Maak een selectie

417 van 417

   
College van Toezicht
08/08/2018
zaaknummer: 17.141Ta
Gedeeltelijk gegrond - Waarschuwing

Een preventief jeugdwerker heeft de vader onjuist geadviseerd over de verblijfplaats van een van zijn zoons. Ten aanzien van het dossier is zowel de wijze van opstellen onvolledig geweest als de (informatie)verstrekking.

Beroepscode: B (Bevordering deskundigheid) | D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) | E (Respect) | F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) | G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) | M (Verslaglegging / dossiervorming) | O (Beroepsuitoefening en samenwerking)
Richtlijnen: Crisisplaatsing | Scheiding en problemen van jeugdigen
Open
College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 18.032T

De ambulant hulpverlener had de ex-partner van klager erop moeten wijzen dat haar voornemen, om de kinderen bij haar ouders onder te brengen, in strijd was met geldende wettelijke kaders. Ook had in het eindverslag een andere formulering gebruikt moeten worden voor het typeren van klager.

Beklaagde heeft na het beëindigen van het hulpverleningstraject een eindverslag opgesteld en geadviseerd een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen. Volgens klager is hij op een subjectieve wijze door beklaagde in het eindverslag neergezet. Het College oordeelt dat de beklaagde een andere formulering had moeten gebruiken, of moeten uitleggen waarom hij klager op deze wijze heeft getypeerd. Dit handelen van beklaagde brengt een schending van artikel M van de Beroepscode met zich mee.

Voorts verwijt klager de beklaagde dat hij moeder geadviseerd heeft om de kinderen bij de grootouders onder te brengen. Naar het oordeel van het College had beklaagde zich bewust moeten zijn van de geldende wettelijke kaders en moeder op de hoogte moeten stellen van het feit dat zij de kinderen niet zonder toestemming van klager naar de grootouders had mogen brengen. Door dit na te laten heeft beklaagde artikel E van de beroepscode geschonden.

Het College acht het handelen met betrekking tot de formulering in het eindverslag verwijtbaar. Het wordt beklaagde ook aangerekend dat hij heeft nagelaten de moeder erop te wijzen dat zij in strijd handelde met de wettelijke kaders door de kinderen naar de grootouders te brengen. Ondanks dat beklaagde heeft gereflecteerd op zijn handelen, acht het College de maatregel van een waarschuwing passend en geboden.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 18.010T

De jeugdbeschermer had voor, tijdens en na de vaccinatie van de uitgeplaatste minderjarige meer de samenwerking moeten zoeken met de moeder met gezag.

Klaagster klaagt over de handelswijze van beklaagde voor, tijdens en na de vaccinatie van de minderjarige. Klaagster voelt zich als ouder met eenhoofdig gezag buitenspel gezet. Beklaagde heeft een agressieve houding aangenomen, waardoor klaagster zich niet respectvol behandeld heeft gevoeld. Beklaagde heeft geprobeerd zijn macht te laten gelden. Dit komt naar voren doordat hij de minderjarige ver van klaagster wilde houden. Beklaagde is hardhandig opgetreden en tot slot heeft hij niet met klaagster samengewerkt. Volgens klaagster zijn de artikelen D, E, H, K en O geschonden.

