Maak een selectie

727 van 727

   

Aangezien de jeugdprofessional enkel één gesprek heeft gevoerd met de jeugdige en niet het gehele systeem heeft meegenomen in zijn onderzoek, heeft de jeugdprofessional onterecht de term ‘systeemonderzoek’ gebruikt voor zijn onderzoek naar ouderverstoting.

19.502Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd van 20 april 2020

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter,
mevrouw D.J.E. de Graaf, lid-beroepsgenoot,

de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[klager], klaagster, hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaatsnaam],

op 4 november 2019 ingediende klaagschrift tegen:

[jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als [therapeut] bij [de instelling] te [plaatsnaam], hierna te noemen: de hulpverleningsorganisatie.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 4 november 2019;
  • het verweerschrift ontvangen op 21 februari 2020.

1.2 Op 14 januari 2020 heeft de jeugdprofessional als gevolg van omstandigheden zes weken uitstel gekregen voor het indienen van het verweerschrift.

1.3 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 9 maart 2020 in aanwezigheid van de moeder en de jeugdprofessional.

1.4 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 De moeder heeft een minderjarige zoon, geboren in 2004, en een dochter.

2.2 De moeder en de vader van de zoon en de dochter, samen aan te duiden als: de ouders, zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag wordt gezamenlijk uitgeoefend door de ouders. De zoon woont bij de vader, de dochter woont bij de moeder.

2.3 De moeder en de zoon hebben sinds juli 2017 geen contact met elkaar.

2.4 Op 8 juni 2018 heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de RvdK) een verzoek bij de rechtbank ingediend om de zoon onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden.

2.5 De kinderrechter heeft bij beschikking van 19 juni 2018 de zoon onder toezicht gesteld van de [GI] voor de duur van twaalf maanden. De kinderrechter is -samengevat – van oordeel dat uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er sprake is van een verscheurd geraakte gezinssituatie en dat bij de zoon signalen worden waargenomen die duiden op ouderverstoting ten aanzien van de moeder. De GI heeft een jeugdbeschermer aangesteld.

 2.6 De GI heeft de hulpverleningsorganisatie benaderd met het verzoek een onderzoek naar de zoon uit te voeren om inzichtelijk te krijgen of er ruimte is bij de zoon om te denken aan enig contact met de moeder, en ‘of dat authentiek overkomt’. 

2.7 Op 20 februari 2019 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij aanwezig waren de ouders, de jeugdprofessional en de jeugdbeschermer van de GI. Er is besproken wat de jeugdprofessional zou kunnen betekenen voor het gezin. 

2.8 Op 1 maart 2019 heeft de moeder de jeugdprofessional een e-mailbericht geschreven over ouderverstoting (lees ook: oudervervreemding) en de zogenaamde ‘[naam]-methode’. De moeder vraagt zich, gezien de complexe problematiek van ouderverstoting af, of er iemand binnen de hulpverleningsorganisatie hiervoor een gedegen opleiding heeft gevolgd. Op dezelfde dag heeft de jeugdprofessional de moeder per e-mailbericht bevestigd dat hij deze training heeft gevolgd.

2.9 Op 27 maart 2019 heeft de moeder een bericht ontvangen van de jeugdbeschermer van de GI dat de jeugdprofessional geen mogelijkheid zag tot een constructieve samenwerking te komen, onder meer omdat de zoon geen medewerking meer wilde verlenen aan gesprekken.

2.10 Op verzoek van de jeugdbeschermer heeft de zoon uiteindelijk ingestemd met één gesprek. Medio juni 2019 heeft de jeugdprofessional dit gesprek gevoerd met de zoon. Het doel van dit gesprek was duidelijkheid te krijgen over de weerstand die de zoon voelt over het contact met zijn moeder.

2.11 De jeugdprofessional heeft een verslag gemaakt, waar hij ‘systeemonderzoek’ boven heeft gezet.

2.12 De conclusie van het systeemonderzoek luidt dat er momenteel weinig ruimte is bij de zoon voor contactherstel met de moeder en dat de zoon authentiek heeft geantwoord.

2.13 De moeder heeft telefonisch contact opgenomen met de jeugdprofessional over het verslag van het systeemonderzoek. De moeder heeft van dit telefoongesprek een – ongedateerd – gespreksverslag overgelegd.

2.14 Op 2 september 2019 heeft de moeder een e-mailbericht gestuurd naar de jeugdprofessional, met de jeugdbeschermer van de GI in de cc. De moeder verzoekt het verslag van het systeemonderzoek niet te gebruiken in de aankomende rechtszaak met betrekking tot het opheffen van de ondertoezichtstelling.

