Maak een selectie

457 van 457

   
College van Toezicht
31/08/2020
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 19.020Ta

De door de rechtbank opgelegde systeemtherapie is gedurende de ondertoezichtstelling niet van de grond gekomen, terwijl dat traject essentieel was om tussen klaagster en haar kinderen contactherstel te kunnen realiseren. De jeugdbeschermer heeft onder meer onvoldoende samenwerking gezocht met de zorgaanbieder van dat traject. Ook is het de jeugdbeschermer op verschillende onderdelen niet gelukt zich voldoende te positioneren.

Beroepscode: C (Bereid iedere cliënt te helpen) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | I (Beëindiging van de professionele relatie) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening)
Open
College van Toezicht
04/08/2020
Ongegrond - Geen maatregel

Zaaknummer: 19.494Ta

Een gecertificeerde instelling dient bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregel als eerste de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Slechts indien hiervan wordt afgezien kan een plan van aanpak worden opgesteld en conform dit plan gewerkt worden.

Beroepscode: F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Open
College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.005B

Het College van Beroep is van oordeel dat informatie geven aan een ouder over privégedragingen, zoals het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Wel dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten worden geplaatst op sociale media, deze vindbaar zijn voor derden en hier vragen over gesteld kunnen worden.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI die belast is geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de dochter, en opvolgend de voogdijmaatregel. Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 2 gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Zowel de vader als de jeugdprofessional zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 2. De jeugdprofessional wordt in dit klachtonderdeel verweten dat hij heeft ontkend dat de seksueel getinte tweets en het Twitteraccount van hem afkomstig zijn (geweest). Het College van Toezicht is van oordeel dat het op de weg van de jeugdprofessional lag om op enig moment tegenover de vader te erkennen dat hij tenminste tot juni 2018 de beheerder van het Twitteraccount is geweest. Dat de jeugdprofessional dit heeft nagelaten, acht het College van Toezicht kwalijk en niet bevorderend voor de verdere samenwerking tussen partijen. Het College van Toezicht is van oordeel dat de jeugdprofessional daarmee in strijd gehandeld heeft met artikel F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode, omdat hij heeft nagelaten de vader te voorzien van de voor de goede professionele relatie relevante informatie.

Het College van Beroep is in tegenstelling tot het College van Toezicht van oordeel dat de jeugdbeschermer artikel F van de Beroepscode niet geschonden heeft. Artikel F van de Beroepscode schrijft voor dat er voor de professionele relatie relevante informatie moet worden verschaft. Het College van Beroep overweegt echter dat informatie geven over privégedragingen, waaronder begrepen het beheren van een Twitteraccount en/of plaatsen van tweets, in beginsel niet wordt verstaan onder de voor de professionele relatie relevante informatie. Het College van Beroep overweegt voorts dat het zich kan voorstellen dat er situaties bestaan waarin een jeugdprofessional er geen moeite mee heeft om dergelijke informatie over zijn of haar privéleven te delen met cliënten. Daarnaast dient een jeugdprofessional zich ervan bewust te zijn dat als er (openbaar) berichten op sociale media worden geplaatst, deze vindbaar zijn voor derden en er vragen over gesteld kunnen worden. Hier (desgevraagd) open over zijn kan dan ook de samenwerkingsrelatie tussen de jeugdprofessional en de betreffende cliënt verbeteren. In deze situatie is het College van Beroep echter van oordeel dat het de jeugdprofessional niet tuchtrechtelijk verweten kan worden dat hij niet direct openheid van zaken heeft gegeven. Het College van Beroep is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel door het College van Toezicht ten onrechte gegrond is verklaard. De opgelegde maatregel van waarschuwing wordt ingetrokken.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007B

Het beroep van een vader slaagt niet. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om de beroepsgronden te onderbouwen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer bij de GI. De jeugdbeschermer is namens de GI belast geweest met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het College van Toezicht heeft klachtonderdelen 1, 3 en 4 ongegrond verklaard en klachtonderdeel 2 deels (on)gegrond. Er is geen maatregel opgelegd. De vader is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel vraagt de vader zich af in hoeverre werkinstructies uit 2010 relevant zijn voor het huidige handelen. Meer recentere werkinstructies gebaseerd op de methodiek complexe scheidingen zouden veel adequatere instructies geven aan jeugdprofessionals hoe zij zich kunnen verhouden voor wat betreft meerzijdige partijdigheid.

