Maak een selectie

480 van 480

   
College van Toezicht
30/09/2020
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Zaaknummer: 19.556Tb

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Richtlijnen: Crisisplaatsing | Pleegzorg
Open
College van Toezicht
30/09/2020
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Zaaknummer: 19.556Ta

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Richtlijnen: Crisisplaatsing | Pleegzorg
Open
College van Toezicht
07/09/2020
Gegrond - Berisping zonder openbaarmaking
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.136Ta

Er is geen sprake van het suggereren van onwaarheden aan de rechter. Wel was het beter geweest indien de jeugdbeschermer duidelijk had aangegeven welke bronnen (en uit welk jaar) zijn geraadpleegd voor de briefrapportage aan de rechter.

De moeder dient een klacht in tegen de jeugdbeschermer belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar twee zoons. De hoofdverblijfplaats van de zoons is in april 2016 bij de vader bepaald. Sinds september 2019 is het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd. De rechtbank heeft de zaak aangehouden die ziet op de uitoefening van het omgangsrecht door de moeder. De rechtbank heeft de GI verzocht om nadere informatie over het verloop van de ondertoezichtstelling en de visie van de GI op de toekomst. In dat kader heeft de jeugdprofessional een briefrapportage aan de rechtbank opgesteld en haar geïnformeerd over het voorgaande.

De moeder verwijt het de jeugdprofessional dat zij in haar briefrapportage ten onrechte heeft gesuggereerd dat bij de moeder sprake is van psychische problematiek en dat zij de kinderen bij hun school opzoekt. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional een vermoeden van psychiatrisch gedrag uitspreekt. Zij stelt geen diagnose. Het vermoeden is gebaseerd op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming, waarin staat beschreven dat in het verleden zorgmeldingen zijn geweest wegens de psychische gesteldheid van de moeder. Voorts blijkt uit de overgelegde contactjournaals dat de moeder de kinderen in 2017 regelmatig bij hun school opzocht. In de briefrapportage staat opgenomen dat de moeder de kinderen onderweg naar school kon benaderen. Van het suggereren van onwaarheden aan de rechter is derhalve geen sprake. Wel was het naar het oordeel van het College beter geweest indien de jeugdprofessional duidelijk had aangegeven welke bronnen (en uit welk jaar) zij heeft geraadpleegd voor de briefrapportage aan de rechter.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.579Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin hij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en hij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat hij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft hij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor hem op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals hij in zijn verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had hij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat hij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005Ta

Het College van Toezicht legt aan de jeugdbeschermer, ondanks een deels gegrond klachtonderdeel, geen maatregel op. De jeugdbeschermer werkte in een complexe situatie, waarin zij, ondanks een moeizame samenwerking, de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld en zij zich bovenmatig heeft ingespannen om aan de vader en de kinderen tegemoet te komen.

Een vader van twee minderjarige kinderen dient een klacht in tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, en opvolgend de tijdelijke voogdijmaatregel. De klacht bestaat uit 34 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 2 is deels gegrond verklaard. De vader is in 9 klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard. De overige 24 klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op het gegrond verklaarde deel van klachtonderdeel 2.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 2 – onder meer – verweten dat zij de in de beschikking opgenomen belmomenten niet heeft vormgegeven. Door dit niet te doen, heeft zij volgens de vader in het bijzonder de zoon geen recht gedaan. Het College overweegt als volgt. In de beschikking van 18 juli 2019 heeft de rechtbank onder meer vastgesteld dat er wekelijks twee vaste belmomenten dienen te zijn tussen de vader en de zoon, waarbij de GI het tijdstip van de belmomenten bepaalt. De jeugdprofessional heeft in het verweerschrift erkend dat de belmomenten tussen de vader en de zoon niet tot stand zijn gekomen, omdat dat voor haar op dat moment niet de hoogste prioriteit had. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het niet eenvoudig was deze belmomenten structureel doorgang te laten vinden. Dat de jeugdprofessional de gang van zaken rond de belmomenten met de ouders heeft besproken, zoals zij in haar verweerschrift heeft gesteld, ziet het College in het dossier echter niet terug. Bovendien is in het verzoek tot tijdelijke wijziging van de zorg- en contactregeling ook niet op de belmomenten teruggekomen. Daarom is het College van oordeel dat de jeugdprofessional hier een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. De jeugdprofessional had zich meer moeten inspannen de belmomenten vorm te geven. Wanneer dit om welke reden dan ook niet haalbaar was, had de jeugdprofessional de vader hierover (schriftelijk) dienen te informeren, en had zij voorts de belmomenten mee kunnen nemen in genoemd verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode voor de Jeugd- en gezinsprofessional geschonden. Het College ziet echter af van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zich in de periode dat zij betrokken was bovenmatig ingespannen om zowel de vader als de kinderen tegemoet te komen. De jeugdprofessional heeft de belangen van de kinderen terecht op alle momenten vooropgezet. Daarbij heeft de jeugdprofessional gewerkt in een zeer complexe situatie, waarin sprake is geweest van een moeizame samenwerking. Met deze omstandigheden heeft het College rekening gehouden.

