Maak een selectie

497 van 497

   
College van Toezicht
04/11/2020
Gedeeltelijk gegrond - Voorwaardelijke schorsing
Open
College van Toezicht
26/10/2020
Gedeeltelijk gegrond - Berisping zonder openbaarmaking

Zaaknummer: 20.122Ta

Een jeugdprofessional heeft in het drangkader geen bevoegdheden om medewerking van de ouder(s) af te dwingen. Hij kan slechts – al dan niet met zachte drang – de ouder(s) proberen te bewegen tot vrijwillige medewerking in het naleven van een rechterlijke uitspraak. Van een jeugdprofessional mag verwacht worden om met enige creativiteit – tijdens de coronacrisis – toch hulpverlening in te zetten.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | C (Bereid iedere cliënt te helpen) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie)
Open
College van Toezicht
15/10/2020
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Zaaknummer: 19.479Ta

Een jeugdbeschermer heeft – onder meer – te vrijblijvend en onzorgvuldig gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, heeft een voorbarige toezegging gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie.

Beroepscode: A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) | B (Bevordering deskundigheid) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) | K (Vermoeden kindermishandeling) | P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) | S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie)
Richtlijnen: Uithuisplaatsing
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Tc

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij tijdens de zitting van de rechtbank – waar zij als zittingsvertegenwoordiger aanwezig was – zonder enige onderbouwing of bewijs heeft verklaard dat de vader tijdens twee gesprekken liederlijk gedrag zou hebben vertoond.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die wegens ziekte van een collega eenmalig als zittingsvertegenwoordiger aanwezig is geweest bij een zitting van de rechtbank. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht is ongegrond verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, wel in op deze klacht.

De vader verwijt de jeugdprofessional dat zij tijdens de zitting van de rechtbank waar zij als zittingsvertegenwoordiger bij aanwezig was, zonder enige onderbouwing of bewijs, heeft verklaard dat de vader tijdens twee gesprekken bij [het traject] liederlijk gedrag zou hebben vertoond en totaal beschonken en moeilijk aanspreekbaar zou zijn geweest.

De jeugdprofessional heeft haar collega jeugdprofessional, die belast was met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en die op die dag onverwacht was uitgevallen, eenmalig vervangen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional verklaard dat de gebiedsmanager intern een oproep heeft gedaan wie deze zitting kon waarnemen. Dat heeft zij gedaan, ondanks dat zij niet met de uitgevallen collega jeugdprofessional in een team zat. Vervolgens heeft zij een mondelinge overdracht gekregen van de gebiedsmanager en van een collega jeugdbeschermer, die bij deze casus betrokken was. De jeugdprofessional heeft daarnaast ter voorbereiding de contactjournaals, de plannen van aanpak, de veiligheidsplannen, de notulen van de casuïstiekbesprekingen en het raadsrapport doorgenomen. Het College overweegt dat de jeugdprofessional voldoende heeft aangetoond dat zij zich zorgvuldig heeft voorbereid, in de korte tijd die haar gegeven was. De uitspraken die zij ter zitting heeft gedaan, waren afkomstig van [het traject], en die informatie maakte deel uit van het dossier. Van een jeugdprofessional die in een casus eenmalig optreedt als zittingsvertegenwoordiger, een mondelinge overdracht krijgt en slechts één tot twee dagen de tijd heeft zich voor te bereiden, kan niet verwacht worden dat zij zelfstandig een onderzoek instelt, dan wel het gesprek met de ouders aangaat. Zij mocht volgens het College erop vertrouwen dat het dossier op orde was en dat zij bij de mondelinge overdracht correct was geïnformeerd. De stelling van de vader dat, door de valse beschuldigingen van de zijde van de jeugdprofessional, de zorgregeling alsnog ten nadele van hem is gewijzigd, volgt het College niet.

Het College ziet in de klacht van de vader dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Td

De jeugdbeschermer wordt door de vader onder meer verweten dat hij bij de verlenging van de ondertoezichtstelling de rechter heeft verteld dat er bij de vader nog steeds sprake is van alcoholisme en stalking.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die vanaf augustus 2019 belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder aan te duiden als: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen, waar de klachtonderdelen één en drie wegens herhaling zijn samengevoegd. De klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, in op klachtonderdeel één en drie.

