Maak een selectie

457 van 457

   
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.213Ta

Klacht tegen de jeugdbeschermer over – onder meer – dat de ouders geen gelegenheid is geboden een familiegroepsplan op te stellen, dat de vader niet is geïnformeerd over kindgesprekken en dat de ouderrol niet is vormgegeven.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen de jeugdbeschermer die namens de GI belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klacht bestaat uit negen klachtonderdelen. Volgens de vader is de jeugdbeschermer volgens artikel 4.1.2 van de Jeugdwet verplicht de ouders de gelegenheid te bieden tot het opstellen van een familiegroepsplan. Die gelegenheid is nooit geboden. Als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, moet de GI op grond van artikel 4.1.3 van de Jeugdwet een hulpverleningsplan opstellen. In de periode van de voorlopige ondertoezichtstelling en het door de GI ingediende verzoekschrift voor verlenging van de ondertoezichtstelling is er geen plan van aanpak opgesteld. Bovendien is de informatieplicht naar de vader toe verzuimd.

De eerste acht klachtonderdelen zijn ongegrond. In klachtonderdeel 9 is de vader niet-ontvankelijk verklaard omdat de klacht het handelen van de teammanager en niet van de jeugdbeschermer betreft. Deze samenvatting gaat verder, gezien het lerende effect, alleen in op klachtonderdeel 2.

In dat klachtonderdeel verwijt de vader de jeugdbeschermer dat hij niet wordt geïnformeerd en dat de jeugdbeschermer enkel contact legt met de moeder voor het inplannen van gesprekken met de kinderen. Deze gesprekken vinden plaats in aanwezigheid van de moeder. De vader wordt niet in kennis gesteld van de data van deze gesprekken plaatsvinden noch over de inhoud van deze gesprekken.

Het College is gebleken dat er zorg is dat de vader een afschrift van de kindgesprekken zal inzetten in de strijd tegen de moeder en niet zal gebruiken om de situatie te verbeteren. Hierdoor dreigt het geven van alle informatie aan de vader vooral strijd verhogend te werken. Het College overweegt dat het weigeren (bepaalde) informatie te verstrekken mogelijk is. In artikel 4.1.1 lid 3 van de Jeugdwet is bepaald dat een hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht neemt en daarbij handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de geldende professionele standaard. In het ‘Privacyreglement gecertificeerde instelling’ van Jeugdzorg Nederland (versie 2.0, 8 januari 2016) staat in artikel 11 lid 4, onder b. (‘Inzage en afschrift voor de cliënt’) is opgenomen dat inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden geweigerd kan worden indien de medewerker van de GI hierdoor niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Er kan sprake zijn van een zogenoemde weigeringsgrond wanneer de GI van mening is dat het belang van de jeugdige zich verzet tegen deze informatieverstrekking. Daarbij kan het gaan om gevallen waarin gevreesd moet worden voor het toebrengen van psychische schade aan de jeugdige, maar ook wanneer het verstrekken van informatie de vertrouwensband tussen de jeugdige en de jeugdprofessional ernstig zou schaden. Een jeugdige moet aan de jeugdprofessional vrijelijk zijn of haar gevoelens kunnen uiten en dat is alleen mogelijk als ouders niet automatisch kennisnemen van alles wat een jeugdige aan de jeugdprofessional vertelt. In samenspraak met het team heeft de jeugdbeschermer een afweging gemaakt en is gemotiveerd besloten het belang van de kinderen zwaarder te laten wegen dan het recht van de vader op volledige informatie. Het College is van oordeel dat de jeugdbeschermer in deze complexe situatie de afweging bepaalde informatie niet aan de vader te verstrekken, heeft mogen maken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.213Tb

