Maak een selectie

552 van 552

   
College van Toezicht
26/03/2021
Gedeeltelijk gegrond - Geen maatregel
Open
College van Beroep
25/03/2021
Ongegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 20.009B

Het beroep van de vader en de jeugdprofessional slaagt niet. Het College van Beroep handhaaft de opgelegde maatregel van berisping, maar ziet aanleiding af te zien van de openbaarmaking daarvan, nu de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling in beroep overtuigend heeft gereflecteerd op haar handelen.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) | K (Vermoeden kindermishandeling) | M (Verslaglegging / dossiervorming)
Open
College van Toezicht
18/02/2021
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

Beroepscode: E (Respect) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.215Tb

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat hij onzorgvuldig is in zijn besluitvorming, zijn afspraken niet nakomt en niet tijdig een plan van aanpak heeft opgesteld.

Een moeder van vier minderjarige kinderen heeft drie klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar twee jongste kinderen. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de klachten tegen de twee in deze casus samenwerkende jeugdprofessionals gezamenlijk behandeld. Het College heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij onzorgvuldig is in zijn besluitvorming. De moeder heeft dit verwijt toegelicht met drie voorbeelden, waaronder het volgens de moeder eenzijdig stopzetten door de jeugdprofessional van de omgang in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus. Het College heeft allereerst geoordeeld dat de jeugdprofessional in een complexe situatie heeft moeten handelen. Wat betreft het stopzetten van de omgang in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus oordeelt het College dat gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor de omgang via fysiek contact tijdelijk werd stopgezet, maar ook het feit dat de jeugdprofessional gezocht heeft naar alternatieven en de fysieke omgang redelijk snel is hervat, maakt dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Alles overziend, waaronder ook het handelen van de jeugdprofessional wat betreft de twee andere voorbeelden, is het College van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de jeugdprofessional onzorgvuldig is geweest in zijn besluitvorming.

In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij zijn afspraken niet nakomt. De moeder licht dit toe met twee voorbeelden. Het College overweegt dat het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund door duidelijk te communiceren over het organiseren van een MDO, maar acht het te verstrekkend om op grond van dit voorbeeld te oordelen dat de jeugdprofessional zijn afspraken niet nakomt. Het andere voorbeeld over het (tijdig) reageren op de e-mailberichten leidde evenmin tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel.

Tot slot verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij niet tijdig een plan van aanpak heeft opgesteld. Het College maakt hier een onderscheid tussen het opstellen van een plan van aanpak bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregelen en gedurende de looptijd van de kinderbeschermingsmaatregel. In dit geval is het College van oordeel dat de jeugdprofessional met zijn handelen, waaronder het dynamisch registreren, heeft gehandeld binnen de kaders van de wet.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.110Ta-W

De jeugdprofessional wraakt de voorzitter van het College van Toezicht. Hij stelt dat hij onheus is bejegend en het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen. Een voorzitter heeft een zekere speelruimte in de wijze van het behandelen van de klacht, alsmede in de manier waarop wordt gecommuniceerd. Bovendien is het aan de voorzitter om regie te voeren over de zitting. Hieronder valt ook het al dan niet aan het woord laten van een partij.

De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek
De jeugdprofessional heeft twintig dagen na de digitale mondelinge behandeling van de hoofdzaak een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzitter van het behandelend College van Toezicht (hierna: de gewraakte voorzitter). Het verzoek wordt ontvankelijk verklaard nu een periode van twintig dagen niet onevenredig lang geacht kan worden gelet op de kerstperiode en vakanties van de jeugdprofessional en zijn gemachtigde (artikel 1.5 van het Wrakingsprotocol, versie 1.3).

De wrakingsgronden
De jeugdprofessional heeft twee wrakingsgronden aangedragen. De eerste wrakingsgrond betreft de bejegening. Tijdens de voorstelronde zou de jeugdprofessional op een andere manier zijn onthaald dan de moeder en op een botte, vernederend of anderszins onvriendelijke manier zijn aangesproken. Daarnaast zou de jeugdprofessional zijn onderbroken. De wrakingskamer oordeelt dat de aangedragen voorbeelden onvoldoende concrete gronden vormen om te concluderen dat sprake is van een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij de gewraakte voorzitter. Een voorzitter van de tuchtcolleges van SKJ komt een zekere speelruimte toe in zijn of haar optreden en de wijze van behandelen van een klacht, alsmede in de manier waarop hij of zij communiceert. Bovendien is het aan de voorzitter van het tuchtcollege om de regie over de zitting te voeren. Hieronder valt het al dan niet aan het woord laten van een partij, het onderbreken van een partij die aan het woord is, of het al dan niet inhoudelijk bespreken van de ingediende stukken. Op grond van het proces-verbaal is niet komen vast te staan dat de gewraakte voorzitter – zelfs als haar toon scherp was jegens de verzoeker – daarbij een grens heeft overschreden, althans niet in een zodanige mate dat daaruit een subjectieve of objectieve partijdigheid kan worden afgeleid. De eerste wrakingsgrond slaagt derhalve niet.

