Maak een selectie

727 van 727

   

Een jeugdbeschermer heeft op essentiële onderdelen meerdere normen overschreden. Van een professional die werkzaam is in het gedwongen kader mag worden verwacht dat actief wordt gezocht naar mogelijkheden om met de betrokkene(n) tot samenwerking te komen.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk, voorzitter,
de heer W.L. Scholtus, lid-beroepsgenoot,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,

over het door:

[Klaagster], klager, hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats],

op 10 april 2020 (20.137Ta) en op 19 mei 2020 (20.186Ta) ingediende klaagschrift tegen:

[Jeugdprofessional], beklaagde, hierna te noemen: de jeugdprofessional, werkzaam als jeugdbeschermer bij [GI] (locatie: [locatie]), hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. M.M. Haverkort.

De moeder wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. L. Mercanoglu, werkzaam als advocaat te Almelo.

De jeugdprofessional wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. S. Dik, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:

  • het klaagschrift ontvangen op 10 april 2020 (20.137Ta) en 19 mei 2020 (20.186Ta);
  • het verweerschrift ontvangen op 3 juni 2020 (20.137Ta) en 3 augustus 2020 (20.186Ta);

1.2 Vanwege de coronamaatregelen is de klacht digitaal behandeld. Deze digitale mondelinge behandeling vond plaats op vrijdag 15 januari 2021 (hierna te noemen: de behandeling) in aanwezigheid van de moeder, de jeugdprofessional en de gemachtigden van partijen. Tevens was aanwezig de jeugdprofessional in de zaken 20.138Ta en 20.185Ta die gelijktijdig zijn behandeld.

1.3 Na afloop van de behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen meegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Het College gaat van de volgende feiten uit.

2.1 De moeder heeft twee minderjarige kinderen. De jongste dochter is geboren in 2012 en de oudste dochter is geboren in 2009. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over de beide dochters. De kinderen hebben ieder een andere vader.

2.2 De moeder en de vader van de jongste dochter zijn getrouwd geweest van 2012 tot 2017. De vader van de jongste dochter wordt hierna aangeduid als vader A. Vader A is gezamenlijk met de moeder belast met het ouderlijke gezag over de jongste dochter. Na de echtscheiding in 2017 bleef de jongste dochter bij de moeder wonen. Door de kinderrechter is een zorgverdeling vastgesteld waarbij de jongste dochter een weekend om de veertien dagen bij vader A verblijft. De moeder en vader A hadden afgesproken dat de oudste dochter in de omgangsweekenden met de jongste dochter ook bij hem verbleef.

2.3 De vader van de oudste dochter wordt hierna aangeduid als vader B. Vader B heeft zijn dochter erkend, maar hij is niet gezamenlijk met de moeder belast met het ouderlijk gezag.

2.4 Sinds 2018 is het contact tussen de oudste dochter en vader B opgebouwd naar een regeling waarbij zij de eerste helft van het weekend verbleef bij vader B, en de tweede helft van het weekend bij vader A. Deze omgangsregeling is eind 2019 gewijzigd naar de afspraak dat de oudste dochter het ene omgangsweekend bij vader A verblijft, en vervolgens twee omgangsweekenden aansluitend bij vader B.

2.5 De kinderrechter heeft op 14 oktober 2019 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden, tot 14 april 2020. De jeugdprofessional is sinds de ondertoezichtstelling van de kinderen belast met de uitvoering van deze maatregel. Het doel van de maatregel richtte zich in de kern op het belang van de kinderen om zich vrijelijk te kunnen bewegen tussen de moeders en de beide vaders, en het verkrijgen van zicht op de opvoedsituatie bij de moeder.

2.6 Op 31 maart 2020 heeft de kinderrechter ter zitting bij mondelinge uitspraak de ondertoezichtstelling verlengd voor een periode van zes maanden, tot 14 oktober 2020. De jeugdprofessional stelt dat de moeder na deze zitting diezelfde dag aan de beide vaders heeft laten weten dat de kinderen voortaan bij hen konden wonen. Om deze reden zou de moeder aan de vaders hebben gevraagd of zij de kinderen wilden ophalen. Op het moment dat de vaders -na overleg met de GI- de kinderen kwamen ophalen, zou de moeder op haar beslissing zijn teruggekomen. De moeder heeft weersproken dat zij dit tegen de vaders zou hebben gezegd.