In de klachtonderdelen één en drie verwijt de vader de jeugdprofessional dat hij bij de verlenging van de ondertoezichtstelling de rechter heeft verteld dat er bij de vader nog steeds sprake is van alcoholisme en stalking. Ook heeft de jeugdprofessional daar gesteld dat de kinderen angstig zouden zijn, terwijl hij ze zelf niet heeft gesproken.

Begin september 2019 heeft de jeugdprofessional de vader een e-mail gestuurd om kennis te maken en te praten over het op handen zijnde verzoekschrift ‘verlenging ondertoezichtstelling’. De jeugdprofessional heeft in zijn verweerschrift onweersproken gesteld dat de vader op dat moment geen contact met hem wilde. Dat heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bevestigd. Hij had geen vertrouwen meer. Uit het dossier blijkt dat de GI vond dat de grond voor verlening van de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig was. Daarom heeft de jeugdprofessional het verzoekschrift op 13 september 2019 aan de kinderrechter gestuurd. Uit de beschikking van de kinderrechter blijkt dat de vader en zijn advocaat bij genoemde zitting niet aanwezig zijn geweest. Voor het College is niet vast te stellen of de jeugdprofessional de kinderrechter heeft verteld dat er bij de vader (nog steeds) sprake is van alcoholisme en stalking. Noch dat de jeugdprofessional aan de kinderrechter heeft gemeld dat de kinderen angstig zouden zijn. Uit de beschikking zelf blijkt het College niet dat de jeugdprofessional dergelijke uitspraken heeft gedaan, nu de woorden ‘alcoholmisbruik’ en ‘stalking’ niet staan genoemd.

Wanneer niet alleen gekeken wordt naar de tekstuele betekenis van het woord ‘vertellen’ in de klacht van de vader, maar ook naar de betekenis die partijen redelijkerwijs daaraan mogen toekennen, overweegt het College dat de vader daarnaast mogelijk doelt op genoemd verzoekschrift van 13 september 2019. Die uitleg heeft ook de jeugdprofessional kennelijk aan de klacht gegeven, gezien het feit dat hij in zijn verweerschrift is ingegaan op wat in het verzoekschrift is opgenomen. Daarom acht het College het verdedigbaar het verzoekschrift te betrekken in de uitleg van ‘wat de jeugdprofessional aan de kinderrechter heeft verteld’. In de ogen van het College heeft de jeugdprofessional het verzoekschrift zo neutraal mogelijk geformuleerd en heeft hij alleen geciteerd uit genoemde bronnen. Bovendien heeft de jeugdprofessional de visie van de vader in het verzoekschrift weergegeven en de vader gelegenheid geboden om het verzoekschrift te bespreken.

Het College ziet in de klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

 

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.007Ta

De jeugdbeschermer wordt door de vader verweten dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling te wijzigen, en bovendien hebben geplande belafspraken geen doorgang vonden.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdbeschermer, die vanaf november 2018 belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezag over de kinderen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder. Er is een co-ouderschapsregeling (verder: de zorgregeling) waarbij de kinderen een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. In september 2018 heeft de moeder eenzijdig de zorgregeling opgeschort.

De klacht bestaat uit drie klachtonderdelen, die alle drie ongegrond zijn verklaard. Deze samenvatting gaat, gezien het lerende effect, in op klachtonderdeel één en drie.