De tweede wrakingsgrond betreft het onvoldoende en onjuist toepassen van de beginselen van hoor en wederhoor. Ook deze wrakingsgrond slaagt niet en mist bovendien een feitelijke grondslag. De jeugdprofessional stelt dat de gewraakte voorzitter de moeder meer ruimte heeft geboden om haar verhaal te doen en dat hij tijdens de slotronde niet het laatste woord heeft gekregen. Uit het proces-verbaal van de hoofdzaak blijkt echter dat de jeugdprofessional en de moeder evenveel ruimte hebben gekregen om hun verhaal naar voren te brengen en dat de jeugdprofessional bij elk onderwerp naar zijn standpunt is gevraagd. Ook blijkt dat de gewraakte voorzitter partijen heeft gevraagd of zij nog behoefte hadden aan een laatste woord. De jeugdprofessional is toen zelf aan zijn laatste woord begonnen, hetgeen naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de gewraakte voorzitter worden tegengeworpen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.489Ta, 20.094Ta en 20.181Ta

De vraag die het College van Toezicht moet beantwoorden is of de klager (vader) inmiddels misbruik heeft gemaakt van het tucht(proces)recht, omdat hij sinds 2016 zes verschillende zaaknummers tegen de jeugdbeschermer heeft ingediend met een totaal van 46 klachtonderdelen.

Geen misbruik van tucht(proces)recht:
De jeugdbeschermer is gedurende een lange periode de uitvoerder geweest van de ondertoezichtstelling van de kinderen van de vader. De vader heeft bij de tuchtcolleges van SKJ zes zaaknummers met een totaal van 46 klachtonderdelen tegen de jeugdbeschermer ingediend. De laatste drie zaaknummers (20 klachtonderdelen) worden in deze procedure gelijktijdig behandeld. De jeugdbeschermer stelt zich op het standpunt dat de vader inmiddels niet meer in deze klachten kan worden ontvangen vanwege misbruik van tucht(proces)recht.
Het College schetst in deze beslissing onder 3.3 het juridisch kader en op welke gronden sprake kan zijn van misbruik van tucht(proces)recht (bv. wanneer sprake is van evident onredelijke klachten of onwaarden). Geconcludeerd wordt dat de vader zijn bevoegdheid tot het indienen van een tuchtklacht niet misbruikt heeft. Dit omdat er door de vader geklaagd wordt over een nieuwe periode, namelijk ná de laatst beoordeelde klacht van de vader (mei 2019 tot aan 12 mei 2020). In deze periode hebben zich nieuwe feiten voorgedaan waaronder een ingrijpende gebeurtenis in juni 2019. Dit maakt dat niet op voorhand al sprake kan zijn van evident onredelijke klachten. Ook is niet gebleken van evidente onwaarheden die de vader ervan behoorde te weerhouden deze klachten in te dienen, evenmin van klachten waarvan de vader behoorde te begrijpen dat deze geen kans van slagen zou hebben. In de eerdere tuchtprocedures is namelijk ook een (klein) deel van de klachtonderdelen van de vader gegrond verklaard. Tot slot past bij deze beoordeling een terughoudendheid gelet op het recht op onbelemmerde toegang tot de tuchtrechter.
Wel wordt benadrukt dat het College oog heeft voor de belangen van de jeugdprofessional en de onevenredige (zware) belasting waarvan vaststaat dat deze en de voorgaande tuchtprocedures die met zich meebrengen, zowel voor de jeugdprofessional als het gehele systeem van tuchtrecht. Het wordt daarom niet ondenkbaar geacht dat de vader bij eventuele toekomstige klachten niet-ontvankelijk wordt verklaard, afhankelijk van de feiten en gronden al dan niet op grond van misbruik van tucht(proces)recht. Het College heeft immers de plicht om te waken voor overmatige tuchtprocedures, waarvan geconcludeerd kan worden dat een ander doel wordt nagestreefd dan het doel van het tuchtrecht (kwaliteitsbewaking). Ook een jeugdprofessional dient tegen dergelijke procedures beschermd te worden.