Het College van Beroep volgt de onderbouwing van de vader niet, aangezien niet is gebleken dat het College van Toezicht zich in het oordeel heeft gebaseerd op de methodiek uit 2010 die de vader in zijn beroepschrift aangehaald, noch heeft de vader gemotiveerd toegelicht wat er in meer recentere werkinstructies is opgenomen waardoor het oordeel van het College van Toezicht onjuist zou zijn. Het had op de weg van de vader gelegen om zijn beroepsgrond op dit onderdeel te onderbouwen. Hetzelfde geldt voor zover de vader in zijn beroepschrift heeft aangehaald dat het College van Toezicht in het oordeel vergeten is zaken te melden en/of zaken is vergeten te vragen. Het enkel volstaan met de stelling dat het College van Toezicht iets is vergeten te melden of vragen is onvoldoende ter onderbouwing van een beroepsgrond/grief. Het ligt op de weg van diegene die beroep instelt om te onderbouwen waarom bijvoorbeeld bepaalde informatie verkeerd is geïnterpreteerd of ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en waarom dit maakt dat het oordeel van het College van Toezicht onjuist is. De vader heeft nagelaten zijn beroepschrift op deze wijze te onderbouwen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.006B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een gedragswetenschapper bij de GI. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de moeder afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de moeder niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de moeder gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de moeder.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.010B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een moeder heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer bij de GI. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat zij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de moeder afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de moeder niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de moeder gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de moeder.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.011B

De voorzitter van het College van Beroep verwijst de zaak terug naar de voorzitter van het College van Toezicht. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in een beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard.

Een vader heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer bij de instelling. De voorzitter van het College van Toezicht heeft de vader in de gelegenheid gesteld om op grond van artikel 6.7 van het Tuchtreglement een gemotiveerd verzoek in te dienen waaruit blijkt dat hij niet eerder in de gelegenheid was om de klacht in te dienen. Vervolgens heeft de voorzitter van het College van Toezicht dit verzoek van de vader afgewezen en geoordeeld dat het klaagschrift aangepast dient te worden met inachtneming van de verjaringstermijn, zoals vastgesteld in artikel 6.5 van het Tuchtreglement. De vader is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

De voorzitter van het College van Beroep is van oordeel dat het op de weg van de voorzitter van het College van Toezicht had gelegen, voor zover zij van oordeel is dat het verzoek van de vader niet slaagt en de klacht aldus (deels) is verjaard, de vader gemotiveerd (deels) niet-ontvankelijk te verklaren in de klacht (artikel 7.6 sub a van het Tuchtreglement). Dat dit is nagelaten en dat enkel is geoordeeld dat het klaagschrift aanpassing behoeft met inachtneming van de verjaringstermijn acht de voorzitter van het College van Beroep een kennelijke misslag. Het ligt niet op de weg van de voorzitter van het College van Beroep om in de beroepsprocedure voor het eerst inhoudelijk te oordelen welk deel van de klacht al dan niet is verjaard en alsnog over te gaan tot het al dan niet (deels) niet-ontvankelijk verklaren van de vader.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.020Ta

De door de rechtbank opgelegde systeemtherapie is gedurende de ondertoezichtstelling niet van de grond gekomen, terwijl dat traject essentieel was om tussen klaagster en haar kinderen contactherstel te kunnen realiseren. De jeugdbeschermer heeft onder meer onvoldoende samenwerking gezocht met de zorgaanbieder van dat traject. Ook is het de jeugdbeschermer op verschillende onderdelen niet gelukt zich voldoende te positioneren.