In klachtonderdeel één verwijt de vader de jeugdprofessional onder meer dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door de zorgregeling van 2017 om te zetten naar begeleide omgang tussen de vader en de zoon. Voor zover bedoeld is te klagen over de onrechtmatigheid van het wijzigen van de zorgregeling wijst het College eerst op het eigen beoordelingskader (in de beslissing onder kopje 3). Het College dient de vraag te beantwoorden of de jeugdprofessional met het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College overweegt dat de jeugdprofessional van een collega heeft vernomen dat de rechter in deze casus heeft uitgesproken dat het de taak is van de GI te beslissen over de zorgregeling. Het doel van de wijziging is volgens de jeugdprofessional zicht te krijgen op de omgang tussen de zoon en de vader, nu de moeder de omgang eenzijdig heeft opgeschort. Het College volgt de jeugdprofessional in haar motivatie de omgang tussen de vader en de zoon in kaart te willen brengen. Het is haar taak de zoon actief te beschermen. De jeugdprofessional heeft – in lijn met artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode voor de Jeugd- en Gezinsprofessional  – vooraf afstemming gezocht binnen haar team. Nadat de jeugdprofessional begin januari 2019 door de advocaat van de vader werd gewezen op de uitspaak van de Hoge Raad en de reikwijdte van de bevoegdheid van de GI ten aanzien van het wijzigen van een zorgregeling, heeft de jeugdprofessional bovendien contact opgenomen met de juristen van de GI. Zodra zij door de juristen is geïnformeerd, heeft zij de ouders laten weten dat de voorheen geldende zorgregeling direct wordt hersteld. In dit kader voelt het College de behoefte te wijzen op de datum van de uitspraak van de Hoge Raad. Deze uitspraak is gedateerd op 14 december 2018. Dat is ná de datum van 3 december 2018 waarop de zorgregeling is gewijzigd. Het had overigens wel op de weg van de jeugdprofessional gelegen de vader bij de beslissing te betrekken, bijvoorbeeld door het vooraf voeren van een gesprek met de vader.

In klachtonderdeel drie verwijt de vader de jeugdprofessional dat zij heeft nagelaten te handelen ondanks dat zij op de hoogte was van de wanhoop van de zoon. Dit concentreert zich vooral op geplande belafspraken die geen doorgang vonden. Het College kan zich tot op zekere hoogte voorstellen dat het – mede doordat de ouders niet in staat waren constructief met elkaar te communiceren – niet eenvoudig is geweest de belafspraken doorgang te laten vinden. Dat neemt volgens het College echter niet weg dat van de jeugdprofessional – in haar functie als regievoerder – verwacht mocht worden dat zij zich meer had kunnen inspannen de belcontacten vorm te geven. De jeugdprofessional had zich hier meer kunnen en moeten positioneren.

Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional echter geen tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.190Ta

De klacht over het niet beantwoorden van ingebrekestellingen wordt ongegrond verklaard. Het College oordeelt dat de onderwerpen in eerdere correspondentie voldoende aan bod zijn gekomen.

Een moeder met eenhoofdig gezag over haar dochter dient een klacht in tegen de jeugdprofessional belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De dochter heeft een andere biologische vader dan zij dacht. De kinderrechter heeft beschikt dat binnen de ondertoezichtstelling, onder andere, gewerkt moet worden aan het contact tussen de dochter en haar vader en dat de ouders leren om met elkaar te communiceren, waarbij zij het belang van de dochter voorop stellen. De moeder heeft in dat kader een aantal jeugdhulpverleningsinstanties benaderd, hetgeen zij met de jeugdprofessional heeft gedeeld. De jeugdprofessional heeft vervolgens contact opgenomen met deze jeugdhulpverleningsinstanties, waarbij hij bij de moeder kenbaar maakt dat instantie A het meest passend lijkt en de gemeente met instantie B geen zorgcontract heeft. De moeder geeft vervolgens aan dat zij toch hulpverlening via instantie B wenst. Dan blijkt dat instantie A een opname stop heeft en geeft de jeugdprofessional aan dat instantie C daarom het meest passend lijkt. De moeder stuurt naar aanleiding hiervan de jeugdprofessional een aantal e-mailberichten met vragen en het verzoek om haar het gehele dossier te doen toekomen. Vervolgens stuurt de moeder twee ingebrekestellingen voor het niet beantwoorden van haar vragen in de e-mailberichten en het niet verstrekken van het dossier. De moeder verwijt het de jeugdprofessional dat hij geen antwoord heeft gegeven op de ingebrekestellingen. De jeugdprofessional voert – samengevat – aan dat hij in eerder gevoerde e-mailcorrespondentie met de moeder reeds antwoord op haar vragen had gegeven en haar heeft uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek om in de communicatie nader tot elkaar te komen.

