Maak een selectie

552 van 552

   
College van Toezicht
19/04/2021
Gedeeltelijk gegrond - Geen maatregel
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.157Ta

Een gedragswetenschapper heeft een collega onvoldoende passend advies gegeven en onvoldoende ondersteund bij het doen van een Veilig Thuis melding. De melding is op onjuiste gronden gedaan en het voornemen van de melding had met de ouders besproken moeten worden.

Klagers zijn de ouders van een zoon die uitzonderlijk hoogbegaafd is. De zoon is vastgelopen in het onderwijs. Er zijn verschillende jeugdhulp organisaties betrokken geweest, waaronder het gebiedsteam van de gemeente en een instelling op het gebied van hoogbegaafdheid. De visie van deze instelling (en de ouders) over de in te zetten hulpverlening werd door het gebiedsteam niet onderschreven. Het gevolg was een verschil in visie tussen de ouders en het gebiedsteam. Op enig moment heeft de gebiedsteam medewerker een Veilig Thuis melding gedaan, mede op advies van de gedragswetenschapper. De gedragswetenschapper heeft geen eigen dossiers waarvoor zij (eind)verantwoordelijk is.

De klacht van de ouders kent 2 onderdelen. Klachtonderdeel 1 gaat over de Veilig thuis melding, waarbij de gedragswetenschapper drie verwijten worden gemaakt. Het College acht twee van de drie verwijten gegrond. Klachtonderdeel 2 gaat over het delen van informatie met school zonder de vereiste toestemming. Dit klachtonderdeel heeft echter geen betrekking op de gedragswetenschapper maar op haar collega. Daarom worden de ouders niet-ontvankelijk in dit klachtonderdeel verklaard. Onderstaande samenvatting gaat in op de functie van de gedragswetenschapper, gerelateerd aan de Beroepscode NVO. Daarnaast wordt ingegaan op de motivering van het College van de twee gegrond verklaarde verwijten van klachtonderdeel 1, en de opgelegde maatregel.

Adviserende en ondersteunende functie:
Vanwege de adviserende en ondersteunende functie van de gedragswetenschapper, gaat het College onder 5.1.5 van de beslissing eerst in op de vraag of het beroepsmatig handelen van de gedragswetenschapper getoetst kan worden aan de professionele standaard. Het College oordeelt dat dit het geval is met verwijzing naar artikel 2 (handelen naar inhoud en geest van de beroepscode), lid 4, van de Beroepscode NVO. Daarin wordt namelijk bepaald dat de Beroepscode NVO ook leidend is in gevallen wanneer de pedagoog geen directe contacten heeft met cliënten maar advies, begeleiding of ondersteuning biedt aan collega’s. Het College toetst de artikelen van de Beroepscode in dit geval dan ook aan de adviserende/ondersteunende rol van de gedragswetenschapper.

Het niet volgen van de meldcode:
De gedragswetenschapper wordt verweten dat zij de verplichte meldcode niet gevolgd heeft, omdat haar collega de voorgenomen Veilig Thuis melding niet met de ouders heeft besproken.
Het College overweegt dat de wettelijke meldcode jeugdprofessionals handvatten biedt bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Aan de hand van de verplichte vijf stappen van de meldcode bepalen jeugdprofessionals of het doen van een Veilig Thuis melding aangewezen is óf dat er voldoende (andere) hulp kan worden ingezet. Stap drie is het voeren van een gesprek met de betrokkene(n). Daarvan kan alleen worden afgezien als er direct gevaar dreigt voor de betrokken jeugdige(n) en/of de jeugdprofessional. Dit is ook opgenomen onder artikel 12 (wettelijke meldrechten), lid 1, van de Beroepscode NVO, en in de richtlijn ‘Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. In dit geval was er geen sprake van uitzonderlijke situatie op grond waarvan afgezien moest worden van een gesprek. Het had daarom op de weg van de gedragswetenschapper gelegen om haar collega te adviseren dat met de ouders een gesprek gevoerd moest worden. Het verwijt is derhalve gegrond.

