Maak een selectie

417 van 417

   
College van Toezicht
27/02/2020
zaaknummer: 19.406Ta
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

De jeugdprofessional heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven aan de RvdK niet gebaseerd is op feiten maar op zijn persoonlijke mening. De informatie heeft hij niet gerectificeerd. De jeugdprofessional heeft verder niet gereageerd op e-mails van de gemachtigde van de moeder en heeft te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

Beroepscode: D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | O (Beroepsuitoefening en samenwerking) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Open
College van Toezicht
24/02/2020
zaaknummer: 19.369Ta
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.406Ta

De jeugdprofessional heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven aan de RvdK niet gebaseerd is op feiten maar op zijn persoonlijke mening. De informatie heeft hij niet gerectificeerd. De jeugdprofessional heeft verder niet gereageerd op e-mails van de gemachtigde van de moeder en heeft te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

De moeder heeft een minderjarige dochter, geboren in de zomer van 2018. De moeder heeft korte tijd na de geboorte van de dochter het Centrum Jeugd en Gezin (hierna: CJG) om hulp gevraagd. Na overleg met de moeder is de dochter tijdelijk in een pleeggezin geplaatst. De moeder heeft één uur per week omgang met de dochter. In januari 2019 heeft het CJG de jeugdprofessional gevraagd om vanuit een [naam traject] in het vrijwillig kader mee te denken over de veiligheid van de dochter. De jeugdprofessional heeft namens de GI, na een gesprek met de moeder, de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht een verzoek in te dienen voor een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van de dochter. De kinderrechter heeft bij beschikking de dochter onder toezicht gesteld en heeft een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven.

De jeugdprofessional heeft namens de GI in een e-mail van 18 juli 2019 de moeder een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing verzonden waarin is bepaald dat de moeder en de dochter elkaar één keer in de vier weken gedurende één uur onder begeleiding zien. Op 21 augustus 2019 heeft de jeugdprofessional namens de GI de schriftelijke aanwijzing afgegeven.

De moeder verwijt de jeugdprofessional dat hij heeft nagelaten om op de e-mails van de gemachtigde van de moeder te reageren. Ook heeft de jeugdprofessional volgens de moeder aan de RvdK onvoldoende duidelijk gemaakt dat de informatie die hij heeft gegeven niet gebaseerd is op feiten maar op zijn professionele mening. De jeugdprofessional heeft de informatie niet gerectificeerd. Tot slot heeft hij te lang gewacht met het afgeven van een schriftelijke aanwijzing.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), M (verslaglegging/dossiervorming), O (Beroepsuitoefening en samenwerking) en Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker.

Bij de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid en de op te leggen maatregel overweegt het College in de eerste plaats dat twee klachtonderdelen gegrond zijn verklaard en twee klachtonderdelen gedeeltelijk gegrond en dat meerdere normen uit de Beroepscode voor de jeugdzorgwerker zijn overtreden. Verder heeft de jeugdprofessional aangegeven dat hij door de hoge werkdruk niet heeft gereageerd op de e-mails van de gemachtigde. Het College begrijpt dat de werkdruk van de jeugdprofessional hoog is geweest. Maar de jeugdprofessional heeft in deze casus fouten gemaakt door in zijn eentje prioriteiten te stellen. Hij had bij de GI moeten aangeven dat hij met deze hoge werkdruk niet meer kon instaan voor de kwaliteit van zijn werk en het had op zijn weg gelegen om daar samen met de GI passende maatregelen op te nemen. Voorts heeft de jeugdprofessional onvoldoende gereflecteerd op zijn handelen. Het College mist een algemene beschouwing van de jeugdprofessional over de wijze waarop deze casus is verlopen.

Dit alles overwegende acht het College het passend en geboden om aan de jeugdprofessional een maatregel van berisping op te leggen zonder openbaarmaking van deze maatregel.

