Maak een selectie

442 van 442

   
College van Toezicht
04/08/2020
Ongegrond - Geen maatregel

Zaaknummer: 19.494Ta

Een gecertificeerde instelling dient bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregel als eerste de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Slechts indien hiervan wordt afgezien kan een plan van aanpak worden opgesteld en conform dit plan gewerkt worden.

Beroepscode: F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) | Q (Toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep)
Open
College van Toezicht
28/07/2020
Gegrond - Doorhaling met ontzegging recht wederom inschrijven

Zaaknummer: 20.106Ta

De jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, heeft nagalaten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige en heeft de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) | S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie)
Richtlijnen: Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP)
Open
College van Toezicht
28/07/2020
Gegrond - Doorhaling met ontzegging recht wederom inschrijven

Zaaknummer: 20.106Ta

De jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, heeft nagalaten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige en heeft de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) | S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie)
Richtlijnen: Kinderen van ouders met psychische problemen (KOPP)
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.494Ta

Een gecertificeerde instelling dient bij aanvang van de kinderbeschermingsmaatregel als eerste de mogelijkheid te bieden om, binnen een redelijke termijn, een familiegroepsplan op te stellen. Slechts indien hiervan wordt afgezien kan een plan van aanpak worden opgesteld en conform dit plan gewerkt worden.

De vader van een minderjarige zoon dient een klacht in bestaande uit vier klachtonderdelen. De klacht is gericht tegen de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de zoon. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1.

De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 1 verweten dat zij met betrekking tot drie beschikkingen geen aanbod voor het opstellen van een familiegroepsplan heeft gedaan. De jeugdprofessional is een aantal maanden na aanvang van de ondertoezichtstelling als aanspreekpunt voor de vader bij de casus betrokken geraakt. Haar valt het derhalve niet te verwijten dat bij aanvang van de ondertoezichtstelling geen aanbod voor het opstellen van een familiegroepsplan is gedaan. Omdat vervolgens conform het plan van aanpak is gewerkt behoorde het opstellen van een familiegroepsplan niet meer tot de mogelijkheden. Het College oordeelt dat het beter was geweest als de jeugdprofessional, die als aanspreekpunt voor de vader was aangesteld, de vader hierover had geïnformeerd.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional het beleid van de GI, voor wat betreft het familiegroepsplan, toegelicht. Het College stelt vast dat het beleid van de GI niet conform de Jeugdwet is. Het ligt op de weg van een bij SKJ geregistreerd jeugdprofessional om beleid van de (gecertificeerde) instelling of organisatie, te toetsen aan de beroepsstandaard. Indien het beleid niet overeenkomt met de beroepsstandaard dient de jeugdprofessional dit via de gebruikelijke kanalen aan de orde te stellen. Dit volgt uit artikel P (aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel Q (toetsing beroepsmatig en functioneel handelen aan de waarden en normen van het beroep) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.437Ta

Het College van Toezicht heeft geoordeeld dat de jeugdprofessional diplomafraude heeft gepleegd, waardoor de registratie bij SKJ niet legitiem is.

De klager is de voormalig leidinggevende van de jeugdprofessional. De jeugdprofessional is in december 2016 in dienst getreden bij de instelling. Vanaf december 2018 is hij werkzaam als pedagogisch medewerker. Begin augustus 2019 heeft de jeugdprofessional intern gesolliciteerd op een andere functie. De jeugdprofessional heeft hiervoor een curriculum vitae (cv) aangeleverd. Dit cv bleek af te wijken van het cv dat al in het personeelsdossier zat waardoor er onduidelijkheid is ontstaan over het diploma Sociaal Pedagogische Hulpverlening van de jeugdprofessional.

