Maak een selectie

442 van 442

   
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 15.003B

Het College van Beroep handhaaft de eerder opgelegde maatregel, ondanks het deels gegronde beroep, vanwege de ernst van de aan de gezinsvoogd verwijtbare feiten.

De moeder klaagt, dat zij bij het College van Toezicht van de NVMW niet meer in de gelegenheid is gesteld een beschikking van het gerechtshof in het geding te brengen. Drie klachten hebben betrekking op vermoedens van grensoverschrijdend gedrag c.q. seksueel misbruik. De moeder is het niet eens met de uitspraak van het College van Toezicht van de NVMW, dat zij het liefst alles betreffende de verzorging en opvoeding van haar zoon naar haar hand wil zetten. Tenslotte verwijt zij dat de gezinsvoogd tekort zou zijn geschoten in professionaliteit.

De procedure in hoger beroep biedt de mogelijkheid om procedurele fouten hetzij gemaakt door het College van Toezicht van de NVMW hetzij door één van partijen te herstellen.

In de onderhavige zaak heeft de gezinsvoogd uitspraken gedaan over de seksuele geaardheid van een oom en dit gekoppeld aan het vermeende seksueel overschrijdende gedrag van het kind. In de opvatting van het College van Beroep kan het niet zo zijn, dat in rapportages en processtukken het vermoeden jegens de oom een eigen leven gaat leiden, waarbij het gevaar bestaat dat gemakkelijk wordt aangenomen dat de oom wel degene zal zijn die oorzaak is van het vermeende seksueel grensoverschrijdende gedrag van zijn neefje.

Er dient uiterst zorgvuldig en weloverwogen om te worden gegaan met het presenteren en uitspreken van vermoedens op het terrein van seksueel gedrag van derden in relatie tot een onder toezicht gesteld kind. Dergelijke vermoedens dienen door middel van een onderzoek onderbouwd te worden. Hierbij kunnen deskundigen worden betrokken.

Tevens heeft de gezinsvoogd uitspraken gedaan over het handelen van moeder. De uitspraken zijn niet in alle opzichten gelukkig geweest. Gelet op de ingetreden polarisatie in de verhoudingen zou het wellicht beter zijn geweest als de gezinsvoogd had volstaan met een opsomming van feitelijkheden. Desondanks acht het College van Beroep deze kwalificatie van een geheel andere orde dan het eerste onderwerp.

Vanwege de ernst van het eerste verwijtbare handelen van de gezinsvoogd wordt de eerder opgelegde waarschuwing gehandhaafd.

Het College van Beroep erkent dat het veel vergt van de vaardigheden van een gezinsvoogd om goed te werk te gaan in complexe zaken, zoals hier bij een problematische scheiding. Juist in dit soort zaken is het van belang dat de gezinsvoogd de regie neemt en de tijd neemt om ouders en het netwerk zorgvuldig te informeren over de hulpverlening. Indien incidenten leiden tot een ernstig verstoorde werkrelatie tussen gezinsvoogd en ouder(s), die ten koste gaat van de professionaliteit van de individuele beroepsuitoefenaar, dient de gecertificeerde instelling in te grijpen.

Conclusie:

twee klachten slagen en een klacht slaagt ten dele. De overige klachten zijn niet gegrond. De ernst van de feiten die ten grondslag liggen aan de klachten, die slagen, is zodanig dat het College de door het College van Toezicht NVMW opgelegde maatregel van een waarschuwing handhaaft.

 

 

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 14.002Ba & 14.002Bb

Een ouder zonder gezag heeft een beperkte rechtspositie in het kader van een ondertoezichtstelling. Gezinsvoogden hebben naar deze ouder zorgvuldig en respectvol gehandeld.

Vader is de biologische vader van een vierjarige dochter, de moeder is belast met eenhoofdig ouderlijk gezag. Verweersters zijn opvolgende gezinsvoogden geweest in de ondertoezichtstelling, die over de dochter is uitgesproken. Tijdens de ondertoezichtstelling is er begeleide omgang geweest tussen vader en dochter.

De vader heeft tal van klachten met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling, hij klaagt dat er ten onrechte geen voorbereidende stappen zijn genomen om de dochter bij hem en zijn moeder te plaatsen, hij klaagt over een gebrek aan informatie betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling en hij is het ook niet eens dat de omgang begeleid wordt.

Het College stelt vast dat de vader, als ouder zonder gezag, slechts een beperkte rechtspositie heeft in het kader van de ondertoezichtstelling. De klachten dat vader ten onrechte geen inzicht krijgt in de werkmethodiek van de gezinsvoogden, er geen familienetwerkberaad is ingezet en hij niet is betrokken bij periodieke evaluaties stuiten hierop af. In overeenstemming met de Beroepscode hebben de gezinsvoogden vader in hoofdlijnen op de hoogte gehouden over de ontwikkeling van zijn dochter. Gezien de slechte communicatie tussen vader en moeder is de beslissing van de gezinsvoogden om vader niet verder te informeren begrijpelijk.

Vader verwijt één van de gezinsvoogden dat de omgangsregeling met zijn dochter is mislukt. Het College van Beroep stelt vast dat de gezinsvoogd alles wat in haar vermogen ligt, heeft gedaan om een goed functionerende omgang tot stand te brengen. Door gebrek aan medewerking van beide ouders, en de verhuizing van moeder en dochter naar het buitenland is dit tot op heden mislukt.

Met betrekking tot de meer algemene klachten van vader over de werkwijze en de werkhouding van de gezinsvoogden herhaalt het College haar eerdere oordeel dat de gezinsvoogden er alles aan hebben gedaan om contactherstel tussen vader en dochter te bewerkstelligen. Zij zijn ondanks de negatieve bejegeningen van vader steeds respectvol naar hem gebleven. Beide gezinsvoogden hebben gehandeld zoals het een zorgvuldig handelend jeugdzorgwerker betaamd.

Conclusie:

een klacht is niet ontvankelijk en de overige klachten zijn ongegrond.