Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugd- en gezinswerker heeft zich niet neutraal opgesteld ten opzichte van een gezaghebbende ouder waardoor deze onvoldoende is betrokken bij het hulpverleningstraject.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,
mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als Jeugd- en Gezinswerker bij [de instelling] (hierna te noemen: de instelling), gedetacheerd bij [de instelling 2] (locatie: [plaatsnaam]).

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde, [gemachtigde], de zwager van klager.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met de bijlagen ontvangen op 22 juli 2018;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 9 augustus 2018;
– het verweerschrift met de bijlagen ontvangen op 13 september 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 november 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat het streven was dat de beslissing, vanwege de kerstdagen, vervroegd en op 20 december 2018 verstuurd zou worden. Op 17 december 2018 heeft het College partijen per e-mail geïnformeerd dat geconstateerd werd dat de genoemde termijn niet haalbaar was en dat het College zich genoodzaakt heeft geacht om op grond van artikel 10.1 van het Tuchtreglement de oorspronkelijke termijn van acht weken aan te houden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van twee minderjarige kinderen: de oudste zoon, geboren in 2010, en de jongste zoon, geboren in 2012, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn sinds 2015 gescheiden. Klager en moeder hadden tot 23 mei 2017 gezamenlijk gezag. In de periode van 23 mei 2017 tot 31 oktober 2018 is alleen moeder belast met het ouderlijk gezag. Vanaf 31 oktober 2018 is het gezamenlijk gezag hersteld. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij moeder.

2.3

Beklaagde is sinds januari 2016 in het vrijwillig kader betrokken bij het gezin van klager. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde aangegeven dat zij sinds kort de zaak heeft overgedragen aan een collega. Beklaagde is sinds [datum] 2013 geregistreerd bij het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 is zij geregistreerd als jeugdzorgwerker en met ingang van [datum] 2018 als jeugd- en gezinsprofessional.

2.4

Na de aanmelding van de kinderen bij [de instelling], heeft een intakegesprek tussen beklaagde en moeder plaatsgevonden. Op verzoek van moeder is klager niet voor dit gesprek uitgenodigd. De eerste kennismaking tussen beklaagde en klager is op 10 juni 2016 geweest. Hierbij was de nieuwe partner van moeder ook aanwezig.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank van 3 februari 2016 is een voorlopige omgangsregeling tussen klager en de kinderen vastgesteld. Voorts is de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de RvdK, verzocht een onderzoek te verrichten omtrent het gezag en de zorg- en opvoedingstaken.

2.5

Bij beschikking van 18 augustus 2016 is beslist dat er voorlopig geen contact zal zijn tussen klager en de kinderen. De rechtbank achtte het noodzakelijk dat, voordat er contact kan zijn tussen klager en de kinderen, de kinderen onderzocht moesten worden om vast te stellen of zij traumabehandeling of enige andere vorm van individuele hulp nodig hadden. Beklaagde heeft de kinderen op 15 juli 2016 aangemeld voor traumabehandeling bij de GGZ [locatie] (hierna te noemen: GGZ-instelling).

2.6

Op 24 oktober 2016 heeft de GGZ-instelling aan beklaagde laten weten dat zij geen individuele traumabehandeling voor de kinderen kunnen inzetten, omdat het op dat moment aan een aantal voorwaarden ontbreekt.

2.7

Op 10 november 2016 heeft een overleg plaatsgevonden waarbij de hulpverlening aan de kinderen en moeder is besproken. Meerdere partijen, waaronder moeder en haar nieuwe partner, waren hierbij aanwezig. Klager was niet op de hoogte van dit overleg.

2.8

Beklaagde heeft in haar advies van 11 november 2016 aan de RvdK aangegeven dat zij omgang tussen klager en de kinderen niet verantwoord vond. In de bijlage bij het advies stuurt beklaagde het advies van de GGZ-instelling mee. Beklaagde heeft uit het GGZ-advies de zinsnede: “Mediation kan daarin helpend zijn” verwijderd. De Rvdk heeft het advies van beklaagde opgenomen in zijn raadsrapport van 1 februari 2017. Tevens heeft de RvdK het advies van de GGZ als bron opgenomen.

