Maak een selectie

727 van 727

   

Als een onderzoek bij Veilig Thuis vanwege de ziekte van een jeugdprofessional vertraging oploopt, dient de jeugdprofessional hier met partijen over te communiceren.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,

mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

mevrouw S. Bruinhard, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager 1] en [klager 2], hierna afzonderlijk aangeduid als de moeder en de grootmoeder, gezamenlijk te noemen: klagers, wonende te [woonplaats],

op 27 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als onderzoeker bij Veilig Thuis, hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A.C. Veerman.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [naam gemachtigde], werkzaam als jurist bij Veilig Thuis.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het aangepaste klaagschrift ontvangen op 11 december 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 11 februari 2020;
  • de conclusie van repliek ontvangen op 4 mei 2020;
  • de conclusie van dupliek ontvangen op 11 mei 2020.

1.2 De voorzitter heeft op grond van artikel 5 van de tijdelijke regeling werkwijze van het College van Toezicht en het College van Beroep in verband met COVID-19 (Corona), hierna: tijdelijke regeling, besloten om de klacht alsnog schriftelijk af te handelen. Op grond van artikel 7 van de tijdelijke regeling zijn partijen in de gelegenheid gesteld om nog eenmaal schriftelijk te reageren op hetgeen door de wederpartij naar voren is gebracht (repliek en dupliek).

1.3 De schriftelijke behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020. De beslissing is op 14 juli 2020 aan partijen verzonden.

2     De feiten

Op grond van de stukken gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klagers zijn de grootmoeder en de moeder van twee minderjarige kinderen. De dochter is geboren in 2012 en de zoon is geboren in 2016.

2.2 De moeder en haar ex-partner, de vader van de kinderen, gezamenlijk aan te duiden als: de ouders, zijn sinds 2017 gescheiden. Zij oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen en de moeder wonen in een zorginstelling. De grootmoeder is mede-eigenaar van de zorginstelling en zij is de persoonlijke begeleider van de moeder.

2.3 Op 30 juli 2018 heeft Veilig Thuis een anonieme melding ontvangen. De jeugdprofessional is van 19 september tot 27 december 2018 betrokken geweest bij het onderzoek dat op basis van de melding is ingesteld.

2.4 De jeugdprofessional heeft zich op 11 december 2018 gedeeltelijk ziek gemeld. Hierdoor heeft een afspraak met klagers op 13 december 2018 geen doorgang kunnen vinden. Op 27 december 2018 heeft de jeugdprofessional zich volledig ziek gemeld. Een collega van de jeugdprofessional heeft het onderzoek overgenomen.

2.5 De jeugdprofessional is van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Het College toetst op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ is geregistreerd, het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat zij gedurende haar betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.5 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden, ook omdat de artikelen in deze beroepscodes overeenkomen.

4     De klacht, het verweer, de conclusie van repliek, de conclusie van dupliek en de beoordeling

De klacht wordt besproken en beoordeeld. Eerst worden de klacht, het verweer, de conclusie van repliek en de conclusie van dupliek zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College. Het geheel eindigt met een conclusie.

4.1 De klacht

4.1.1 Klagers verwijten de jeugdprofessional dat zij door ziekte de zaak te lang heeft laten liggen.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan. Het tuchtrecht gaat uit van persoonlijke verwijtbaarheid. Dat betekent dat de klacht van klagers voor zover die gaat over de periode voor 19 september 2018 of na 26 december 2018 ongegrond moet worden verklaard. De jeugdprofessional was in die periodes niet betrokken bij het onderzoek naar aanleiding van de melding. In de periode dat de jeugdprofessional als onderzoeker was betrokken, heeft zij een aantal stappen gezet. Dat de afspraak op 13 december 2018 vanwege de ziekte van de jeugdprofessional niet door kon gaan, is vervelend. Het niet doorgaan van een afspraak wegens ziekte is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De jeugdprofessional heeft direct het opnieuw inplannen van de afspraak besproken. De afspraak kon van de zijde van de klagers niet voor 7 januari 2019 worden gepland. De jeugdprofessional heeft haar werkzaamheden zorgvuldig overgedragen aan de toenmalige procescoördinator.