De klacht heeft betrekking op de vermeende diplomafraude van de jeugdprofessional. Op het diploma staat vermeld dat het behaald is op 11 maart 2015, maar het logo van de onderwijsinstelling dat op het diploma staat, wordt sinds 2010 niet meer gebruikt. De persoon die het diploma namens de examencommissie heeft ondertekend, is sinds 2014 niet meer werkzaam bij de onderwijsinstelling. Ook is de naam van deze persoon fout gespeld en ontbreken er punten en komma’s op het diploma. De jeugdprofessional blijkt bovendien niet bekend te zijn bij de onderwijsinstelling.

Het College verklaart de klacht gegrond. De jeugdprofessional heeft de klacht naar het oordeel van het College niet, dan wel onvoldoende, weersproken. Het College stelt daarom vast dat de jeugdprofessional op basis van een vals diploma heeft gewerkt, oftewel diplomafraude heeft gepleegd. Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen en ondermijnt het vertrouwen in de jeugdhulp, de beroepsuitoefening en/of het aanzien van het beroep. Het College meent dat het vertrouwen in het zuiverend vermogen van de beroepsgroep aanmerkelijk wordt geschaad wanneer de registratie van de jeugdprofessional in stand blijft. Vanuit het oogpunt van deugdelijke en betrouwbare jeugdhulp is dit ook niet verantwoord. Bovendien is de registratie van de jeugdprofessional, omdat hij geen passende opleiding heeft genoten, niet legitiem. Voorkomen dient te worden dat de jeugdprofessional bij een volgende jeugdzorginstelling gaat werken onder dezelfde voorwendselen en mogelijk opnieuw kwetsbare jongeren aan zijn zorg worden toevertrouwd.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.500Ta

Een jeugd- en gezinswerker schiet tekort in de communicatie met de moeder en heeft onder andere nagelaten het dossier en de voorwaarden voor de begeleide omgang tijdig aan de moeder te verstrekken.

De moeder van een minderjarige zoon dient een klacht in bestaande uit dertien klachtonderdelen. De klacht is gericht tegen een jeugdprofessional die werkzaam is als jeugd- en gezinswerker. De jeugdprofessional is in het vrijwillig kader betrokken geraakt. Het doel van het traject is de omgang tussen de zoon en de vader opnieuw tot stand te brengen.

De klachtonderdelen 1, 9, 11 en 13 zijn (gedeeltelijk) gegrond. De klachtonderdelen 3, 4, 6, 10 en 12 zijn ongegrond. De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 2, 5, 7 en 8.
Deze samenvatting ziet toe op de (deels) gegrond verklaarde klachtonderdelen.

Klachtonderdeel 1 heeft betrekking op toezending van het dossier. De jeugdprofessional heeft het dossier vier-en-een-halve maand na het verzoek aan de moeder overhandigd. Hiermee heeft de jeugdprofessional in strijd gehandeld met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en is artikel M (Verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden. De jeugdprofessional wordt in klachtonderdeel 9 verweten dat zij het plan van aanpak over de begeleide omgang te laat aan de moeder heeft toegezonden. De jeugdprofessional heeft de voorwaarden voor de begeleide omgang zes weken na het verzoek van de moeder verstrekt. Het eerste begeleide omgangsmoment had toen al plaatsgevonden. Het College overweegt dat van de jeugdprofessional verwacht mag worden dat zij de afspraken/voorwaarden over de begeleide omgang tijdig, maar in ieder geval voordat de omgang weer voor het eerst plaats zou gaan vinden aan de moeder doet toekomen. Door dit na te laten heeft de jeugdprofessional artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden. In klachtonderdeel 11 verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij geen terugkoppeling van het gesprek met de gedragsdeskundige heeft gegeven. Volgens het College had het op de weg gelegen van de jeugdprofessional om de moeder over de uitkomst van de gesprekken met de gedragsdeskundige te informeren. Door dit na te laten, heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) geschonden. Klachtonderdeel 13, waarin de jeugdprofessional – onder meer – wordt verweten dat zij de moeder slechts vijf dagen voor het bijeenkomen van de Jeugdbeschermingstafel de rapportage heeft verstrekt, is gegrond. De moeder heeft hierdoor onvoldoende tijd gekregen om te kunnen reageren en haar zienswijze te overleggen, wat het College in strijd acht met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en M (Verslaglegging/dossiervorming). Voor het overige is klachtonderdeel 13 ongegrond.