 

Wrakingskamer
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.017B-W

Een wrakingsverzoek gericht aan de leden van het College van Beroep in zaaknummer 19.017B. De wrakingskamer is van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om (de schijn van) partijdigheid bij de leden aan te nemen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid overweegt de wrakingskamer het volgende. Nu er ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek nog geen sprake was van verzending van de beslissing in de hoofdzaak, geldt dat het wrakingsverzoek tijdig is ingediend. Dit geldt eens te meer nu partijen op 6 november 2019 gescheiden zijn gehoord, zij het telkens in aanwezigheid van beide gemachtigden. Derhalve houdt de wrakingskamer het ervoor dat de verzoekster eerst bekend is geworden met de wrakingsgronden nadat zij -na afloop van de mondelinge behandeling- was bijgepraat door haar gemachtigde omtrent het voorgevallene ter zitting.

Het wrakingsverzoek heeft, kort samengevat, betrekking op het feit dat het College de voor de klachtbehandeling relevante vragen niet heeft willen stellen. De gemachtigde van de verzoekster heeft een kort overzicht van de klachten en de vragen die volgens de verzoekster tot nu dan niet door de jeugdprofessional waren beantwoord, op papier aan het College overhandigd. De gemachtigde heeft daarbij het College verzocht de overgedragen vragen te stellen aan de jeugdprofessional. Het College heeft de vragen niet gesteld waardoor volgens de verzoekster het eindoordeel is beïnvloed i.c. gemanipuleerd.

De wrakingskamer concludeert, kijkend naar het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 6 november 2019 waarbij de verzoekster is gehoord, en de reacties die van de leden zijn ontvangen, dat de vragen van de verzoekster niet door het College zijn gesteld. Uit het verkort proces-verbaal maakt de wrakingskamer op dat de gemachtigde van de verzoekster het College heeft gevraagd om de vragen te stellen waarna de voorzitter heeft gevraagd hoe hij de klacht moet zien ten opzichte van de aangeleverde bijlagen. Door de voorzitter is daarbij verwezen naar het dossier in eerste aanleg, het verweerschrift en naar producties.

De verzoekster is van mening dat de jeugdprofessional over haar bepaalde aantijgingen heeft gedaan. De vragen hebben betrekking op deze aantijgingen. De wrakingskamer heeft gelezen in het verkort proces-verbaal dat de voorzitter heeft gewezen op een productie en daarbij heeft gezegd dat daarin is uitgelegd waar de aantijgingen vandaan komen. Op 6 november 2019 heeft de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling van het College waarbij de jeugdprofessional is gehoord, kenbaar gemaakt dat er tijdens de vorige mondelinge behandeling, waarbij de verzoekster is gehoord, een pleitnota met vragen is overgelegd door de gemachtigde van de verzoekster en dat de voorzitter er vanuit gaat dat de jeugdprofessional een kopie ontvangt via zijn advocaat. De gemachtigde van de verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de jeugdprofessional ondanks zijn toezeggingen de vragen niet inhoudelijk heeft beantwoord. De gemachtigde van de jeugdprofessional heeft daarop gereageerd. Hij is van mening dat de vragen algemeen zijn gesteld en af te leiden zijn uit het plan van aanpak en dat de vragen in het raadsrapport al waren beantwoord.

De wrakingskamer is op grond van het voorgaande van oordeel dat de gewraakte voorzitter impliciet de vragen van de verzoekster tijdens de mondelinge behandeling aan de orde heeft gesteld. Wellicht was het voor de verzoekster bevredigender geweest als het College tijdens de mondelinge behandeling expliciet gesproken had over de vragen en het beantwoorden ervan. De wrakingskamer is echter van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om (de schijn van) partijdigheid bij de leden aan te nemen.