2.9

Op 18 januari 2018 heeft klager een klaagschrift ingediend tegen beklaagde bij de klachtencommissie jeugdzorg [locatie]. Het klaagschrift bevatte zeven klachten, waarvan er vijf door de klachtencommissie gegrond zijn verklaard.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2 Klacht algemeen

De klacht betreft hetzelfde feitelijk handelen van beklaagde als de klacht bij de klachtencommissie. Klager verwijst naar de uitspraak van de klachtencommissie. In reactie op de uitspraak van de klachtencommissie heeft [de instelling 2] aangegeven de aanbeveling van de klachtencommissie uitgebreid te hebben besproken met beklaagde en de aanbeveling ter verbetering van de kwaliteit van zorg binnen de organisatie op te pakken. Klager is daarna in gesprek gegaan met de directeur en de manager. Op verzoek van klager is besloten de hulpverlening aan moeder over te dragen aan een collega. Op basis van het verweerschrift en de hoorzitting van de klachtencommissie heeft klager de indruk dat beklaagde nog steeds van mening is dat zij professioneel heeft gehandeld. Klager vraagt nu een oordeel van het College van Toezicht over zijn klachten.

3.3 Klachtonderdeel I

3.3.1

Klager stelt dat beklaagde partijdig is en niet heeft gede-escaleerd in het belang van de kinderen. Bij de start van de hulpverlening aan de kinderen (januari 2016) heeft er geen intakegesprek met klager plaatsgevonden, maar wel met moeder. Klager is van mening dat beklaagde hierdoor geen volledig beeld van de situatie heeft kunnen vormen en zich in haar adviezen heeft gebaseerd op een eenzijdig verhaal.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat moeder haar heeft verzocht om een individueel intakegesprek. Waar het intakegesprek normaliter met beide gezaghebbende ouders plaatsvindt, is het verzoek van moeder na overleg binnen het team van beklaagde toegewezen. Beklaagde erkent dat zij na het intakegesprek een bepaald pad is ingeslagen wat vooral gericht was op moeder en de kinderen. Achteraf bezien is het advies te snel tot stand gekomen en is er onvoldoende tijd genomen om een compleet beeld over de situatie te krijgen. Reflecterend op de start van de hulpverlening kan zij zich vinden in de klacht van klager in zoverre dat zij onvoldoende tot geen wederhoor heeft toegepast. Beklaagde kan begrijpen dat dit op klager is overgekomen als partijdigheid voor de moeder. Beklaagde acht het onzorgvuldig dat klager onvoldoende is betrokken en dat er uit is gegaan van de informatie die zij van moeder kregen.

3.3.3

Het College overweegt het volgende. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het hem verbaast dat beklaagde zichzelf niet ziet als een partijdige hulpverlener. Volgens klager heeft beklaagde vanaf de start van de hulpverlening veel waarde gehecht aan het verhaal van moeder. Er is geen rekening gehouden met het feit dat het verhaal van moeder mogelijk niet klopte. Klager vindt het jammer dat beklaagde dit niet erkent, hij geeft aan hier gehoopt op te hebben. Beklaagde erkent ter zitting dat ze inderdaad te veel in het verhaal van de moeder is meegegaan, maar dat ze zich niet herkent in het verwijt van klager een partijdige hulpverlener te zijn. Het College is van oordeel dat beklaagde bij de start van de hulpverlening klager niet op een manier betrokken heeft die recht doet aan de positie van een ouder met gezag. Beklaagde heeft enkel op informatie van moeder geoordeeld dat klager niet betrokken kon zijn bij de start van de hulpverlening. Er is niet gekeken naar een manier om klager te betrekken en zijn kant van het verhaal te horen. Hierdoor heeft beklaagde zich geen volledig beeld van de situatie kunnen vormen. Gezien de positie van klager op dat moment, als ouder met gezag, had beklaagde klager bij de start van de hulpverlening dienen te betrekken. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.4 Klachtonderdeel II

3.4.1

Klager is van mening dat beklaagde in haar advies aan de RvdK vermoedens als feiten presenteert en geen hoor en wederhoor heeft toegepast bij het schrijven van haar advies. In het advies komt naar voren dat de kinderen ernstige gedragsproblematiek vertonen en last hebben van psychische klachten. Beklaagde heeft geadviseerd om de omgang tussen klager en de kinderen te beëindigen, omdat sprake zou zijn van trauma bij de kinderen als gevolg van huiselijk geweld, seksueel misbruik van een van de kinderen en het versturen van dreigbrieven waarvoor beklaagde klager verantwoordelijk houdt. Klager heeft deze beschuldigingen altijd tegengesproken. Klager is van mening dat beklaagde onvoldoende is nagegaan of er alternatieve verklaringen kunnen zijn voor het vastgestelde gedrag bij de kinderen.