Het College houdt rekening met de complexe situatie waarin de jeugdprofessional moest werken en acht het passend en geboden om de maatregel van waarschuwing op te leggen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.106Ta

De jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, heeft nagalaten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige en heeft de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties.

De gemeente heeft een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker. De jeugdprofessional is sinds medio 2018 in het vrijwillig kader betrokken geweest bij het gezin, bestaande uit een vader, moeder en een minderjarige zoon. Het betreft een kwetsbaar gezin. Op 21 juli 2019 heeft de vader suïcide gepleegd. Op 14 juli 2019 heeft de gemeente voor de zoon een indicatiebesluit afgegeven op basis waarvan de jeugdprofessional (met terugwerkende kracht) van 15 juli 2019 tot en met 14 januari 2020 twee uur per week jeugdhulp dient te verlenen aan de zoon. De jeugdprofessional wordt verweten dat zij heeft nagelaten zorg te verlenen en de schijn heeft opgehouden dat zij die wel verleende.

Voor het College is op grond van de stukken en het feit dat de jeugdprofessional de klacht van de gemeente heeft erkend, vast komen te staan dat zij heeft nagelaten zorg te verlenen aan de zoon en de schijn heeft opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional daarmee de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening ruimschoots heeft overtreden. Het feit dat het (psychisch) niet goed met de jeugdprofessional ging en dat zij de (financiële) druk niet aan kon, maakt dit niet anders. Het hoort bij de professionaliteit van een jeugdprofessional om bedacht te zijn op de (negatieve) invloed die gezondheidsproblemen en stress verhogende (privé-)omstandigheden op de werkzaamheden van de jeugdprofessional kunnen hebben. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om bij haar cliënten, de gemeente en/of de zorgaanbieder van de gemeente kenbaar te maken dat de druk haar te veel werd en dat dit onmiddellijke invloed had op de door haar te verlenen zorg. Het lijdt geen twijfel dat het nalaten van zorg jegens een client onder alle omstandigheden in strijd is met de belangen van die client. Dat het in deze zaak gaat om een aan de zorg van de jeugdprofessional toevertrouwde kwetsbare minderjarige van destijds vier jaar, maakt het zo mogelijk nog kwalijker. Het College weegt bovendien zwaar mee dat de jeugdprofessional bekend was met de psychische- en verslavingsproblematiek van het gezin en de recente suïcide van de vader, aangezien zij reeds geruime tijd betrokken was bij het gezin. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen, bevordert niet het vertrouwen in de jeugdzorg en is schadelijk ten aanzien van de gehele beroepsgroep. De artikelen A (Jeugdige client tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode zijn geschonden.

Het College verklaart de klacht gegrond. Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling, met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven. Het College weegt daarbij zwaar mee dat de jeugdprofessional geen blijk van reflectie en leerbaarheid heeft getoond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.106Ta

De jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker, heeft nagalaten zorg te verlenen aan een kwetsbare minderjarige en heeft de schijn opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties.