Klacht tegen de jeugdbeschermer over – onder meer – dat de ouders geen gelegenheid is geboden een familiegroepsplan op te stellen, dat de vader niet is geïnformeerd over kindgesprekken en dat de ouderrol niet is vormgegeven.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen de jeugdbeschermer die namens de GI belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De klacht bestaat uit negen klachtonderdelen. Volgens de vader is de jeugdbeschermer volgens artikel 4.1.2 van de Jeugdwet verplicht de ouders de gelegenheid te bieden tot het opstellen van een familiegroepsplan. Die gelegenheid is nooit geboden. Als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, moet de GI op grond van artikel 4.1.3 van de Jeugdwet een hulpverleningsplan opstellen. In de periode van de voorlopige ondertoezichtstelling en het door de GI ingediende verzoekschrift voor verlenging van de ondertoezichtstelling is er geen plan van aanpak opgesteld. Bovendien is de informatieplicht naar de vader toe verzuimd.

De eerste acht klachtonderdelen zijn ongegrond. In klachtonderdeel 9 is de vader niet-ontvankelijk verklaard omdat de klacht het handelen van de teammanager en niet van de jeugdbeschermer betreft. Deze samenvatting gaat verder, gezien het lerende effect, alleen in op klachtonderdeel 2.

In dat klachtonderdeel verwijt de vader de jeugdbeschermer dat hij niet wordt geïnformeerd en dat de jeugdbeschermer enkel contact legt met de moeder voor het inplannen van gesprekken met de kinderen. Deze gesprekken vinden plaats in aanwezigheid van de moeder. De vader wordt niet in kennis gesteld van de data van deze gesprekken plaatsvinden noch over de inhoud van deze gesprekken.

Het College is gebleken dat er zorg is dat de vader een afschrift van de kindgesprekken zal inzetten in de strijd tegen de moeder en niet zal gebruiken om de situatie te verbeteren. Hierdoor dreigt het geven van alle informatie aan de vader vooral strijd verhogend te werken. Het College overweegt dat het weigeren (bepaalde) informatie te verstrekken mogelijk is. In artikel 4.1.1 lid 3 van de Jeugdwet is bepaald dat een hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht neemt en daarbij handelt in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de geldende professionele standaard. In het ‘Privacyreglement gecertificeerde instelling’ van Jeugdzorg Nederland (versie 2.0, 8 januari 2016) staat in artikel 11 lid 4, onder b. (‘Inzage en afschrift voor de cliënt’) is opgenomen dat inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden geweigerd kan worden indien de medewerker van de GI hierdoor niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Er kan sprake zijn van een zogenoemde weigeringsgrond wanneer de GI van mening is dat het belang van de jeugdige zich verzet tegen deze informatieverstrekking. Daarbij kan het gaan om gevallen waarin gevreesd moet worden voor het toebrengen van psychische schade aan de jeugdige, maar ook wanneer het verstrekken van informatie de vertrouwensband tussen de jeugdige en de jeugdprofessional ernstig zou schaden. Een jeugdige moet aan de jeugdprofessional vrijelijk zijn of haar gevoelens kunnen uiten en dat is alleen mogelijk als ouders niet automatisch kennisnemen van alles wat een jeugdige aan de jeugdprofessional vertelt. In samenspraak met het team heeft de jeugdbeschermer een afweging gemaakt en is gemotiveerd besloten het belang van de kinderen zwaarder te laten wegen dan het recht van de vader op volledige informatie. Het College is van oordeel dat de jeugdbeschermer in deze complexe situatie de afweging bepaalde informatie niet aan de vader te verstrekken, heeft mogen maken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.548Ta

De vader acht de orthopedagoog niet bekwaam voor het opstellen van een advies ten behoeve van het herindiceren van het PGB van zijn dochter. De klacht is gegrond voor wat betreft het niet verlenen van inzage(/afschrift verstrekken) aan de ouders. Daardoor hebben de ouders het blokkeringsrecht niet kunnen uitoefenen. Ook vermeldt het advies niet de dossierstukken waarop het berust.