Het College verklaart de klacht ongegrond. In de e-mailberichten waar de jeugdprofessional naar verwijst leest het College uitgebreide reacties van de jeugdprofessional op de gestuurde e-mailberichten van de moeder. Hierin komen ook de onderwerpen van de ingebrekestellingen in terug. Het was naar het oordeel van het College beter geweest indien de jeugdprofessional de moeder specifiek op de inhoud van de eerder gestuurde e-mailberichten had gewezen. De jeugdprofessional is met zijn handelen echter binnen de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening gebleven, de vragen van de moeder waren reeds voldoende beantwoord.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.100Ta

Een sociaal pedagogisch hulpverlener heeft het risico genomen dat vertrouwelijke informatie bij derden zou kunnen terechtkomen door per e-mail de informatie onbeveiligd en niet versleuteld te versturen

De voormalige werkgever van de jeugdprofessional (hierna te noemen: klaagster) heeft tegen de jeugdprofessional, die in het vrijwillig kader werkzaam was, vijf klachtonderdelen ingediend. De klachtonderdelen zien op het functioneren van de jeugdprofessional in het bedrijf van klaagster.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 2 en 5 stelt de jeugdprofessional dat klaagster niet-ontvankelijk is, omdat de klachtonderdelen arbeidsrechtelijk van aard zouden zijn. Het College is echter van oordeel dat als het gaat om het (dis)functioneren van een jeugdprofessional, een arbeidsrechtelijke procedure bij de kantonrechter een consequentie kan zijn. Dit neemt niet weg dat in een tuchtprocedure het individuele (beroepsmatige) handelen van een jeugdprofessional getoetst kan worden aan de voor hem of haar geldende professionele standaard. Het College ziet dan ook geen aanleiding om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren.

Klachtonderdeel één, betreffende het niet vertrouwelijk behandelen van informatie door de jeugdprofessional, wordt gegrond verklaard. De onderbouwing van dit klachtonderdeel ziet specifiek op het sturen van een e-mail met bijlagen met persoonsgegevens van cliënten op 24 januari 2020 vanuit het e-mailadres van het bedrijf van klaagster naar het e-mailadres van de eenmanszaak van de jeugdprofessional. Bij de beoordeling van dit verwijt heeft het College zich ook tot dit voorbeeld beperkt. Het College is het met klaagster eens dat de jeugdprofessional ervoor dient te zorgen dat vertrouwelijke informatie zorgvuldig wordt verzonden en dat voorkomen moet worden dat het risico zich verwezenlijkt dat vertrouwelijke informatie bij een derde terechtkomt. Het standpunt van de jeugdprofessional dat zij de informatie naar het e-mailadres van haar eenmanszaak heeft gestuurd om de documenten thuis te kunnen printen die zij nodig had voor de normale uitoefening van haar werkzaamheden, maakt dat volgens het College niet anders. Zo had de jeugdprofessional de stukken op een ander moment op kantoor kunnen printen, waardoor zij geen onnodig risico had hoeven nemen. Door de vertrouwelijke informatie onbeveiligd en niet versleuteld naar het e-mailadres van haar eenmanszaak te sturen, heeft de jeugdprofessional artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode geschonden.

Hoewel grote waarde wordt gehecht aan het zorgvuldig omgaan met vertrouwelijke informatie, ziet het College voldoende aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel aan de jeugdprofessional, omdat zij in de onderhavige tuchtzaak eenmalig is tekortgeschoten en geen sprake is geweest van feitelijk nadeel voor cliënten. Voorts wordt ervan uitgegaan dat het oordeel eraan bijdraagt dat de jeugdprofessional voor toekomstige gevallen haar werkwijze aanpast, zodat deze in lijn is met de professionele standaard.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.570Ta

Een vader verwijt een schoolmaatschappelijk werker dat zij zonder duidelijk bepaald en gerechtvaardigd doel, en zonder zijn toestemming een dossier over hem heeft aangelegd. Het College verklaart de klachten ongegrond en overweegt daarbij dat als er onduidelijkheden over de interpretatie van een e-mail bestaan, het aan de ouder is om duidelijkheid te vragen aan de jeugdprofessional.