Klaagster is de moeder van twee kinderen. Klaagster en haar ex-partner zijn in 2011 uit elkaar gegaan. De kinderen zijn van 25 januari 2016 tot 25 januari 2018 onder toezicht gesteld geweest, onder andere vanwege de communicatie op ouderniveau en het (ontbrekende) contact tussen klaagster en de kinderen. De jeugdbeschermer is vanaf 13 januari 2017 de uitvoerder van de ondertoezichtstelling geweest. Klaagster dient een klacht met vijftien klachtonderdelen in tegen de jeugdbeschermer.

Het College verklaart zeven klachtonderdelen gegrond. In juli 2017 heeft de rechtbank een duidelijke opdracht meegegeven in de beschikking, namelijk: systeemtherapie opstarten. Deze opdracht is echter onvoldoende ten uitvoer gebracht, terwijl het belang van het volgen van dat traject in de beschikking benadrukt was. Vastgesteld wordt dat de jeugdbeschermer onvoldoende samengewerkt heeft met de zorgaanbieder van de systeemtherapie (klachtonderdeel 1). Ook is de rechtbank onvoldoende geïnformeerd over het verloop van dat traject (klachtonderdeel 3). De jeugdbeschermer heeft daarnaast tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld rondom het al dan niet afgeven van een schriftelijke aanwijzing aan de vader (klachtonderdelen 4 en 6). Ook is de afsluiting van de ondertoezichtstelling onvoldoende zorgvuldig verlopen (klachtonderdeel 7) en is nagelaten een evaluatie met de zorgaanbieder van de systeemtherapie tot stand te laten komen (klachtonderdeel 9). Tot slot is niet binnen redelijke termijnen op e-mailberichten van de moeder gereageerd (klachtonderdeel 10).

Het verwijtbare nalaten ten aanzien van de verschillende gegrond verklaarde klachtonderdelen en geschonden artikelen uit de Beroepscode wordt de jeugdbeschermer ernstig kwalijk genomen. Het is de jeugdprofessional niet gelukt zich voldoende te positioneren, wat er mede voor gezorgd heeft dat de vader, en de kinderen, zich onttrokken hebben aan de door de rechtbank opgelegde systeemtherapie. Dat traject was echter een essentieel onderdeel om het contactherstel te kunnen realiseren en om de ontstane impasse in de casus te doorbreken. Er is echter ook gebleken dat de jeugdbeschermer, met beperkte ervaring, over onvoldoende tools beschikte om volgens haar beroepsnormen te handelen in deze complexe casus. Gezien de complexiteit in het eerste jaar van de ondertoezichtstelling, was het wenselijk geweest wanneer de GI – binnen de mogelijkheden – een meer ervaren jeugdbeschermer als uitvoerder van de ondertoezichtstelling had gekozen. Alles overwegende wordt aan de jeugdbeschermer een berisping opgelegd, zonder openbaarmaking van de maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.002Ta

Een jeugdbeschermer heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat zij in het bijzijn van derden, waaronder de grootvader van moederszijde waartegen de aangifte was gericht, mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter bij de zedenpolitie, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen.

De jeugdprofessional is werkzaam als jeugdbeschermer bij de GI en is in eerste instantie in het vrijwillig kader betrokken geweest bij de vader en de minderjarige dochter. De moeder is in 2014 overleden. Op 7 maart 2019 heeft de kinderrechter de dochter onder toezicht gesteld van de GI en de jeugdprofessional is namens de GI belast met de uitvoering daarvan. De dochter zit klem tussen de vader en de familie van de overleden moeder en bevindt zich daardoor in een loyaliteitsconflict.