2.15 Op 5 september 2019 heeft de moeder de jeugdprofessional en de jeugdbeschermer gemaild met uitleg van [naam] over hybride ouderverstoting, die luidt als volgt: “Ik gebruik de term alleen om een geval van ouderlijke vervreemding te beschrijven waarbij er bij een ouder geen persoonlijkheidsstoornis is, niet als een manier om te zeggen dat beide ouders de oorzaak zijn van het probleem”.

2.16 Op 9 september 2019 heeft de moeder van de jeugdbeschermer vernomen dat de jeugdprofessional achter zijn verslag blijft staan en dat dat betekent dat de GI het verslag van het systeemonderzoek zal gebruiken bij het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling.

2.17 De jeugdprofessional is van [datum] 2015 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd geweest in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2018 is de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of de beroepsbeoefenaar met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.3 Op grond van de kamer waarin een professional bij SKJ geregistreerd is, toetst het College het handelen van een jeugdprofessional aan – onder meer – de voor die kamer geldende beroepscode. Voor wat betreft de registratie van de jeugdprofessional is gebleken dat hij gedurende zijn betrokkenheid bij deze casus van kamer is gewisseld, zoals weergegeven onder 2.17 van deze beslissing. Gelet hierop wijst het College erop dat in deze beslissing onder ‘Beroepscode’ zowel de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker als de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional gelezen dienen te worden. De artikelen in deze beroepscodes komen over een.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen worden een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden zowel de klacht als het verweer zakelijk weergegeven en daarna volgt het oordeel van het College.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Er is geen systeemonderzoek gedaan, maar dat staat wel vermeld boven het verslag.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft een systeemonderzoek gedaan en alleen met de zoon gesproken. Bij een onderzoek naar ouderverstoting is het zaak om zicht te krijgen op het hele systeem. Dat heeft de jeugdprofessional ook bevestigd in het telefonische contact tussen hem en de moeder, zoals vermeld onder 2.13.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De veronderstelling van de moeder is niet juist. In het verslag van het systeemonderzoek staat duidelijk vermeld welke bronnen de jeugdprofessional heeft gebruikt.

Voorts heeft de moeder zonder toestemming van de jeugdprofessional een vertrouwelijk telefoongesprek (zie onder 2.13) opgenomen. De verslaglegging van dit gesprek heeft zij verspreid naar onder meer de GI. De verslaglegging is bovendien niet volledig. Digitale geluidsopnamen kunnen tegenwoordig met de huidige moderne middelen gemanipuleerd worden. 

4.1.3 Het College overweegt als volgt:

4.1.3.1 Naar aanleiding van het verweer van de jeugdprofessional over het vertrouwelijke telefoongesprek dat door de moeder is opgenomen, merkt het College op dat de geluidsopname hiervan door haar niet is overgelegd en geen deel uitmaakt van het dossier/de procedure. Daarom laat het College de opmerking van de jeugdprofessional dat de geluidsopname is gemaakt zonder zijn toestemming, en dat geluidsopnamen tegenwoordig gemanipuleerd kunnen worden, buiten beschouwing. Wel wijst het College erop dat in een tuchtprocedure sprake is van een vrij bewijsstelsel. Dat betekent dat in principe alle bewijsmiddelen kunnen worden overgelegd, en dat de acceptatie en waardering daarvan aan het College is. In dat kader heeft het College wel kennisgenomen van genoemd gespreksverslag. Volgens de jeugdprofessional is het gespreksverslag niet volledig, maar de inhoud van hetgeen daarin is gesteld, heeft hij niet weersproken.

