Maak een selectie

502 van 502

   
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.006B

Appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in hoger beroep

Volgens klager had aangeklaagde aanwezig moeten zijn bij een gesprek in [maand] 2014 naar aanleiding van de klacht van klager bij de instelling, waar zij in dienst is. Aldus werden haar bevindingen over pleegouder [A] niet betrokken bij de klachtafhandeling.

Binnen de beroepstermijn heeft klager beroep ingesteld bij het College van Beroep. Het beroepsschrift werd onvoldoende concreet beoordeeld, en klager is een termijn van twee weken gegeven om dit te verbeteren. Klager heeft de termijn voor indiening van een verbeterd beroepsschrift met tien dagen overschreden. Het College van Beroep oordeelt dat klager royaal in de gelegenheid is gesteld om tijdig een behoorlijk beroepsschrift in te dienen. Door dit na te laten, dient hij conform artikel 35 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het College heeft desondanks onderzocht, en geconstateerd dat het bewuste gesprek, waarbij aangeklaagde aanwezig had moeten zijn volgens klager, heeft plaatsgevonden na [datum] 2014, het tijdstip van registratie van beklaagde. Bij een voldoende concreet en tijdig ingediend beroepschrift zou het in zoverre ontvankelijk zou zijn geweest. Maar ook dan zou de klacht van klager zijn gestrand, omdat hij ook in zijn tweede beroepschrift niet aangeeft waarom aangeklaagde aanwezig zou moeten zijn geweest bij een gesprek, dat georganiseerd werd door de betreffende instelling en waarbij een klacht in algemene termen gericht was tegen deze instelling.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.014Ta & 15.014Tb

Moeder van twee zonen, waarvan de oudste uit huis geplaatst is, en de jongste onder toezicht is gesteld, klaagt over twee gezinsvoogden wegens slechte samenwerking, slechte communicatie en gebrek aan vertrouwen.

De gezinsvoogden, ieder verantwoordelijk voor één zoon, treden altijd gezamenlijk op en zijn derhalve inwisselbaar zodat de continuïteit gewaarborgd is. Het College stelt vast dat de gezinsvoogden voldoende hebben aangetoond dat zij de samenwerking met klaagster hebben nagestreefd, en hebben gehandeld in het belang van de kinderen. Ook weegt het College mee dat de rechtbank in een beschikking heeft bepaald dat nu de samenwerking tussen moeder en gezinsvoogden niet op gang is gekomen, de gezinsvoogden zich dienden te richten op het belang van de kinderen. De klacht is in alle onderdelen ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.010T

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het onbereikbaar zijn en over het niet handelen in het belang van het kind.

Dochter woont vanaf haar tweede jaar in een pleeggezin. Moeder en dochter hebben eenmaal per maand een uur omgang met elkaar. Een verzoek van moeder tot uitbreiding van de omgangsregeling is afgewezen. De klacht van moeder heeft betrekking op het niet aanwezig zijn van de gezinsvoogd bij een door moeder georganiseerde eigen kracht-conferentie, en de onbereikbaarheid van de gezinsvoogd. Zij heeft ook een klacht ingediend bij de instelling waar de gezinsvoogd werkt, maar hier heeft zij niks meer van gehoord. Nu dit klachtonderdeel geen betrekking heeft op het handelen van de gezinsvoogd, is klaagster niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

De gezinsvoogd heeft naar voren gebracht dat zij, behalve het gedeelte over de eigen kracht-conferentie, niet weet over welke situatie(s) moeder het heeft wanneer zij klaagt over de onbereikbaarheid. Wellicht komt dit gevoel van moeder voort uit het contact dat de afgelopen maanden minder is geworden dan voorheen. Verder heeft de gezinsvoogd te kennen gegeven dat zij een eigen kracht-conferentie met als onderwerp de omgang met dochter niet zinvol heeft geacht. Zij heeft hierover contact gehad met een coördinator van de conferentie, en bij haar aangegeven dat zij niet zou komen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Tb

