Maak een selectie

727 van 727

   

Jeugdbeschermer heeft onvoldoende de regie genomen en heeft bronnen niet goed vermeld in een rapportage. Tevens is de jeugdbeschermer niet transparant geweest over de invulling van de begeleide omgang en de aanmelding van de minderjarige bij een instelling.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
de heer mr. M.A. Stammes, lid-jurist,
mevrouw I. de Jongh-Stols, lid-beroepsgenoot,
mevrouw L. Veenstra, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N. Baljet, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [plaatsnaam 1],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] (locatie: plaatsnaam 2]), hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht.

Klager wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als vertrouwenspersoon bij AKJ te [plaatsnaam 3].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door zijn gemachtigde de heer mr. J.C.C. Leemans, werkzaam bij DAS.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:
– het klaagschrift met bijlagen ontvangen op 2 november 2017,
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 30 november 2017,
– het verweerschrift met bijlagen ontvangen op 16 januari 2018,
– de door klager tijdens de zitting overgelegde pleitnotitie.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 28 maart 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder aan de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest [toehoorder] (vertrouwenspersoon bij AKJ).

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd zal worden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende relevante feiten uit:

2.1

Klager is vader van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013, hierna te noemen: [minderjarige].

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: moeder, zijn gescheiden. Klager en moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij zijn moeder.

2.3

Bij beschikking van de rechtbank van 9 oktober 2015 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. Doel van de ondertoezichtstelling is het realiseren van een veilige omgang voor [minderjarige] met klager en ouders met elkaar te laten samenwerken op ouderniveau.

2.4

Beklaagde is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en was van 9 oktober 2015 tot 8 juni 2017 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige]. Op 3 maart 2017 is besloten dat een andere jeugdprofessional de taken van beklaagde gaat overnemen. Uiteindelijk zijn deze taken op 8 juni 2017 overgedragen aan de nieuwe jeugdbeschermer, omdat eerder niemand beschikbaar was.

2.5

Op 8 december 2016 heeft er een driegesprek plaatsgevonden waarbij de psychologe van moeder aanwezig is geweest.

2.6

Naar aanleiding van de e-mail van klager van 13 december 2016, over de wijze van communiceren door beklaagde, heeft op 16 februari 2017 een bemiddelingsgesprek plaats gevonden in aanwezigheid van klager, beklaagde, de leidinggevende van beklaagde en een vertrouwenspersoon van klager.

2.7

Op 26 januari 2017 heeft er over de aanmelding van [minderjarige] bij [instelling] een gesprek met klager en moeder plaatsgevonden. Vervolgens is [minderjarige] op 23 februari 2017 aangemeld voor traumabegeleiding bij [instelling].

2.8

Naar aanleiding van een ingediende klacht van klager op 11 mei 2017 bij de klachtencommissie van de GI is op 13 juli 2017 uitspraak gedaan. De klachten zijn gegrond verklaard.

2.9

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort weergegeven, waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde onvoldoende zijn regiefunctie heeft uitgevoerd. Hij heeft zich hierdoor op meerdere momenten onveilig gevoeld in gesprekken waarbij beklaagde als gespreksleider optrad. Dit is bijvoorbeeld ten tijde van het driegesprek op 8 december 2016 en andere driegesprekken geweest. Ook is beklaagde niet transparant geweest over het hanteren van een afwijkende gespreksmethode.

3.2.2

Beklaagde heeft over het gesprek van 8 december 2016 aangevoerd dat hij aan klager heeft laten weten dat moeder kenbaar had gemaakt graag haar psychologe bij het gesprek aanwezig te hebben. De psychologe heeft, na een vraag van klager hierover, uiteengezet hoe zij haar aanwezigheid bij het gesprek zag. Bij aanvang van het gesprek heeft klager desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben met de aanwezigheid van de psychologe. Het klopt dat de emoties van moeder voor een groot deel bepalend zijn geweest tijdens dit gesprek. Beklaagde heeft hier op dat moment bewust ruimte voor gegeven, net als er bewust ruimte is gegeven voor een reactie van klager. Achteraf bezien ziet beklaagde in dat de positie van klager tijdens dit gesprek niet gelijkwaardig is geweest en begrijpt hij dat klager zich belaagd heeft gevoeld en daardoor mogelijk niet in staat is geweest om een reactie te geven. Beklaagde vindt dat hij onvoldoende kritisch is geweest over de aanwezigheid en de intenties van de psychologe bij het gesprek hij had daar anders moeten handelen.