3.4.2

Beklaagde heeft toegelicht dat zij tijdens de zitting bij de klachtencommissie heeft erkend dat zij vermoedens als feiten heeft gepresenteerd in het advies aan de RvdK. Tevens heeft zij dit advies op verzoek van de RvdK, na uitspraak van de klachtencommissie, aangepast. Ook is een aanvullende brief met verkregen inzichten over het verloop van de casus gestuurd naar de RvdK en het gerechtshof. Beklaagde geeft aan dat zij terugkijkend op de casus het advies om de omgang te stoppen niet had moeten schrijven. Zij is hiermee op de stoel van de raadsonderzoeker gaan zitten. Beklaagde had zich moeten beperken tot het beschrijven van de zorgen en signalen en het gedrag van de kinderen, zoals waargenomen door [de instelling]. Beklaagde erkent dat een trauma ook veroorzaakt kan worden door andere ingrijpende gebeurtenissen. Het trekken van conclusies, het leggen van verbanden tussen het vermeende gedrag van vader en het gedrag van de kinderen en het geven van advies over de omgang had zij bij de raadsonderzoekers moeten laten. Zij had dit ook in het advies aan de RvdK moeten noemen voor een genuanceerder en neutraler beeld.

3.4.3

Het College overweegt, zoals beklaagde tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft aangegeven, dat er sprake is geweest van tunnelvisie aan de kant van beklaagde. Beklaagde heeft haar beschuldigingen richting klager niet geverifieerd of onderzocht en heeft vermoedens als feiten gepresenteerd in haar advies aan de RvdK. De aard en ernst van de beschuldigingen hebben voor klager grote consequenties. Het College is van oordeel dat beklaagde gelet op het gezag en de impact van haar advies zich dit had moeten realiseren. Van haar als jeugdprofessional mocht worden verwacht dat zij hoor en wederhoor had toegepast om na te gaan of de beschuldigingen over klager klopten. Beklaagde heeft klager één keer gezien bij haar op kantoor. Gezien dit beperkte contact had beklaagde in haar advies op een neutrale en objectieve wijze positie moeten innemen. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.5 Klachtonderdeel III

3.5.1

Klager stelt dat beklaagde buiten hem om op 10 november 2016 een overleg over de hulpverlening aan de kinderen heeft georganiseerd. Naast moeder en haar nieuwe partner waren meerdere partijen aanwezig. Klager is achteraf op de hoogte gebracht van dit overleg. In het verslag leest klager dat beklaagde zich negatief over klager heeft uitgelaten. Omdat klager ten tijde van het overleg het gezamenlijk gezag over de kinderen had, is klager van mening dat hij uitgenodigd had moeten worden voor het overleg.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat het overleg is georganiseerd op aandringen van de overige hulpverleners, wijkagent en de intern begeleider van school. Destijds is de inschatting gemaakt dat het niet haalbaar was om zowel klager als moeder aanwezig te laten zijn bij dit overleg. Beklaagde geeft aan dat zij achteraf bezien onvoldoende heeft bekeken of er alternatieven waren om klager toch bij het overleg te betrekken. Beklaagde geeft aan dat zij tekort is geschoten in haar informatieplicht jegens klager door hem niet vooraf op de hoogte te brengen van dit overleg. Op aanraden van de wijkagent en op verzoek van moeder zijn er beknopte notulen naar klager verzonden. De oorspronkelijke notulen, opgemaakt voor de aanwezigen bij het overleg, zijn via een aangifte van moeder in het bezit van klager gekomen. Daarnaast erkent beklaagde dat zij in de notulen van het overleg niet zorgvuldig heeft beschreven wie wat gezegd heeft, waardoor het op klager overkomt dat hij steeds door beklaagde wordt beschuldigd. Reflecterend hierop heeft beklaagde geleerd dat zij altijd zorgvuldigheid moet trachten in geschreven stukken, moet schrijven met bronvermelding en de stukken met alle betrokkenen moeten delen.