Op 5 september 2017 is klaagster per e-mail door de gezinsvoogd geïnformeerd dat de minderjarige op 6 september gevaccineerd zou worden en dat de gezinsvoogd die dag vervangen zou worden door beklaagde. Tevens stond in de e-mail vermeld dat ook pleegmoeder bij de vaccinatie aanwezig zou zijn; zij had de uitnodigingsbrief voor de vaccinatie bij zich. Zowel klaagster als beklaagde hebben ter zitting verklaard dat in de e-mail van 5 september gesproken wordt over een ‘begeleid contactmoment’ voor klaagster. Het is het College echter gebleken dat klaagster vooraf geen toestemmingsformulier heeft ondertekend voor de medische behandeling van de minderjarige en dat evenmin door de GI aan de rechter vervangende toestemming is gevraagd. Het College overweegt dan ook dat er geen sprake was van een begeleid contactmoment, maar dat klaagster als ouder met eenhoofdig gezag bij de vaccinatie aanwezig moest zijn. Beklaagde is één dag voor de vaccinatie door de gezinsvoogd gevraagd in te vallen en de minderjarige te begeleiden. De voorbereiding van de vaccinatie is gedaan door de gezinsvoogd en geheel buiten beklaagde omgegaan. Voor de dag van de vaccinatie heeft beklaagde kennelijk instructies gekregen om klaagster niet met haar zoon alleen te laten. Uit de verklaringen van klaagster en beklaagde heeft het College afgeleid dat beklaagde deze instructies zeer strikt heeft opgevolgd. Zoals het College hiervoor heeft opgemerkt, was klaagster noodzakelijkerwijs aanwezig tijdens de vaccinatie. Dit is tevoren kennelijk onvoldoende duidelijk geworden bij beklaagde. Ook tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat beklaagde zich niet heeft gerealiseerd wat de positie van klaagster was. Naar het oordeel van het College had hij zich dit, bij het overnemen van de begeleiding, meer moeten realiseren. Het College kan zich dan ook voorstellen dat het onder deze omstandigheden beter was geweest wanneer beklaagde meer de samenwerking had gezocht met klaagster. Dit deel van de klacht dat gaat over de samenwerking tussen klaagster en beklaagde is gegrond. Gelet op de korte termijn waarbinnen beklaagde gevraagd is de zoon te begeleiden en het gegeven dat hij geen vaste gezinsvoogd is, acht het College een en ander verminderd verwijtbaar. Bovendien gaat het om een eenmalige misstap.

De stelling van klaagster dat beklaagde geen respect heeft getoond, een agressieve houding heeft aangenomen, zijn macht heeft laten gelden en hardhandig is optreden, heeft het College niet kunnen vaststellen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 17.154Ta

De jeugdzorgwerker heeft zich voldoende ingespannen om in contact te blijven met de vader en de grootmoeder. Ook heeft de jeugdzorgwerker met de vader en de grootmoeder gesprekken gevoerd over de voorwaarden voor het contactherstel met de jongste zoon.

Het College oordeelt dat beklaagde niet heeft besloten dat de dochter niet meer bij klaagster kan wonen. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing getoetst. Beklaagde heeft contact gezocht met klagers om met hen te praten over mogelijkheden voor contact met de dochter en heeft zich hiervoor voldoende ingespannen. Het College kan niet vaststellen dat klagers onjuist bejegend zijn omdat klagers en beklaagde elkaar tegenspreken en hiervoor geen aanknopingspunten in het dossier zijn te vinden. De collega van beklaagde heeft een e-mail gestuurd over het stopzetten van de omgang met de zoon en de GI heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven. Hierin staat dat klager geen omgang heeft met de zoon totdat hij is behandeld tegen boosheid voorzien van een uitleg.Klager had van de mogelijkheid gebruik kunnen maken om bij de kinderrechter te vragen om deze aanwijzing vervallen te verklaren. Dat is niet gebeurd. Beklaagde heeft verder zorgvuldig gehandeld door gesprekken te voeren met klagers over de voorwaarden voor contactherstel. Beklaagde heeft gezegd dat hij volgens afspraak klagers maandelijks informeert over de kinderen. Klaagster heeft dit bevestigd. Beklaagde heeft gezocht naar een ander pleeggezin nadat de pleegouders van de dochter hem hebben bericht dat de dochter niet bij hen kon blijven wonen. Dat de dochter verplaatst moest worden, is niet verwijtbaar aan beklaagde.

Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 17.141Ta

Een preventief jeugdwerker heeft de vader onjuist geadviseerd over de verblijfplaats van een van zijn zoons. Ten aanzien van het dossier is zowel de wijze van opstellen onvolledig geweest als de (informatie)verstrekking.

Klaagster, de moeder van twee kinderen, heeft tegen de preventief jeugdwerker zeven klachtonderdelen ingediend. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde hadden de kinderen de hoofdverblijfplaats bij klaagster. Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij in de kerstvakantie de vader heeft geadviseerd om de jongste zoon (voor een langere periode) bij hem te laten wonen, terwijl klaagster hierin niet betrokken is. Klachtonderdeel I gaat over dit advies. De andere klachtonderdelen gaan over verschillende verwijten met betrekking tot het dossier, dat beklaagde eenzijdige informatie heeft gebruikt voor de aanvraag van jeugdhulp en dat klaagster onheus bejegend is. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Het College constateert dat in de onderhavige casus geen sprake was van de inzet van “preventieve hulpverlening”. De casus had om die reden al bij aanvang van de hulpverlening niet onder de werkzaamheden van beklaagde moeten vallen. Dit neemt volgens het College niet weg dat beklaagde (tuchtrechtelijk) verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar handelen.