Een vader van twee minderjarige kinderen heeft een klacht ingediend tegen een jeugdprofessional die schoolmaatschappelijk werker is op de school van zijn kinderen. De kinderen wonen bij hun moeder, de ouders hebben gezamenlijk gezag. In april 2019 vindt een gesprek plaats tussen de vader  de intern begeleider, de directeur van de school en de jeugdprofessional over het welbevinden van de dochter en het plan een melding te doen bij Veilig Thuis. Niet lang na dat gesprek mailt de vader  de bovengenoemde personen en stuurt als bijlage onder meer een beschikking van de rechtbank. De vader vraagt in de mail de stukken toe te voegen aan de dossiers van de kinderen op de school, en ook aan het dossier dat de jeugdprofessional in zou richten bij schoolmaatschappelijk werk. De jeugdprofessional mailt vader vervolgens dat zij de stukken ter kennisgeving heeft aangenomen en heeft toegevoegd aan het dossier.

De klacht bestaat uit twee klachtonderdelen, die beiden ongegrond zijn verklaard.  In het tweede klachtonderdeel wordt de jeugdprofessional verweten dat zij zonder duidelijk bepaald en gerechtvaardigd doel een dossier over de vader aanlegt (niet over de dochter) en de vader daar nooit toestemming voor heeft gevraagd. In haar mail heeft zij namelijk geschreven: “De door u verzonden stukken heb ik ter kennisgeving aangenomen en op uw verzoek aan uw dossier toegevoegd”.

Het College overweegt dat de vader zijn stelling dat er over ‘hem’ een dossier is aangemaakt niet met relevante stukken heeft onderbouwd. In het verweerschrift heeft de jeugdprofessional verklaard dat zij op uitdrukkelijk verzoek van de vader slechts het e-mailbericht met de bijlagen, en zijn andere
e-mailberichten heeft bewaard. Het College overweegt dat de jeugdprofessional daarmee heeft voldaan aan het verzoek van de vader. Wanneer de vader meent dat het bericht van de jeugdprofessional multi-interpretabel is, had het volgens het College op de weg van de vader gelegen de jeugdprofessional hierover te bevragen en eventueel inzage te verzoeken in de door haar bewaarde stukken. Een gesprek was volgens het College in dit geval passender geweest dan het indienen van een tuchtklacht, wat gezien wordt als een zwaar middel en veel vergt van de betrokken partijen. Als het College de onderliggende feiten al zou kunnen vaststellen, kan onder deze omstandigheden het verwijt van de vader niet gegrond worden bevonden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.452Ta

De jeugdbeschermer heeft door zijn handelen een inbreuk gemaakt op meerdere normen van de professionele standaard. Tevens is onvoldoende gebleken dat de jeugdprofessional heeft gereflecteerd op zijn handelen, terwijl de ernst van de feiten groot is. Er is onvoldoende sprake geweest van hoor en wederhoor, adviezen van het lokaal team zijn niet opgevolgd, er is meerdere keren niet inhoudelijk op e-mailberichten van de vader gereageerd, afspraken naar aanleiding van klachtgesprekken zijn niet nagekomen en tot slot is er een verschil in benadering van de ouders door de jeugdprofessional.

Klager dient zeven klachtonderdelen in tegen een jeugdprofessional die in eerste instantie is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en vervolgens met de voogdijmaatregel over de dochter. Van de zeven klachtonderdelen worden zes klachtonderdelen (gedeeltelijk) gegrond verklaard. Gelet op de ernst van de feiten en het ontbreken van reflectie legt het College de maatregel van voorwaardelijke schorsing op. Deze samenvatting ziet toe op klachtonderdeel 1, 2 en 4.