3.5.3

Het College overweegt het volgende. Klager had op het moment van het overleg gezag over de kinderen. Op beklaagde rustte de verplichting om klager te betrekken bij het overleg omtrent de hulpverlening aan de kinderen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde aangegeven dat het niet juist is geweest om klager niet te betrekken bij het overleg. Zij was bang dat moeder zou stoppen met de hulpverlening als klager aanwezig zou zijn tijdens dit gesprek. Achteraf bezien stelt beklaagde dat zij klager genegeerd heeft en steeds gehandeld heeft vanuit de door moeder verstrekte informatie. Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens mondelinge behandeling ter sprake is gekomen, concludeert het College dat het lijkt alsof beklaagde het overleg heeft georganiseerd om haar visie over klager bevestigd te krijgen. Het College acht deze wijze van handelen van beklaagde ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.6 Klachtonderdeel IV

3.6.1

Klager stelt dat beklaagde bewust informatie omtrent de hulpverlening aan de kinderen niet met klager heeft gedeeld en informatie aan de RvdK over de hulpverlening aan de kinderen heeft achtergehouden. Uit e-mail correspondentie tussen beklaagde en de GGZ-instelling blijkt dat beklaagde is verzocht om de verwijzing van de kinderen naar de GGZ-instelling met ouders te communiceren. Beklaagde geeft in haar e-mail aan dat ouders dit beide kunnen lezen in het raadsrapport. Klager is van mening dat beklaagde hem de mogelijkheid heeft ontnomen om de tekst van de GGZ-instelling te corrigeren. Daarnaast stelt klager dat beklaagde op 11 november 2016 niet de originele tekst van de GGZ-instelling aan de RvdK heeft doorgestuurd door de zin “mediation kan hierin helpend zijn” weg te laten.

3.6.2

Beklaagde heeft aangegeven dat zij de kinderen heeft verwezen naar een GGZ-instelling. Na telefonisch contact te hebben gehad met deze instelling bleek dat de behandeling van de kinderen niet kon starten. Beklaagde heeft de GGZ-instelling gevraagd om hiervan de reden op papier te zetten. Beklaagde wilde dit meenemen in haar rapportage tijdens het tweede raadsonderzoek. Klager en moeder konden dan beiden in het rapport lezen waarom de behandeling niet kon starten. Van de GGZ-instelling heeft beklaagde inmiddels vernomen dat zij degene waren die klager en moeder hadden moeten informeren over de verwijzing en om toestemming hadden moeten vragen voor de behandeling.
Beklaagde erkent dat zij er bewust voor heeft gekozen om in het advies van de GGZ-instelling de zin “mediation kan hierin helpend zijn” weg te laten. Achteraf bezien geeft beklaagde aan dat zij dit nooit had mogen doen, omdat het een mening van een andere hulpverlener betreft. Door dit handelen heeft zij voorkomen dat de RvdK zelf een mening had kunnen vormen over de voorgestelde mediation door de GGZ-instelling.

3.6.3

Het College overweegt het volgende. De GGZ-instelling heeft aan beklaagde verzocht om klager en moeder op de hoogte te brengen van de verwijzing. Beklaagde heeft besloten dit niet aan klager en moeder te communiceren, omdat zij het terug konden lezen in het raadsrapport. Het College stelt vast dat het niet de rol van beklaagde of een jeugdprofessional is om klager en moeder inhoudelijk te informeren over het GGZ-advies. Het betreft een advies van een derde (professional) waarover zij geen inhoudsverantwoordelijkheid droeg. De GGZ-instelling heeft achteraf terecht geconstateerd dat zij klager en moeder hadden moeten informeren over de verwijzing en om toestemming hadden moeten vragen. Het College wil hier verwijzen naar de Wet op de geneeskundige behandeling en het toestemmingsvereiste. Ook in geval van gescheiden ouders dienen bij het aangaan van een behandeling van minderjarige kinderen beide ouders met gezag betrokken te worden. Het College constateert dat de GGZ-instelling hier richting klager in gebreke is gebleken, hetgeen de instelling ook zelf heeft erkend. Als gevolg hiervan is klager het recht ontnomen op correctie van het GGZ-advies. Dit echter kan beklaagde niet worden aangerekend. Over het vervolgens opnemen van het GGZ-advies in het raadsrapport overweegt het College het volgende. Het College maakt uit het raadsrapport niet op dat de formulering van de door beklaagde verstrekte GGZ-informatie is gefiatteerd. Onder verwijzing naar het Kwaliteitskader van de RvdK heeft de klachtencommissie van de raad hierover ook geconcludeerd dat de RvdK zich er niet van vergewist heeft of de informatie op zorgvuldige wijze was verkregen. En omdat de RvdK een niet-originele versie van het GGZ-stuk heeft geaccepteerd, oordeelde de klachtencommissie dat de door de RvdK gevolgde werkwijze hierin niet voldoende zorgvuldig is geweest. Dit aspect valt echter beklaagde niet aan te rekenen, omdat zij niet de bron van de GGZ-informatie was. Wel zou beklaagde kunnen worden aangerekend dat zij geen kennis had van de op de GGZ-functionaris rustende (wettelijke) informatieplicht en het toestemmingsvereiste bij behandeling, zodat zij de GGZ-collega daar direct op had kunnen wijzen.