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.022B

Het beroep van een contactbegeleider slaagt. Het College van Toezicht is ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

Een vader dient een klacht in tegen een contactbegeleider die betrokken is geweest in het kader van opvoedondersteuning in de thuissituatie en het begeleiden van contactmomenten tussen de vader en de zoon. Het College van Toezicht heeft de klachtonderdelen 1, 2 en 3 gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige de klachtonderdelen 1 t/m 11 ongegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van de klachtonderdelen 1, 2 en 3.

In klachtonderdeel 1 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij insinuerende en negatief beeldvormende geschriften in omloop heeft gebracht. Het College van Toezicht is van oordeel dat het eindverslag van de jeugdprofessional onvoldoende evenwichtig is opgesteld en heeft het klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond verklaard. Naar het oordeel van het College van Beroep gaat de klacht zoals de vader deze heeft geformuleerd verder dan het onevenwichtig opstellen van het eindverslag, zoals het College van Toezicht heeft geoordeeld. Het College van Beroep is niet gebleken dat het eindverslag negatief beeldvormend of insinuerend van aard is en verklaart het klachtonderdeel alsnog in zijn geheel ongegrond.

In klachtonderdelen 2 en 3 wordt de jeugdprofessional verweten dat zij heeft gelogen en daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg ernstig heeft geschaad. Tevens wordt haar verweten dat de vader onder druk is gezet en onder valse voorwendselen overgehaald is akkoord te gaan met het traject/begeleid contact en daardoor voor het blok gezet. Het College van Toezicht overweegt onder meer dat het niet schriftelijk – en in overleg – vaststellen van de in het eindverslag geformuleerde afspraken met zich meebrengt dat het voor de betrokkenen, in het bijzonder de vader, heeft ontbroken aan helderheid over het traject, en daardoor ook aan handvatten en structuur. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional onvoldoende met de vader in overeenstemming is gekomen voor wat betreft de in het eindverslag geformuleerde afspraken en acht artikel G van de Beroepscode geschonden en heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond verklaard. Hoewel het College van Beroep het ongelukkig acht dat er geen sprake is geweest van een schriftelijke vastlegging van de afspraken, is het – in tegenstelling tot het College van Toezicht – van oordeel dat er geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Het schriftelijk bevestigen van gemaakte afspraken valt immers niet onder het klachtonderdeel dat de vader heeft geformuleerd. Het College van Toezicht is hiermee ten onrechte buiten het oorspronkelijke klachtonderdeel getreden. Het College van Beroep verklaart de klachtonderdelen alsnog geheel ongegrond.

Nu klachtonderdelen 1 tot en met 3 in beroep alsnog geheel ongegrond zijn verklaard, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.556Tb

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

De pleegouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, acht klachtonderdelen ingediend. Een identieke klacht is ook ingediend tegen de collega van de jeugdprofessional, met wie zij samen was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de pleegdochter.

Alle klachtonderdelen hebben betrekking op de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen, het daadwerkelijke besluit en de communicatie over het besluit. De vijf klachtonderdelen die betrekking hebben op de (open) communicatie van de jeugdprofessional rondom de beslissing om de plaatsing voortijdig af te breken, zijn gegrond verklaard. Het College benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een pleegzorgplaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de pleegouders onvoldoende heeft meegenomen in de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing voortijdig te beëindigen. Daarbij heeft zij nagelaten te reageren op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van deze verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College er rekening mee gehouden dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de pleegdochter voorop heeft willen stellen en dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.556Ta

De gezinsvoogd heeft de pleegouders onvoldoende meegenomen in de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen

De pleegouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, acht klachtonderdelen ingediend. Een identieke klacht is ook ingediend tegen de collega van de jeugdprofessional, met wie zij samen was belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de pleegdochter.