De klachten:
Klachtonderdeel 15 wordt gegrond verklaard. De jeugdprofessional heeft nagelaten de aan de GI overgedragen Veilig Thuis melding met vader te bespreken of hem daarover te informeren (artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode). Het College ziet af van het opleggen van een maatregel, omdat de Veilig Thuis melding van de vader afkomstig was en hij om die reden bekend was met de inhoud. Ook omdat gebleken is dat de samenwerkingsrelatie tussen de jeugdprofessional en de vader al gedurende lange tijd verstoord is, waar de vader ook een eigen aandeel in heeft gehad.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.009B

Het beroep van de vader en de jeugdprofessional slaagt niet. Het College van Beroep handhaaft de opgelegde maatregel van berisping, maar ziet aanleiding af te zien van de openbaarmaking daarvan, nu de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling in beroep overtuigend heeft gereflecteerd op haar handelen.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI die in eerste instantie in het vrijwillig kader betrokken is geweest bij het gezinssysteem van de vader en vervolgens belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen 1, 3, 4, 5 en 7 gegrond verklaard en de klachtonderdelen 2, 9, 10 en 11 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van berisping opgelegd, met openbaarmaking van deze maatregel. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van de klachtonderdelen 1, 3 en 4. Deze klachtonderdelen zijn gezamenlijk behandeld, nu deze zien op de wijze waarop de jeugdprofessional heeft gehandeld nadat de moeder zich bij de jeugdprofessional had gemeld met een tekening en een filmpje van de dochter die mogelijk zouden wijzen op seksueel misbruik door de vader. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan c.q. laten doen naar de melding van de moeder en dat feiten op meerdere punten niet juist dan wel onzorgvuldig zijn weergegeven. Dit levert een schending op van de artikelen A, C, D en K van de Beroepscode.

Het College van Beroep deelt het oordeel van het College van Toezicht dat de jeugdprofessional onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan c.q. laten doen naar de melding van de moeder. De stelling van de jeugdprofessional dat er reeds voldoende zorgen waren die haar optreden in het vrijwillig kader rechtvaardigde, waardoor het voor haar (onder meer) geen toegevoegde waarde had om het filmpje van de moeder te bekijken, kan het College van Beroep niet volgen. Zo maakt het College van Beroep uit de stukken op dat de melding van de moeder over het vermeende seksueel misbruik juist de enkele en directe aanleiding is geweest voor de uithuisplaatsing van de dochter. Aangezien het in het onderhavige geval ging om een zeer ernstige melding, met potentieel verstrekkende gevolgen, was het zorgvuldig geweest indien de jeugdprofessional had geverifieerd – al dan niet door een collega naar het filmpje te laten kijken – of de melding van de moeder overeenkwam met de inhoud van het filmpje. Verder kan het College van Beroep zich verenigen met het oordeel van het College van Toezicht dat op meerdere punten gebleken is dat de feiten niet juist dan wel onzorgvuldig zijn weergegeven. Het College van Beroep benadrukt dat een jeugdprofessional zich goed bewust dient te zijn van de impact van hetgeen hij of zij rapporteert en verklaart, zeker omdat dergelijke rapportages en verklaringen langdurige en mogelijk ingrijpende gevolgen voor betrokkenen kunnen hebben.

Het College van Beroep komt tot de conclusie dat alle grieven falen, maar ziet aanleiding af te zien van het openbaar maken van de opgelegde maatregel van berisping, onder meer omdat de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling in beroep overtuigend heeft gereflecteerd op haar handelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.163Ta en 20.164Ta

De jeugdbeschermer heeft na het gesprek van 3 maart 2020 onvoldoende adequaat gehandeld om de overeenstemming dan wel instemming te zoeken met de moeder over de in te zetten hulp- en dienstverlening

Een minderjarige en zijn moeder hebben twee klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de zaken gevoegd behandeld.