Het College kan zich voorstellen dat klager zich als ouder met gezag buiten spel gezet voelt in deze gang van zaken rond de verwijzing naar de GGZ-instelling en de tekst in het raadsrapport. Bij het College is hier een beeld ontstaan van fundamentele gebreken in het toepassen van de procedurele zorgvuldigheidsnormen door de betrokken organisaties. Het College concludeert echter ook dat het door klager op dit aspect ondervonden nadeel (instemming en correctierecht) niet aan beklaagde valt te verwijten. Beklaagde was of is bovendien niet in de formele positie om hierop invloed uit te kunnen oefenen. Dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.

Ten aanzien van de passage over mediation is het College van oordeel dat het niet aan beklaagde was om te beoordelen of mediation tussen klager en moeder haalbaar was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde dit beaamd. Beklaagde heeft een stuk van een andere professional gewijzigd. Het College overweegt dat beklaagde door dit handelen eenzijdig is meegegaan met de visie van moeder. Het feit dat één van de adviezen de GGZ-instelling de inzet van mediation betrof, had in positieve zin kunnen bijdragen aan het beeld over klager op dat moment. Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

3.7 Klachtonderdeel V

3.7.1

Klager is van mening dat beklaagde heeft nagelaten om klager te informeren over de vermoedens van seksueel misbruik van het oudste kind door hem. Klager is geschokt door de motivatie van beklaagde om hem niet te informeren over deze vermoedens. Voornamelijk het argument dat de politie klager omschrijft als een “onberekenbare narcistische man met kenmerken van een psychopaat, die wellicht kan flippen na het horen van de beschuldigingen”, heeft klager enorm geschokt. Klager herkent zichzelf totaal niet in deze omschrijving.

3.7.2

Beklaagde betreurt het dat haar onderbouwing op grond van de beroepscode bij klager is terecht gekomen. Zij geeft aan dat dit zonder toestemming en medeweten door de raadsonderzoeker verder is verspreid in de klachtenprocedure van klager tegen de raadsonderzoeker. Beklaagde geeft aan deze onderbouwing geschreven te hebben omdat de RvdK en het [de instelling] van mening verschilden over hoe om te gaan met de vermoedens van seksueel misbruik. De leidinggevende van beklaagde en de teamleider van de RvdK hebben hierover vervolgens contact gehad en kwamen hier niet uit. In het team van beklaagde is toen de afweging via de artikelen uit de beroepscode gemaakt en verstuurd naar de raadsonderzoeker. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij de geciteerde uitspraak letterlijk van de wijkagent heeft overgenomen. Achteraf bezien vindt beklaagde dat zij deze mening kritischer had moeten bekijken aangezien zij geen onderbouwing had gekregen van de wijkagent waarop deze verdenking is gebaseerd. Beklaagde geeft verder aan dat zij het citaat niet zo letterlijk had moeten overnemen aangezien alle communicatie over cliënten een onderdeel is van het dossier en ter inzage is. Beklaagde is van mening dat aannames beschreven mogen worden, maar wel met onderbouwing en respect voor de cliënt. Reflecterend geeft beklaagde aan dat als zij de beslissing nog eens zou moeten maken zij dan een gesprek samen met de wijkagent en klager zou hebben gevoerd over de vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag.