Vanwege medische problematiek bij de dochter ontvangen de ouders een PGB vanuit de Jeugdwet. De ouders dienen een aanvraag in voor verlenging van het PGB. Alvorens een besluit over de aanvraag te nemen, wordt de jeugdprofessional verzocht advies uit te brengen op basis van het aanwezige dossier. Vervolgens is de aanvraag afgewezen. De ouders tekenen bezwaar aan tegen deze beslissing en de vader dient bij SKJ vier klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen 1, 3 en 4.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet bekwaam is advies uit te brengen, gelet op de (voornamelijk) medische problematiek van de dochter. Ook vindt de vader het advies op verschillende punten ondermaats. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van het aanvaarden van de opdracht (art. 9 lid 4 van de Beroepscode NVO). De opdracht die voorlag was namelijk het op basis van een dossieronderzoek uitbrengen van een (pedagogisch) advies over de vraag of een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk werd geacht. In dat licht en in het kader van de Jeugdwet dient een dergelijk advies in de eerste plaats een antwoord te geven op de vraag of en op welke wijze (aanvullende) (opvoed)ondersteuning voor de dochter, in de context van het gezin, noodzakelijk wordt geacht. Dit is bij uitstek een te beantwoorden vraag voor een orthopedagoog. Ook voor wat betreft de inhoud van het advies is niet gebleken dat deze onredelijk of anderszins onaanvaardbaar is.

In klachtonderdeel 3 verwijt de vader de jeugdprofessional dat het advies direct is doorgestuurd naar de gemeente, waardoor de ouders niet zijn gewezen op hun blokkeringsrecht en hier geen gebruik van hebben kunnen maken. In het laatste klachtonderdeel brengt de vader naar voren dat het advies de geraadpleegde stukken niet vermeldt. Beide klachtonderdelen verklaart het College gegrond. Uit art. 39 lid 1 (juncto art. 5 lid 1 en 2) van de Beroepscode NVO volgt dat de ouders in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld tot inzage in het advies (en dat aan hen een afschrift had moeten worden verstrekt), voordat het advies aan de gemeente werd uitgebracht. Dat heeft de jeugdprofessional nagelaten, waardoor de ouders het blokkeringsrecht is ontnomen (art. 40 lid 1 van de Beroepscode NVO). Voorts wordt in het advies niet inzichtelijk gemaakt op welke stukken (bronnen) het berust, wat maakt dat art. 37 lid 1 (vierde aandachtsstreepje) van de Beroepscode NVO geschonden is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.449Ta

Ouders verwijten een orthopedagoog van een zorgroep dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder en dat zij onwaarheden vertelt.

De dochter van de ouders verblijft sinds 2017 op een zorggroep als zijnde haar toekomstgerichte woonvoorziening. Na de plaatsing ontstaat tussen de ouders en de directrice van de zorggroep een conflict. De moeder en de jeugdprofessional hebben op 14 juni 2019 telefonisch contact gehad vanwege het aflopen van de onderwijsontheffing van de dochter. Naar aanleiding van dit telefoongesprek worden de twee klachtonderdelen ingediend.

In het eerste klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder. Uit het telefoongesprek van 14 juni 2019 is volgens de ouders gebleken dat bij de jeugdprofessional onder meer zorgen bestonden over de veiligheid van de dochter en andere cliënten binnen de zorggroep. Dat maakt dat zij de situatie binnen de zorggroep had moeten melden bij een toezichthouder. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard omdat uit de overgelegde geluidsopname en transcriptie van het telefoongesprek van 14 juni 2019 vastgesteld wordt dat tussen de jeugdprofessional en directie een verschil van visie bestond rondom verschillende beleidskwesties. Het voert volgens het College echter te ver om te concluderen dat bij de jeugdprofessional zorgen bestonden over de veiligheid van cliënten, dan wel dat zij op de hoogte was van misstanden binnen de zorggroep waarvan het noodzakelijk was melding te maken bij een toezichthouder. Er is onvoldoende gebleken dat daarvan sprake is geweest, dan wel dat de jeugdprofessional van dergelijke zaken op de hoogte is geweest.