4.1.3.2 Ten aanzien van de klacht van de moeder over het uitgevoerde systeemonderzoek overweegt het College als volgt. Het College ziet als kern van de klacht dat de jeugdprofessional het onderzoek ‘systeemonderzoek’ noemt, terwijl hij alleen met de zoon heeft gesproken. De kern van het verweer is dat het onderzoek deugt, nu de jeugdprofessional drie bronnen (de zoon, de jeugdbeschermer en dossieranalyse) heeft geraadpleegd. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional desgevraagd verklaard dat hij na het intakegesprek op 20 februari 2019 geen heil zag in een onderzoek met de ouders en de zoon, omdat hij van mening was dat er geen constructieve samenwerking mogelijk was. Volgens de bewoordingen van de jeugdprofessional was er “geen ingang”. De jeugdprofessional heeft verder benadrukt dat zijn onderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd om het een systeemonderzoek te mogen noemen en dat een systeemonderzoek op verschillende manieren kan worden uitgevoerd. In het verslag van het onderzoek leest het College dat de opdracht als volgt is beschreven: ‘Kan de hulpverleningsorganisatie aangeven of er wel/niet ruimte is bij [de zoon] om te denken aan enige vorm van contact met de moeder en of dat authentiek overkomt’. De drie onderzoeksvragen luiden: 1) In welke mate is er sprake van negatieve beïnvloeding door beide of één van beide ouders? 2) Is op dit moment contactherstel met de moeder mogelijk? 3) In hoeverre is contactherstel met de moeder gewenst? In lijn met deze opdracht en de onderzoeksvragen, overweegt het College dat systemisch onderzoek een onderzoek impliceert dat gericht is op het gehele systeem en de context waarin zij zich tot elkaar verhoudt. De wijze waarop de jeugdprofessional het onderzoek heeft verricht, voldoet naar het oordeel van het College dan ook niet aan de beschrijving van een systeemonderzoek. Met de zoon is slechts één gesprek gevoerd, waarin hem een aantal vragen is gesteld over het contact met zowel de moeder als de vader. De moeder, de vader en de zus, die onderdeel uitmaken van het systeem, zijn in dit onderzoek op geen enkele wijze meegenomen. Het College is van oordeel dat de moeder ervan uit mocht gaan dat zij (en de andere relaties binnen het systeem) betrokken zou(den) worden, en dat in het geval de jeugdprofessional hier een andere keuze in maakt, hij dat gemotiveerd kenbaar maakt aan genoemde betrokkenen. Dat heeft de jeugdprofessional echter nagelaten. Het College concludeert dat de jeugdprofessional ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ heeft gebruikt en dat hij het onderzoek onvoldoende deskundig op basis van actuele kennis en daarom niet conform de beroepsstandaard heeft uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode. Vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming heeft hij daarmee niet bevorderd, waardoor ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden.

4.1.4 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional schrijft in het verslag ‘hybride ouderverstoting’ en geeft de verkeerde uitleg aan ‘hybride’.

Toelichting:

Het verslag dat de jeugdprofessional heeft opgesteld is aantoonbaar verkeerd. Hij zegt dat ‘hybride ouderverstoting’ inhoudt dat beide ouders een negatieve invloed hebben op het kind. De jeugdprofessional heeft zijn opleiding in ouderverstoting gevolgd bij [naam]. De moeder heeft, nadat zij de uitleg over ‘hybride’ op de website had zien staan contact, contact met haar opgenomen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

Een zaak is ‘hybride’ als het kind ernstig afwijst, alle tekenen van vervreemding vertoont en beide ouders gehandeld hebben op een manier die ervoor heeft gezorgd dat het kind zich terugtrekt. Zoals in het verslag is weergegeven, hebben beide ouders en rol in deze casus. Beide ouders hebben ervoor gezorgd dat het kind naar één ouder is getrokken.

4.2.3 Het College overweegt als volgt:

Of de term ‘hybride’ met betrekking tot ouderverstoting in het verslag wel of niet correct is gebruikt door de jeugdprofessional is voor het College niet vast te stellen. De standpunten van partijen lopen uiteen en ook het dossier biedt het College onvoldoende handvatten om hierover een oordeel te kunnen geven.

4.2.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Het verslag van het systeemonderzoek is door de jeugdprofessional willens en wetens gebruikt.

Toelichting:

Het systeemonderzoek is willens en wetens gebruikt in de rechtszaak in oktober 2019 met betrekking tot de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional wist dat wat hij geschreven had in het verslag verkeerd was en de moeder heeft hem hiervan ook op de hoogte gesteld. Als gevolg hiervan is de moeder het contact met de zoon ontzegd.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De veronderstelling van de moeder klopt niet. De moeder meent dat de jeugdprofessional wist dat hij fout was. De vraag is waarop de moeder dit baseert. Het is haar mening maar die berust niet op feiten.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:

Uit de e-mail van 9 september 2019 (zie onder 2.16) blijkt dat niet de jeugdprofessional maar de jeugdbeschermer van de GI het verslag heeft ingebracht tijdens de rechtszaak. Dat kan de jeugdprofessional niet worden aangerekend. Het College toetst alleen het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional aan de algemene tuchtnorm en is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van een instelling te toetsen.

4.3.4 Het College verklaart de moeder niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

4.4 Klachtonderdeel 4

4.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

Het systeemverslag is niet besproken met de zoon.

