen, verkennend hierin is meegegaan. De uitspraken rondom de KOPP-training zijn ingegeven door hetgeen klaagster in het gesprek naar voren bracht en kunnen voorts betrekking hebben op de toekomst. Tot slot acht het College het verwijt van klaagster inzake het omgangshuis niet houdbaar en verwijst hiervoor naar het geformuleerde advies, zoals weergegeven onder 2.6 van deze beslissing. In het raadsrapport wordt geadviseerd het verzoek met betrekking tot de omgang voor de duur van negen maanden aan te houden en de zaak door te verwijzen naar het omgangshuis, waar via maatwerk en gesprekken tussen de ouders de omgang tussen de vader en de dochter kan worden opgestart. Het College acht dit advies navolgbaar en in lijn met de uitkomsten van het raadsonderzoek.

3.3.6

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Het raadsrapport bevat diverse onjuistheden en onzorgvuldigheden. Ook zijn verkeerde bijlagen bij het raadsrapport gevoegd en ontbreken bijlagen. De toezegging van beklaagde hierover, dat zij dit bij de rechtbank zou rechtzetten, is zij niet nagekomen. Voorts is beklaagde niet zorgvuldig geweest in de communicatie met klaagster en heeft zij op diverse e-mails niet gereageerd. Tot slot heeft beklaagde na het adviesgesprek aangegeven dat zij klaagster haar gespreksverslagen zou toesturen, hetgeen beklaagde niet gedaan heeft.

3.4.2

Toelichting:
Klaagster wijst op de volgende voorbeelden van onjuistheden in het raadsrapport:

– De passage over dat er geen omgang tussen de dochter en de vader zou zijn;

– Het afzeggen van de omgang, over klaagster wordt dit wel vermeld over de vader niet;

– Het toesturen van de contactverslagen naar beklaagde, waarin vermeld wordt dat dit door klaagster is toegestuurd, hetgeen door de zus van klaagster is gedaan;

– De wijze waarop de relatie is beëindigd wordt onjuist vermeld;

– De datum die vermeld wordt waarop de relatieproblemen ontstonden;

– De passage dat klaagster niet gereageerd zou hebben op het laatste concept;

– De passage dat met de huisarts van de dochter is gesproken.

3.4.3

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Uiteraard dient een raadsrapport zorgvuldig te zijn voor wat betreft data en vermelding van de feiten. Beklaagde heeft haar best gedaan om zorgvuldig te zijn, doch voor zover dat niet in alle opzichten het geval is, maakt zij hiervoor haar excuses. Ter verdediging van mogelijke onzorgvuldigheden voert beklaagde aan dat zij gestrest raakte door de hoeveelheid e-mails tussen haar en klaagster, de zus van klaagster en de hoeveelheid documenten die beklaagde kreeg opgestuurd van hen beiden. Verder heeft klaagsters kritische houding en confronterende en aanvallende manier van gespreksvoering beklaagde ook danig parten gespeeld. Beklaagde heeft helaas nagelaten hulp te zoeken in de vorm van ondersteuning van een collega bij dit onderzoek. Dat laatste heeft beklaagde niet gedaan omdat vanwege de reorganisatie en transitie waarin de RvdK zich bevindt, beklaagde zich in een zeer instabiel team bevond. Door de stress en door de persoon van klaagster is bij beklaagde een kramp ontstaan die zij maar moeilijk kon kwijtraken. Voor beklaagde is het dan herkenbaar dat zij vermijdingsgedrag vertoont met alle gevolgen van dien. Tot slot is beklaagde tijdens de afronding van het raadsonderzoek ziek geworden en heeft een collega dit gedaan, zo ook het bijvoegen van de bijlagen.

3.4.4

Het College overweegt als volgt:
Zowel in het schriftelijke verweer als tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde de door klaagster aangegeven onjuistheden erkend. Reeds op 31 mei 2018 had beklaagde in een reactie aan klaagster hierover het volgende kenbaar gemaakt: “Dank u voor deze feedback. Ik zal de door u benoemde punten zo snel mogelijk adresseren dan wel rechtzetten.” Beklaagde heeft desgevraagd te kennen gegeven dat zij ondanks haar toezegging de onjuistheden in het raadsrapport (richting de rechtbank) niet hersteld heeft. Het College acht de meerdere onjuistheden in het raadsrapport in strijd met artikel 3.3 van de Jeugdwet. Dat beklaagde de onjuistheden niet heeft hersteld en zij haar toezegging hierover niet is nagekomen acht het College in strijd met artikel 3.VI sub B van het Kwaliteitskader van de RvdK en artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Volledigheidshalve merkt het College op dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht op dit punt gereflecteerd heeft op haar handelen, hetgeen het College meeneemt in de beoordeling van de op te leggen maatregel onder 3.5.2 van deze beslissing.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5 Conclusie

3.5.1

Het College concludeert dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I (gedeeltelijk) en III tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Beklaagde heeft met het al dan niet benaderen van de wijkagent en de psycholoog onzorgvuldig gehandeld. Voorts heeft beklaagde aan klaagster niet nader toegelicht waarom zij haar zus niet als informant tijdens het raadsonderzoek benaderd heeft, noch is dit besluit in het raadsrapport gemotiveerd. Tot slot bevat het raadsrapport meerdere feitelijke onjuistheden. Beklaagde heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikelen 3.III sub E en 3.VI sub B van het Kwaliteitskader van de RvdK, artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode en artikel 3.3. van de Jeugdwet.

3.5.2

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat een raadsonderzoeker zich bewust dient te zijn van zijn of haar rol en de machtspositie ten opzichte van de cliënt. De keuzes van een raadsonderzoeker kunnen immers (een groot) effect hebben op de toekomst van het cliëntsysteem, vanwege zowel de verzoekende als adviserende rol die de RvdK heeft ten opzichte van de rechterlijke macht. Het is belangrijk dat een raadsonderzoeker zich hiervan bewust is en mede met het oog hierop informatie gedurende het raadsonderzoek zorgvuldig inwint en verwerkt in het raadsrapport. Het College neemt echter ook in overweging dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht er blijk van heeft gegeven in te zien dat zij op meerdere punten zorgvuldiger had moeten handelen. Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen maar de reflectie van beklaagde meewegende, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel I (deels) en III gegrond;
– verklaart klachtonderdeel II ongegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 28 februari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris