Maak een selectie

497 van 497

   
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Ta

Klacht tegen uitvoerend hulpverlener over het schenden van privacy, het nalaten op klachten te reageren en partijdigheid.

Vader klaagt over het handelen van een uitvoerend hulpverlener. Een deel van de klachten heeft betrekking op de periode voor de registratiedatum van beklaagde; klager is niet-ontvankelijk in dat gedeelte van zijn klacht. De overige klachten zijn ongegrond. Beklaagde heeft in de ogen van het College gehandeld zoals verwacht mag worden van een jeugd professional.

Vader klaagt over een schending van zijn privacy. Het College oordeelt dat op grond van het hulpverleningscontract en het bijbehorende privacyreglement de uitvoerend hulpverlener bevoegd was om verklaringen over vader af te geven aan de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdzorginstelling. Verder zijn de vermeende onjuistheden in het rapport voor de Raad naar het oordeel van het College conclusies die de uitvoerend hulpverlener op grond van de gebeurtenissen in redelijkheid kon trekken, en daarom niet onjuist. Ook kan niet worden gesteld dat de uitvoerend hulpverlener partijdig is. Klager heeft zelf aangegeven dat hij de uitvoerend hulpverleenster niet vertrouwde, en de hulpverlening heeft zich vervolgens met name – maar niet exclusief – toegespitst op de moeder. Het College stelt vast dat klager op verschillende momenten is gewezen op de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de gecertificeerde instelling.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Tb

De jeugdprofessional heeft voldoende gereflecteerd op eigen handelen en heeft niet bevooroordeeld gehandeld.

Vader heeft twee dochters die onder toezicht zijn gesteld. De kinderen verblijven sinds de scheiding bij de moeder. Een deel van de klachten wordt niet in behandeling genomen omdat deze betrekking hebben op de privacy van een meerderjarige. De overige klachten zijn ongegrond.

Vader stelt dat beklaagde niet reflecteert op haar handelen, en dat zijn klachten niet juist behandeld zijn. Naar oordeel van het College heeft beklaagde wel gereflecteerd op haar handelen, door besprekingen met collega’s. Daarnaast laten diverse e-mails zien dat de klachten van klager wel zijn opgepakt door zowel beklaagde als haar leidinggevende.

De klachten van vader over de vermeende bevooroordeling van gezinsvoogd zijn ongegrond. In haar rapportages maakt beklaagde een duidelijk onderscheid tussen feiten en meningen zodat niet kan worden gezegd dat deze onwaarheden bevatten, blijk geven van partijdigheid noch dat er reden is voor rectificatie. Meer in zijn algemeenheid is niet aangetoond dat beklaagde een bevooroordeelde mening had.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Tc

Klacht tegen raadsonderzoeker over een raadsrapport dat volgens vader is gebaseerd op subjectieve, eenzijdige, onjuiste informatie en beledigingen.

Vader verwijt de raadsonderzoeker dat het concept raadsrapport onjuistheden en beledigende termen bevat, dat zijn toelichting is genegeerd en er geen hoor en wederhoor is toegepast.

Het College oordeelt dat de bewoordingen in het rapport niet zodanig zijn dat beklaagde hiermee buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, hoewel het gebruik van de term ‘intrigant’ niet passend is. De raadsonderzoeker heeft gereflecteerd op zijn handelen door zich te realiseren dat dit geen juiste bewoording was. Vervolgens is het concept aangepast, en heeft de raadsonderzoeker zijn excuses aangeboden aan klager. Door de toelichting van klager als bijlage bij het rapport te voegen, en enkele aanpassingen te verrichten heeft de beklaagde op een wijze gehandeld die algemeen geaccepteerd is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.018T

Vader klaagt over raadsonderzoeker wegens onzorgvuldig handelen, onnauwkeurigheid en het niet tijdig versturen van het onderzoeksrapport.

Vader verwijt de raadsonderzoeker dat hij o.a. geen aantekeningen heeft gemaakt tijdens een gesprek, zijn zoontje bij de verkeerde naam heeft genoemd, en heeft gevraagd naar huiselijk geweld terwijl deze zaak geseponeerd was. Ook zijn de doelen van het gesprek (zoals door de raadsonderzoeker is aangegeven in een vooraf gestuurde email) niet als zodanig besproken in een gesprek met vader.

Het College stelt vast dat de raadsonderzoeker voldoende zorgvuldig heeft gewerkt. De wijze waarop de raadsonderzoeker de doelen voor het gesprek kenbaar heeft gemaakt, had wel duidelijker gekund. De raadsonderzoeker is hiermee naar het oordeel van het College echter niet buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening getreden. Dit gedeelte van de klacht is ongegrond.

Het niet op tijd sturen van het onderzoeksrapport heeft betrekking op het handelen van de instelling en handelen van een ander persoon dan de raadsonderzoeker. Vader is dan ook niet-ontvankelijk in zijn klacht.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.020T

De jeugdprofessional is er niet in geslaagd om te leren van complexe en moeilijke zaken waarin haar handelen en neutraliteit op de proef worden gesteld.

Het doel van een tuchtrechtelijke waarschuwing is dat de jeugdprofessional reflecteert op zijn of haar beroepsmatig handelen en de gevolgen van dat handelen in ogenschouw neemt. Het College is van oordeel dat gezinsvoogd onvoldoende blijk heeft gegeven van reflectie na een tuchtrechtelijke beslissing van de NVMW (nu: BPSW) en het College van Beroep van SKJ, en acht daarmee artikel S van de Beroepscode (reflectie) geschonden. Dat gezinsvoogd niet heeft gereflecteerd op deze uitspraken blijkt voorts uit het nalaten om contact op te nemen met moeder na de uitspraak van het College van Toezicht van het NVMW (nu: BPSW). Door zich te beroepen op de (toentertijd) herroepelijke status van de uitspraak vanwege een ingesteld beroep hiertegen gaat gezinsvoogd willens en wetens voorbij aan het leereffect van deze uitspraak.

Door het herhalen van uitspraken en belevingen die niet of onvoldoende zijn onderbouwd met feiten en objectiveerbare gronden schendt gezinsvoogd tevens artikel E uit de beroepscode (respect) omdat zij de keuzes van moeder in de opvoeding en ontwikkeling van haar kind niet respecteert. De gezinsvoogd heeft niet aangetoond dat zij er alles aan heeft gedaan om klaagster te informeren. Hiermee is artikel F uit de Beroepscode (voorzien van informatie) geschonden.

Het College stelt vast dat gezinsvoogd er niet in is geslaagd om te leren van complexe en moeilijke zaken waarin het handelen en de neutraliteit van de jeugd professional op de proef wordt gesteld. Vanwege de ernst van de feiten en de verwijtbaarheid legt het College een voorwaardelijke schorsing op. Ter voorkoming van de schorsing dient gezinsvoogd een LVSC gecertificeerd supervisietraject te volgen. De opgelegde maatregel is uitvoerbaar bij voorraad.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.006B

Appellant wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk in hoger beroep

Volgens klager had aangeklaagde aanwezig moeten zijn bij een gesprek in [maand] 2014 naar aanleiding van de klacht van klager bij de instelling, waar zij in dienst is. Aldus werden haar bevindingen over pleegouder [A] niet betrokken bij de klachtafhandeling.

Binnen de beroepstermijn heeft klager beroep ingesteld bij het College van Beroep. Het beroepsschrift werd onvoldoende concreet beoordeeld, en klager is een termijn van twee weken gegeven om dit te verbeteren. Klager heeft de termijn voor indiening van een verbeterd beroepsschrift met tien dagen overschreden. Het College van Beroep oordeelt dat klager royaal in de gelegenheid is gesteld om tijdig een behoorlijk beroepsschrift in te dienen. Door dit na te laten, dient hij conform artikel 35 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het College heeft desondanks onderzocht, en geconstateerd dat het bewuste gesprek, waarbij aangeklaagde aanwezig had moeten zijn volgens klager, heeft plaatsgevonden na [datum] 2014, het tijdstip van registratie van beklaagde. Bij een voldoende concreet en tijdig ingediend beroepschrift zou het in zoverre ontvankelijk zou zijn geweest. Maar ook dan zou de klacht van klager zijn gestrand, omdat hij ook in zijn tweede beroepschrift niet aangeeft waarom aangeklaagde aanwezig zou moeten zijn geweest bij een gesprek, dat georganiseerd werd door de betreffende instelling en waarbij een klacht in algemene termen gericht was tegen deze instelling.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.014Ta & 15.014Tb

Moeder van twee zonen, waarvan de oudste uit huis geplaatst is, en de jongste onder toezicht is gesteld, klaagt over twee gezinsvoogden wegens slechte samenwerking, slechte communicatie en gebrek aan vertrouwen.

De gezinsvoogden, ieder verantwoordelijk voor één zoon, treden altijd gezamenlijk op en zijn derhalve inwisselbaar zodat de continuïteit gewaarborgd is. Het College stelt vast dat de gezinsvoogden voldoende hebben aangetoond dat zij de samenwerking met klaagster hebben nagestreefd, en hebben gehandeld in het belang van de kinderen. Ook weegt het College mee dat de rechtbank in een beschikking heeft bepaald dat nu de samenwerking tussen moeder en gezinsvoogden niet op gang is gekomen, de gezinsvoogden zich dienden te richten op het belang van de kinderen. De klacht is in alle onderdelen ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.010T

Klacht tegen jeugdzorgwerker over het onbereikbaar zijn en over het niet handelen in het belang van het kind.

Dochter woont vanaf haar tweede jaar in een pleeggezin. Moeder en dochter hebben eenmaal per maand een uur omgang met elkaar. Een verzoek van moeder tot uitbreiding van de omgangsregeling is afgewezen. De klacht van moeder heeft betrekking op het niet aanwezig zijn van de gezinsvoogd bij een door moeder georganiseerde eigen kracht-conferentie, en de onbereikbaarheid van de gezinsvoogd. Zij heeft ook een klacht ingediend bij de instelling waar de gezinsvoogd werkt, maar hier heeft zij niks meer van gehoord. Nu dit klachtonderdeel geen betrekking heeft op het handelen van de gezinsvoogd, is klaagster niet ontvankelijk in dit klachtonderdeel.

De gezinsvoogd heeft naar voren gebracht dat zij, behalve het gedeelte over de eigen kracht-conferentie, niet weet over welke situatie(s) moeder het heeft wanneer zij klaagt over de onbereikbaarheid. Wellicht komt dit gevoel van moeder voort uit het contact dat de afgelopen maanden minder is geworden dan voorheen. Verder heeft de gezinsvoogd te kennen gegeven dat zij een eigen kracht-conferentie met als onderwerp de omgang met dochter niet zinvol heeft geacht. Zij heeft hierover contact gehad met een coördinator van de conferentie, en bij haar aangegeven dat zij niet zou komen. Het klachtonderdeel is ongegrond.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Tb

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

Het College is van oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen of nalaten van jeugdprofessionals in de periode vóór de erkenning van het beroepsregister van SKJ in november 2014. Het College stelt vast dat beklaagde al eerder is geregistreerd bij het door SKJ overgenomen Beroepsregister Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw), en ook daar onderworpen was aan de algemene tuchtnorm. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen en nalaten van de jeugdprofessionals vanaf het moment van registratie bij het BAMw.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Ta

In deze tussenbeslissing oordeelt het College dat vader ontvankelijk is in zijn klacht. De inhoudelijke behandeling van de klacht vindt plaats tijdens een nader te bepalen zitting.

Het College is van oordeel dat hij bevoegd is te oordelen over het handelen of nalaten van jeugdprofessionals in de periode vóór de erkenning van het beroepsregister van SKJ in november 2014. Het College stelt vast dat beklaagde al eerder is geregistreerd bij het door SKJ overgenomen Beroepsregister Agogisch en Maatschappelijk werkers (BAMw), en ook daar onderworpen was aan de algemene tuchtnorm. Op grond hiervan komt het College tot het oordeel dat zij bevoegd is te oordelen over het handelen en nalaten van de jeugdprofessionals vanaf het moment van registratie bij het BAMw.