De gemeente heeft een klacht ingediend tegen de jeugdprofessional, werkzaam als zelfstandig jeugdzorgwerker. De jeugdprofessional is sinds medio 2018 in het vrijwillig kader betrokken geweest bij het gezin, bestaande uit een vader, moeder en een minderjarige zoon. Het betreft een kwetsbaar gezin. Op 21 juli 2019 heeft de vader suïcide gepleegd. Op 14 juli 2019 heeft de gemeente voor de zoon een indicatiebesluit afgegeven op basis waarvan de jeugdprofessional (met terugwerkende kracht) van 15 juli 2019 tot en met 14 januari 2020 twee uur per week jeugdhulp dient te verlenen aan de zoon. De jeugdprofessional wordt verweten dat zij heeft nagelaten zorg te verlenen en de schijn heeft opgehouden dat zij die wel verleende.
Voor het College is op grond van de stukken en het feit dat de jeugdprofessional de klacht van de gemeente heeft erkend, vast komen te staan dat zij heeft nagelaten zorg te verlenen aan de zoon en de schijn heeft opgehouden dat zij die zorg wel verleende, onder meer door het indienen van onjuiste declaraties. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional daarmee de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening ruimschoots heeft overtreden. Het feit dat het (psychisch) niet goed met de jeugdprofessional ging en dat zij de (financiële) druk niet aan kon, maakt dit niet anders. Het hoort bij de professionaliteit van een jeugdprofessional om bedacht te zijn op de (negatieve) invloed die gezondheidsproblemen en stress verhogende (privé-)omstandigheden op de werkzaamheden van de jeugdprofessional kunnen hebben. Het had op de weg van de jeugdprofessional gelegen om bij haar cliënten, de gemeente en/of de zorgaanbieder van de gemeente kenbaar te maken dat de druk haar te veel werd en dat dit onmiddellijke invloed had op de door haar te verlenen zorg. Het lijdt geen twijfel dat het nalaten van zorg jegens een client onder alle omstandigheden in strijd is met de belangen van die client. Dat het in deze zaak gaat om een aan de zorg van de jeugdprofessional toevertrouwde kwetsbare minderjarige van destijds vier jaar, maakt het zo mogelijk nog kwalijker. Het College weegt bovendien zwaar mee dat de jeugdprofessional bekend was met de psychische- en verslavingsproblematiek van het gezin en de recente suïcide van de vader, aangezien zij reeds geruime tijd betrokken was bij het gezin. De handelswijze van de jeugdprofessional getuigt niet van professioneel handelen, bevordert niet het vertrouwen in de jeugdzorg en is schadelijk ten aanzien van de gehele beroepsgroep. De artikelen A (Jeugdige client tot zijn recht laten komen), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (Respect), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode zijn geschonden.
Het College verklaart de klacht gegrond. Naar het oordeel van het College zijn de gedragingen van de jeugdprofessional dusdanig ernstig tuchtrechtelijk verwijtbare gedragingen dat deze de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel rechtvaardigen. Dat is de maatregel van doorhaling, met ontzegging van het recht wederom in het register van SKJ te worden ingeschreven. Het College weegt daarbij zwaar mee dat de jeugdprofessional geen blijk van reflectie en leerbaarheid heeft getoond.

 

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.003B

Het is tot op zekere hoogte aan een medewerker van het CJG om te bepalen hoe het gesprek met een ouder wordt aangegaan over de veiligheid van een kind en/of de wijze waarop zicht gekregen wordt op de veiligheid van een kind. Er is ten aanzien hiervan geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.

Een moeder heeft een klacht ingediend over een medewerker van het CJG. De medewerker, de jeugdprofessional, is betrokken nadat de moeder haar minderjarige zoon heeft aangemeld bij het CJG in verband met zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en de gedragsmoeilijkheden die zij bij de zoon in de thuissituatie ziet. Het College van Toezicht heeft vijf klachtonderdelen ongegrond en één klachtonderdeel gegrond verklaard. Aan de jeugdprofessional is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Alleen de moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij onzorgvuldig is omgegaan met belastende informatie over en verschillende signalen van fysiek geweld van de vader richting de zoon. De moeder heeft ter onderbouwing van haar beroep verwezen naar een situatie rondom een tekening die de zoon heeft gemaakt en waarvan de jeugdprofessional tijdens de mondelinge behandeling van de klacht die situatie heeft erkend. Het College van Beroep is echter van oordeel dat deze tekening geen deel uitmaakte van het klachtonderdeel dat de moeder bij het College van Toezicht heeft geformuleerd. De reikwijdte van een klachtonderdeel dient voor alle betrokkenen, inclusief de tuchtcolleges, helder te zijn. Het is dan ook niet mogelijk om tijdens een (mondelinge) behandeling van de klacht c.q. beroep met een nieuw aspect/voorbeeld of uitbreiding van het klachtonderdeel te komen. In zoverre is de moeder dan ook niet-ontvankelijk in haar beroep tegen dit klachtonderdeel.

