Maak een selectie

552 van 552

   
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.010B

Klager gaat in beroep tegen het oordeel van College van Toezicht over de werkwijze van beklaagde

De gezinsvoogd en de moeder hadden bij het kennismakingsgesprek, dat voorafging aan de zitting bij de kinderrechter, een geheel verschillend verwachtingspatroon. Moeder hoopte bij benoeming nieuwe gezinsvoogd, dat er perspectief zou zijn voor terugkeer van de kinderen naar huis, de gecertificeerde instelling koerste echter af op gezagsbeëindiging, die ook door de kinderrechter is gehonoreerd.

De moeder beklaagt zich in hoger beroep over College van Toezicht dat stelt niet aan waarheidsvinding te doen. Zij vraagt zich af welke waarde dan aan het onderzoek van het College moet worden toegekend, als partijen lijnrecht tegenover elkaar staan. Het College van Beroep merkt in de eerste plaats op, dat het de zinsnede dat het College van Toezicht geen waarheidsvinding bedrijft minder gelukkig acht, omdat dit de suggestie kan wekken dat het College van Toezicht er niet op uit zou zijn om de waarheid te achterhalen. Terecht vermeldt het College in de volgende zin, dat indien bij een klachtonderdeel de feitelijke gang van zaken in redelijkheid niet kan worden vastgesteld, het College geen inhoudelijk oordeel kan geven en dat dan de klacht ongegrond zal worden verklaard. Het College van Beroep voegt hieraan nog toe, dat bij bejegeningsklachten als de onderhavige vaak niet kan worden vastgesteld wat er zich precies heeft afgespeeld en wat er precies door partijen gezegd is. Dikwijls hebben partijen een heel verschillende belevenis van dezelfde gebeurtenis.

Het College is van oordeel dat partijen inderdaad steeds anders naar dezelfde zaak hebben gekeken. Daarbij zijn de omstandigheden verre van ideaal geweest. De moeder heeft lang zonder hulpverlening gezeten. Toen de gezinsvoogd eenmaal aan het gezin was toegevoegd, moest er snel gehandeld worden en stappen worden gezet. Daarbij zijn de verwachtingen van de moeder waarschijnlijk niet voldoende gemanaged. Ook de communicatie over het vermoeden van seksueel misbruik had misschien meer ingekleed kunnen worden. Dat is, zoals de gezinsvoogd zelf ook erkend heeft, een pijnpunt geweest voor de moeder. De gezinsvoogd is genoegzaam in staat geweest om op haar persoonlijk functioneren te reflecteren en lessen te trekken uit het verleden. Daarvan heeft zij blijk gegeven bij het College van Toezicht en ook in hoger beroep bij dit College.

Voor zover de gezinsvoogd in de communicatie naar de moeder enigermate is tekortgeschoten, gaat het er bij een tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om of dat handelen beter had gekund, maar of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard. Het College is zonder meer van oordeel dat de gezinsvoogd binnen die grenzen is gebleven.

Conclusie: klachten in beroep ongegrond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.096T

Het College oordeelt dat beklaagde wel degelijk blijk heeft gegeven van reflectie, mede doordat zij stelt dat ze zorgvuldiger had kunnen zijn in haar communicatie en meer had kunnen afkaarten. Er kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt en alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. 

Moeder klaagt in de kern over dat de casemanager het gezag van ouders ondermijnt. De casemanager zou haar macht hebben misbruikt door in het vrijwillige kader haar wil aan ouders op te dringen, waardoor moeder zich niet gehoord en serieus genomen voelt. Samenhangende klachtonderdelen over communicatie, samenwerking, informatie en respect liggen daaraan ten grondslag.

Van machtsmisbruik of onvoldoende samenwerking is volgens het College geen sprake. Met betrekking tot de klachtonderdelen over communicatie, informatie en respect stelt het College dat het beter was geweest als de casemanager met de ambulante ondersteuners van ouders had afgestemd over de wijze van communiceren. Op zitting heeft de casemanager voldoende reflectie getoond over dit handelen. Het College concludeert dat aan casemanager geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden gemaakt. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.102T

Klagers zijn afgewezen als pleegouders en verwijten de jeugdprofessional dat dit proces niet juist is verlopen en dat zij onheus zijn bejegend.

Klagers zijn afgewezen als pleegouders na het proces ‘Aspirant Pleegouderschap’ te hebben doorlopen onder begeleiding van de voorbereider pleegouderschap. Ze verwijten de voorbereider dat dit proces niet juist is doorlopen, en dat ze door haar onheus zijn bejegend.