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

Het College is van oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen of nalaten van jeugdprofessionals in de periode vóór de erkenning van het beroepsregister van SKJ in november 2014. Het College stelt vast dat beklaagde al eerder is geregistreerd bij het door SKJ overgenomen Beroepsregister Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw), en ook daar onderworpen was aan de algemene tuchtnorm. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen en nalaten van de jeugdprofessionals vanaf het moment van registratie bij het BAMw.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Ta

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

Het College is van oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen of nalaten van jeugdprofessionals in de periode vóór de erkenning van het beroepsregister van SKJ in november 2014. Het College stelt vast dat beklaagde al eerder is geregistreerd bij het door SKJ overgenomen Beroepsregister Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw), en ook daar onderworpen was aan de algemene tuchtnorm. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat zij bevoegd is te oordelen over het handelen en nalaten van de jeugdprofessionals vanaf het moment van registratie bij het BAMw.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Tc

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

Het College is van oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen of nalaten van jeugdprofessionals in de periode vóór de erkenning van het beroepsregister van SKJ in november 2014. Het College stelt vast dat beklaagde al eerder is geregistreerd bij het door SKJ overgenomen Beroepsregister Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw), en ook daar onderworpen was aan de algemene tuchtnorm. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen en nalaten van de jeugdprofessionals vanaf het moment van registratie bij het BAMw.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.011T

De jeugdprofessional wordt verweten dat zij geen invoelingsvermogen heeft en dat zij niet kan of wil samenwerken met de moeder. Tevens verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij het aanwezig zijn van de uit huis geplaatste kinderen op het huwelijksfeest van ouders heeft tegengewerkt.

De moeder van vijf onder toezicht gestelde kinderen klaagt de jeugdprofessional aan voor niet adequate communicatie, tegenwerken van aanwezigheid kinderen op huwelijksfeest ouders en gebrek aan invoelingsvermogen. Alle klachten worden door het College van Toezicht ongegrond verklaard.

De jeugdprofessional voert gemotiveerd verweer tegen alle klachten. Zij herkent zich niet in de weergave van de moeder. Wel geeft ze aan dat het mogelijk is dat de ouders haar voortvarende manier van werken als direct en onprettig ervaren hebben, echter is dit nooit de opzet geweest. Het belang van de kinderen heeft te allen tijde voorop gestaan. De jeugdprofessional vermoedt dat zij niet heeft kunnen voldoen aan het verwachtingspatroon van de ouders, en dat daardoor de beleving van de communicatie tussen de moeder en haarzelf zo ver uit elkaar ligt.

Het eerste verwijt van de moeder wordt door het College van Toezicht ongegrond verklaard doordat de feitelijke gang van zaken niet vastgesteld kan worden. De moeder verweet de jeugdprofessional dat zij haar bij het eerste contact geen hand had gegeven en zij verwijt haar bepaalde uitspraken te hebben gedaan. De rest van de klachten wordt op grond van het verweer van de jeugdprofessional ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.016T

Een gemachtigde dient een klacht in die uitdrukkelijk niet valt binnen de machtiging die de moeder heeft afgegeven.

Het College ontvangt een klaagschrift ingediend door een vertrouwenspersoon, die als gemachtigde van moeder optreedt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het College verklaart de vertrouwenspersoon echter dat het indienen van een klacht een te zware belasting is voor moeder. Hij heeft zonder klaagster in te lichten een klacht namens haar ingediend. Het College is van oordeel dat het indienen van de klacht uitdrukkelijk niet valt binnen de door moeder gegeven machtiging aan klager. Het College verklaart de vertrouwenspersoon niet-ontvankelijk in zijn klacht.

 

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.006T

Moeder klaagt over het feit dat gezinsvoogd onvoldoende handelt in belang van haar dochter, onzorgvuldig communiceert, afspraken niet nakomt en zich intimiderend opstelt.

Moeder vreest voor de veiligheid van haar dochter wanneer zij bij haar vader is, en voelt zich hierin niet gesteund door de gezinsvoogd.