De minderjarige en zijn moeder verwijten de jeugdprofessional dat zij onvoldoende relevante informatie heeft verschaft aan de minderjarige en zijn moeder op 12 maart 2020. Dit was de dag dat de minderjarige met een spoedmachtiging in een gesloten jeugdhulpaccommodatie werd geplaatst. In het tweede klachtonderdeel verwijten zij de jeugdprofessional dat zij de moeder niet heeft betrokken bij de gesprekken tussen de minderjarige, de GI en de gedragswetenschapper. In het bijzonder dat de moeder niet is uitgenodigd voor een gesprek op 3 maart 2020.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van het tweede klachtonderdeel. De jeugdprofessional heeft na het constateren dat de moeder niet was uitgenodigd voor het gesprek van 3 maart 2020 haar diezelfde ochtend (tevergeefs) proberen te bereiken voor haar visie. Hierna heeft zij echter onvoldoende adequaat gehandeld met betrekking tot het (zelf) met de moeder bespreken van de inhoud van het gesprek om zo de overeenstemming, dan wel instemming, met de moeder te zoeken over de in te zetten hulp- en dienstverlening. Door op deze wijze te handelen heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel G (Overeenstemming instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Alles in overweging nemende ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Hierbij houdt het College er onder meer rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de minderjarige voorop heeft willen stellen en dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen waarin in een kort tijdsbestek gebeurtenissen elkaar snel opvolgden. Hoewel het belang van de minderjarige de eerste overweging dient te vormen, is het eveneens noodzakelijk dat de jeugdprofessional zich voldoende realiseert dat andere belangen ook in overweging genomen dienen te worden, meer in het bijzonder die van de gezaghebbende ouder(s). Gelet op de getoonde reflectie gaat het College er van uit dat de jeugdprofessional lering heeft getrokken uit de gebeurtenissen en dat de onderhavige beslissing bijdraagt aan de verdere bewustwording van de jeugdprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.162Ta

De jeugdbeschermer heeft de ouders onvoldoende geïnformeerd over twee medische behandelingen bij de kinderen en zij heeft zich bij één onderzoek niet vergewist dat de ouders expliciet instemden

De ouders hebben samen twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld van de GI en uit huis zijn geplaatst in een pleeggezin. De ouders hebben een klacht ingediend tegen de jeugdbeschermer die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

De ouders hebben twee klachtonderdelen ingediend. In het eerste klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter. Voorts verwijten zij haar dat het FAS-onderzoek is verricht zonder dat de ouders toestemming hadden gegeven voor dit onderzoek. In het tweede klachtonderdeel verwijten de ouders de jeugdprofessional dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts en dat de ouders geen toestemming hebben verleend voor het plaatsen van de zoon op de wachtlijst voor een operatie.

Het College van Toezicht (hierna te noemen: College) is van oordeel dat de jeugdprofessional tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de informatievoorziening richting te ouders over (het voornemen tot het laten uitvoeren van) het FAS-onderzoek bij de dochter en de afspraak bij de KNO-arts van de zoon. Met betrekking tot het FAS-onderzoek van de dochter ontbrak bovendien de expliciete toestemming van de ouders. Daarbij heeft de jeugdprofessional als belangrijke schakel tussen de ouders, de pleegouders en de zorgverleners in de onderhavige zaak onvoldoende de regie genomen. Tot slot is het College van oordeel dat de jeugdprofessional de ouders onvoldoende heeft gerespecteerd door de wijze waarop zij de ouders heeft geïnformeerd over en betrokken bij de medische behandelingen. Het College heeft het eerste klachtonderdeel gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel heeft het College gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover de ouders de jeugdprofessional verwijten dat zij onvoldoende informatie heeft verstrekt over de afspraak van de zoon bij de KNO-arts. Het handelen van de jeugdprofessional levert volgens het College een schending op van de artikelen E, F, G en N van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional.

Bij het opleggen van de maatregel van berisping wordt de jeugdprofessional aangerekend dat zij tot tweemaal toe de ouders onvoldoende heeft geïnformeerd over de medische behandelingen van de kinderen. De jeugdprofessional heeft hierbij onvoldoende oog gehad voor haar verantwoordelijkheid bij het invullen van de rol van de ouders op afstand en de regie die zij hierbij had dienen te nemen. Daarnaast vindt het College het verwijtbaar dat het FAS-onderzoek, een onderzoek van betekenis, zonder expliciete toestemming en betrokkenheid van de ouders is verricht. Naar het oordeel van het College is hiermee de essentie van de uitvoering van het werk van een jeugdprofessional geraakt. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional haar handelen in de organisatie heeft getoetst en/of op haar handelen heeft gereflecteerd. Nu er tegen de jeugdprofessional voor de eerste keer een tuchtklacht is ingediend en het verwijtbare handelen toeziet op soortgelijk handelen door de jeugdprofessional rondom de medische behandelingen van de kinderen in tijd kort op elkaar volgend, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van openbaarmaking van deze maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.225Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij bij haar uitdiensttreding de hulpverlening niet zorgvuldig heeft afgesloten richting de moeder