Op grond van de stukken en de toelichting van de voorbereider tijdens de mondeling behandeling is het College ervan overtuigd geraakt dat de voorbereider zich voldoende heeft ingespannen om het traject ‘Aspirant Pleegouderschap’ op correcte wijze te doorlopen. Van belang is dat er op meerdere momenten overleg is gevoerd met collega’s en er duidelijk is gecommuniceerd naar de aspirant pleegouders. Naar het oordeel van het College is niet gebleken dat de voorbereider de aspirant pleegouders onheus heeft bejegend. Met betrekking tot de kritische vragen heeft zij gemotiveerd uiteengezet dat zij hiermee heeft beoogd dat de aspirant pleegouders zouden nadenken over het pleegouderschap.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.071T

Klacht over de kwaliteit van het conceptrapport van de raadsonderzoeker.

Vader klaagt over de kwaliteit van het conceptrapport van de raadsonderzoeker. Het College overweegt dat een raadsrapport vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid aan diverse eisen dient te voldoen. Het College toetst ten volle of het onderzoek vanuit dat oogpunt de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van het rapport vindt slechts een marginale toetsing plaats, d.w.z. er wordt beoordeeld of de raadsonderzoeker in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen.

In de onderhavige zaak is het College van oordeel dat het conceptrapport voldoet aan de eisen. De raadsonderzoeker heeft contact gehad met alle betrokkenen, het advies is gemotiveerd, er is voldoende afstand gehouden van partijen, en er is objectief gerapporteerd. Het niet eens zijn met de visie van een ander kan echter op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat in een rapport leugens of onwaarheden worden opgeschreven. Het zijn de meningen van partijen die beklaagde feitelijk heeft weergegeven.

De klacht is ongegrond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.088T

Raadsonderzoeker heeft persoonsgegevens niet oneigenlijk verwerkt.

Moeder heeft eenhoofdig gezag over haar zoon. Naar aanleiding van een zorgmelding over een ander kind van vader is er een onderzoek gestart door de Raad van de Kinderbescherming. In het kader van dit onderzoek heeft de raadsonderzoeker aan vader gevraagd naar de leeftijd van zoon, omdat het onderzoek mogelijk werd uitgebreid naar die zoon. Na multidisciplinaire overleg is besloten het onderzoek niet uit te breiden. Moeder verwijt de raadsonderzoeker dat hij de persoonsgegevens van zoon oneigenlijk heeft verwerkt omdat haar toestemming ontbrak, en niet is geïnformeerd door de raadsonderzoeker.

Het College is van oordeel dat de raadsonderzoeker op grond van artikel 2.1 van het Kwaliteitskader dat van toepassing is op de werkwijze van de Raad voor de Kinderbescherming, aan de vader had mogen vragen naar de leeftijd van zoon. Toestemming van moeder was hier niet nodig. De persoonsgegevens zijn niet oneigenlijk verwerkt zodat de klacht ongegrond is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.058T

Het College oordeelt dat de opdracht aan beklaagde, op grond van het hulpverleningsplan, meebracht dat zij zou rapporteren over klagers dochter waardoor het noteren van een bevinding over haar binnen de gegeven opdracht viel. Het verzoek van de vader om een geluidsopname te maken wordt afgewezen.

Vader klaagt dat de jeugdprofessional heeft gehandeld op grond van een ongeldig indicatiebesluit, gekleurde bevindingen over vader en zijn dochter heeft opgenomen in een rapportage, partijdig is en haar telefoon niet heeft opgenomen.

Het College oordeelt dat de jeugdprofessional, onder de omstandigheden van het geval, mocht afgaan op de inhoud van het indicatiebesluit. Het College oordeelt voorts dat beklaagde niet onzorgvuldig heeft gerapporteerd. De overige klachten van vader zijn onvoldoende onderbouwd. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Het verzoek van vader om een geluidsopname te maken van de mondelinge behandeling is afgewezen. Het College oordeelt dat vader voor zijn verzoek geen argumenten aanvoerde en dar er geen omstandigheden waren waaruit zou kunnen blijken dat vader in zijn processuele belang zou worden geschaad wanneer hij geen opnames zou mogen maken. Voorts oordeelt het College dat het maken van geluidsopnames tijdens een besloten zitting, omdat het College geen invloed op het verdere gebruik van deze geluidsopnames heeft, de belangen van andere personen kan schaden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.083Tb

Moeder klaagt over de uithuisplaatsing van haar zoon, de wijze van informatievoorziening, partijdigheid en de beperking van de omgang met de zoon.