Het tweede klachtonderdeel gaat over de e-mailcorrespondentie rondom het gevoerde telefoongesprek. De ouders hebben aan de procesregisseur van de gemeente een samenvatting van het telefoongesprek gestuurd. Daarna heeft de jeugdprofessional laten weten dat zij zich niet in de samenvatting herkende, maar nagelaten daarbij kenbaar te maken wat eventueel wel klopt. Ook dit klachtonderdeel verklaart het College ongegrond. Van een jeugdprofessional kan, enkele dagen na een gevoerd (telefoon)gesprek, niet verwacht worden dat desgevraagd een gedetailleerde inhoudelijke terugkoppeling van dat gesprek gegeven kan worden. De jeugdprofessional had kunnen volstaan met het geven van een algemene terugkoppeling. In dit geval heeft zij echter voldoende gemotiveerd waarom zij daarvan heeft afgezien: zij wilde geen onderdeel worden van het conflict tussen de directrice en de ouders, omdat zij daarbij niet (inhoudelijk) betrokken was. Het College volgt de jeugdprofessional in deze afweging en acht het zorgvuldig dat zij professionele afstand heeft willen bewaren.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.090Ta

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij niet aan waarheidsvinding doet. Zij vraagt zich af hoe zij fatsoenlijk met de jeugdprofessional kan samenwerken en met welk vertrouwen als er geen waarheidsvinding word gedaan.

De moeder van een jeugdige heeft een klacht ingediend tegen een jeugdprofessional die werkzaam is als jeugd- en gezinsprofessional bij de GI. De moeder heeft twee klachtonderdelen geformuleerd. De voorzitter van het College heeft beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard op basis van artikel 7.9 lid a van het Tuchtreglement.

In het eerste klachtonderdeel heeft de moeder een e-mailbericht overgelegd, waarin de jeugdprofessional onder meer heeft verklaard dat hij niet aan waarheidsvinding doet. De moeder vindt deze opmerking verwerpelijk. Het gaat volgens haar er niet om in welke context de opmerking is gedaan maar dat het überhaupt is medegedeeld. Volgens de moeder is dit reden voor een vertrouwensbreuk en heeft de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

De voorzitter heeft verwezen naar artikel 3.3 van de Jeugdwet dat betrekking heeft op waarheidsvinding. Op grond van dit artikel is de jeugdprofessional verplicht zich in zijn rapportages of verzoekschriften te focussen op het verzamelen van feiten, gebeurtenissen en omstandigheden die objectiveerbaar zijn. Dat is de tuchtrechtelijke definitie van waarheidsvinding. Volgens de voorzitter kan van een jeugdprofessional niet verlangd worden in elk gebeurtenis onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van beweringen van ouders die over en weer worden gedaan. De redenering en argumenten van de moeder zijn daarom geen grond voor deze klacht. Derhalve heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van de voorzitter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

In het tweede klachtonderdeel verwijt moeder de jeugdprofessional dat hij zich niet aan de beschikkingen heeft gehouden. Zij heeft de beschikking van de rechtbank van 21 februari 2019 en de beschikking van de kinderrechter van 4 februari 2020 als bijlage toegevoegd. Volgens de moeder staat in de beschikkingen duidelijk opgenomen dat een kinderpsycholoog mee moet kijken met de minderjarige dochter, dan wel aanvullende hulp kan bieden. Volgens de moeder heeft de jeugdprofessional geweigerd de hulp van een kinderpsycholoog in te zetten.