De wrakingskamer wijst de wrakingsgrond af en verzoekt het College van Beroep om de procedure in de hoofdzaak zo spoedig mogelijk voort te zetten.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.369Ta

Tien klachtonderdelen over de wijze waarop de jeugdbeschermer uitvoering heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling. Hoewel het valt te betreuren dat het de jeugdbeschermer niet gelukt is om de gevoelens en onvrede van de moeder weg te nemen, ziet het College geen aanleiding om hem een tuchtrechtelijk verwijt te maken

De moeder heeft een klacht bestaande uit tien onderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die, samen met een collega, uitvoering heeft gegeven aan de ondertoezichtstelling van haar vier minderjarige kinderen. De klachtonderdelen hebben betrekking op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder verwijt de jeugdprofessional – kort samengevat – dat er sprake was van gebrekkige verslaglegging, dossiervorming en communicatie, rolonduidelijkheid in de samenwerking tussen hulpverleners en dat zij door de jeugdprofessional gediscrimineerd is. Ook klaagt zij erover dat de jeugdprofessional haar onjuist heeft geïnformeerd over de procedure rond de wijziging van de zorgregeling, dat hij vermoedens van kindermishandeling heeft genegeerd, dat zij door hem respectloos behandeld is en dat er geen sprake was van overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening. Tot slot verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn macht en afhankelijkheid in de professionele relatie met haar.
Het College heeft in de beschreven voorbeelden en overgelegde onderbouwing geen gronden gezien voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de jeugdprofessional. Alle klachtonderdelen worden ongegrond verklaard.
Het College heeft oog voor de positie van partijen. Het College heeft het verdriet en onbegrip bij de moeder gezien over de huidige situatie betreffende haar kinderen en het gevoel van de moeder dat dit (mede) voortkomt uit het handelen van de jeugdprofessional. Het College heeft een moeder gezien die erg betrokken is bij haar kinderen en een duidelijke visie heeft op wat zij het meest in het belang van de kinderen acht. Daarnaast heeft het College opgemerkt dat de jeugdprofessional zo goed mogelijk heeft geprobeerd om overeenstemming te bereiken over de in te zetten hulpverlening en de vast te stellen zorg- en contactregeling. Het College heeft de overtuiging dat de jeugdprofessional het belang van de kinderen steeds voor ogen heeft gehad. Hoewel het valt te betreuren dat het de jeugdprofessional niet gelukt is om de gevoelens en onvrede van de moeder weg te nemen, ziet het College geen aanleiding om de jeugdprofessional een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.019B

Het College van Beroep volgt het standpunt van de moeder niet dat een medewerker van het buurtteam de hulpverlening heeft stopgezet en een uithuisplaatsing heeft geïnitieerd.

De jeugdprofessional, een medewerker van het buurtteam, is betrokken bij een moeder in het kader van ambulante hulpverlening tijdens en na haar zwangerschap. De moeder bevalt in augustus 2018 van een zoon. In september 2018 wordt de zoon door de kinderrechter onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling en in januari 2019 met spoed uit huis geplaatst. Door deze uithuisplaatsing bestaat er geen noodzaak meer voor de hulpverlening van de jeugdprofessional aan de moeder, waardoor deze is geëindigd. De moeder heeft bij het College van Toezicht een klacht ingediend over het handelen van de jeugdprofessional. Het College van Toezicht heeft alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.

