Maak een selectie

442 van 442

   
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.014B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

Een moeder is in beroep gegaan tegen een deel van de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht. Het beroep van de moeder richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2 waarin de moeder de jeugdbeschermer verwijt dat hij zich niet aan beschikkingen van de rechtbank heeft gehouden. De voorzitter van het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel geoordeeld dat – anders dan de moeder stelt – in de betreffende beschikking niet wordt gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog en dat de inzet van een kinderpsycholoog dan ook geen opdracht van de kinderrechter aan de jeugdbeschermer is geweest.

In beroep heeft de moeder het proces-verbaal van de betreffende zitting overlegd. Naar de mening van de moeder blijkt uit dit proces-verbaal dat er tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt over de inzet van een kinderpsycholoog. De voorzitter van het College van Beroep heeft geoordeeld dat ondanks dat er blijkens het proces-verbaal tijdens de zitting is gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog, de kinderrechter geen aanleiding heeft gezien om de inzet van de kinderpsycholoog expliciet in de beschikking op te nemen. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking al dan niet heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.548Ta

De vader acht de orthopedagoog niet bekwaam voor het opstellen van een advies ten behoeve van het herindiceren van het PGB van zijn dochter. De klacht is gegrond voor wat betreft het niet verlenen van inzage(/afschrift verstrekken) aan de ouders. Daardoor hebben de ouders het blokkeringsrecht niet kunnen uitoefenen. Ook vermeldt het advies niet de dossierstukken waarop het berust.

Vanwege medische problematiek bij de dochter ontvangen de ouders een PGB vanuit de Jeugdwet. De ouders dienen een aanvraag in voor verlenging van het PGB. Alvorens een besluit over de aanvraag te nemen, wordt de jeugdprofessional verzocht advies uit te brengen op basis van het aanwezige dossier. Vervolgens is de aanvraag afgewezen. De ouders tekenen bezwaar aan tegen deze beslissing en de vader dient bij SKJ vier klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional. Deze samenvatting gaat in op klachtonderdelen 1, 3 en 4.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet bekwaam is advies uit te brengen, gelet op de (voornamelijk) medische problematiek van de dochter. Ook vindt de vader het advies op verschillende punten ondermaats. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden ten aanzien van het aanvaarden van de opdracht (art. 9 lid 4 van de Beroepscode NVO). De opdracht die voorlag was namelijk het op basis van een dossieronderzoek uitbrengen van een (pedagogisch) advies over de vraag of een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk werd geacht. In dat licht en in het kader van de Jeugdwet dient een dergelijk advies in de eerste plaats een antwoord te geven op de vraag of en op welke wijze (aanvullende) (opvoed)ondersteuning voor de dochter, in de context van het gezin, noodzakelijk wordt geacht. Dit is bij uitstek een te beantwoorden vraag voor een orthopedagoog. Ook voor wat betreft de inhoud van het advies is niet gebleken dat deze onredelijk of anderszins onaanvaardbaar is.

In klachtonderdeel 3 verwijt de vader de jeugdprofessional dat het advies direct is doorgestuurd naar de gemeente, waardoor de ouders niet zijn gewezen op hun blokkeringsrecht en hier geen gebruik van hebben kunnen maken. In het laatste klachtonderdeel brengt de vader naar voren dat het advies de geraadpleegde stukken niet vermeldt. Beide klachtonderdelen verklaart het College gegrond. Uit art. 39 lid 1 (juncto art. 5 lid 1 en 2) van de Beroepscode NVO volgt dat de ouders in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld tot inzage in het advies (en dat aan hen een afschrift had moeten worden verstrekt), voordat het advies aan de gemeente werd uitgebracht. Dat heeft de jeugdprofessional nagelaten, waardoor de ouders het blokkeringsrecht is ontnomen (art. 40 lid 1 van de Beroepscode NVO). Voorts wordt in het advies niet inzichtelijk gemaakt op welke stukken (bronnen) het berust, wat maakt dat art. 37 lid 1 (vierde aandachtsstreepje) van de Beroepscode NVO geschonden is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.449Ta

Ouders verwijten een orthopedagoog van een zorgroep dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder en dat zij onwaarheden vertelt.

De dochter van de ouders verblijft sinds 2017 op een zorggroep als zijnde haar toekomstgerichte woonvoorziening. Na de plaatsing ontstaat tussen de ouders en de directrice van de zorggroep een conflict. De moeder en de jeugdprofessional hebben op 14 juni 2019 telefonisch contact gehad vanwege het aflopen van de onderwijsontheffing van de dochter. Naar aanleiding van dit telefoongesprek worden de twee klachtonderdelen ingediend.