Voor de andere driegesprekken die hebben plaatsgevonden heeft beklaagde aangevoerd dat hij voorafgaand aan een gezamenlijk gesprek in samenspraak met klager en moeder een agenda heeft opgesteld. Er zijn een aantal gesprekken geweest waarbij de aanwezige emoties van moeder invloed hebben gehad op het verloop van het gesprek en het afwerken van de agendapunten. Het is inderdaad voorgekomen dat niet alle agendapunten aan de orde zijn geweest. Beklaagde heeft hierin een bewuste keuze gemaakt. Hij vindt het van belang om ruimte te geven aan emoties die door moeder worden geuit. Deze emoties worden vooral gevormd door haar boosheid en geen vertrouwen hebben in klager. Beklaagde biedt klager tevens de ruimte om te reageren op moeder. Achteraf bezien had beklaagde zich wel vooraf moeten vergewissen dat klager die ruimte ook krijgt en kan nemen. Beklaagde betwist dat er sprake is geweest van het hanteren van een geheel andere gespreksmethode.

3.2.3

Het College is van oordeel dat beklaagde ten tijde van zijn betrokkenheid als jeugdbeschermer onvoldoende de regie heeft genomen. Beklaagde heeft de nadruk op de inhoud gelegd en is daarbij de onderlinge betrekkingen gedeeltelijk uit het oog verloren. Zoals beklaagde heeft erkend, was het aan hem als jeugdprofessional om de regie te nemen tijdens de driegesprekken. Beklaagde had er volgens het College bovendien beter aan gedaan om achteraf expliciet met klager en moeder de gesprekken te evalueren, in plaats van impliciet aan te nemen dat het driegesprek naar ieders tevredenheid was verlopen. Voor zover beklaagde dit heeft nagelaten, is het College van oordeel dat hij hier zorgvuldiger in had moeten handelen. Hij had zich als regiehouder moeten inzetten op een goede en efficiënte samenwerking door open en transparant met klager in gesprek te gaan. Dit gedeelte van het klachtonderdeel acht het College gegrond.

Voor het College is daarentegen onvoldoende komen vast te staan dat beklaagde gebruik heeft gemaakt van een afwijkende gespreksmethodiek. Het College is van oordeel dat beklaagde zelfstandig een inschatting van een situatie mag maken en daar zijn handelen op mag aanpassen. Bij zijn handelen om voor deze methodiek te kiezen is beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven. Dit gedeelte van het klachtonderdeel acht het College ongegrond.

3.2.4

Het klachtonderdeel wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

3.3 Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager is van mening dat beklaagde op onzorgvuldige wijze gerapporteerd heeft in het gezinsplan. Dit blijkt uit de beschrijvende diagnose die over klager is opgenomen, de handhaving van deze diagnose, de onderbouwing van uitspraken en zonder toestemming van klager zijn er passages over zijn verleden opgenomen.

3.3.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat na de start van de ondertoezichtstelling de diagnose is overgenomen uit het raadsrapport. Aan dit rapport is destijds een brief van de advocaat van klager toegevoegd, waaruit niet blijkt dat deze diagnose niet correct zou zijn geweest. Beklaagde is er daarom destijds vanuit gegaan dat de informatie in het raadsrapport klopt. Hij heeft wel verzuimd om de bron van de informatie te vermelden in het gezinsplan, dit had wel gemoeten.

Nadat de behandelaar van klager aan beklaagde had laten weten dat de wijze waarop de diagnose was opgenomen moest worden aangepast, had beklaagde de informatie met betrekking tot de diagnose moeten aanpassen. Beklaagde is hier niet alert op geweest.

Beklaagde stelt zich op het standpunt dat een rapportage binnen de jeugdbescherming voor een deel bestaat uit feitelijke informatie en voor een deel uit indrukken die worden opgedaan. Klager en moeder hebben beiden de gelegenheid gehad om hier hun op- en aanmerkingen op te geven. De punten die klager benoemde als niet correct, betroffen indrukken. Omdat beklaagde deze indrukken onvoldoende kon onderbouwen met voorbeelden en/of argumenten heeft hij, na intern overleg, ervoor gekozen om deze indrukken uit de rapportage te verwijderen.