3.7.3

Het College overweegt dat op dit punt een vermoeden als feit is gepresenteerd door beklaagde. Van beklaagde mocht als professional worden verwacht dat zij onderzoek zou verrichten naar de beschuldigingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde desgevraagd toegelicht dat er een paar weken over is gedaan om te beslissen wie klager ging inlichten over het vermoeden van seksueel misbruik. Uiteindelijk is besloten om het via de raadsonderzoekers aan klager kenbaar te maken. Het College is van oordeel dat er te weinig alternatieven zijn overwogen, beklaagde had het gesprek met klager bijvoorbeeld kunnen aangaan in het bijzijn van een derde. Dan wel beklaagde is onvoldoende transparant geweest in het benoemen van redenen waarom een dergelijk overleg door haar niet in het belang van de kinderen zou zijn geweest. Nu beklaagde dit heeft nagelaten is klager via het raadsrapport geconfronteerd met een ernstig verwijt zonder dat hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden. Het klachtonderdeel is gegrond.

3.8 Klachtonderdeel VI

3.8.1

Klager is van mening dat beklaagde zich niet aan de opdracht van de rechter heeft gehouden. De rechter had verzocht om te onderzoeken of de kinderen een traumabehandeling of enige andere vorm van individuele hulp nodig hebben. Klager is van mening dat nu beklaagde de kinderen al had aangemeld voor een traumabehandeling voordat de beschikking van de rechtbank er was, zij zich niet aan de opdracht van de rechter heeft gehouden en de indruk wekt dat er al is vastgesteld dat er sprake is van een trauma. Verder stelt klager dat beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klachtencommissie heeft aangegeven dat psychologen uit haar team hebben vastgesteld dat, vanwege het gedrag dat de kinderen vertoonden, er sprake was van een trauma. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de klachtencommissie aangegeven dat deze psychologen de kinderen zelf niet hebben gezien, maar hun uitspraak gebaseerd hebben op informatie van anderen.

3.8.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat zij de kinderen naar de GGZ-instelling heeft verwezen, omdat er een vermoeden was van een trauma. De psychologen in haar team zagen daar sterke aanwijzingen voor bij de kinderen. Zij heeft nooit bij de GGZ-instelling aangegeven dat er reeds een officiële diagnose was gesteld. Beklaagde is er van uitgegaan dat de GGZ-instelling na de verwijzing aan de slag gaat met de kinderen, hen onderzoekt of er inderdaad sprake is van een trauma en hen vervolgens gaat behandelen. Hiermee heeft beklaagde in haar beleving zich gehouden aan de opdracht van de rechtbank. Beklaagde kan zich voorstellen dat klager hier twijfels over heeft omdat de woorden ‘onderzoek naar trauma’ niet zijn opgenomen in de verwijzing. Achteraf gezien had in de aanmelding duidelijker dienen te worden vermeld dat een eerste screening leek te wijzen in de richting van een trauma, maar dat verder onderzoek gewenst is. De verwijzing is een formeel document tussen [instelling] en de betreffende instelling. Beklaagde geeft aan dat zij deze niet sturen naar ouders tenzij ouders hierom vragen. Inmiddels is dat beleid bij [instelling] veranderd en wordt een verwijzing samen met de ouders ingevuld om zo transparant mogelijk te werken en de hulpvraag van cliënten in diens eigen woorden aan de zorgaanbieder te stellen.

3.8.3

Het College overweegt het volgende. Uit de overlegde stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling aan bod is gekomen, is het volgende gebleken. In de beschikking van de rechtbank van 18 augustus 2016 is de opdracht opgenomen om te onderzoeken òf er sprake is van een trauma bij de kinderen. Tijdens de zitting van de rechtbank heeft klager hierover onder andere aangegeven bereid te zijn een pas op de plaats te maken onder voorwaarde dat de kinderen zo spoedig mogelijk worden onderzocht en behandeld door een kinderpsycholoog, waarbij zijn voorkeur uitging naar een aan een GGZ-instelling verbonden psycholoog.
Naar het College begrijpt heeft beklaagde ná de betreffende zitting, waar de rechter al uitspraak heeft gedaan, en vóór de officiële beschikking, het gedrag en de psychische problematiek van de kinderen voorgelegd aan de psychologen in haar team. Het College ziet daar geen bezwaren in. Op basis van rapportages/observaties van beklaagde, haar collega’s en de school hebben de psychologen in het gedrag van de kinderen aanwijzingen gezien voor trauma. Het College overweegt dat beklaagde zich bij het uitspreken van vermoedens van trauma heeft gebaseerd op gedragsdeskundig advies. Beklaagde heeft mogen afgaan op de professionaliteit van de psychologen. Vervolgens heeft beklaagde doorverwezen naar de GGZ-instelling. Deze GGZ-instelling in het bijzonder zou een goede inschatting kunnen maken of er sprake is van trauma aan de hand van kind signalen. In de e-mail (originele tekst) van de psychotherapeut/aanmeldfunctionaris van de GGZ-instelling d.d. 24 oktober 2018 aan beklaagde leest het College dat de aanmeldfunctionaris aangeeft dat de kinderen door beklaagde zijn aangemeld met de vraag “of er sprake is van trauma en of hiervoor behandeling geïndiceerd is”. Het College concludeert dat de aanmeldfunctionaris een duidelijk beeld heeft van de reden van aanmelding zoals beklaagde deze kennelijk heeft geformuleerd. Het College overweegt dat beklaagde zich hiermee heeft gehouden aan de opdracht van de rechtbank, namelijk om te onderzoeken of de kinderen een traumabehandeling of enige andere vorm van individuele hulp nodig hebben. Het klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