Moeder klaagt in twee zaken bij het College van Toezicht over het handelen van twee gezinsvoogden. Kort gezegd klaagt moeder over de (continuerende) uithuisplaatsing van haar zoon, dat de gezinsvoogden haar chanteren en dreigen met ontheffing van gezag, partijdigheid, dat de gezinsvoogden niet helpend zijn bij de verstoorde relatie tussen moeder en vader en de huidige omgangsregeling. Het College heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling bij het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de gezinsvoogden kunnen constateren, en verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.083Ta

Moeder klaagt over de uithuisplaatsing van haar zoon, de wijze van informatievoorziening, partijdigheid en de beperking van de omgang met de zoon.

Moeder klaagt in twee zaken bij het College van Toezicht over het handelen van twee jeugdprofessionals. Kort gezegd klaagt moeder over de (continuerende) uithuisplaatsing van haar zoon, dat de jeugdprofessionals haar chanteren en dreigen met ontheffing van gezag, partijdigheid, dat de jeugdprofessionals niet helpend zijn bij de verstoorde relatie tussen moeder en vader en de huidige omgangsregeling. Het College heeft op basis van de stukken en de mondelinge behandeling bij het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de jeugdprofessionals kunnen constateren, en verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.028T

Moeder, zonder gezag, verwijt de gezinsvoogd het verspreiden van leugens, het niet zorgdragen voor haar kinderen en het schenden van de privacy van moeder en kinderen.

Dochter verblijft in een instelling en zoon woont bij vader. Moeder is van mening dat de gezinsvoogd haar in verschillende aspecten heeft benadeeld, o.a. door leugens te verspreiden en haar privacy te schenden. Ook zou de gezinsvoogd met dochter naar de huisarts gegaan zijn, zonder medeweten van moeder.

Het College is van oordeel dat moeder haar klachten niet heeft onderbouwd. Het College is ervan overtuigd geraakt dat beklaagde zich heeft ingespannen om klaagster ter wille te zijn. Met betrekking tot het schenden van privacy is moeder mogelijk uit het oog verloren dat zij uit het gezag is ontheven, en zij bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling geen recht meer heeft op die informatie.

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.001B

Dat de jeugdbeschermer de door de rechtbank opgelegde begeleiding van de omgangsregeling onvoldoende heeft uitgevoerd kan niet worden vastgesteld. Vanzelfsprekend is dat niet in het bijzijn van de kinderen gesproken wordt over gerechtelijke procedures.

Klager vindt dat de jeugdprofessional zich onvoldoende heeft ingezet om tot een vruchtbare samenwerking met hem en zijn ex-partner te komen en om daarvoor hulpverlening in te zetten. Volgens klager heeft een casemanager/contactpersoon een andere functie dan een jeugdbeschermer. Er heeft voor de eerste begeleide omgangsregeling geen kennismakingsgesprek met de jeugdprofessional plaats gevonden en de omgangsregeling is niet adequaat begeleid. Integendeel, deze is eerder ondermijnd. En de jeugdprofessional heeft aan klager verkapte aanwijzingen gegeven.

De jeugdprofessional heeft onder meer het verweer gevoerd, dat de klachten zijn ingediend voordat hij formeel geregistreerd was.

Het College van Beroep oordeelt als volgt. Bij BAMw is gebruikelijk geweest dat na de aanvraag tot registratie het enige tijd duurde voordat alle gegevens voor die registratie door het BAMw register waren verzameld; zodra dit het geval was, werd de registratie met terugwerkende kracht tot de datum van aanvraag verleend. De datum van de aanvraag kan ook thans in redelijkheid worden aangehouden omdat de aanvrager vanaf die datum registratie wenste en daarmee ook alle gevolgen die aan die registratie zijn verbonden. Klachten zijn in zoverre ontvankelijk.

Inhoudelijk kan een jeugdbeschermer niet verantwoordelijk worden gehouden voor onzorgvuldige communicatie of organisatorische keuzes die gemaakt zijn door de organisatie. Zo kon er geen kennismakingsgesprek worden ingepland door de jeugdprofessional voorafgaand aan de begeleide omgang – hetgeen volgens het College wel de nadrukkelijke voorkeur verdient – doordat de jeugdprofessional slechts enkele dagen van te voren op de hoogte werd gesteld van de overdracht van werkzaamheden.

De klacht van klager dat de jeugdprofessional hem verkapte aanwijzingen geeft berust op een onjuiste rechtsvatting, omdat aan een ouder zonder gezag geen schriftelijke aanwijzing kan worden gegeven. Het is aan hem om de adviezen betreffende de omgangsregeling ter harte te nemen of te negeren.

De overige grieven zijn kennelijk niet ontvankelijk of zijn niet komen vast te staan..

Het College verklaart het de klachten in beroep kennelijk niet ontvankelijk c.q. ongegrond.