Tot slot heeft beklaagde over het verleden van klager een passage in het gezinsplan opgenomen zonder toestemming van klager. De informatie die klager heeft gegeven in een gesprek, samen met zijn therapeut, zijn van dien aard dat het van belang is dat deze worden opgenomen in het gezinsplan. Beklaagde heeft met meerdere collega’s gesproken en gevraagd hoe zij dit zouden opnemen. Beklaagde is daarbij gebleken dat voor het vastleggen van deze belangrijke informatie geen expliciete toestemming nodig is. Hij realiseert zich echter wel dat het vastleggen van dergelijke informatie in dit geval impact heeft op klager.

3.3.3

Het College oordeelt als volgt. Beklaagde heeft in zijn verweer gereflecteerd op zijn handelen en heeft daarbij erkend dat de bronvermelding bij het benoemen van de diagnose en de opgenomen passages beter had gekund en beter had gemoeten. Het College is van oordeel dat de bronvermelding in de rapportage onvoldoende is geweest. Beklaagde heeft overigens erkend dat hij de opgenomen diagnose in de rapportage had moeten aanpassen. Met deze erkenning geeft beklaagde achteraf blijk van een juist professioneel handelen. Het maakt echter het oordeel van het College, dat beklaagde hier onzorgvuldig heeft gehandeld, niet anders. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is gegrond.

Het College is over de eventuele toestemming voor het opnemen van passages over het verleden van klager in de rapportage, van oordeel dat hier geen expliciete toestemming van klager voor vereist was. Beklaagde heeft het recht over omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling van [minderjarige] op te nemen in de rapportage. Volgens het College was het zorgvuldiger geweest indien dit door beklaagde met klager was besproken maar valt hem geen tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dit gedeelte van het klachtonderdeel is ongegrond.

3.3.4

Het klachtonderdeel wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager stelt zich op het standpunt dat beklaagde onduidelijk is geweest over de afweging om zijn ouders, de grootouders van [minderjarige], niet in te zetten bij het begeleiden van de omgang met [minderjarige]. Bovendien heeft beklaagde in eerste instantie een e-mail gestuurd waarin hij aangaf een positieve indruk te hebben van het gesprek dat hij voerde met de grootouders en klager.

3.4.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat hij alle mogelijke opties voor de begeleide omgang met klager en moeder heeft willen bespreken. In de e-mail van 28 oktober 2016 heeft beklaagde niet willen zeggen dat er van alle mogelijkheden gebruik gemaakt zal worden. Dat dit idee ontstaan is, door de wijze waarop de e-mail is samengesteld, begrijpt en betreurt beklaagde. Hij heeft bedoeld te zeggen dat hij vindt dat gebruik dient te worden gemaakt van alle mogelijkheden en gekozen voor deze formulering om aan moeder te laten weten dat dit reële opties waren.

3.4.3

Het College oordeelt als volgt. Ook in deze klacht is een gebrek aan transparante communicatie met klager te bekennen. Het was zorgvuldiger geweest wanneer beklaagde een slag om de arm had gehouden en de voorwaarden voor de begeleide omgang duidelijk met klager had besproken. Naar aanleiding van het gesprek tussen beklaagde en de grootouders, heeft beklaagde de onjuiste aanname gedaan dat het verleden tussen klager en zijn ouders niet is besproken. Had hij bij klager expliciet deze aanname gecontroleerd, dan zou zijn gebleken dat deze aanname niet juist was. Er zijn immers in het verleden wel degelijk gesprekken geweest tussen klager en zijn ouders over de gebeurtenissen in het verleden. Doordat beklaagde dit niet expliciet heeft besproken met klager heeft hij bij zijn beslissing met betrekking tot de begeleide omgang met inzet van de grootouders niet alle relevante feiten kunnen wegen. Het College acht dat door het handelen van beklaagde het vertrouwen in de jeugdzorg niet is bevorderd. Op grond van het voorgaande komt het College tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot dit klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.4.4

Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat beklaagde [minderjarige] te laat heeft aangemeld bij [instelling] en hierover niet transparant is geweest. In december 2016 heeft klager te horen gekregen dat [minderjarige] met de urgentie ‘hoog’ zou worden aangemeld. Uiteindelijk heeft de aanmelding pas op 23 februari 2017 plaatsgevonden.