De moeder heeft beroep ingesteld tegen de beoordeling van het College van Toezicht van de klachtonderdelen I, II en III. Het College van Beroep is van oordeel dat het College van Toezicht deze klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard. Het College van Beroep ziet wel aanleiding om de motivering van klachtonderdeel I aan te vullen. Dit klachtonderdeel ziet erop dat de jeugdprofessional in strijd heeft gehandeld met de gemaakte afspraken en dat zij onvoldoende hulp heeft geboden aan de moeder. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat er uit een situatie van positiviteit ineens is besloten tot het stopzetten van de hulpverlening en het uithuisplaatsen van de zoon. Het College van Beroep ziet dit anders. De jeugdprofessional heeft op verzoek van de jeugdbeschermer, die in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken is, een verslag van bevindingen geschreven over de hulpverlening. Tijdens het bespreken van het verslag van bevindingen heeft er een incident in de woning van de moeder plaatsgevonden. De kinderrechter heeft niet lang daarna aanleiding gezien om voor de zoon een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Door het uitspreken van deze kinderbeschermingsmaatregel bestond de noodzaak, zoals partijen hebben erkend tijdens de mondelinge behandeling van het beroep, voor de hulpverlening door de jeugdprofessional niet langer. Het College van Beroep kan daarom het standpunt van de moeder niet volgen dat het de jeugdprofessional is geweest die de hulpverlening heeft stopgezet. Het College van Beroep acht het van de zijde van de moeder daarnaast een verstrekkend verwijt dat de jeugdprofessional de uithuisplaatsing geïnitieerd zou hebben. Het College van Beroep acht het passend bij de taak van de jeugdprofessional, nog los van de vraag of zij in het kader van de Jeugdwet hiertoe verplicht is, dat zij inlichtingen verstrekt over de hulpverlening. Zoals de jeugdprofessional terecht in de begeleidende brief bij het verslag van bevindingen heeft geschreven, kan zij in dezen geen beslissingen nemen, maar valt dit geheel binnen de competentie van de jeugdbeschermer. Dat de jeugdprofessional mogelijk kon voorzien dat haar verslag niet zonder gevolgen zou blijven, is naar het oordeel van het College van Beroep voor de beoordeling van dit klachtonderdeel niet relevant. Zij heeft, passend bij haar taak, een verslag van bevindingen geschreven, met daarin zowel zorgen als krachten, en kan derhalve niet (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk gehouden worden voor de daaruit voortvloeiende acties van ketenpartners.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.439Ta

Het College acht zich op grond van de derde versie van het Tuchtreglement bevoegd te oordelen over een klacht die gaat over een op LinkedIn geplaatste reactie van een jeugdprofessional. Daarbij is meegewogen dat de functie en werkgever van de jeugdprofessional onder haar naam en in de reactie zichtbaar zijn. De geplaatste reactie acht het College diskwalificerend en onvoldoende respectvol richting de persoon van klager.

In de zomer van 2019 wordt een blog over uithuisplaatsingen geplaatst op het LinkedIn-profiel van een gecertificeerde instelling. Een van de reacties van klager op de betreffende blog is: “Ik word spontaan kotsmisselijk als ik dit zo lees. Nog een vijfjarig meisje wiens leven voor altijd verpest zal zijn door het monster dat zich ironisch genoeg ‘Jeugdbescherming’ noemt.” Tussen klager en de jeugdprofessional ontstaat vervolgens een discussie via hun reacties. In een van de reacties van de jeugdprofessional schrijft zij het volgende aan klager: “[tag klager] wist je dat er voor jouw soort verdraaid goede therapieën zijn samengesteld, gericht op het weer opnieuw vat krijgen op de realiteit en het opnieuw aanleren van constructieve communicatievormen?”

De ontvankelijkheid:
Het College acht zich bevoegd te oordelen over de klacht met inachtneming van artikel 3.1 sub b van het Tuchtreglement, versie 1.3. Daaruit volgt dat de tuchtnorm ook geschonden kan worden wanneer een gedraging van een jeugdprofessional te kwalificeren is als iets wat een ‘behoorlijk jeugdprofessional’ niet hoort te doen. Dan gaat het om een gedraging die niet los gezien kan worden van de hoedanigheid van het zijn van een jeugdprofessional, en waarbij de gedraging voldoende weerslag heeft op de jeugdhulpverlening. Nu de jeugdprofessional zich op LinkedIn uitdrukkelijk als jeugdzorgwerker geprofileerd heeft, met vermelding van haar functie en werkgever, kan haar reactie in verband worden gebracht met de hoedanigheid van het zijn van jeugdprofessional. Doordat de jeugdprofessional zich op LinkedIn geprofileerd heeft als jeugdzorgwerker, geldt voor haar bij het gebruik van dat sociale media platform de maatschappelijke verantwoordelijkheid, die normaal ook geldt in de uitoefening van haar dagelijkse werkzaamheden als jeugdzorgwerker.