Onjuiste gronden Veilig Thuis melding:
Voorts wordt de gedragswetenschapper verweten dat zij door het doen van de Veilig Thuis melding misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie.
Het College overweegt dat er zorgen waren over de ontwikkeling van de zoon, en dat er tussen het gebiedsteam en de ouders een visieverschil ontstond over de vraag welke hulp passend was en voldoende aansloot bij de hulpvraag van de zoon. Om deze reden is de gebiedsteam medewerker overgegaan tot het doen van een Veilig Thuis melding, mede op advies van de gedragswetenschapper. Veilig Thuis is er als instantie echter voor advisering over, ondersteuning bij en het melden van (vermoedens van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Van dergelijke vermoedens was geen sprake. Daarom acht het College het onnavolgbaar en onterecht dat de Veilig Thuis melding gedaan is. Het behoort tot de deskundigheid van een jeugdprofessional om te weten in welke gevallen Veilig Thuis benaderd dient te worden. Het College oordeelt dat de gedragswetenschapper in de samenwerking met haar collega de Beroepscode op dit punt onjuist heeft toegepast en een niet passend advies gegeven, wat in strijd is met artikel 30 (verantwoordelijkheid bij samenwerking en bij de inzet van anderen), lid 1, van de Beroepscode NVO.
Het College wijst volledigheidshalve op de mogelijkheid om met Veilig Thuis een casus telefonisch (en anoniem) te bespreken (zie ook stap 2 van de meldcode).

Maatregel:
Het College legt de gedragswetenschapper een berisping (zonder openbaarmaking) op. Daarbij wordt overwogen dat een Veilig Thuis melding als een verstrekkende stap in een hulpverleningstraject wordt gezien, en dat de gedragswetenschapper onvoldoende reflectief vermogen heeft getoond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.054Ta

Een gebiedsteam medewerker van de gemeente heeft op onjuiste gronden een Veilig Thuis melding gedaan. Daarnaast had het voornemen van de melding met de ouders besproken moeten worden.

Klagers zijn de ouders van een zoon die uitzonderlijk hoogbegaafd is. De zoon is vastgelopen in het onderwijs. Er zijn verschillende jeugdhulp organisaties betrokken geweest, waaronder het gebiedsteam van de gemeente en een instelling op het gebied van hoogbegaafdheid. De visie van deze instelling (en de ouders) over de in te zetten hulpverlening werd door het gebiedsteam niet onderschreven. Het gevolg was een verschil in visie tussen de ouders en het gebiedsteam. Op enig moment heeft de gebiedsteam medewerker een Veilig Thuis melding gedaan, mede op advies van de betrokken gedragswetenschapper van het gebiedsteam.

De klacht van de ouders kent 2 onderdelen. Klachtonderdeel 1 gaat over de Veilig thuis melding, waarbij de gebiedsteam medewerker drie verwijten worden gemaakt. Het College acht twee van de drie verwijten gegrond. Klachtonderdeel 2 gaat over het delen van informatie met school zonder de vereiste toestemming. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond. Onderstaande samenvatting gaat in op de motivering van het College van de twee gegrond verklaarde verwijten van klachtonderdeel 1, en de opgelegde maatregel.

Het niet volgen van de meldcode:
De jeugdprofessional wordt verweten dat zij de verplichte meldcode niet gevolgd heeft, omdat zij de voorgenomen Veilig Thuis melding niet met de ouders heeft besproken.
Het College overweegt dat de wettelijke meldcode jeugdprofessionals handvatten biedt bij vermoedens van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Aan de hand van de verplichte vijf stappen van de meldcode bepalen jeugdprofessionals of het doen van een Veilig Thuis melding aangewezen is óf dat er voldoende (andere) hulp kan worden ingezet. Stap drie is het voeren van een gesprek met de betrokkene(n). Daarvan kan alleen worden afgezien als er direct gevaar dreigt voor de betrokken jeugdige(n) en/of de jeugdprofessional. Dit is ook opgenomen onder artikel K (vermoeden kindermishandeling) van de Beroepscode en in de richtlijn ‘Richtlijn Kindermishandeling voor jeugdhulp en jeugdbescherming’. In dit geval was er geen sprake van uitzonderlijke situatie op grond waarvan afgezien moest worden van een gesprek. Het verwijt is derhalve gegrond. De jeugdprofessional heeft ook erkend dat zij op dit punt de meldcode niet heeft gevolgd.