Volgens de voorzitter vindt het geformuleerde klachtonderdeel van moeder geen steun in de onderbouwing. In genoemde beschikkingen wordt nergens gerept over de inzet van een kinderpsycholoog. In de beschikking staat enkel dat de moeder het belangrijk vindt dat de hulp van een kinderpsycholoog wordt ingezet en dat de vader achter dit plan staat. Verder wordt er gesproken over het inzetten van een hulpverleningstraject, maar wordt niet specifiek de kinderpsycholoog genoemd. Volgens de voorzitter blijkt uit de overgelegde stukken derhalve niet dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.495Ta

Een gedragsdeskundige heeft de grenzen van de professionele relatie overschreden doordat zij een informele relatie heeft onderhouden met een jeugdige binnen een justitiële jeugdinrichting.

Een manager van een justitiële jeugdinrichting dient een klacht in tegen een gedragsdeskundige die voorheen werkzaam was binnen de justitiële jeugdinrichting. De manager verwijt de gedragsdeskundige dat zij meer dan een werkrelatie heeft onderhouden met een jeugdige en hierover geen openheid van zaken heeft gegeven.

Het College is van oordeel dat de gedragsdeskundige de grenzen van de professionele relatie met de jeugdige heeft overtreden. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij onvoldoende professionele distantie heeft gehouden en eerder openheid van zaken had moeten geven over de informele relatie.

Het College heeft echter oog voor de jonge leeftijd van de jeugdprofessional, het geringe leeftijdsverschil met de betreffende jeugdige en de impact die het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel mogelijk heeft op haar verdere carrière. Het College legt de jeugdprofessional de maatregel van voorwaardelijke schorsing op. Het College overweegt daarbij dat het een  – nog – zwaardere maatregel niet passend vindt omdat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet is gebleken dat de jeugdprofessional niet leerbaar is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.502Ta

Aangezien de jeugdprofessional enkel één gesprek heeft gevoerd met de jeugdige en niet het gehele systeem heeft meegenomen in zijn onderzoek, heeft de jeugdprofessional onterecht de term ‘systeemonderzoek’ gebruikt voor zijn onderzoek naar ouderverstoting.

Klager is de moeder van een minderjarige zoon en een dochter. De moeder en de vader van de zoon en de dochter zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag wordt door hen gezamenlijk uitgeoefend. De zoon woont bij de vader, de dochter woont bij de moeder. De moeder en de zoon hebben sinds een aantal jaar geen contact meer met elkaar. Er zou sprake zijn van een verscheurd geraakte gezinssituatie en de zoon vertoont signalen van ouderverstoting ten aanzien van de moeder. Op verzoek van de Raad van de Kinderbescherming is de zoon onder toezicht gesteld van een GI. De GI heeft een jeugdbeschermer aangesteld. De GI heeft de hulpverleningsorganisatie, waar de jeugdprofessional werkzaam is, benaderd met het verzoek een onderzoek naar de zoon uit te voeren om inzichtelijk te krijgen of er ruimte is bij de zoon om te denken aan enig contact met de moeder. Er heeft één gesprek plaatsgevonden tussen de zoon en de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft van dit gesprek een verslag gemaakt, onder de noemer ‘systeemonderzoek’. De conclusie van het systeemonderzoek luidt dat er momenteel weinig ruimte is bij de zoon voor contactherstel met de moeder.

De moeder dient vijf klachtonderdelen in. Klachtonderdelen 2, 4 en 5 zijn ongegrond verklaard. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 3. Deze samenvatting gaat enkel in op het gegrond verklaarde klachtonderdeel 1.