De klacht:
Klager verwijt de jeugdprofessional de bejegening van de persoon van klager op LinkedIn vanwege de geplaatste reactie. De jeugdprofessional heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College overweegt dat van jeugdprofessionals verwacht wordt dat zij zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en de daarbij horende maatschappelijke verantwoordelijkheid. In dat verband is van belang dat een jeugdprofessional zich te allen tijde neutraal en voldoende objectief opstelt, waarbij de noodzakelijke afstand (tot cliënten en/of derden) wordt bewaard. Het College kan niet anders concluderen dat de jeugdprofessional in de discussie met klager uit emotie gereageerd heeft. Het wordt haar kwalijk genomen dat zij zich diskwalificerend en onvoldoende respectvol uitgelaten heeft over de persoon van klager en de suggestie wekt dat hij therapieën nodig heeft voor het vat krijgen op de realiteit en het aanleren van constructieve communicatievormen, wat zij slechts gebaseerd heeft op de eerdere reactie(s) van klager op LinkedIn. Het College acht artikelen E (respect), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en X (voorlichting over de jeugdhulp en jeugdbescherming) van de Beroepscode geschonden.

Gelet op het gegeven dat de klager zich zeer negatief uitgelaten heeft over de jeugdbescherming van Nederland en ook omdat de jeugdprofessional zich reflectief opgesteld heeft, ziet het College af van het opleggen van een maatregel.

Ten slotte wordt nog algemeen benadrukt dat het van belang is dat jeugdprofessionals zich bewust zijn van uitlatingen die zij, in hun functie van jeugdprofessional, doen op sociale media. Deze kunnen immers van invloed zijn op (het vertrouwen in) de gehele beroepsgroep en/of de jeugdzorg.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.442Ta

De klacht tegen de jeugdbeschermer is in beginsel op grond het Tuchtreglement, versie 1.3, verjaard. De moeder dient desgevraagd een gemotiveerd verzoek in om de klacht toch te behandelen. Daarbij stelt zij dat het handelen van de jeugdprofessional plaats vond op het moment dat een voorgaande versie van het Tuchtreglement gold, waarin een verjaringstermijn van vijf jaar was opgenomen. De voorzitter wijst het verzoek af. Hierbij wordt o.a. gewezen op het feit dat de moeder op de hoogte was van de veranderde verjaringstermijn. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt in dit geval dus niet.

Klaagster is de moeder van twee kinderen. De jeugdprofessional is als gedragswetenschapper in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken geweest bij het gezin van de moeder. De moeder heeft negen klachtonderdelen ingediend die zien op de periode van 25 januari 2016 tot 25 januari 2018. De klacht is ingediend op 7 november 2019.

Met de invoering van het Tuchtreglement versie 1.3, vervalt op grond van artikel 6.5. in beginsel de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar. De klacht is ingediend meer dan drie jaar na het handelen waarover geklaagd wordt en daarmee in beginsel verjaard. Volgens artikel 6.7 van het Tuchtreglement kan een klager toch ontvankelijk worden verklaard in de klacht, als hij/zij voldoende gemotiveerd duidelijk maakt waarom er niet eerder een klacht kon worden ingediend. De moeder heeft desgevraagd een motivering ingediend. De jeugdprofessional heeft hier verweer tegen gevoerd. Vervolgens heeft de voorzitter een beslissing genomen over de ontvankelijkheid van de moeder in haar klacht.

In haar onderbouwing  heeft de moeder (onder andere) aangevoerd dat het handelen van de jeugdprofessional ziet op de periode waarin de vorige versies van het Tuchtreglement van toepassing waren. In deze versies was een verjaringstermijn van vijf jaar opgenomen. De moeder heeft deze termijn in het achterhoofd gehouden voor het indienen van haar tuchtklacht. De moeder is niet van tevoren op de hoogte gesteld dat de verjaringstermijn werd verkort. De jeugdprofessional stelt zich in het verweer op het standpunt dat de door moeder genoemde redenen onvoldoende zijn om het verzoek toe te wijzen.