Een moeder van een minderjarige zoon dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI tot omstreeks december 2019 belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waarna zij is opgevolgd door een collega in verband met haar aanstaande (pre)pensioen. De moeder heeft tegen de jeugdprofessional één klachtonderdeel ingediend. Het College heeft de klacht ongegrond verklaard.

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij bij haar uitdiensttreding eind maart 2020 haar betrokkenheid naar de moeder toe niet goed heeft afgerond. Op 9 maart 2020 heeft de jeugdprofessional per e-mail aan de moeder een eindgesprek aangeboden. He College acht het zorgvuldig dat de jeugdprofessional zelf het initiatief heeft genomen om een (eind)gesprek aan de moeder aan te bieden, hetgeen ook in lijn is met de Beroepscode en de jurisprudentie. Op 16 maart 2020 heeft de moeder positief gereageerd op het aanbod. Het College kan echter niet de feiten vaststellen ten aanzien van de gang van zaken na de ontvangst van de positieve reactie van de moeder, waardoor op dit punt de klacht van de moeder volgens vaste jurisprudentie niet gegrond kan worden bevonden. Het College merkt wel op dat het te betreuren valt dat het inplannen van een eindgesprek niet van de grond is gekomen, te meer nu uit de stukken opgemaakt kan worden dat de samenwerking tussen partijen niet altijd positief is verlopen en/of ervaren en de moeder kennelijk nog vragen had over de overwegingen en het handelen van de jeugdprofessional. Ten overvloede merkt het College op dat het handelen van de jeugdprofessional mogelijk wel beter had gekund na het geven van een voorzet voor het eindgesprek.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.310Ta

Een orthopedagoog heeft de privacy van een moeder geschonden. Zij heeft in een e-mailbericht, gericht aan beide ouders van de kinderen, vertrouwelijke informatie over de moeder gedeeld. De moeder is daarover niet geïnformeerd en haar toestemming is niet gevraagd. De privacy van de destijds zestienjarige dochter is niet geschonden omdat over haar slechts algemene informatie is gedeeld.

De jeugdprofessional biedt aan twee kinderen hulpverlening op basis van een persoonsgebonden budget (PGB). De ouders van de kinderen zijn uit elkaar. In een zomervakantie, tijdens een tijdelijke stop van de hulpverlening, stuurt de moeder meerdere WhatsApp berichten aan de jeugdprofessional. Naar aanleiding daarvan stuurt de jeugdprofessional een e-mailbericht aan beide ouders van de kinderen. Vanwege de reactie van de moeder daarop, en de opvolgende onderlinge correspondentie tussen de moeder en de jeugdprofessional, beëindigt de jeugdprofessional een dag later de hulpverlening. De moeder dient vier klachtonderdelen in:

  1. In het e-mailbericht van de jeugdprofessional is de privacy van de moeder en dochter geschonden;
  2. In het e-mailbericht van de jeugdprofessional is onterecht en zonder overleg een voorstel gedaan over de omgangsregeling;
  3. De dienstverlening is op onprofessionele wijze beëindigd;
  4. De nadien gedane Veilig Thuis melding van de jeugdprofessional is onzorgvuldig.