Op 3 december 2018 heeft de vader aangifte gedaan van een zedendelict tegen de grootvader van moederszijde. Op 19 november 2019 is de dochter in een studioverhoor gehoord door de zedenpolitie. Op 20 november 2019 heeft de jeugdprofessional tijdens een gepland netwerkoverleg aan de vader, de grootouders en tante van moederszijde mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter. De vader heeft een klacht tegen de jeugdprofessional ingediend bestaande uit twee klachtonderdelen. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 1 verweten dat zij de privacy van de dochter heeft geschonden doordat zij in het netwerkoverleg mededelingen heeft gedaan over het studioverhoor van de dochter. Het College komt tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdeel 1 tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De jeugdprofessional heeft tijdens het netwerkoverleg van 20 november 2019, in het bijzijn van derden, mededelingen gedaan over het studioverhoor van de dochter, zonder dat zij daartoe vooraf aan de vader toestemming had gevraagd en verkregen. De jeugdprofessional heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode, artikel 7.3.11 lid 1 van de Jeugdwet en artikel 15 leden 1 en 2 van het Privacyreglement. Het College acht het voorstelbaar dat het bij de vader tot zorgen heeft geleid dat de jeugdprofessional de informatie over het studioverhoor in het netwerkoverleg heeft gedeeld, temeer nu de grootvader waartegen de aangifte van de vader was gericht daarbij aanwezig was. Hoewel het College inziet dat de jeugdprofessional het belang van de dochter voor ogen had (zij hoopte de obstakels tussen de vader en de familie van moederszijde weg te nemen), had zij naar het oordeel van het College het vertrouwelijke karakter van de informatie moeten begrijpen en hier terughoudend mee moeten omgaan. Zij had moeten inzien dat haar mededelingen in het licht van het lopende politieonderzoek voorbarig waren. Het had volgens het College op haar weg gelegen om de zedenpolitie te berichten dat zij het aan de zedenpolitie zou laten om (te zijner tijd) de resultaten van het politieonderzoek met betrokkenen te bespreken. Het College verklaart klachtonderdeel 1 dan ook gegrond. Het College houdt er rekening mee dat de jeugdprofessional met haar handelen het belang van de dochter voorop heeft willen stellen, in een complexe situatie werkte en gereflecteerd heeft op haar handelen. Het College ziet op grond van deze omstandigheden af van het opleggen van een maatregel.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.494Ta

Een gecertificeerde instelling dient bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregel als eerste de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Slechts indien hiervan wordt afgezien kan een plan van aanpak worden opgesteld en conform dit plan gewerkt worden.

De vader van een minderjarige zoon dient een klacht in bestaande uit vier klachtonderdelen. De klacht is gericht tegen de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 1 verweten dat zij met betrekking tot drie beschikkingen geen aanbod voor het opstellen van een familiegroepsplan heeft gedaan. De jeugdprofessional is een aantal maanden na aanvang van de ondertoezichtstelling als aanspreekpunt voor de vader bij de casus betrokken geraakt. Haar valt het derhalve niet te verwijten dat bij aanvang van de ondertoezichtstelling geen aanbod voor het opstellen van een familiegroepsplan is gedaan. Omdat vervolgens conform het plan van aanpak is gewerkt behoorde het opstellen van een familiegroepsplan niet meer tot de mogelijkheden. Het College oordeelt dat het beter was geweest als de jeugdprofessional, die als aanspreekpunt voor de vader was aangesteld, de vader hierover had geïnformeerd.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional het beleid van de GI, voor wat betreft het familiegroepsplan, toegelicht. Het College stelt vast dat het beleid van de GI niet conform de Jeugdwet is. Het ligt op de weg van een bij SKJ geregistreerd jeugdprofessional om beleid van de (gecertificeerde) instelling of organisatie, te toetsen aan de beroepsstandaard. Indien het beleid niet overeenkomt met de beroepsstandaard dient de jeugdprofessional dit via de gebruikelijke kanalen aan de orde te stellen. Dit volgt uit artikel P (aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.437Ta

Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de jeugdprofessional diplomafraude heeft gepleegd, waardoor de registratie bij SKJ niet legitiem is.

De klager is de voormalig leidinggevende van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional is in december 2016 in dienst getreden bij de instelling. Vanaf december 2018 is hij werkzaam als pedagogisch medewerker. Begin augustus 2019 heeft de jeugdprofessional intern gesolliciteerd op een andere functie. De jeugdprofessional heeft hiervoor een curriculum vitae (cv) aangeleverd. Dit cv bleek af te wijken van het cv dat al in het personeelsdossier zat waardoor er onduidelijkheid is ontstaan over het diploma Sociaal Pedagogische Hulpverlening van de jeugdprofessional.