Klachtonderdeel 1 gaat erover dat de jeugdprofessional, ondanks dat dit wel vermeld is boven het verslag, geen systeemonderzoek heeft verricht. De moeder stelt dat de jeugdprofessional geen systeemonderzoek heeft gedaan nu de jeugdprofessional alleen heeft gesproken met de zoon. Het College overweegt dat systematisch onderzoek een onderzoek impliceert dat gericht is op het gehele systeem en de context waarin zij zich tot elkaar verhoudt. Met de zoon is slechts één gesprek gevoerd, waarin hem een aantal vragen is gesteld over het contact met zowel de moeder als de vader. De moeder, de vader en de zus, die onderdeel uitmaken van het systeem, zijn in dit onderzoek niet meegenomen. De wijze waarop de jeugdprofessional onderzoek heeft verricht voldoet naar het oordeel van het College dan ook niet aan de beschrijving van een systeemonderzoek. Het College concludeert dat de jeugdprofessional ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ heeft gebruikt en dat hij het onderzoek onvoldoende deskundig op basis van actuele kennis en daarom niet conform de beroepsstandaard heeft uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode. Vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming heeft hij daarmee niet bevorderd, waardoor ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden. Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

De maatregel van waarschuwing, zonder openbaarmaking van deze maatregel, wordt opgelegd aan de jeugdprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Ta

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Tb

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.023Ta

De klacht tegen de jeugdbeschermer is in beginsel op grond van het Tuchtreglement, versie 1.3 verjaard. De vader dient desgevraagd een gemotiveerd verzoek in om de klacht toch te behandelen. Daarbij stelt hij o.a. dat hij na de ontvangst van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte is geraakt van het klachtwaardig handelen van de jeugdprofessional. De voorzitter van het College van Toezicht wijst het verzoek in een tussenbeslissing af. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt in dit geval niet.

Klager is de vader van twee kinderen. De jeugdprofessional is als jeugdbeschermer betrokken geweest bij (het gezin van) de vader. De klacht gaat over het handelen van de jeugdprofessional in de periode van februari 2016 tot september 2019. De klacht is ingediend op 17 januari 2020.

Met de invoering van het Tuchtreglement versie 1.3, vervalt op grond van artikel 6.5 in beginsel de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De klacht is ingediend meer dan drie jaar na het handelen van de jeugdprofessional waarover geklaagd wordt en daarmee in beginsel verjaard. Volgens artikel 6.7 van het Tuchtreglement kan een klager toch ontvankelijk worden verklaard in de klacht, als hij of zij voldoende gemotiveerd duidelijk maakt waarom er niet eerder een klacht kon worden ingediend. De vader heeft desgevraagd een motivering ingediend. De gemachtigde van de jeugdprofessional heeft hier verweer tegen gevoerd. Vervolgens heeft de voorzitter een beslissing genomen over de ontvankelijkheid van de vader in zijn klacht.

In de onderbouwing heeft de vader (onder andere) aangevoerd dat het klachtwaardig handelen van de jeugdprofessional zich heeft afgespeeld binnen de terugkijktermijn, als bedoeld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement, dan wel dat hem een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement toekomt. De jeugdprofessional is betrokken sinds februari 2016. Echter pas na het onafhankelijke rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) in juli 2019 heeft de vader kunnen vaststellen dat de jeugdprofessional niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk professional betaamt. De jeugdprofessional stelt zich in het verweer (onder andere) op het standpunt dat zij bij de totstandkoming van genoemd rapport niet is benaderd door de RvdK over diens bevindingen. Het komt de jeugdprofessional dan ook onwaarschijnlijk voor dat de RvdK zich in zijn rapport heeft uitgesproken over haar handelen zonder dit met haar te bespreken. Voorts voert de jeugdprofessional aan dat de onvrede over haar handelen bij de vader reeds in 2016 bekend was.

De voorzitter wijst het verzoek van de vader af. De vader heeft onvoldoende gemotiveerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn. De jeugdprofessional is sinds februari 2016 betrokken geweest bij het gezin van de vader. In 2016 was hij in staat zijn onvrede te uiten en klachten in te dienen. Dat bij de vader pas ruim drie jaar na dato, na ontvangst van het rapport van de RvdK medio 2019, de volle omvang van het handelen van de jeugdprofessional bekend is geworden, volgt de voorzitter niet.

De voorzitter handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De vader wordt in de gelegenheid gesteld om het ingediende klaagschrift aan te passen met inachtneming van de verjaringstermijn.