Daarnaast dient het College van Beroep de vraag nog te beantwoorden of de jeugdprofessional de vader heeft aangesproken op de ontvangen documenten van de moeder met belastende informatie over de vader. Het College van Beroep overweegt de jeugdprofessional in het kader van een Triple P cursus met de vader heeft gesproken over slaan, corrigerende tikken en stressmanagement. Dat de jeugdprofessional mogelijk niet de exacte documenten met de vader heeft besproken leidt niet tot een tuchtrechtelijk verwijt. Het is tot op zekere hoogte aan de jeugdprofessional om te bepalen hoe zij het gesprek hierover aangaat en/of de wijze waarop zij zicht krijgt op de veiligheid van de zoon. Door met de vader over de onderwerpen in gesprek te gaan, kan niet gesteld worden dat de jeugdprofessional hier onzorgvuldig mee is omgegaan. Het College van Beroep is van oordeel dat de jeugdprofessional ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.021B

Het College van Beroep is van oordeel dat het starten van een nieuwe tuchtrechtelijke procedure niet de plaats is om gedane uitlatingen van een jeugdprofessional te betwisten die gedaan zijn tijdens een eerdere tuchtrechtelijke procedure.

Een vader heeft een klacht ingediend over een jeugdbeschermer. De jeugdbeschermer is betrokken bij het gezinssysteem van de vader in het kader van een uitgesproken ondertoezichtstelling over de kinderen. Het College van Toezicht heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen 1 en 3, de klachtonderdelen 2 en 6 zijn ongegrond verklaard en de klachtonderdelen 4,5 en 7 (deels) zijn  gegrond verklaard. Aan de jeugdbeschermer is de maatregel van waarschuwing opgelegd. De vader is in beroep gegaan tegen deze beslissing voor zover hij hierin in het ongelijk is gesteld.

In deze samenvatting wordt ingegaan op de beoordeling van het College van Beroep van klachtonderdeel 1. In dit klachtonderdeel verwijt de vader de jeugdbeschermer dat hij tot tweemaal toe de tuchtcolleges van SKJ zou hebben voorgelogen. De vader stelt zich op het standpunt dat je niet alleen in de uitvoering van je werkzaamheden jeugdprofessional bent, maar ook als je over de uitvoering van je werkzaamheden ter verantwoording wordt geroepen. De vader vraagt zich af hoe de tuchtcolleges het professioneel handelen kunnen beoordelen als de jeugdprofessional in zijn verweer onwaarheden mag verkondigen.

Het College van Beroep volgt het oordeel van het College van Toezicht dat een tuchtrechtelijke klacht in beginsel dient te gaan over het beroepsmatig handelen van de jeugdprofessional. Het College van Beroep wijst daarnaast op artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode. Het College van Beroep is in het licht van dit artikel van oordeel dat verantwoording afleggen over het professionele handelen, zowel in een verweerschrift als mondeling, behoort tot een verantwoordelijkheid van een jeugdprofessional die aan het tuchtrecht onderworpen is. Het staat de jeugdprofessional echter vrij om dit op een manier te doen die hij het meest passend acht. In het geval een jeugdprofessional tijdens een procedure iets naar voren brengt wat de wederpartij betwist, is die betreffende procedure de plaats voor de wederpartij om dit kenbaar te maken. Het is vervolgens aan het behandelend college om een beslissing te nemen op basis van wat partijen hebben aangevoerd en eventuele andere relevante omstandigheden. Het College van Beroep is van oordeel dat het starten van een nieuwe tuchtrechtelijke procedure niet de plaats is om de gedane uitlatingen van een jeugdprofessional tijdens een eerdere tuchtrechtelijke procedure te betwisten.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.513Ta

Een zorgprofessional, die betrokken is geweest bij het coördineren van de omgang tussen de moeder en dochter, heeft wekelijks gesprekken met de dochter gevoerd, maar zij heeft de gezaghebbende moeder daarover geen (frequente) terugkoppeling gegeven. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional zich te algemeen op het standpunt heeft gesteld dat de privacy van de jeugdige dat zou rechtvaardigen. Een dergelijke afweging dient gemotiveerd en met de ouder gedeeld te worden.