3.5.2

Beklaagde heeft aangevoerd dat op het moment dat het traject van [minderjarige] bij [praktijk] was afgesloten een verwijzing naar de GGZ volgde. Een afsluitingsgesprek door de behandelaar van [minderjarige] slaagde niet op korte termijn. Omdat van belang werd geacht dat onder andere klager in het bezit zou zijn van de afrondingsbrief, is er niet direct over gegaan tot een aanmelding bij [instelling]. Vervolgens heeft beklaagde zich op de hoogte gesteld van de aanmeldprocedure, waarbij duidelijk werd dat de aanmelding niet zonder de hulpvraag van beide ouders gedaan kon worden. Beklaagde heeft deze hulpvraag in een gezamenlijk gesprek met klager en moeder op 26 januari 2017 besproken. De aanmelding is op 23 februari 2017 verstuurd aan [instelling]. Dat dit ruim drie weken na het gesprek plaatsvond, betreurt beklaagde zeer. De reden hiervoor is de drukte geweest. Dat dit geen goede reden is begrijpt beklaagde, zeker vanuit het perspectief van klager. Beklaagde realiseert zich dat dit een negatieve invloed kan hebben op het vertrouwen in beklaagde in het bijzonder en jeugdbeschermers in het algemeen.

3.5.3

Het College is van oordeel dat de wijze van communiceren door beklaagde over de aanmelding van [minderjarige] bij [instelling] niet transparant is geweest. Beklaagde heeft ter zitting nogmaals gereflecteerd op zijn handelen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij op een bepaald moment niet toe durfde te geven dat de aanmelding nog niet had plaatsgevonden. Het College acht dit handelen van beklaagde niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de jeugdzorg, en wijze waarop de informatievoorziening richting klager had moeten plaatsvinden. Op grond van het voorgaande komt het College dan ook tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot dit gedeelte van het klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Voor wat betreft het deel van de klacht dat toeziet op de lange duur voordat de aanmelding bij [instelling] overweegt het College het volgende. Nadat het aanmelden in december even is blijven liggen bij beklaagde, bleek vervolgens dat er bepaalde stappen gezet moesten worden voordat de aanmelding daadwerkelijk plaats kon vinden. Na het gesprek van eind januari 2017 is er een periode van ongeveer drie weken verstreken tot de daadwerkelijke aanmelding bij [instelling]. De periode tussen de mededeling dat [minderjarige] bij [instelling] zou worden aangemeld en de daadwerkelijke aanmelding medio februari 2017 acht het College niet tuchtrechtelijk verwijtbaar lang. Het was beter geweest als beklaagde reeds in december stappen met betrekking tot de aanmelding had genomen, zodat hij eerder had geweten, èn gelijk had kunnen communiceren met klager, wat er allemaal voor de aanmelding moest gebeuren. Nu het bij de tuchtrechtelijke toetsing er niet om gaat of het professioneel handelen beter had gekund, maar of het binnen de grenzen is gebleven van een redelijk bekwame beroepsuitoefening valt beklaagde geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.

3.5.4

Het klachtonderdeel wordt deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

3.6 Conclusie

3.6.1

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Artikel D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn naar het oordeel van het College geschonden. Beklaagde heeft in zijn verweer en tijdens de mondelinge behandeling gereflecteerd op zijn handelen. Hij heeft een aantal gemaakte fouten ruiterlijk erkend, hetgeen het College zeer waardeert, en heeft aangegeven aanpassingen te hebben verricht in zijn timemanagement en zijn caseload. Zonder afbreuk te doen aan het belang van de reeds ingezette verbeteracties zag het College ter zitting geen adequate reflectie op het gebied van de communicatie en het oppakken van signalen en het daar naar handelen tijdens of na gesprekken met cliënten. Mogelijk ontbreekt hiervoor de ondersteuning vanuit de organisatie. Geheel ten overvloede merkt het College op dat beklaagde ook aan de organisatie extra ondersteuning kan vragen op het gebied van communicatie en het voeren van regie. Gelet op het voorgaande acht het College de maatregel van een waarschuwing passend.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdelen I (deels),II (deels) en IV (deels) ongegrond;
– verklaart klachtonderdelen I (deels), II (deels), III en IV (deels) gegrond;
– legt aan beklaagde op waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 9 mei 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns
voorzitter

mevrouw mr. S.M.C. van Papenrecht
secretaris