De voorzitter wijst het verzoek van de moeder af. De moeder heeft al eerder een tuchtprocedure gevoerd waar de verjaringstermijn een rol speelde. De moeder was dus al geruime tijd op de hoogte van de verkorte verjaringstermijn. Bovendien zou het volgen van het standpunt van de moeder, dat de handelingen hebben plaatsgevonden tijdens een periode waarin de vorige versies van het Tuchtreglement van toepassing waren, afbreuk doen aan de rechtszekerheid die het Tuchtreglement beoogt. Een jeugdprofessional mag niet te lang in onzekerheid leven met de wetenschap dat mogelijk een tuchtklacht kan worden ingediend.

De voorzitter handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder wordt in de gelegenheid gesteld om het ingediende klaagschrift aan te passen met inachtneming van de verjaringstermijn.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.308Ta

De jeugdprofessional heeft na een verzoek van de moeder haar registratienummer ten onrechte niet verstrekt. Het College houdt rekening met de beperkte gevolgen hiervan voor de moeder.

De ouders zijn gescheiden. Zij hebben een zoon en een dochter. De jeugdprofessional is vanwege bestaande zorgen bij het gezin van de moeder betrokken. De jeugdprofessional en de moeder hebben telefonisch contact gehad over de zorgen. Volgens de jeugdprofessional heeft haar collega samen met de vader een mondelinge melding gedaan bij Veilig Thuis.

De moeder verwijt de jeugdprofessional onder andere dat zij op het moment dat de moeder hierom heeft gevraagd, geen informatie heeft gegeven over haar SKJ registratie. Op grond van artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode dient een jeugdprofessional informatie over de Beroepscode en het daaraan gekoppelde Tuchtrecht te verstrekken. De jeugdprofessional heeft niet conform dit artikel gehandeld door haar registratienummer op verzoek niet te (laten) verstrekken. Zij heeft hiervoor haar excuses aangeboden. Het College houdt rekening met de beperkte gevolgen van dit verwijtbaar handelen voor de moeder. Zo heeft zij ondanks het ontbreken van het registratienummer toch een tuchtklacht in kunnen dienen. Het College ziet daarom af van het opleggen van een maatregel.

De overige klachtonderdelen die betrekking hebben op het telefoongesprek, het dossier en het niet beantwoorden van vragen zijn ongegrond. Het College kan niet vaststellen wat er precies gezegd is tijdens het telefoongesprek. Het is mogelijk dat de jeugdprofessional tijdens het telefoongesprek heeft gesproken over een zorgmelding in plaats van een melding van zorgen. Hoewel dat ongelukkig zou zijn, leidt dat niet tot de conclusie dat de jeugdprofessional buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden. De jeugdprofessional was verder niet verplicht om de moeder informatie over de hulpvraag van de vader te verstrekken en zij heeft de moeder schriftelijk geïnformeerd over de zorgen over de kinderen. Deze zorgen zijn voldoende concreet benoemd. Als de melding bij Veilig Thuis daadwerkelijk is gedaan, is dat na het indienen van de klacht gebeurd en is het begrijpelijk dat de klaagster geen antwoord heeft ontvangen op haar vragen over de melding bij Veilig Thuis.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.563Ta

Hoewel de klacht tegen de jeugdbeschermer in beginsel verjaard is, wordt verzocht de klacht in behandeling te nemen. De moeder heeft daartoe een verzoek ingediend waaruit zou moeten blijken dat zij niet eerder in de gelegenheid was de klacht in te dienen. Vanwege het gebrek aan onderbouwing, wijst de voorzitter het verzoek af. De verjaringstermijn van drie jaar wijzigt niet.