4.1.3 Klagers voeren in de conclusie van repliek het volgende aan. De jeugdprofessional heeft toegegeven dat het onderzoek vertraging heeft opgelopen. Tot 26 december 2018 hebben klagers beknopte informatie gegeven en gekregen. De jeugdprofessional heeft niet vermeld dat zij volledig ziek was.

4.1.4 De jeugdprofessional heeft in de conclusie van dupliek aangevoerd dat zij in het verweerschrift de verschillende stappen heeft beschreven in de periode dat zij als onderzoekster bij de zaak was betrokken. Zij heeft de zaak overgedragen aan de procescoördinator.

4.1.5 Het College overweegt het volgende. De melding is op 30 juli 2018 door Veilig Thuis ontvangen en heeft tot 18 september 2018 op een wachtlijst gestaan. De jeugdprofessional is sinds 19 september 2018 bij de zaak betrokken. Zij heeft op 24 september 2018 de ouders een brief gestuurd en heeft op 2 oktober 2018 een huisbezoek afgelegd. In de maand oktober 2018 is er e-mailcontact geweest tussen de jeugdprofessional en de klagers. Daarna heeft de jeugdprofessional op 16 november 2018 telefonisch contact opgenomen met de grootmoeder en heeft haar laten weten dat het onderzoek stil heeft gelegen van 10 oktober 2018 tot 16 november 2018 vanwege kantoor gerelateerde omstandigheden, hoge werkdruk en verplichte trainingen. De jeugdprofessional heeft hiervoor haar excuses aangeboden.

Op 13 december 2018 heeft de jeugdprofessional telefonisch contact gelegd met klagers. Zij heeft de afspraak afgezegd wegens ziekte en heeft ook hiervoor haar excuses aangeboden. Het College beschouwt het afzeggen van een afspraak wegens ziekte als een situatie van overmacht. Op grond van het Handelingsprotocol Veilig Thuis 2019 (artikel 10.2) duurt een onderzoek tien weken na het afronden van de veiligheidsbeoordeling. Deze termijn is overschreden.

Uit de tijdlijn maakt het College op dat de jeugdprofessional in de periode van 19 december 2018 tot 26 december 2018 voor 50% ziek was. Zij is in deze periode gedeeltelijk werkzaam geweest en heeft niet met klagers gecommuniceerd over haar beperkte inzetbaarheid en de stand van zaken van het onderzoek.

Van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij vooruitkijkt en beziet of een onderzoek vertraging oploopt. In dat geval dient een jeugdprofessional haar verantwoordelijkheid te nemen door met partijen hierover te communiceren. Het College is van oordeel dat zo het vertrouwen in de jeugdzorg wordt bevorderd. Doordat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten is het College van oordeel dat artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode is geschonden. Uit de stukken is niet gebleken dat de jeugdprofessional de vertraging van het onderzoek binnen haar organisatie bespreekbaar heeft gemaakt. De organisatie heeft hier ook een rol in en dient zijn verantwoordelijkheid te nemen om medewerkers te ondersteunen bij het halen van de termijnen.

4.1.6 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Conclusie

4.2.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional vanaf het moment dat zij gedeeltelijk ziek was (in de periode van 19 december tot 26 december 2018) tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het kan voorkomen dat een onderzoek vertraging oploopt en dat een jeugdprofessional gedeeltelijk ziek wordt. In dat geval behoort het tot de professionele verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional om met klagers over de ziekte te communiceren en de mogelijke gevolgen hiervan voor het onderzoek te benoemen.

4.2.2 Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College dat de jeugdprofessional slechts een korte periode, van 19 december 2018 tot 26 december 2018, heeft nagelaten om met de klagers te communiceren. Het College weegt mee dat de jeugdprofessional voor die tijd voldoende met klagers heeft gecommuniceerd. Ook heeft zij eerder, op 16 november 2018, excuses aangeboden voor het feit dat het onderzoek heeft stilgelegen. Het College ziet in deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart de klacht gegrond;
  • ziet af van het opleggen van een maatregel.

Aldus gedaan door het College en op 14 juli 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                             mevrouw mr. A.C. Veerman

voorzitter                                                                                        secretaris