3.9 Klachtonderdeel VII

3.9.1

Klager stelt dat beklaagde hem niet heeft toegestaan om voor de verjaardag van zijn oudste zoon een kaartje of cadeau te sturen. Klager heeft bij beklaagde aangegeven dit graag te willen doen. Beklaagde heeft toen aan klager geantwoord dat het haar niet verstandig lijkt om dit te doen, omdat de oudste zoon nog geen traumabehandeling had gehad en een cadeau of kaart hem alleen maar boos en angstig zou maken. Beklaagde heeft klager gevraagd geduld te hebben en geen contact te zoeken. Klager heeft zich aan dit advies van beklaagde gehouden en de oudste zoon geen cadeau of kaart gestuurd.
Daarnaast verwijt klager beklaagde dat hij niet wordt geïnformeerd over de ontwikkeling van de kinderen. Klager is van mening dat hij, ondanks dat hij geen gezag of omgang heeft, recht heeft op informatie over de kinderen.

3.9.2

Beklaagde betwist dat zij het door klager gestelde heeft verboden, zij heeft destijds slechts afgeraden om een cadeau of verjaardagskaart te sturen. Dit vanwege de haat- en angstgevoelens van de oudste zoon richting klager en het huilend wegsturen van de postbode omdat hij geen kaart van klager wilde ontvangen. Beklaagde realiseert zich nu dat zij zich had moeten beperken tot het beschrijven van het heftige gedrag van oudste zoon en klager zelf de verantwoordelijkheid moeten laten wat te doen met deze informatie. Door wel een advies te geven vindt beklaagde dat zij de verantwoordelijkheid van beide ouders heeft overgenomen en zich in een kwetsbare positie heeft gebracht.
Beklaagde heeft aangevoerd dat zij in principe niet verantwoordelijk is voor het informeren van klager over de kinderen. Deze verantwoordelijkheid ligt bij moeder, aldus beklaagde. Beklaagde geeft aan dat zij wel een inspanningsverplichting heeft omtrent informatieverstrekking. Volgens beklaagde reageerde klager niet op e-mailberichten die moeder heeft gestuurd omtrent de kinderen en ontkende klager later deze e-mailberichten te hebben gekregen. Toen de strijd tussen ouders steeds harder werd, heeft beklaagde niet meer geïnformeerd of moeder nog steeds deze e-mailberichten aan klager stuurde. Beklaagde vindt dat zij hierin wellicht nog wat had kunnen betekenen omdat het recht op informatie voor klager blijft bestaan.

3.9.3

Het College is van oordeel dat beklaagde negatief geadviseerd heeft op de vraag van klager over het wel of niet versturen van een cadeautje. Klager heeft dit advies geïnterpreteerd als een bevel. Beklaagde had, zoals zij aangeeft in haar verweer, zich beter kunnen beperken tot het bespreken van de situatie en de mogelijke reactie van het kind, daarbij de verantwoordelijkheid voor de keuze bij klager moeten laten. Het gegeven advies had naar het oordeel van het College in die zin zorgvuldiger gekund. Beklaagde is hiermee niet buiten de grenzen van een behoorlijke beroepsuitoefening getreden. Het College volgt beklaagde in wat zij in haar verweer heeft aangegeven over de informatieverstrekking aan klager. Het klachtonderdeel is ongegrond.