Toelichting:

De jeugdprofessional heeft het systeemverzoek niet meer met de zoon besproken, wat de jeugdprofessional in het telefonische contact met moeder ook heeft toegegeven.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De jeugdprofessional bevestigt dat het verslag van het systeemonderzoek niet met de zoon is besproken. Direct aan het einde van het gesprek met de zoon is hem gevraagd of hij het verslag wilde inzien/bespreken. De zoon wilde dat niet meer. De zoon heeft alleen nog meegewerkt aan het systeemonderzoek met de boodschap dat hij verder nergens meer mee te maken wilde hebben. Hij heeft hierop één uitzondering gemaakt.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:

In zijn verweer, maar ook tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional onweersproken gesteld dat de zoon uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij na het genoemde gesprek in juni 2019 geen enkel contact meer met de jeugdprofessional wenste. Evenmin wilde hij het verslag nog inzien. Het verdere contact zou verlopen via de jeugdbeschermer van de GI. Nu het gaat om de uitdrukkelijke wens van de zoon, volgt het College de redenering van de jeugdprofessional. Het is begrijpelijk dat de jeugdprofessional niet verder heeft aangedrongen op contact. Hij heeft de zoon in lijn met artikel E (Respect) van de Beroepscode gerespecteerd. Het College overweegt dat de jeugdprofessional in het belang van de zoon voldoende gemotiveerd is afgeweken van de normstelling in artikel M (verslaglegging/dossiervorming), dat omschrijft dat de jeugdprofessional de jeugdige cliënt, de zoon in dit geval, desgevraagd de gelegenheid geeft tot inzage in, en aanvulling op of correctie van het verslag.

Ten overvloede merkt het College op dat de jeugdprofessional in het verslag wel een aantekening had moeten maken van de wens van de zoon het verslag niet meer te willen lezen, dan wel bespreken. Dit was voor alle betrokkenen, zoals de ouders maar ook de jeugdbeschermer, wel degelijk relevante informatie. Nu dit echter geen onderdeel is van de klacht, kan het College hier geen tuchtrechtelijk oordeel aan verbinden.

4.4.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional het volgende:

De jeugdprofessional heeft geen gebruik gemaakt van de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’, terwijl ouderverstoting psychische kindermishandeling is.Toelichting:

De jeugdprofessional heeft ouderverstoting vastgesteld. De RvdK heeft duidelijk gezegd dat dat psychische kindermishandeling is en daarom had de jeugdprofessional gebruik moeten maken van genoemde Meldcode.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:

De hulpverleningsorganisatie heeft een onderzoek afgenomen. De conclusie en het advies is gedeeld met de jeugdbeschermer. Alleen de GI kan een melding over kindermishandeling overwegen.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:

De Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling helpt professionals bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling. Niet alleen een GI maar iedere professional kan tot een melding overgaan. Aan de hand van vijf stappen bepalen professionals of ze een melding moeten doen bij Veilig Thuis. Los van de vraag of een melding bij Veilig Thuis aan de orde was geweest, lag dat naar het oordeel van het College op dat moment niet op de weg van de jeugdprofessional. In de periode dat de zoon contact had met de jeugdprofessional gold een jeugdbeschermingsmaatregel: de zoon stond onder toezicht van de GI. De jeugdprofessional heeft slechts één gesprek met de zoon gevoerd en van een acute dreiging leek op dat moment geen sprake. Overigens leest het College, in het door de moeder overgelegde nieuwsbericht van 16 mei 2019 met betrekking tot een bijeenkomst georganiseerd door de RvdK met als thema ‘voorkomen van ouderverstoting/oudervervreemding’, niet dat ouderverstoting psychische kindermishandeling is. In het nieuwsbericht staat onder meer dat iedere situatie anders is en dat onderzoek, waarbij de belangen van het kind centraal staan, noodzakelijk is om eventuele kindermishandeling aan te tonen en tot maatwerk te komen in wat voor het kind in die situatie de beste interventie is.

4.5.4 Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

4.6 Conclusie 

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat klachtonderdeel I gegrond is. De jeugdprofessional heeft ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ gebruikt en heeft het onderzoek niet in overeenstemming met de beroepsstandaard uitgevoerd, door alleen met de zoon te spreken. Daarmee is artikel B (Bevordering deskundigheid) en artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden. De jeugdprofessional heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht naar het oordeel van het College niet gereflecteerd op zijn handelen. Hij heeft naar aanleiding van vragen van het College in ieder geval niet kenbaar gemaakt dat hij, terugkijkend, mogelijk anders had kunnen handelen. Het College acht dit handelen van de jeugdprofessional dan ook verwijtbaar. Echter, omdat de jeugdprofessional relatief kort betrokken is geweest bij de moeder en de zoon, legt het College daarom op de maatregel tot waarschuwing.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 2, 4 en 5 ongegrond;
  • verklaart de moeder niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 3;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 20 april 2020 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. E.M. Jacquemijns, voorzitter

mevrouw mr. E.C. Abbing, secretaris