Alle klachtonderdelen hebben betrekking op de totstandkoming van het besluit om de plaatsing van de pleegdochter voortijdig te beëindigen, het daadwerkelijke besluit en de communicatie over het besluit. De vijf klachtonderdelen die betrekking hebben op de (open) communicatie van de jeugdprofessional rondom de beslissing om de plaatsing voortijdig af te breken, zijn gegrond verklaard. Het College benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een pleegzorgplaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional de pleegouders onvoldoende heeft meegenomen in de totstandkoming van de beslissing om de plaatsing voortijdig te beëindigen. Daarbij heeft zij nagelaten te reageren op het verzoek van de pleegouders om een schriftelijke toelichting te geven op de beslissing om de plaatsing af te breken. Het handelen van de jeugdprofessional ten aanzien van deze verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect) en N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College er rekening mee gehouden dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de pleegdochter voorop heeft willen stellen, dat zij in een complexe situatie heeft moeten handelen en dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op haar handelen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.088Ta

Geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door jeugdprofessional die buiten kantoortijd e-mailberichten stuurt.

Een moeder van twee minderjarigen dient een klacht in tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder dient zes klachtonderdelen in. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 5.

De jeugdbeschermer wordt in klachtonderdeel 5 verweten dat hij in de weekenden e-mailberichten stuurt. Dit levert stress op bij de moeder, ook omdat zij als zij vragen heeft, niemand in het weekend  kan bereiken. Het College overweegt dat het de voorkeur heeft dat een jeugdprofessional binnen zijn reguliere werkuren zijn werkzaamheden kan verrichten. In het geval dit echter niet mogelijk blijkt dient een afweging te worden gemaakt of er belang bij is dat de ontvanger van de e-mailberichten zo spoedig mogelijk wordt geïnformeerd of dat dit kan wachten tot de eerstvolgende werkdag.

Het College heeft er begrip voor dat de door de jeugdprofessional verstuurde e-mail tot stress heeft geleid bij de moeder. Een tuchtrechtelijk verwijt voor wat betreft het tijdstip van de verzending kan echter niet aan de jeugdprofessional worden gemaakt. De moeder heeft niet eerder kenbaar gemaakt dat ze het ontvangen van e-mailberichten in de weekenden niet prettig vindt. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional zorgvuldig gewogen of het noodzakelijk was om de ouders buiten kantoortijden te informeren.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005B

Het College van Beroep is van oordeel dat informatie geven aan een ouder over privégedragingen, zoals het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Wel dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten worden geplaatst op sociale media, deze vindbaar zijn voor derden en hier vragen over gesteld kunnen worden.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter, en opvolgend de voogdijmaatregel. Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 2. De jeugdprofessional wordt in dit klachtonderdeel verweten dat hij heeft ontkend dat de seksueel getinte tweets en het Twitteraccount van hem afkomstig zijn (geweest). Het College van Toezicht is van oordeel dat het op de weg van de jeugdprofessional lag om op enig moment tegenover de vader te erkennen dat hij tenminste tot juni 2018 de beheerder van het Twitteraccount is geweest. Dat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten, acht het College van Toezicht kwalijk en niet bevorderend voor de verdere samenwerking tussen partijen. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional daarmee in strijd gehandeld heeft met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, omdat hij heeft nagelaten de vader te voorzien van de voor de goede professionele relatie relevante informatie.

Het College van Beroep is in tegenstelling tot het College van Toezicht van oordeel dat de jeugdbeschermer artikel F van de Beroepscode niet geschonden heeft. Artikel F van de Beroepscode schrijft voor dat er voor de professionele relatie relevante informatie moet worden verschaft. Het College van Beroep overweegt echter dat informatie geven over privégedragingen, waaronder begrepen het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Het College van Beroep overweegt voorts dat het zich kan voorstellen dat er situaties bestaan waarin een jeugdprofessional er geen moeite mee heeft om dergelijke informatie over zijn of haar privéleven te delen met cliënten. Daarnaast dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten op sociale media worden geplaatst, deze vindbaar zijn voor derden en er vragen over gesteld kunnen worden. Hier (desgevraagd) open over zijn kan dan ook de samenwerkingsrelatie tussen de jeugdprofessional en de betreffende cliënt verbeteren. In deze situatie is het College van Beroep echter van oordeel dat het de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verweten kan worden dat hij niet direct openheid van zaken heeft gegeven. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel door het College van Toezicht ten onrechte gegrond is verklaard. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007B