Klaagster is de moeder van een dochter. Beide ouders hebben het gezag. De moeder is aanvankelijk gedetineerd geweest en gedurende de detentie hebben de moeder en dochter gedurende één keer per maand omgang. Wanneer de moeder vanaf het najaar van 2018 met weekendverlof gaat, dient zij bij de gemeente een aanvraag in voor een begeleide omgangsregeling. De jeugdprofessional (die al betrokken was bij de vader en dochter) gaat zich vanaf 29 november 2018 alleen nog bezig houden met het coördineren van de omgang. In dat kader voert zij ook wekelijks gesprekken met de dochter. De omgang wordt begeleid door een vrijwilligster van Exodus.

De moeder dient vier klachtonderdelen in tegen de jeugdprofessional, namelijk dat zij:
1. de omgang onnodig vertraagt;
2. weigert contact te hebben met de moeder en haar niet betrekt bij de hulpverlening;
3. faalt in het realiseren van omgangsmomenten;
4. oneerlijk, bevooroordeeld is en niet in staat is om neutraal te zijn.

Deze samenvatting gaat in op klachtonderdeel 2. Dit klachtonderdeel wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, namelijk voor wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional de moeder onvoldoende betrokken heeft bij de hulpverlening. De jeugdprofessional heeft aan de moeder geen (frequente) terugkoppeling gegeven over de wekelijks gevoerde gesprekken met de dochter, met als motivatie dat zij daarmee de privacy van de dochter zou schenden. Hoewel op grond van de jeugdwet inlichtingen over verleende jeugdhulp – onder omstandigheden – achterwege gelaten kunnen worden, heeft een gezaghebbende ouder ook recht op informatie over de verleende jeugdhulp. Zeker in dit geval gezien de leeftijd van de dochter (onder de twaalf jaar).
Volgens het College heeft de jeugdprofessional haar standpunt dan ook (te) algemeen ingenomen. In het geval een jeugdprofessional meent dat de privacy van een jeugdige zwaarder dient te wegen dan het recht op informatie van de gezaghebbende ouder, rust op de jeugdprofessional een zware motivatieplicht. Dat houdt in dat de belangenafweging rondom een zogeheten conflict van plichten transparant met de gezaghebbende ouder(s) gedeeld wordt. In deze casus had dus het conflict tussen de plicht tot het geven van informatie aan de gezaghebbende moeder en de plicht tot het waarborgen van de privacy van de dochter aan de moeder toegelicht moeten worden. De jeugdprofessional had niet mogen volstaan met het enkele argument dat het delen van informatie de privacy van de dochter schendt. Juist ook omdat in deze casus de gesprekken zeer frequent hebben plaatsgevonden (wekelijks), en daarbij ook ingegaan werd op de omgang tussen de moeder en dochter, en wat daarin mogelijk helpend zou kunnen zijn voor de dochter. Dergelijke informatie wordt beschouwd als zeer relevante informatie voor de moeder en het bestendigen, dan wel verbeteren, van de omgang tussen haar en de dochter. Artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode en artikelen 7.3.11 lid 1 en 2 juncto 7.3.15 lid 1 van de Jeugdwet zijn geschonden.
De klachtonderdelen worden voor het overige ongegrond verklaard.