Onjuiste gronden Veilig Thuis melding:
Voorts wordt de jeugdprofessional verweten dat zij door het doen van de Veilig Thuis melding misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie.
Het College overweegt dat er zorgen waren over de ontwikkeling van de zoon, en dat er tussen het gebiedsteam en de ouders een visieverschil ontstond over de vraag welke hulp passend was en voldoende aansloot bij de hulpvraag van de zoon. Om deze reden is de gebiedsteam medewerker overgegaan tot het doen van een Veilig Thuis melding. Veilig Thuis is er als instantie echter voor advisering over, ondersteuning bij en het melden van (vermoedens van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Van dergelijke vermoedens was geen sprake. Daarom acht het College het onnavolgbaar en onterecht dat de Veilig Thuis melding gedaan is. Het behoort tot de deskundigheid van een jeugdprofessional om te weten in welke gevallen Veilig Thuis benaderd dient te worden. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional haar gezag ten opzichte van de betrokkene(n) niet ten positieve heeft aangewend, wat in strijd is met artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode.
Het College wijst volledigheidshalve op de mogelijkheid om met Veilig Thuis een casus telefonisch (en anoniem) te bespreken (zie ook stap 2 van de meldcode).

Maatregel:
Het College legt de jeugdprofessional een berisping (zonder openbaarmaking) op. Daarbij wordt overwogen dat een Veilig Thuis melding als een verstrekkende stap in een hulpverleningstraject wordt gezien, en dat de jeugdprofessional onvoldoende reflectief vermogen heeft getoond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Ta

Een ambulant hulpverlener wordt verweten dat hij selectief informatie uit een rapportage heeft gebruikt, over die informatie niet in gesprek wilde en niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had kunnen doen.

Een moeder van vier (minderjarige) kinderen heeft twee klachtonderdelen ingediend tegen een ambulant hulpverlener (hierna te noemen: de jeugdprofessional). De jeugdprofessional werkte samen met een gedragswetenschapper, beklaagde jeugdprofessional in zaaknummer 20.053Tb. Na verwijzing door de casemanager van de gemeente heeft de jeugdprofessional met de gedragswetenschapper een traject opgestart. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij selectief informatie uit de rapportage heeft gebruikt dan wel achterwege heeft gelaten. Daarbij weigerde de jeugdprofessional met de moeder over die informatie in gesprek te gaan. Het College is van oordeel dat de feiten en gronden waarop dit klachtonderdeel berust onvoldoende duidelijk en concreet zijn. Nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt, kan het College geen inhoudelijk oordeel hierover geven. Derhalve is het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Ten overvloede bespreekt het College wel de drie voorbeelden van de moeder gegeven in de toelichting bij dit klachtonderdeel.

In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat hij niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had moeten doen. Het College is van oordeel dat de moeder haar verwijt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij overweegt het College dat de betrokkenheid van de jeugdprofessional beperkt is gebleven tot de oriënterende fase van het traject. De jeugdprofessional is niet toegekomen aan de tweede fase, de behandelfase, waarin hij daadwerkelijk hulp had kunnen verlenen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.053Tb

Een gedragswetenschapper wordt verweten dat zij selectief informatie uit een rapportage heeft gebruikt, over die informatie niet in gesprek wilde en niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had kunnen doen.

Een moeder van vier (minderjarige) kinderen heeft twee klachtonderdelen ingediend tegen een gedragswetenschapper (hierna te noemen: de jeugdprofessional). De jeugdprofessional werkte samen met een ambulant hulpverlener, beklaagde jeugdprofessional in zaaknummer 20.053Ta. Na verwijzing door de casemanager van de gemeente heeft de jeugdprofessional met de ambulant hulpverlener een traject opgestart. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij selectief informatie uit de rapportage heeft gebruikt dan wel achterwege heeft gelaten. Daarbij weigerde de jeugdprofessional met de moeder over die informatie in gesprek te gaan. Het College is van oordeel dat de feiten en gronden waarop dit klachtonderdeel berust onvoldoende duidelijk en concreet zijn. Nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan het verwijt, kan het College geen inhoudelijk oordeel hierover geven. Derhalve is het klachtonderdeel ongegrond verklaard. Ten overvloede bespreekt het College wel de drie voorbeelden van de moeder gegeven in de toelichting bij dit klachtonderdeel.

In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij niet concreet heeft gemaakt wat de moeder in de communicatie anders had moeten doen. Het College is van oordeel dat de moeder haar verwijt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij overweegt het College dat de betrokkenheid van de jeugdprofessional beperkt is gebleven tot de oriënterende fase van het traject. De jeugdprofessional is niet toegekomen aan de tweede fase, de behandelfase, waarin zij daadwerkelijk hulp had kunnen verlenen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.002B

Het beroep van een jeugdbeschermer slaagt niet. De jeugdbeschermer heeft onvoldoende waarde gehecht aan de visie van betrokken hulpverlening. Daarnaast heeft zij onvoldoende gereflecteerd op haar professionele handelen.

De jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer, is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht waarin aan haar de maatregel van berisping is opgelegd, met openbaarmaking van deze maatregel. Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de jeugdprofessional onvoldoende waarde heeft gehecht aan de visie van een betrokken hulpverleningsinstantie en de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van een verzoek tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

In beroep heeft de jeugdprofessional toegelicht dat ze anders had kunnen en moeten handelen, onder andere door stelliger op te treden om zo informatie van de hulpverleningsinstantie te krijgen.
Het College van Beroep ziet echter geen aanleiding om het oordeel van het College van Toezicht te vernietigen. Van de jeugdprofessional mag verwacht worden dat zij een uitgedacht plan had en concreet en objectief kon onderbouwen waarom een wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen zou leiden tot een verbetering van hun klempositie. Het College van Beroep is van oordeel dat juist in een situatie waarin kinderen wisselende signalen geven, afstemming gezocht moet worden met betrokken hulpverlening. De jeugdprofessional heeft dit nagelaten.

Daarnaast is de jeugdprofessional in beroep gegaan tegen de overweging van het College van Toezicht met betrekking tot haar reflectief vermogen. Het College van Beroep heeft, net als het College van Toezicht, onvoldoende compassie bij de jeugdprofessional gezien voor de situatie waarin de moeder heeft verkeerd. Daarnaast is er weinig erkenning gehoord bij de jeugdprofessional voor de impact die haar handelen op de moeder en de kinderen heeft gehad.

Het beroep van de jeugdprofessional slaagt niet. Het College van Beroep laat de beslissing van het College van Toezicht en de opgelegde maatregel van berisping, met openbaarmaking van deze maatregel, in stand.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.110Ta

Een jeugdbeschermer in het drangkader heeft voortvarend willen handelen, maar daardoor is onvoldoende afgestemd met de moeder als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen. Daarnaast is een fonds aangevraagd zonder de vereiste toestemming van de moeder. Ook wordt de vraag beantwoord of het gebruik van een toestemmingsformulier verplicht is in het vrijwillig kader.

Klaagster is de moeder van twee dochters. Kort na aanvang van de betrokkenheid van de jeugdbeschermer is de alimentatie- en omgangsprocedure bij de rechtbank tussen de moeder en haar ex-partner. In de beschikking is opgenomen dat de moeder en haar ex-partner in gesprek zullen gaan met het Omgangshuis of Humanitas BOR en dat de jeugdbeschermer daarvoor het contact legt. Ook is opgenomen dat de erkenning van de jongste dochter bij de gemeente geregeld wordt.

De moeder dient een klacht in met verschillende verwijten rondom het handelen van de jeugdbeschermer, die voornamelijk zien op de afstemming met haar. In deze samenvatting wordt ingegaan op de drie verwijten die gegrond verklaard zijn en op de vraag of het gebruik van een toestemmingsformulier verplicht is in het vrijwillig kader.

De gegronde verwijten:
Met betrekking tot de omgangstrajecten zijn twee mogelijkheden in de beschikking genoemd. Vanwege (praktische) organisatorische redenen heeft de jeugdbeschermer enkel de BOR voorgesteld. Deze uitleg is echter op geen enkel moment aan de moeder gegeven en haar e-mail met vragen daarover is nooit beantwoord. Ook is op een gegeven moment een aanvraag gedaan voor een fonds ter financiering van de DNA-test die zou worden afgenomen bij de jongste dochter en de ex-partner. Ook de daarover gestelde vragen vanuit de moeder zijn niet beantwoord. De jeugdbeschermer heeft in beide gevallen tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, omdat het onder zijn verantwoordelijkheid valt om aan cliënt(en) voldoende uitleg te verschaffen, waaronder ook eventuele onmogelijkheden en eventuele vragen van cliënten besproken en beantwoord dienen te worden. Op deze wijze kan de uiteindelijke keuze in samenspraak en in verbinding met de cliënt(en) genomen worden. Tot slot is de aanvraag gedaan voor het fonds, waarin persoonsgegevens van de jongste dochter gedeeld zijn, zonder de vereiste toestemming van de moeder. Artikelen G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode zijn geschonden en er is onvoldoende gehandeld volgens de richtlijn “Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming”.
Het College heeft afgezien van het opleggen van een maatregel, omdat het voldoende aannemelijk geacht wordt dat de jeugdbeschermer voortvarend heeft willen handelen zowel in het belang van de kinderen als op basis van de lopende procedure bij de rechtbank. Bovendien heeft hij gereflecteerd op zijn handelen en erkend dat op bepaalde punten de afstemming met moeder onvoldoende is geweest.