Deze samenvatting gaat in op het deels gegrond verklaarde klachtonderdeel 1. Het klachtonderdeel wordt gegrond verklaard voor wat betreft de privacyschending van de moeder, omdat in het e-mailbericht vertrouwelijk informatie over de moeder gedeeld is met beide ouders. In het e-mailbericht is namelijk geschreven hoe de opvoeding wordt vormgegeven door de moeder, hoe zij zich daarbij voelt en op welke wijze en met welke frequentie hulpverlening aan haar verleend wordt. De jeugdprofessional heeft op eigen initiatief deze informatie gedeeld, zonder de moeder daarover te informeren of daarvoor haar toestemming te vragen. Dat levert een schending op van artikel 11 lid 1 tot en met 3 van de Beroepscode NVO. Het eerste lid van dit artikel bepaalt namelijk dat een jeugdprofessional verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem of haar ter kennis komt in verband met de professionele relatie met de cliënt. Wanneer de jeugdprofessional vindt dat er informatie gedeeld dient te worden, dient de cliënt op een passende wijze uitgelegd te worden waarom de informatieverstrekking van belang is, met wie informatie gedeeld dient te worden en om welke informatie het gaat (lid 3 van genoemd artikel). Daarnaast dient de jeugdprofessional zich er allereerst toe in te zetten dat de cliënt zelf de bedoelde informatie doorgeeft, dan wel expliciet toestemming te hebben (lid 2 van genoemd artikel).
Voor wat betreft de informatie over de dochter, wordt geconcludeerd dat slechts algemene informatie over de hulpverlening van de dochter gedeeld is waardoor haar privacy niet geschonden is. Het College overweegt ook dat de leeftijd van de dochter (zestien jaar) nog niet maakt dat een gezaghebbende ouder helemaal geen informatierecht meer heeft. Een gezaghebbend ouder blijft tot het bereiken van de meerderjarige leeftijd verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van zijn of haar kinderen, waardoor ouders in dat verband ook recht blijven hebben op (algemene) informatie die daarop ziet. Dat is alleen anders wanneer het algemeen informeren van de ouder niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener/pedagoog.

Het College ziet af van het opleggen van een maatregel, omdat het bedoelde e-mailbericht mogelijk onderschept is en daardoor de vader mogelijk niet bereikt heeft. Ook gaat het College ervan uit dat de jeugdprofessional in toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast conform de verplichting tot geheimhouding, zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Ta

De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet op klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 3.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de moeder aangevoerd dat de jeugdprofessional in 2019 ten onrechte (ook ter zitting) een beeld van de moeder heeft geschetst dat zij de kinderen isoleert. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat het haar gedurende de ondertoezichtstelling niet is gelukt om zicht op de ontwikkeling van de kinderen te krijgen. Dit heeft de jeugdprofessional aan de hand van meerdere voorbeelden aan de rechter kenbaar gemaakt. Naar het oordeel van het College behoort dit tot de rol van een jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Bovendien is uit het dossier niet gebleken dat de aangedragen voorbeelden onjuist zijn.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.582Tb

Twee klachtonderdelen zien niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional, maar op dat van de collega die namens de GI mede is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De jeugdprofessional heeft in deze casus geen toestemming nodig gehad om de behandelend arts van de zoon te benaderen. Op grond van artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet is ook geen toestemming nodig (geweest) om de school van de kinderen te benaderen.

De moeder dient een klacht in, bestaande uit drie klachtonderdelen, tegen een jeugdprofessional die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar drie kinderen. De kinderen hebben hun vader sinds 2013 niet meer gezien. Ook is er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de familie van vaderszijde. Een expert in ouderonthechting heeft in 2020 geconcludeerd dat sprake is van onbewuste actieve ouderonthechting. De drie klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 zien (gedeeltelijk) niet op het individuele handelen van de jeugdprofessional. Deze samenvatting ziet derhalve op klachtonderdeel 3.

In klachtonderdeel 3 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder toestemming de school en het ziekenhuis heeft benaderd en vertrouwelijke informatie heeft uitgewisseld. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional op grond van artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en artikel 7.3.11 lid 4 van de Jeugdwet ook zonder toestemming (beroepsmatige) informatie mag verstrekken wanneer dit noodzakelijk kan worden geacht voor de te bieden hulp of het afstemmen van de hulp. De jeugdprofessional heeft meerdere schriftelijke aanwijzingen aan de moeder gegeven om gezamenlijk met haar en de vader in gesprek te komen. Het College oordeelt dat gelet hierop de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door contact met het ziekenhuis op te nemen en hen te vragen geen afspraken voor de zoon in te plannen op het moment dat een gezamenlijk gesprek zou plaatsvinden. Voor wat betreft het benaderen van de school heeft de jeugdprofessional, gelet op het juridisch kader, geen toestemming van de gezaghebbende ouder(s) nodig. In geval van een ondertoezichtstelling dient er zicht te komen op de kinderen. Dit houdt in dat de jeugdprofessional ook moet kunnen zien hoe de kinderen zich op school ontwikkelen.