Het College ziet voldoende aanleiding om geen maatregel op te leggen. Hoewel grote waarde wordt gehecht aan het betrekken van de (gezaghebbende) ouder bij een hulpverleningstraject, is voldoende gebleken dat de jeugdprofessional het belang van de dochter voorop heeft willen stellen. Ook wordt ervan uitgegaan dat zij in toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.567Ta

Een zelfstandig jeugdzorgwerker, die in verband met een hulpvraag van de moeder betrokken is geraakt bij de moeder en haar kinderen, is een significant contact met de kinderen aangegaan, terwijl de vader met gezag daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven.

Een vader met gezag heeft één klachtonderdeel ingediend tegen de jeugdprofessional, die gedurende vijf maanden in het vrijwillig kader betrokken is geweest bij de moeder en de kinderen. Eén jaar na de betrokkenheid van de jeugdprofessional bij de moeder en de kinderen, is de jeugdprofessional op verzoek van de moeder door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) als informant benaderd in het kader van een door de rechter verzocht onderzoek naar de vraag welke zorg- en contactregeling in het belang van de kinderen is. Zakelijk weergegeven verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij tijdens haar betrokkenheid een significant contact met de kinderen is aangegaan, terwijl hij daar niet van op de hoogte was en daar ook geen toestemming voor had gegeven. Tevens verwijt hij de jeugdprofessional dat zij in haar reactie aan de RvdK suggestieve zorgen heeft geuit over hem.
Het College verklaart de klacht deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt van de vader dat de jeugdprofessional een significant contact met de kinderen is aangegaan. Naar het oordeel van het College had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om met de vader tot overeenstemming/instemming te komen over de te bieden jeugdhulp. De hulpervelening was weliswaar (op voorhand) gericht op de hulpvraag van de moeder, maar bij de gekozen vorm van ouderbegeleiding is sprake geweest van een glijdende schaal richting begeleiding van de kinderen. De jeugdprofessional heeft volgens het College in strijd gehandeld met artikel 7.3.4 leden 1 en 2 van de Jeugdwet en artikel G van de Beroepscode (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening). Verder oordeelt het College dat de informatieverstrekking van de jeugdprofessional aan de RvdK nauwkeuriger had gekund, maar dat de jeugdprofessional hiermee binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
Het College ziet af van het opleggen van een maatregel, omdat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen betrekking heeft op een gedeelte van de klacht, de jeugdprofessional gedurende een relatief korte periode betrokken is geweest, de hulpverlening (op voorhand) gericht was op de hulpvraag van de moeder en zij gereflecteerd heeft op haar handelen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.014B

Het beroep van een moeder slaagt niet. Het is niet aan de tuchtcolleges om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.

Een moeder is in beroep gegaan tegen een deel van de beslissing van de voorzitter van het College van Toezicht. Het beroep van de moeder richt zich tegen de beoordeling van klachtonderdeel 2 waarin de moeder de jeugdbeschermer verwijt dat hij zich niet aan beschikkingen van de rechtbank heeft gehouden. De voorzitter van het College van Toezicht heeft over dit klachtonderdeel geoordeeld dat – anders dan de moeder stelt – in de betreffende beschikking niet wordt gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog en dat de inzet van een kinderpsycholoog dan ook geen opdracht van de kinderrechter aan de jeugdbeschermer is geweest.

In beroep heeft de moeder het proces-verbaal van de betreffende zitting overlegd. Naar de mening van de moeder blijkt uit dit proces-verbaal dat er tijdens de zitting afspraken zijn gemaakt over de inzet van een kinderpsycholoog. De voorzitter van het College van Beroep heeft geoordeeld dat ondanks dat er blijkens het proces-verbaal tijdens de zitting is gesproken over de inzet van een kinderpsycholoog, de kinderrechter geen aanleiding heeft gezien om de inzet van de kinderpsycholoog expliciet in de beschikking op te nemen. Het is niet aan de tuchtcolleges van SKJ om in de beoordeling van rechterlijke beslissingen te treden en/of te interpreteren wat een (kinder-)rechter met een bepaalde beschikking al dan niet heeft bedoeld. Ook is het tuchtrecht niet bedoeld als beroep tegen een rechterlijke beslissing.