Klachtonderdelen I, II en V verklaart het College gegrond. Met betrekking tot klachtonderdeel I staat vast dat beklaagde tijdens de kerstvakantie aan de vader het advies heeft gegeven om de jongste zoon bij hem te laten wonen. Beklaagde heeft hierin het advies van de betrokken gedragswetenschapper gevolgd. Het College is van oordeel dat het gegeven advies niet strookt met artikel 1:253a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit blijkt dat de rechtbank de hoofdverblijfplaats  vaststelt, in het geval ouders samen niet tot overeenstemming komen. Ook overweegt het College dat het niet tot de bevoegdheden van beklaagde (als zijnde “preventief werker”) had mogen behoren de vader in een dergelijke kwestie te adviseren. Het College acht het handelen van beklaagde haar echter wel te verwijten, gelet op de eigen verantwoordelijkheid en vakbekwaamheid van een jeugdprofessional. Het College acht artikelen B (bevordering deskundigheid), D (bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), E (respect), O (beroepsuitoefening en samenwerking) van de Beroepscode geschonden. Het College wijst beklaagde ook op de richtlijn “Scheiding en problemen van jeugdigen”, in het bijzonder op hoofdstuk vijf. Met betrekking tot klachtonderdeel II wordt overwogen dat klaagster, op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, het recht heeft tot inzage en afschrift van het dossier, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Nu beklaagde de contactjournaals niet heeft toegezonden en klaagster daarover onvolledig is geïnformeerd, is het College van oordeel dat dit een schending oplevert van genoemde wettelijke bepaling en artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het College concludeert in klachtonderdeel V dat beklaagde geen volledig dossier heeft bijgehouden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet, hetgeen een schending oplevert van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Voor wat betreft de op te leggen maatregel heeft het College oog voor de functie van beklaagde en de context van de instelling waarin zij werkzaam is geweest. Ook is het reflecterend vermogen van beklaagde meegewogen. Het College acht passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 17.141Tb

Een casemanager jeugd heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld ten aanzien van het dossier. De wijze van opstellen, de (informatie)verstrekking en de dossieropschoning is onvolledig geweest.

Klaagster, de moeder van twee kinderen, heeft tegen de casemanager jeugd zes klachtonderdelen ingediend. Ten tijde van de betrokkenheid van beklaagde hadden de kinderen de hoofdverblijfplaats bij klaagster. Klaagster neemt het beklaagde in de kern kwalijk dat zij samen met haar collega in de kerstvakantie de vader heeft geadviseerd om de jongste zoon (voor een langere periode) bij hem te laten wonen, terwijl klaagster hierin niet betrokken is. Klachtonderdeel I gaat over dit advies. De andere klachtonderdelen gaan over verschillende verwijten met betrekking tot het dossier en dat klaagster onheus bejegend is. Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Het College verklaart klachtonderdeel I ongegrond, omdat beklaagde ten tijde van het gegeven advies aan de vader door vakantie afwezig is geweest. Beklaagde heeft volgens het College voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voorafgaand aan de kerstvakantie niet had kunnen inschatten dat de incidenten, die zich hebben afgespeeld in de kerstvakantie, zouden plaatsvinden. Naar het oordeel van het College betreft de klacht dan ook niet het handelen of nalaten van beklaagde en is dit haar niet te verwijten.