Klaagster is de moeder van vier kinderen. De jeugdprofessional is belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de kinderen. De klacht gaat over het handelen van de jeugdprofessional in de periode van 9 december 2014 tot 9 december 2016. De klacht is ingediend op 9 december 2019.

Met ingang van het Tuchtreglement versie 1.3 vervalt in beginsel de mogelijkheid tot het indienen van een klacht door verjaring na drie jaar (artikel 6.5 van het Tuchtreglement). Gelet op de indieningsdatum van de klacht en het handelen waarover geklaagd wordt, is de klacht in beginsel verjaard. Volgens artikel 6.7 van het Tuchtreglement kan een klager toch ontvankelijk worden verklaard als voldoende gemotiveerd is waarom hij of zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. De voorzitter heeft de moeder gevraagd om te motiveren waarom zij de klacht niet eerder kon indienen. De moeder heeft een motivering ingediend. Vervolgens heeft de voorzitter een beslissing genomen over de ontvankelijkheid van de moeder in haar klacht.

Ter onderbouwing heeft de moeder aangevoerd dat allemaal nieuwe informatie bekend is geworden na een andere klachtenprocedure tegen de jeugdprofessional. Deze informatie heeft de moeder doen laten inzien dat zaken niet overeenkomen met het beeld dat eerder door de jeugdprofessional is neergezet. De jeugdprofessional heeft volgens de moeder karaktermoord gepleegd en de moeder is daardoor getraumatiseerd. De moeder heeft EMDR moeten volgen om daarmee om te gaan. Nog steeds ondervindt de moeder hinder van het handelen van de jeugdprofessional in het dagelijks leven, in haar functioneren, en in haar vertrouwen en de samenwerking met jeugdbescherming.

In de beslissing concludeert de voorzitter dat de moeder haar motivatie niet voorzien heeft van enige onderbouwing. Door het gebrek aan onderbouwing is niet vast te stellen dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die het rechtvaardigen af te wijken van de vastgestelde verjaringstermijn van drie jaar. Het verzoek van de moeder wordt afgewezen vanwege het gebrek aan feitelijke grondslag.

De voorzitter handhaaft de verjaringstermijn zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder wordt op grond van artikel 7.6 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk verklaard in de klacht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.379Ta

Tegen een voogd wordt een klacht ingediend die gaat over zijn (voormalige) twitteraccount. Het eerste klachtonderdeel gaat over de daarop aangetroffen seksueel getinte tweets. De vader wordt in dat klachtonderdeel niet-ontvankelijk verklaard, omdat privégedragingen op grond van de eerste twee versies van het Tuchtreglement in beginsel niet tuchtrechtelijk getoetst kunnen worden. Het tweede klachtonderdeel wordt gegrond verklaard omdat de voogd tegenover de vader geen openheid gegeven heeft rondom het Twitteraccount.

De vader van een minderjarige dochter dient twee klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter, en opvolgend de voogdijmaatregel. Door de vader wordt een Twitteraccount aangetroffen waarvan de gebruikersnaam overeenkomt met de naam van de jeugdprofessional. Op het Twitteraccount staan seksueel getinte tweets.

Klachtonderdeel 1 gaat over de aangetroffen seksueel getinte tweets. Het College stelt vast dat het Twitteraccount tot medio juni 2018 van de jeugdprofessional is geweest. Voor wat betreft de normstelling ten aanzien van het plaatsen tot medio juni 2018 zijn de eerste twee versies van het Tuchtreglement van toepassing. Op grond van artikel 3.1 sub a en b van deze versies van het Tuchtreglement kan het College in beginsel slechts een oordeel geven over het beroepsmatig handelen van jeugdprofessionals. Dat kan slechts anders zijn wanneer sprake is van de in de jurisprudentie ontwikkelde uitzonderingsgrond. Die houdt in dat privégedragingen slechts tuchtrechtelijk beoordeeld kunnen worden wanneer deze gedragingen niet los gezien kunnen worden van de hoedanigheid van het zijn van jeugdprofessional, en waarbij de privégedragingen voldoende weerslag hebben op de kwaliteit van de jeugdhulpverlening. Het College ziet niet in op welke wijze het plaatsen van de tweets onder het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional kan vallen. Het gaat immers over tweets die geplaatst zijn via een Twitteraccount in de privésfeer, waarbij de jeugdprofessional zich niet profileert als zijnde een (gezins)voogd van een gecertificeerde instelling. De vader wordt niet-ontvankelijk in het klachtonderdeel verklaard.