Het beroep van een vader slaagt niet. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om de beroepsgronden te onderbouwen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht heeft klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 deels (on)gegrond. Er is geen maatregel opgelegd. De vader is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel vraagt de vader zich af in hoeverre werkinstructies uit 2010 relevant zijn voor het huidige handelen. Meer recentere werkinstructies gebaseerd op de methodiek complexe scheidingen zouden veel adequatere instructies geven aan jeugdprofessionals hoe zij zich kunnen verhouden voor wat betreft meerzijdige partijdigheid.

Het College van Beroep volgt de onderbouwing van de vader niet, aangezien niet is gebleken dat het College van Toezicht zich in het oordeel heeft gebaseerd op de methodiek uit 2010 die de vader in zijn beroepschrift aangehaald, noch heeft de vader gemotiveerd toegelicht wat er in meer recentere werkinstructies is opgenomen waardoor het oordeel van het College van Toezicht onjuist zou zijn. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn beroepsgrond op dit onderdeel te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor zover de vader in zijn beroepschrift heeft aangehaald dat het College van Toezicht in het oordeel vergeten is zaken te melden en/of zaken is vergeten te vragen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing van een beroepsgrond/grief. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om te onderbouwen waarom bijvoorbeeld bepaalde informatie verkeerd is geïnterpreteerd of ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en waarom dit maakt dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. De vader heeft nagelaten zijn beroepschrift op deze wijze te onderbouwen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.120Ta

De jeugdprofessional heeft wegens de coronamaatregelen zonder overleg met de ouders de begeleiding in het vrijwillig kader aan de zoon met het syndroom van down aangepast. De jeugdprofessional heeft niet inhoudelijk gereageerd op suggesties van de ouders voor wat betreft de begeleiding. In het beëindigen van de begeleiding van de zoon heeft de jeugdprofessional zich laten leiden door persoonlijke irritaties richting de ouders.

De vader dient een klacht bestaande uit twee klachtonderdelen in tegen een jeugdprofessional die begeleiding biedt in het vrijwillig kader aan zijn zoon met het syndroom van down. De jeugdprofessional is tevens directeur van de instelling die de begeleiding aanbiedt.

In klachtonderdeel 1 wordt het de jeugdprofessional verweten dat zij zonder overleg de begeleiding aan de zoon heeft aangepast. De coronamaatregelen waren net afgekondigd en de jeugdprofessional heeft in een algemeen e-mailbericht gericht aan al haar cliënten geïnformeerd wat deze maatregelen betekenen voor de individuele begeleiding. De ouders hebben naar aanleiding van dit e-mailbericht via Whatsapp gevraagd naar andere mogelijkheden dan hetgeen de jeugdprofessional heeft voorgesteld. De jeugdprofessional is hier niet inhoudelijk op ingegaan, maar heeft in plaats daarvan op betrekkingsniveau met de ouders gecommuniceerd. Het is het College uit het verweerschrift niet gebleken dat de jeugdprofessional gereflecteerd heeft op dit handelen. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional met haar handelen onvoldoende met de sociale omgeving van de zoon heeft samengewerkt om hem in zijn opvoeding en ontwikkeling tot zijn recht te laten komen. Door het niet inhoudelijk op de voorstellen van de ouders te reageren, heeft de jeugdprofessional onvoldoende stilgestaan bij de eigen verantwoordelijkheid en opvoedingsvisie van de ouders. Tevens heeft zij nagelaten om de ouders te voorzien van informatie over andere mogelijkheden voor wat betreft de individuele begeleiding van de zoon, zoals bijvoorbeeld de korte contactmomenten die zij in haar verweerschrift beschrijft. In klachtonderdeel 2 verwijt de vader dat de begeleiding op ondeugdelijke wijze is beëindigd. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional zich heeft laten leiden door persoonlijke irritaties richting de ouders in haar beslissing om de begeleiding van de zoon te beëindigen. Klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 worden gegrond verklaard.