 Voor zover de klachtonderdelen betrekking hebben op het handelen van de gezinsvoogd in de periode voor de registratiedatum, en op andere personen (zoals een gedragsdeskundige) is klaagster niet ontvankelijk in haar klacht. Bij de andere klachtonderdelen is door de gezinsvoogd voldoende gemotiveerd dat hij in het belang van de dochter handelde of is de klacht onvoldoende onderbouwd door moeder. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Het College heeft geconstateerd dat de gezinsvoogd heeft gereflecteerd op zijn professionele handelen, en heeft vastgesteld dat hij onderdeel is geworden van de strijd tussen vader en moeder. In het vervolg zou de gezinsvoogd bij een soortgelijke situatie eerder overleg hebben met een collega over de situatie of de zaak overdragen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.003B

Het College van Beroep handhaaft de eerder opgelegde maatregel, ondanks het deels gegronde beroep, vanwege de ernst van de aan de gezinsvoogd verwijtbare feiten.

De moeder klaagt, dat zij bij het College van Toezicht van de NVMW niet meer in de gelegenheid is gesteld een beschikking van het gerechtshof in het geding te brengen. Drie klachten hebben betrekking op vermoedens van grensoverschrijdend gedrag c.q. seksueel misbruik. De moeder is het niet eens met de uitspraak van het College van Toezicht van de NVMW, dat zij het liefst alles betreffende de verzorging en opvoeding van haar zoon naar haar hand wil zetten. Tenslotte verwijt zij dat de gezinsvoogd tekort zou zijn geschoten in professionaliteit.

De procedure in hoger beroep biedt de mogelijkheid om procedurele fouten hetzij gemaakt door het College van Toezicht van de NVMW hetzij door één van partijen te herstellen.

In de onderhavige zaak heeft de gezinsvoogd uitspraken gedaan over de seksuele geaardheid van een oom en dit gekoppeld aan het vermeende seksueel overschrijdende gedrag van het kind. In de opvatting van het College van Beroep kan het niet zo zijn, dat in rapportages en processtukken het vermoeden jegens de oom een eigen leven gaat leiden, waarbij het gevaar bestaat dat gemakkelijk wordt aangenomen dat de oom wel degene zal zijn die oorzaak is van het vermeende seksueel grensoverschrijdende gedrag van zijn neefje.

Er dient uiterst zorgvuldig en weloverwogen om te worden gegaan met het presenteren en uitspreken van vermoedens op het terrein van seksueel gedrag van derden in relatie tot een onder toezicht gesteld kind. Dergelijke vermoedens dienen door middel van een onderzoek onderbouwd te worden. Hierbij kunnen deskundigen worden betrokken.

Tevens heeft de gezinsvoogd uitspraken gedaan over het handelen van moeder. De uitspraken zijn niet in alle opzichten gelukkig geweest. Gelet op de ingetreden polarisatie in de verhoudingen zou het wellicht beter zijn geweest als de gezinsvoogd had volstaan met een opsomming van feitelijkheden. Desondanks acht het College van Beroep deze kwalificatie van een geheel andere orde dan het eerste onderwerp.

Vanwege de ernst van het eerste verwijtbare handelen van de gezinsvoogd wordt de eerder opgelegde waarschuwing gehandhaafd.

Het College van Beroep erkent dat het veel vergt van de vaardigheden van een gezinsvoogd om goed te werk te gaan in complexe zaken, zoals hier bij een problematische scheiding. Juist in dit soort zaken is het van belang dat de gezinsvoogd de regie neemt en de tijd neemt om ouders en het netwerk zorgvuldig te informeren over de hulpverlening. Indien incidenten leiden tot een ernstig verstoorde werkrelatie tussen gezinsvoogd en ouder(s), die ten koste gaat van de professionaliteit van de individuele beroepsuitoefenaar, dient de gecertificeerde instelling in te grijpen.

Conclusie:

twee klachten slagen en een klacht slaagt ten dele. De overige klachten zijn niet gegrond. De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de klachten, die slagen, is zodanig dat het College de door het College van Toezicht NVMW opgelegde maatregel van een waarschuwing handhaaft.