In het eerste klachtonderdeel wordt het de jeugdprofessional verweten dat hij de adviezen van het lokaal team en derden, voor wat betreft het inzetten van hulpverlening voor de dochter bij de vader thuis, naast zich heeft neergelegd. De jeugdprofessional heeft desgevraagd aangegeven de hulpverlening bij de vader thuis niet in het belang van de dochter te achtten, omdat zij op dat moment al in een hulpverleningstraject zat en het de vader vrij stond om hulpverlening voor zichzelf in te zetten. Het is het College echter niet gebleken dat de jeugdprofessional de vader heeft geholpen bij het vinden van deze passende hulpverlening, dan wel dat hij de vader heeft ondersteund bij zijn hulpvraag. Hiermee is in strijd gehandeld met artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode. Verder is artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de beroepscode geschonden, omdat de jeugdprofessional is blijven volharden in zijn standpunt voor wat betreft de hulpverlening voor de dochter bij de vader thuis, terwijl het lokaal team juist aangaf dat blijvende ondersteuning in de thuissituatie noodzakelijk was. Tot slot is in dit klachtonderdeel niet gehandeld in lijn met de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming gehandeld. In de voornoemde Richtlijn en de daarbij behorende werkkaarten wordt aangeraden om, in situaties zoals in onderhavige casus, het inzetten van een andere begeleiding, behandeling of interventie te overwegen. Het is het College niet gebleken dat de jeugdprofessional dit heeft gedaan.

In klachtonderdeel 2 en 4 wordt het de jeugdprofessional – samengevat – verweten dat hij niet aan hoor en wederhoor heeft gedaan. Deze klachtonderdelen worden gegrond verklaard. De jeugdprofessional heeft standpunten uit het verweerschrift van de moeder overgenomen en niet naar de visie van de vader gevraagd. De jeugdprofessional heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming) en artikel E (Respect) van de Beroepscode. Voorts is door het lokaal team en de vorige jeugdbeschermer geconstateerd dat de dochter discongruente verhalen vertelde. Het lag naar het oordeel van het College op de weg van de jeugdprofessional om de verhalen van de dochter zowel bij de moeder als de vader te controleren. Temeer omdat de vader in een afhankelijkheidspositie van de jeugdprofessional zat. Hij was voor zijn positie in het hulpverleningstraject en voor wat betreft een co-ouderschapsregeling onder meer afhankelijk van hetgeen de dochter aan de jeugdprofessional heeft verteld, wat vervolgens niet door de jeugdprofessional bij de vader is gecontroleerd. Artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en artikel O (Beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode zijn hiermee geschonden. Tot slot is ook in dit klachtonderdeel niet in lijn gehandeld met de Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.226Ta

De jeugdbeschermer heeft nagelaten om met de gezinshuisouders de zorgen over de plaatsing van de minderjarige in het gezinshuis te bespreken, alvorens de beslissing te nemen de minderjarige over te plaatsen

De gezinshuisouders hebben tegen de jeugdprofessional, die betrokken is geweest in het gedwongen kader, zeven klachtonderdelen ingediend. In september 2017 is de minderjarige in het gezinshuis van de gezinshuisouders geplaatst. Vanaf medio juni 2018 is de jeugdprofessional namens de GI belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De GI is in november 2018 benoemd tot voogd over de minderjarige. Eind maart 2019 is de minderjarige overgeplaatst naar een ander gezinshuis.

De gezinshuisouders verwijten de jeugdprofessional dat zij niet betrokken is geweest bij de minderjarige, dat zij niet de gevraagde acties heeft ondernomen en dat zij niets deed met de signalen rondom de (bedreigde) ontwikkeling van de minderjarige. Daarnaast was het volgens de gezinshuisouders moeilijk om samen te werken met de jeugdprofessional, heeft zij diverse keren dingen aangegeven die niet klopten en misbruikte zij haar macht. Tot slot verwijten de gezinshuisouders de jeugdprofessional in klachtonderdeel zes dat zij een ongegronde en niet met feiten onderbouwde overplaatsing heeft gearrangeerd. Dit klachtonderdeel is gedeeltelijk gegrond verklaard door het College van Toezicht, namelijk voor zover de gezinshuisouders de jeugdprofessional verwijten geen hoor en wederhoor te hebben toegepast in aanloop naar de totstandkoming van de beslissing om de minderjarige over te plaatsen. De jeugdprofessional heeft nagelaten het gesprek met de gezinshuisouders aan te gaan en de zorgen over de plaatsing van de minderjarige te bespreken. Het College van Toezicht benadrukt het belang van open communicatie voor de samenwerking tussen alle betrokken partijen, in het bijzonder om de stabiliteit en continuïteit van een plaatsing te bevorderen. Dit is ook vastgelegd in de ‘Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ (waarnaar voor gezinshuizen aanvullend wordt verwezen in de ‘Richtlijn Residentiële jeugdhulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’).