In het eerste klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij niet heeft opgeschaald naar een toezichthouder. Uit het telefoongesprek van 14 juni 2019 is volgens de ouders gebleken dat bij de jeugdprofessional onder meer zorgen bestonden over de veiligheid van de dochter en andere cliënten binnen de zorggroep. Dat maakt dat zij de situatie binnen de zorggroep had moeten melden bij een toezichthouder. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard omdat uit de overgelegde geluidsopname en transcriptie van het telefoongesprek van 14 juni 2019 vastgesteld wordt dat tussen de jeugdprofessional en directie een verschil van visie bestond rondom verschillende beleidskwesties. Het voert volgens het College echter te ver om te concluderen dat bij de jeugdprofessional zorgen bestonden over de veiligheid van cliënten, dan wel dat zij op de hoogte was van misstanden binnen de zorggroep waarvan het noodzakelijk was melding te maken bij een toezichthouder. Er is onvoldoende gebleken dat daarvan sprake is geweest, dan wel dat de jeugdprofessional van dergelijke zaken op de hoogte is geweest.

Het tweede klachtonderdeel gaat over de e-mailcorrespondentie rondom het gevoerde telefoongesprek. De ouders hebben aan de procesregisseur van de gemeente een samenvatting van het telefoongesprek gestuurd. Daarna heeft de jeugdprofessional laten weten dat zij zich niet in de samenvatting herkende, maar nagelaten daarbij kenbaar te maken wat eventueel wel klopt. Ook dit klachtonderdeel verklaart het College ongegrond. Van een jeugdprofessional kan, enkele dagen na een gevoerd (telefoon)gesprek, niet verwacht worden dat desgevraagd een gedetailleerde inhoudelijke terugkoppeling van dat gesprek gegeven kan worden. De jeugdprofessional had kunnen volstaan met het geven van een algemene terugkoppeling. In dit geval heeft zij echter voldoende gemotiveerd waarom zij daarvan heeft afgezien: zij wilde geen onderdeel worden van het conflict tussen de directrice en de ouders, omdat zij daarbij niet (inhoudelijk) betrokken was. Het College volgt de jeugdprofessional in deze afweging en acht het zorgvuldig dat zij professionele afstand heeft willen bewaren.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.502Ta

Aangezien de jeugdprofessional enkel één gesprek heeft gevoerd met de jeugdige en niet het gehele systeem heeft meegenomen in zijn onderzoek, heeft de jeugdprofessional onterecht de term ‘systeemonderzoek’ gebruikt voor zijn onderzoek naar ouderverstoting.

Klager is de moeder van een minderjarige zoon en een dochter. De moeder en de vader van de zoon en de dochter zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag wordt door hen gezamenlijk uitgeoefend. De zoon woont bij de vader, de dochter woont bij de moeder. De moeder en de zoon hebben sinds een aantal jaar geen contact meer met elkaar. Er zou sprake zijn van een verscheurd geraakte gezinssituatie en de zoon vertoont signalen van ouderverstoting ten aanzien van de moeder. Op verzoek van de Raad van de Kinderbescherming is de zoon onder toezicht gesteld van een GI. De GI heeft een jeugdbeschermer aangesteld. De GI heeft de hulpverleningsorganisatie, waar de jeugdprofessional werkzaam is, benaderd met het verzoek een onderzoek naar de zoon uit te voeren om inzichtelijk te krijgen of er ruimte is bij de zoon om te denken aan enig contact met de moeder. Er heeft één gesprek plaatsgevonden tussen de zoon en de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft van dit gesprek een verslag gemaakt, onder de noemer ‘systeemonderzoek’. De conclusie van het systeemonderzoek luidt dat er momenteel weinig ruimte is bij de zoon voor contactherstel met de moeder.

De moeder dient vijf klachtonderdelen in. Klachtonderdelen 2, 4 en 5 zijn ongegrond verklaard. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 3. Deze samenvatting gaat enkel in op het gegrond verklaarde klachtonderdeel 1.

Klachtonderdeel 1 gaat erover dat de jeugdprofessional, ondanks dat dit wel vermeld is boven het verslag, geen systeemonderzoek heeft verricht. De moeder stelt dat de jeugdprofessional geen systeemonderzoek heeft gedaan nu de jeugdprofessional alleen heeft gesproken met de zoon. Het College overweegt dat systematisch onderzoek een onderzoek impliceert dat gericht is op het gehele systeem en de context waarin zij zich tot elkaar verhoudt. Met de zoon is slechts één gesprek gevoerd, waarin hem een aantal vragen is gesteld over het contact met zowel de moeder als de vader. De moeder, de vader en de zus, die onderdeel uitmaken van het systeem, zijn in dit onderzoek niet meegenomen. De wijze waarop de jeugdprofessional onderzoek heeft verricht voldoet naar het oordeel van het College dan ook niet aan de beschrijving van een systeemonderzoek. Het College concludeert dat de jeugdprofessional ten onrechte de term ‘systeemonderzoek’ heeft gebruikt en dat hij het onderzoek onvoldoende deskundig op basis van actuele kennis en daarom niet conform de beroepsstandaard heeft uitgevoerd. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikel B (Bevordering deskundigheid) van de Beroepscode. Vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming heeft hij daarmee niet bevorderd, waardoor ook artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode is geschonden. Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