Klachtonderdelen II, III en IV (die toezien op het dossier) verklaart het College gegrond. Met betrekking tot klachtonderdeel II wordt overwogen dat klaagster, op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet, het recht heeft tot inzage en afschrift van het dossier, waartoe contactjournaals onderdeel van uitmaken. Nu beklaagde de contactjournaals niet heeft toegezonden en klaagster daarover onvolledig is geïnformeerd, is het College van oordeel dat dit een schending oplevert van genoemde wettelijke bepaling en artikelen F (informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) en M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode. Het verwijt in klachtonderdeel III betreft de privacy schending van klaagster, omdat aan de vader hetzelfde dossier is verstrekt. Het College overweegt op grond van artikel 7.3.10 van de Jeugdwet dat een ouder slechts recht heeft op de gegevens van de ouder zelf, en niet die van de andere ouder, naast dat de ouder recht heeft op de gegevens in het kader van de geboden hulpverlening aan de kinderen. Omdat is vastgesteld dat beklaagde de gegevens, die slechts over klaagster gaan, niet heeft verwijderd uit het dossier, acht het College dit nalaten in strijd met artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en een schending van artikelen J (vertrouwelijkheid) en M (verslaglegging / dossiervorming) van de Beroepscode. Het College concludeert in klachtonderdeel IV dat beklaagde geen volledig dossier heeft bijgehouden conform de daarvoor gestelde wettelijke bepalingen van de Jeugdwet, hetgeen een schending oplevert van artikel M (verslaglegging/dossiervorming) van de Beroepscode.

Voor wat betreft de op te leggen maatregel heeft het College oog voor de context van de instelling waarin beklaagde werkzaam is geweest. Ook is het reflecterend vermogen van beklaagde meegewogen. Het College acht passend en geboden de maatregel van waarschuwing op te leggen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 18.001B

Er is onvoldoende aannemelijk geworden dat een raadsonderzoeker de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De raadsonderzoeker heeft geprobeerd beide ouders hun verhaal te laten vertellen en daarbij zelf neutraal te blijven.

Zowel klager als beklaagde zijn in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het College van Toezicht heeft – kort weergeven – geoordeeld dat er sprake is van een onvolledig en eenzijdig raadsrapport waarmee beklaagde de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Het College van Toezicht heeft de maatregel van berisping aan beklaagde opgelegd.

Beklaagde heeft allereerst verzocht klager niet-ontvankelijkheid te verklaren in zijn klacht wegens bedreigingen aan haar adres. Het College van Beroep stelt voorop dat het niet gelukkig is met de bedreigingen die door klager geuit zijn aan het adres van beklaagde en het gebrek aan zelfreflectie op dit gedrag door klager. Het College van Beroep is van oordeel dat dergelijk gedrag nooit kan bijdragen aan een constructieve samenwerking tussen een betrokkene en een jeugdprofessional. Nu de bedreigingen echter zijn begonnen nadat beklaagde haar werkzaamheden als raadsonderzoeker feitelijk reeds had afgerond, en haar handelen derhalve niet is beïnvloed door de bedreigingen, verklaart het College van Beroep klager ontvankelijk in zijn klacht c.q. beroepschrift.  Het College van Beroep is, net als het College van Toezicht, van oordeel dat er sprake is van een eenzijdig en onvolledig raadsrapport. Anders dan het College van Toezicht is het College van Beroep echter van oordeel dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat zij daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Beklaagde heeft getracht zowel klager als moeder de ruimte te geven hun verhaal te vertellen en daarbij zelf neutraal te blijven.

De gegrond verklaarde klachten zien op het onvolledig en eenzijdig zijn van het opgestelde raadsrapport. Het College van Beroep is concluderend van oordeel dat er sprake is van een eenmalige misslag van de zijde van beklaagde en dat beklaagde – waar nodig in overleg – zorgvuldig besluiten heeft genomen. Beklaagde heeft inzicht gegeven in haar handelen en daarop gereflecteerd. Het College van Beroep trekt de opgelegde maatregel van berisping in en ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen.

College van Beroep
SAMENVATTING
zaaknummer: 18.003B

Het College van Beroep is van oordeel dat een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.

Een moeder is in beroep gegaan tegen de beslissing van het College van Toezicht. Het beroepschrift richt zich tegen twee ongegrond verklaarde klachtonderdelen en een gegrond klachtonderdeel. De moeder wordt in haar grief tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel door het College van Beroep op grond van artikel 12.1 van het Tuchtreglement niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het College van Beroep overwogen dat het niet mogelijk is om in beroep te gaan tegen een beslissing van het College van Toezicht om al dan niet een maatregel op te leggen aan een beklaagde. Het opleggen van een maatregel, en de eventuele zwaarte daarvan, is een bevoegdheid die toekomt aan de tuchtcolleges van SKJ.