De klacht heeft betrekking op de vermeende diplomafraude van de jeugdprofessional. Op het diploma staat vermeld dat het behaald is op 11 maart 2015, maar het logo van de onderwijsinstelling dat op het diploma staat, wordt sinds 2010 niet meer gebruikt. De persoon die het diploma namens de examencommissie heeft ondertekend, is sinds 2014 niet meer werkzaam bij de onderwijsinstelling. Ook is de naam van deze persoon fout gespeld en ontbreken er punten en komma’s op het diploma. De jeugdprofessional blijkt bovendien niet bekend te zijn bij de onderwijsinstelling.

Het College verklaart de klacht gegrond. De jeugdprofessional heeft de klacht naar het oordeel van het College niet, dan wel onvoldoende, weersproken. Het College stelt daarom vast dat de jeugdprofessional op basis van een vals diploma heeft gewerkt, oftewel diplomafraude heeft gepleegd. Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen en ondermijnt het vertrouwen in de jeugdhulp, de beroepsuitoefening en/of het aanzien van het beroep. Het College meent dat het vertrouwen in het zuiverend vermogen van de beroepsgroep aanmerkelijk wordt geschaad wanneer de registratie van de jeugdprofessional in stand blijft. Vanuit het oogpunt van deugdelijke en betrouwbare jeugdhulp is dit ook niet verantwoord. Bovendien is de registratie van de jeugdprofessional, omdat hij geen passende opleiding heeft genoten, niet legitiem. Voorkomen dient te worden dat de jeugdprofessional bij een volgende jeugdzorginstelling gaat werken onder dezelfde voorwendselen en mogelijk opnieuw kwetsbare jongeren aan zijn zorg worden toevertrouwd.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.500Ta

Een jeugd- en gezinswerker schiet tekort in de communicatie met de moeder en heeft onder andere nagelaten het dossier en de voorwaarden voor de begeleide omgang tijdig aan de moeder te verstrekken.

De moeder van een minderjarige zoon dient een klacht in bestaande uit dertien klachtonderdelen. De klacht is gericht tegen een jeugdprofessional die werkzaam is als jeugd- en gezinswerker. De jeugdprofessional is in het vrijwillig kader betrokken geraakt. Het doel van het traject is de omgang tussen de zoon en de vader opnieuw tot stand te brengen.

De klachtonderdelen 1, 9, 11 en 13 zijn (gedeeltelijk) gegrond. De klachtonderdelen 3, 4, 6, 10 en 12 zijn ongegrond. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 2, 5, 7 en 8.
Deze samenvatting ziet toe op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen.

Klachtonderdeel 1 heeft betrekking op toezending van het dossier. De jeugdprofessional heeft het dossier vier-en-een-halve maand na het verzoek aan de moeder overhandigd. Hiermee heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en is artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 9 verweten dat zij het plan van aanpak over de begeleide omgang te laat aan de moeder heeft toegezonden. De jeugdprofessional heeft de voorwaarden voor de begeleide omgang zes weken na het verzoek van de moeder verstrekt. Het eerste begeleide omgangsmoment had toen al plaatsgevonden. Het College overweegt dat van de jeugdprofessional verwacht mag worden dat zij de afspraken/voorwaarden over de begeleide omgang tijdig, maar in ieder geval voordat de omgang weer voor het eerst plaats zou gaan vinden aan de moeder doet toekomen. Door dit na te laten heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. In klachtonderdeel 11 verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij geen terugkoppeling van het gesprek met de gedragsdeskundige heeft gegeven. Volgens het College had het op de weg gelegen van de jeugdprofessional om de moeder over de uitkomst van de gesprekken met de gedragsdeskundige te informeren. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden. Klachtonderdeel 13, waarin de jeugdprofessional – onder meer – wordt verweten dat zij de moeder slechts vijf dagen voor het bijeenkomen van de Jeugdbeschermingstafel de rapportage heeft verstrekt, is gegrond. De moeder heeft hierdoor onvoldoende tijd gekregen om te kunnen reageren en haar zienswijze te overleggen, wat het College in strijd acht met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en M (Verslaglegging/dossiervorming). Voor het overige is klachtonderdeel 13 ongegrond.

Het College houdt rekening met de complexe situatie waarin de jeugdprofessional moest werken en acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.