De maatregel van waarschuwing, zonder openbaarmaking van deze maatregel, wordt opgelegd aan de jeugdprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.495Ta

Een gedragsdeskundige heeft de grenzen van de professionele relatie overschreden doordat zij een informele relatie heeft onderhouden met een jeugdige binnen een justitiële jeugdinrichting.

Een manager van een justitiële jeugdinrichting dient een klacht in tegen een gedragsdeskundige die voorheen werkzaam was binnen de justitiële jeugdinrichting. De manager verwijt de gedragsdeskundige dat zij meer dan een werkrelatie heeft onderhouden met een jeugdige en hierover geen openheid van zaken heeft gegeven.

Het College is van oordeel dat de gedragsdeskundige de grenzen van de professionele relatie met de jeugdige heeft overtreden. De jeugdprofessional heeft erkend dat zij onvoldoende professionele distantie heeft gehouden en eerder openheid van zaken had moeten geven over de informele relatie.

Het College heeft echter oog voor de jonge leeftijd van de jeugdprofessional, het geringe leeftijdsverschil met de betreffende jeugdige en de impact die het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel mogelijk heeft op haar verdere carrière. Het College legt de jeugdprofessional de maatregel van voorwaardelijke schorsing op. Het College overweegt daarbij dat het een  – nog – zwaardere maatregel niet passend vindt omdat tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet is gebleken dat de jeugdprofessional niet leerbaar is.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Ta

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.559Tb

Een vader dient een klacht in over een gewijzigde doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat de beschikking van de kinderrechter het uitgangspunt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel dient te zijn. Uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt voldoende dat het traject passend is voor de ouders.

Een vader van twee kinderen dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen.

In het eerste klachtonderdeel klaagt de vader dat sprake is van een onjuiste (gewijzigde) doorverwijzing naar een hulpverleningstraject. De jeugdprofessional stelt zich op het standpunt dat de vader niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel dient te worden verklaard, omdat het de gezins- en systeemtherapeut is geweest die de afweging heeft gemaakt om te starten met het gewijzigde hulpverleningstraject. Het College oordeelt dat het klachtonderdeel specifiek ziet op de doorverwijzing, hier is de jeugdprofessional (samen met haar collega) verantwoordelijk voor geweest. Het College verklaart de vader ontvankelijk in dit klachtonderdeel.
Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt onder andere dat de kinderen niet langer geconfronteerd dienen te worden met de voortdurende strijd en de slechte communicatie tussen de ouders. Een beschikking van de kinderrechter dient het uitgangspunt te zijn in het uitvoeren van een kinderbeschermingsmaatregel. Het College is van oordeel dat uit de informatiefolder van het hulpverleningstraject blijkt dat dit traject aansluit bij voornoemde problematiek. Voorts heeft de jeugdprofessional in overleg met een medewerker van de aanbieder van het hulpverleningstraject de aanmelding van de ouders gewijzigd. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

In het tweede klachtonderdeel klaagt de vader dat de jeugdprofessional onjuiste informatie heeft verschaft in een briefrapportage aan het gerechtshof. Het College oordeelt dat het uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de jeugdprofessional zich gebaseerd heeft op de informatie die zij heeft ontvangen over het verloop van het hulpverleningstraject. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Ta

Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

Klaagster is de moeder van een zoon. De jeugdprofessional is van 2 december 2016 tot en met 4 mei 2017 betrokken geweest bij het gezin van de moeder als ambulant hulpverlener. De moeder heeft de tuchtklacht op 4 februari 2020 ingediend. Op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement, verzoekt de moeder om af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