In deze beroepsprocedure stond (onder andere) de vraag centraal of een jeugdbeschermer, ondanks het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing door het gerechtshof, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Het College van Beroep heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het College van Beroep heeft in het oordeel meegenomen dat het is gebleken dat de jeugdbeschermer helder voor ogen had hoe zij de moeder wilde informeren over het beperken van de omgang en het aankondigen van de schriftelijke aanwijzing. Het College van Beroep is van oordeel dat het tijdspad dat de jeugdbescherming daarbij wilde hanteren, en de wijze van informeren, een werkwijze is die niet in strijd is met artikel G van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker (Beroepscode). Het College van Beroep betreurt wel de ontstane situatie tijdens het betreffende gesprek en dat hierdoor de jeugdbeschermer en de moeder beide niet (afdoende) in staat zijn geweest hun zienswijze te geven en/of voorgenomen besluit toe te lichten. Nu er door de jeugdbeschermer onbetwist is gesteld dat zich tijdens het gesprek een situatie voordeed waaruit zij opmaakte dat de veiligheid van de dochter in het geding was, is het College van Beroep van oordeel dat de jeugdbeschermer nog voldoende heeft gehandeld conform artikel E van de Beroepscode. Het College van Beroep heeft wel de indruk dat het aan een passend vervolg heeft ontbroken nu de jeugdbeschermer de moeder niet meer heeft gesproken of heeft uitgenodigd voor een vervolggesprek. Het handelen van de jeugdbeschermer ten opzichte hiervan had beter gekund, maar het gaat het College van Beroep te ver om de jeugdbeschermer ten aanzien hiervan een tuchtrechtelijk verwijt te maken.

College van Toezicht
SAMENVATTING
zaaknummer: 18.026T

Klacht tegen de voormalige jeugdbeschermer over zijn uitlatingen over klager tijdens het overdrachtsgesprek.

Klager heeft tegen de voormalige jeugdbeschermer verschillende klachtonderdelen ingediend. Beklaagde wordt – in de kern samengevat – verweten dat hij tijdens het overdrachtsgesprek, waarbij onder meer het CJG aanwezig was, belastende uitlatingen over klager heeft gedaan. Klachtonderdeel I tot en met IV worden ongegrond verklaard en in klachtonderdeel V wordt klager niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen door klager in klachtonderdeel I en II gesteld wordt (dat hij onder valse voorwendselen uitgenodigd is voor het overdrachtsgesprek en dat beklaagde klager onterecht beschuldigd heeft van mishandeling en opgelopen trauma bij zijn kinderen), blijkt volgens het College niet uit de overgelegde stukken. In het derde klachtonderdeel wordt beklaagde verweten dat klager in zijn eer en naam is aangetast, omdat informatie over zijn strafrechtelijke veroordeling is verspreid. Het uitgangspunt is dat de informatie-uitwisseling plaatsvindt op basis van toestemming van de betrokkene(n), conform artikel J (vertrouwelijkheid) van de Beroepscode. Het College is het met beklaagde eens dat hij ervan uit kon en mocht gaan dat klager voor het delen van deze informatie zijn toestemming had verleend, nu het detentieverleden van klager tijdens het hulpverleningstraject meermaals aan bod is gekomen en klager hierover steeds slechts aangegeven had dat hij de reden van zijn veroordeling (richting derden) niet kenbaar wilde maken. Beklaagde heeft hier tijdens het overdrachtsgesprek gehoor aan gegeven. Het College overweegt dat het handelen van beklaagde weliswaar beter had gekund door met klager voorafgaand aan het gesprek hierover af te stemmen, maar dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. In zijn vierde klacht verwijt klager beklaagde dat hij niet de intentie heeft gehad om klager met zijn kinderen te herenigen. Het klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard, omdat uit de stukken voldoende valt af te leiden dat het handelen van beklaagde steeds gericht is geweest op het realiseren van contact tussen klager en zijn kinderen. Tot slot ziet het laatste klachtonderdeel op het verwijt dat de kinderen klager niet leren kennen, omdat contact tussen hen ontbreekt. Het College verklaart klager niet-ontvankelijk in de klacht, omdat een duidelijke omschrijving van de klacht en daarmee het verwijt richting beklaagde ontbreekt. Het klachtonderdeel betreft namelijk niet het individuele handelen of nalaten van beklaagde.