In klachtonderdeel 2 wordt de jeugdprofessional verweten dat hij ontkend heeft dat de seksueel getinte tweets en het Twitteraccount van hem afkomstig zijn (geweest). Het College overweegt dat de jeugdprofessional in zijn functie als voogd van de dochter is aangesproken op de aangetroffen tweets. De daaropvolgende reactie van de jeugdprofessional heeft hij gedaan in de uitoefening van zijn beroep, het handelen wordt dan ook aangemerkt als beroepsmatig handelen. Het College stelt voorts vast dat de gemachtigde van de vader de jeugdprofessional op 12 maart 2019 heeft aangesproken op de tweets. Vervolgens heeft de jeugdprofessional pas in oktober 2019, in zijn verweerschrift voor deze tuchtprocedure, erkend dat hij tot juni 2018 de beheerder van het Twitteraccount is geweest. Geconstateerd wordt dat de jeugdprofessional daarvoor op geen enkele wijze openheid heeft gegeven tegenover de vader over het Twitteraccount, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. Het College betreurt deze gang van zaken, temeer omdat daarmee de verdere (en al moeizame) samenwerking tussen partijen niet is bevorderd. De jeugdprofessional heeft in strijd gehandeld met artikelen D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en F (informatievoorziening in over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

De maatregel van waarschuwing wordt opgelegd.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.425Ta

Klacht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd tegen een gezinshuisouder, die in de badkamer aanwezig is geweest terwijl de minderjarige onder de douche zijn gezicht en schaamstreek schoor. De gezinshuisouder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Hij is onvoldoende in staat gebleken om situatie-overstijgend te denken en een zorgvuldige afweging te maken, op het moment dat de minderjarige hem vroeg om hem, naast het scheren van zijn gezicht, ook te helpen bij het scheren van zijn schaamstreek. Ook heeft de jeugdprofessional onvoldoende collegiaal overleg gezocht en onvoldoende gereflecteerd op zijn handelen.

De jeugdprofessional wordt verweten dat hij onvoldoende professionele distantie heeft betracht door in de badkamer aanwezig te (willen) zijn, terwijl de minderjarige onder de douche zijn gezicht en schaamstreek schoor. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional met zijn handelen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft overtreden. Op het moment dat de minderjarige zijn hulpvraag onverwachts uitbreidde van het scheren van zijn gezicht, naar het scheren van zijn schaamstreek, is de jeugdprofessional onvoldoende in staat gebleken om situatie-overstijgend te denken en een zorgvuldige afweging te maken. Hiermee heeft hij de minderjarige in een te kwetsbare positie gebracht. Daarnaast heeft de jeugdprofessional onvoldoende collegiaal overleg gezocht en heeft hij onvoldoende gereflecteerd op zijn handelen. De jeugdprofessional heeft er geen blijk van gegeven dat hij inziet dat er passende alternatieven waren. De artikelen E (Respect), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden.
Het College legt aan de jeugdprofessional de maatregel van berisping op, zonder openbaarmaking van deze maatregel. Het College benadrukt dat de verwijtbaarheid niet zozeer gelegen is in de enkele aanwezigheid van de jeugdprofessional in de badkamer terwijl de minderjarige, onder de douche, zijn gezicht en schaamstreek schoor, maar dat er bij de jeugdprofessional te weinig inzicht is gezien dat hij een andere, meer zorgvuldige, afweging had kunnen maken.