De moeder stelt dat zij niet eerder in staat is geweest om haar klacht in te dienen. Zo heeft zij in de periode april 2018 – augustus 2018 oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het (gelijktijdig) indienen van een tuchtklacht strookt niet met de intentie van deze gesprekken, die volgens de moeder zeer tijdsintensief zijn geweest. De moeder is bij deze gesprekken ondersteund door een vertrouwenspersoon. Tevens voert de moeder aan dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, omdat zij in 2018 een nieuwe hulpvraag bij de gemeente had ingediend. Daarnaast hebben er meerdere ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden in het leven van de moeder waardoor zij niet in staat was om haar tuchtklacht in te dienen.
De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De voorzitter oordeelt dat de oplossingsgerichte gesprekken in 2018 hebben plaatsgevonden en de moeder vervolgens ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van haar tuchtklacht. Voor zover de moeder stelt dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, oordeelt de voorzitter dat uit het verweerschrift is gebleken dat de jeugdprofessional open stond voor een nieuwe samenwerking met de moeder. Daarnaast mag er van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional worden verwacht dat hij/zij een tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s). Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de stelling dat meerdere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de moeder hebben plaatsgevonden. Nu de moeder in ieder geval in 2018 werd bijgestaan door een professioneel vertrouwenspersoon, oordeelt de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de moeder had kunnen helpen met indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat de klacht, voor zover die toeziet op de periode 2 december 2016 tot 4 februari 2017, is verjaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Tb

Het verzoek van de moeder om af te wijken van de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement wordt door de voorzitter van het College afgewezen. De moeder werd reeds eerder ondersteund door een vertrouwenspersoon die haar had kunnen helpen met het indienen van haar klacht.

Klaagster is de moeder van een zoon. De jeugdprofessional is van 2 december 2016 tot en met 4 mei 2017 betrokken geweest bij het gezin van de moeder als ambulant hulpverlener. De moeder heeft de tuchtklacht op 4 februari 2020 ingediend. Op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement, verzoekt de moeder om af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar.

De moeder stelt dat zij niet eerder in staat is geweest om haar klacht in te dienen. Zo heeft zij in de periode april 2018 – augustus 2018 oplossingsgerichte gesprekken met de jeugdprofessional gevoerd. Het (gelijktijdig) indienen van een tuchtklacht strookt niet met de intentie van deze gesprekken, die volgens de moeder zeer tijdsintensief zijn geweest. De moeder is bij deze gesprekken ondersteund door een vertrouwenspersoon. Tevens voert de moeder aan dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, omdat zij in 2018 ook een nieuwe hulpvraag bij de gemeente had ingediend. Daarnaast hebben er meerdere ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden in het leven van de moeder waardoor zij niet in staat was om haar tuchtklacht in te dienen.
De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder. De voorzitter oordeelt dat de oplossingsgerichte gesprekken in 2018 hebben plaatsgevonden en de moeder vervolgens ruim anderhalf jaar heeft gewacht met het indienen van haar tuchtklacht. Voor zover de moeder stelt dat zij in een afhankelijkheidspositie zat ten opzichte van de instelling, oordeelt de voorzitter dat van een bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional mag worden verwacht dat hij/zij een tuchtprocedure niet van invloed laat zijn op de samenwerking met de ouder(s). Tot slot heeft de voorzitter kennisgenomen van de stelling dat meerdere ingrijpende gebeurtenissen in het leven van de moeder hebben plaatsgevonden. Nu de moeder in ieder geval in 2018 werd bijgestaan door een professioneel vertrouwenspersoon, oordeelt de voorzitter dat de vertrouwenspersoon de moeder had kunnen helpen met indienen van de tuchtklacht.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af en oordeelt dat de klacht, voor zover die toeziet op de periode 2 december 2016 tot 4 februari 2017, is verjaard.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.018B

Het beroep van een jeugdbeschermer slaagt. Het College van Toezicht heeft ten onrechte op eigen initiatief een klachtonderdeel uitgebreid. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Zowel de jeugdbeschermer als de vader zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen deels gegrond verklaard en aan de jeugdbeschermer de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Het College van Beroep komt tot het oordeel dat het beroep van de jeugdprofessional slaagt.
Het College van Toezicht heeft namelijk ten onrechte een klachtonderdeel toegevoegd c.q. een klachtonderdeel gedestilleerd uit de door de vader aangeleverde toelichting. In dat kader verwijst het College van Beroep naar de beslissing in zaaknummer 17.028B waarin het College van Beroep zich reeds heeft uitgelaten over het ten onrechte uitbreiden van klachtonderdelen en/of klachtonderdelen die zijn gedestilleerd uit een door een klager aangeleverde toelichting. De verantwoordelijkheid om klachten helder te formuleren ligt op grond van artikel 7.5 onder d. van het Tuchtreglement (versie 1.2) bij een klager, al dan niet bijgestaan door een vertrouwenspersoon of een gemachtigde. De omvang van de klachten die ter beoordeling aan de tuchtcolleges voor liggen, dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges zelf, helder te zijn. Teneinde de schijn van partijdigheid te voorkomen heeft het College van Toezicht, dan wel het College van Beroep, niet de bevoegdheid om zelf klachten te (her)formuleren en/of te destilleren uit een door een klager aangeleverde toelichting. Gelet op het gegrond verklaarde beroep van de jeugdprofessional trekt het College van Beroep de aan de jeugdprofessional opgelegde maatregel van waarschuwing in.