Toestemmingsformulier geen wettelijk vereiste:
Onder 4.1.3 van de beslissing wordt algemeen ingegaan op de vraag of in het vrijwillig kader het gebruik van een toestemmingsformulier verplicht is. In het vrijwillig kader dient alles in overeenstemming en met toestemming van de betreffende cliënten plaats te vinden. Het geven van toestemming is op grond van de Jeugdwet echter vormvrij, wat betekent dat toestemming zowel mondeling als schriftelijk mag worden gegeven. Het gebruik van een toestemmingsformulier en het plaatsen van een handtekening, hoewel een dergelijke vorm de voorkeur heeft, is dan ook geen vereiste. Toestemming dient wel gericht gegeven te worden. Met betrekking tot informatie-uitwisseling houdt dat in dat de cliënt geïnformeerd wordt waarvoor de toestemming nodig is, wie de informatie verstrekt, wie of welke instantie de informatie ontvangt en om welke informatie het specifiek gaat. In het geval toestemming mondeling wordt verkregen, dient een jeugdprofessional dat vast te leggen in het dossier. Het College verwijst hiervoor naar de richtlijn “Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming” (herziene versie 2020), pagina 60 (toestemming voor informatie-uitwisseling) en pagina 54 (toestemming voor het starten van hulp). Bij mondelinge gegeven toestemming verdient het volgens het College bovendien de voorkeur een schriftelijke terugkoppeling te geven aan (of te vragen van) de cliënt, bijvoorbeeld per e-mail, waarin vermeld wordt wanneer en waarvoor toestemming is verleend.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.215Ta

Een jeugdbeschermer wordt verweten dat zij onzorgvuldig is in haar besluitvorming, haar afspraken niet nakomt en niet tijdig een plan van aanpak heeft opgesteld.

Een moeder van vier minderjarige kinderen heeft drie klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die namens de GI belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van haar twee jongste kinderen. Het College van Toezicht (hierna te noemen: het College) heeft de klachten tegen de twee in deze casus samenwerkende jeugdprofessionals gezamenlijk behandeld. Het College heeft de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

In het eerste klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is in haar besluitvorming. De moeder heeft dit verwijt toegelicht met drie voorbeelden, waaronder het volgens de moeder eenzijdig stopzetten door de jeugdprofessional van de omgang in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus. Het College heeft allereerst geoordeeld dat de jeugdprofessional in een complexe situatie heeft moeten handelen. Wat betreft het stopzetten van de omgang in verband met de ontwikkelingen rondom het coronavirus oordeelt het College dat gelet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor de omgang via fysiek contact tijdelijk werd stopgezet, maar ook het feit dat de jeugdprofessional gezocht heeft naar alternatieven en de fysieke omgang redelijk snel is hervat, maakt dat de jeugdprofessional onder de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Alles overziend, waaronder ook het handelen van de jeugdprofessional wat betreft de twee andere voorbeelden, is het College van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de jeugdprofessional onzorgvuldig is geweest in haar besluitvorming.

In het tweede klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij haar afspraken niet nakomt. De moeder licht dit toe met twee voorbeelden. Het College overweegt dat het handelen van de jeugdprofessional beter had gekund door duidelijk te communiceren over het organiseren van een MDO, maar acht het te verstrekkend om op grond van dit voorbeeld te oordelen dat de jeugdprofessional haar afspraken niet nakomt. Het andere voorbeeld over het (tijdig) reageren op de e-mailberichten leidde evenmin tot een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel.

Tot slot verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij niet tijdig een plan van aanpak heeft opgesteld. Het College maakt hier een onderscheid tussen het opstellen van een plan van aanpak bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregelen en gedurende de looptijd van de kinderbeschermingsmaatregel. In dit geval is het College van oordeel dat de jeugdprofessional met haar handelen, waaronder het dynamisch registreren, heeft gehandeld binnen de kaders van de wet.