Het handelen van de jeugdprofessional levert volgens het College van Toezicht een schending op van artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode. Bij het opleggen van de maatregel van waarschuwing heeft het College van Toezicht rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de jeugdprofessional heeft moeten handelen. Zo speelde vanaf het moment dat de jeugdprofessional betrokken raakte bij de minderjarige reeds veel (hoogoplopende) zaken en moest zij in een complexe situatie handelen. Daarbij ontbraken duidelijke kaders voor de samenwerking, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op de hele periode van samenwerking. Dat het in dit geval ging om de samenwerking tussen twee professionele partijen met een gezamenlijk belang, namelijk dat van de minderjarige, weegt het College van Toezicht ook mee in het geheel, evenals de door de jeugdprofessional getoonde reflectie tijdens de mondelinge behandeling van de klacht.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 20.122Ta

Een jeugdprofessional heeft in het drangkader geen bevoegdheden om medewerking van de ouder(s) af te dwingen. Hij kan slechts – al dan niet met zachte drang – de ouder(s) proberen te bewegen tot vrijwillige medewerking in het naleven van een rechterlijke uitspraak. Van een jeugdprofessional mag verwacht worden om met enige creativiteit – tijdens de coronacrisis – toch hulpverlening in te zetten.

De moeder heeft een klacht bestaande uit zes klachtonderdelen ingediend tegen een jeugdprofessional die aanvankelijk betrokken was in het drangkader en vervolgens belast werd met de uitvoering van de ondertoezichtstelling over haar zoons. Vier klachtonderdelen worden gegrond verklaard. Deze samenvatting ziet op klachtonderdeel 2.

Na het omgangsweekend bij de vader, komen de zoons niet terug bij de moeder. Via een kort geding procedure is afgifte van de kinderen gevorderd en dit is ook toegewezen. De vader heeft niet meegewerkt aan de terugkeer van de zoons naar de moeder, ondanks de adviezen van de jeugdprofessional. Uiteindelijk is de hoofdverblijfplaats van de oudste zoon bij de vader vastgesteld en de hoofdverblijfplaats van de jongste zoon bij de moeder. De oudste zoon woont bij de vader en de jongste zoon bij de moeder.

In klachtonderdeel 2 wordt de jeugdprofessional verweten dat hij zich niet neutraal en respectvol heeft opgesteld richting de moeder. Het College oordeelt dat de jeugdprofessional onvoldoende heeft aangetoond op welke wijze hij heeft geïnvesteerd in de professionele relatie met de moeder, terwijl hij wel een professionele relatie met de vader is aangegaan. Dit levert een schending van artikel C (Bereid iedere cliënt te helpen) van de Beroepscode op. Voorts is gebleken dat de jeugdprofessional – zonder dat de moeder het wist – met de zoons en de vader naar een school in de buurt van de vader is geweest. Doordat de moeder hierover pas achteraf is geïnformeerd oordeelt het College dat in strijd is gehandeld met artikel E (respect) van de Beroepscode. Tot slot is ook sprake van een schending van artikel A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen) en artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode. Er zit een wezenlijk verschil in de inhoud van de plannen van aanpak voor de jongste zoon (die bij de moeder woont) en de oudste zoon. De jeugdprofessional heeft aangevoerd dat hij door de coronacrisis niet bij de moeder en de jongste zoon op bezoek heeft kunnen gaan. Uit het plan van aanplak van de oudste zoon blijkt dat hij kennelijk wel mogelijkheden heeft gezien om bij de vader en de oudste zoon op bezoek te gaan. Beide ouders zijn afhankelijk van het plan van aanpak, het College is van oordeel dat de jeugdprofessional hiervan onvoldoende bewust is geweest.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 19.479Ta

Een jeugdbeschermer heeft – onder meer – te vrijblijvend en onzorgvuldig gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, heeft een voorbarige toezegging gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie.