3.10 Conclusie

3.10.1

Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I, II, III, IV (deels), V een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Het College heeft de indruk dat beklaagde vanaf de start van de hulpverlening heeft gehandeld vanuit een – en naar beklaagde heeft aangegeven ook binnen haar team gedragen – tunnelvisie over klager, waardoor zij zich niet neutraal heeft opgesteld. Als gevolg hiervan heeft zij nagelaten om hoor en wederhoor toe te passen en is zij hoofdzakelijk uitgegaan van de informatie van moeder. Het College constateert dat het beklaagde in deze zaak ook heeft ontbroken aan het innemen van een meerzijdige partijdigheid. Daardoor is zij op meerdere belangrijke punten aanzienlijk tekort geschoten. Door klager niet te betrekken bij het hulpverleningstraject heeft beklaagde er onvoldoende blijk van gegeven zich bewust te zijn van de positie van klager als ouder met gezag over de kinderen. Verwijtbaar in het handelen acht het College daarnaast het door beklaagde presenteren van vermoedens als feiten. Met haar handelen heeft beklaagde actief bijgedragen aan het negatieve beeld dat over klager aan derden is gepresenteerd, dit heeft voor klager tot verstrekkende gevolgen geleid. Tot slot signaleert het College dat het handelen van beklaagde schadelijk is geweest voor het vertrouwen in de beroepsuitoefening.

Het College is van oordeel dat het handelen van beklaagde in de gegrond verklaarde klachtonderdelen van essentieel belang is geweest in de zaak van klager. Beklaagde heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de professionele standaard en hiermee artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel E (respect), artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), artikel K (vermoeden kindermishandeling) en artikel O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Het College realiseert zich de zwaarte voor beklaagde dat zij zich voor een tweede keer individueel dient te verantwoorden voor hetzelfde feitelijk handelen. Ook heeft het College oog voor een aantal minder goed verlopen, procedure gerelateerde aspecten bij de betrokken organisatie(s). Na de door klager gevoerde klachtenprocedure heeft de organisatie aangegeven zaken op te zullen pakken. Uit het dossier heeft het College geen beeld van mogelijk al ondernomen acties ter verbetering van het vakinhoudelijk en beroepsmatig handelen van beklaagde, bijvoorbeeld in de zin van supervisie, scholing e.d. Het College ziet wel dat beklaagde na de klachtenprocedure de nodige inzet heeft getoond, door te reflecteren op punten in haar handelen die, zoals zij zelf ook erkent, niet correct zijn verlopen. Beklaagde geeft ook aan dat haar dat tot inzichten heeft gebracht. Het College spreekt naar beklaagde waardering uit voor de door haar gevoerde reflectie op haar handelen. Daarnaast ziet het College ook een jeugdprofessional die onmachtig is om haar reflectie te vertalen naar haar houding en handelen. Hierbij neemt het College ook in overweging dat beklaagde zich onvoldoende bewust lijkt van de impact en de gevolgen van haar handelen voor (de positie van) klager.
Het College acht het aangewezen dat beklaagde middels gerichte sturing en intensieve begeleiding kan gaan werken aan verbeterpunten die behulpzaam wordt geacht in de uitoefening van haar werkzaamheden. Daartoe stelt het College vast dat beklaagde een supervisietraject dient te volgen. Ook acht het College het van belang dat geborgd wordt dat beklaagde dit traject met goed gevolg aflegt. Het College komt aldus tot het volgende eindoordeel. Gelet op de ernst van het verwijtbaar handelen legt het College de maatregel van een voorwaardelijke schorsing aan beklaagde op. Beklaagde kan de schorsing voorkomen door het volgen van een gecertificeerd supervisietraject van 15 bijeenkomsten van 1 tot 1,5 uur bij de Landelijke Vereniging Supervisie en Coaching (LVSC) met de onderwerpen: ‘overstijgend kijken (tunnelvisie)’, ‘positioneren’, ‘angst versus confrontatie’ en ‘autonomie versus meervoudige partijdigheid’. De schorsing treedt in werking wanneer beklaagde niet binnen een jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan het bestuur van SKJ een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het supervisietraject overlegt.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:
– verklaart klachtonderdeel IV (deels) VI en VII ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I, II, III, IV (deels) en V gegrond;
– legt aan beklaagde op de maatregel van een voorwaardelijke schorsing.

Deze schorsing treedt in werking en duurt één jaar indien beklaagde nalaat een supervisietraject te volgen en nalaat om binnen een jaar na het onherroepelijk worden van deze beslissing een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen aan het bestuur van SKJ.

Aldus gedaan door het College en op 10 januari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder                        mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
voorzitter                                                             secretaris