De voormalige werkgever (hierna te noemen: de GI) heeft de klacht tegen de jeugdprofessional ingediend. De jeugdprofessional is gestart in opleiding en een half jaar in dienst geweest. Na extra ondersteuning te hebben ingezet, heeft de GI de arbeidsovereenkomst niet verlengd. De jeugdprofessional is in die periode betrokken geweest bij een aantal jeugdigen en hun gezinnen. Er zijn volgens de GI ernstige feiten en kwesties naar boven gekomen voor wat betreft het functioneren. De handelwijze van de jeugdprofessional heeft de veiligheid van de kinderen ernstig in het geding gebracht. Hierdoor is de betrouwbaarheid als organisatie in diskrediet gebracht.

De jeugdprofessional heeft verklaard dat alle aantijgingen zijn gerelateerd aan de onwetendheid van een beginnend jeugdprofessional. Er was een overvloed aan casuïstiek, bedreigingen en hameren op procedures, die nauwelijks te vinden waren in de verwarrende systemen van de GI. De jeugdprofessional kon nog niet op de hoogte zijn van alle procedures. Zij heeft geprobeerd zorgvuldig, afwegend en onderzoekend te handelen en te kijken naar wat passend was voor het kind. Daarbij heeft zij nooit alleen gehandeld, maar altijd gespard met onder andere collega’s.

De GI heeft elf klachtonderdelen aangevoerd, die afzonderlijke casussen betreffen. Vier klachtonderdelen zijn gegrond. De overige zeven zijn ongegrond. Deze samenvatting gaat verder, gezien het lerende effect, alleen in op de vier gegrond verklaarde klachtonderdelen. Het College acht het verwijtbaar dat de jeugdprofessional te vrijblijvend en onzorgvuldig heeft gehandeld na de melding van een seksueel incident bij een jeugdige, dat zij een voorbarige toezegging heeft gedaan over een terugplaatsing van een jeugdige en ook – na daarop aangesproken te zijn – deze niet heeft teruggedraaid. Voorts heeft de jeugdprofessional zelf toestemming gegeven aan een tante de kinderen mee te nemen op een vakantie, en de moeder met gezag via Whatsapp onder druk gezet de kinderen aan de tante mee te geven. Daarmee zijn de artikelen A (Jeugdige cliënt tot zijn recht laten komen),  B (Bevordering deskundigheid), D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdhulp en jeugdbescherming), E (Respect), H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie), artikel K (Vermoeden van kindermishandeling), P (Aanvaarding organisatie als beleidskader) en artikel S (Collegiale toetsing en beroepsethische reflectie) van de Beroepscode geschonden. Zij heeft ook niet gehandeld in lijn gehandeld met de Richtlijn jeugdhulp en jeugdbescherming ‘Uithuisplaatsing’.

De jeugdprofessional is echter afkomstig uit een andere beroepsgroep, en had aan het begin van haar dienstverband weinig ervaring binnen het gedwongen kader van de jeugdbescherming. Verwacht mag worden dat de jeugdprofessional stevige en passende begeleiding zou krijgen. Door de leidinggevende is gesteld dat de GI veel heeft geïnvesteerd in de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft dit echter niet zo ervaren. Wat hiervan moge zijn, een aantal normoverschrijdingen had mogelijk niet plaatsgevonden als er sprake was geweest van een hand-in-hand begeleiding en de GI hierin een grotere mate van verantwoordelijk had genomen. Aan de andere kant had de jeugdprofessional naar het oordeel van het College ook zelf grenzen kunnen stellen aan de wijze waarop, en de omstandigheden waaronder, zij haar werk moest uitvoeren. Bovendien heeft de jeugdprofessional zich slechts op één moment reflectief opgesteld, namelijk met betrekking tot de Whatsappberichten, waarin zij de moeder onder druk heeft gezet. Het College heeft de maatregel van waarschuwing opgelegd.