2.7 Op 31 maart 2020 ontving de politie een anonieme zorgmelding die zij aan Veilig Thuis heeft doorgegeven. Diezelfde dag heeft de politie ook de jeugdprofessional hierover bericht. Op 1 april 2020 heeft de jeugdprofessional hierover met Veilig Thuis telefonisch contact opgenomen voor overleg. Op 2 april 2020 heeft Veilig Thuis deze zorgmelding schriftelijk aan de jeugdprofessional gerapporteerd.

2.8 Op 1 april 2020 heeft de jeugdprofessional overleg gepleegd met de gedragswetenschapper van de GI en werd besloten aan de kinderechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken, om de kinderen tijdelijk bij hun biologische vader te plaatsen. In het verzoekschrift heeft de jeugdprofessional de inhoud van de anonieme zorgmelding opgenomen.

2.9 Op vrijdag 3 april 2020 om 11.55 uur heeft de kinderrechter op verzoek van de GI voornoemde spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgegeven voor de duur van twee weken. Dat weekend verbleven de kinderen in het kader van de omgang bij hun vaders vanaf 14.15 uur, en zij zijn hier na het weekend gebleven op basis van de afgegeven machtiging.

2.10 Op vrijdag 3 april 2020 om 16.33 uur heeft de GI de moeder per e-mailbericht geïnformeerd over de uithuisplaatsing. In dit e-mailbericht heeft de jeugdprofessional het volgende opgenomen: “Wij hebben geprobeerd met jou in contact te komen, maar helaas is dit niet gelukt. Wij hadden jou graag persoonlijk gesproken om je het volgende mede te delen: N.a.v. de gebeurtenis van afgelopen woensdag en de zorgen die er al waren hebben wij helaas een machtiging uithuisplaatsing moeten verzoeken bij de kinderrechter. De rechter heeft deze machtiging afgegeven voor de komende 2 weken. De kinderen verblijven sowieso de komende twee weken bij [vader A]  [jongste dochter] en [vader B] [oudste dochter]. Binnen twee weken komt het er een zitting. Wij begrijpen heel goed wat dit voor jou betekent en wij vinden het uiterst vervelend dat het op deze manier moet, maar we hebben geen andere keus.

Wij maken ons ook zorgen om jou en wij hopen dat jij hiervoor hulp/ondersteuning kan zoeken/krijgen in jouw persoonlijke kring en/of op professioneel gebied. Van ons secretariaat ontvang je via de mail en per post het spoedverzoek machtiging uithuisplaatsing en een aankondiging schriftelijke aanwijzing. In die aankondiging schriftelijke aanwijzing staat met name dat je dient mee te werken met (ambulante) hulpverlening. Deze kan aanstaande maandag een startgesprek inplannen. Graag willen wij met jou in contact om een tijdstip af te spreken.”

2.11 Op 15 april 2020 heeft de jeugdprofessional aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven met daarin vier instructies. Kort weergegeven diende de moeder toestemming te geven aan de jeugdprofessional voor: 1. het zien van de kinderen, 2. contact met de school, 3. contact met de kinderpsycholoog van de oudste dochter. De vierde aanwijzing zag op het accepteren van de (ambulante) hulpverlening van [de instelling]. Tevens waren er drie voorwaarden geformuleerd met betrekking tot de thuisplaatsing, met daarin een minimumeis gericht op het aantal gesprekken van [de instelling] met de moeder en met de kinderen. Onderdeel hiervan was viermaal een omgangscontact tussen de moeder en de kinderen, onder begeleiding van [de instelling].

2.12 Op 16 april 2020 heeft kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing verlengd voor de duur van een maand tot 17 mei 2020.

2.13 Op 17 april 2020 heeft de moeder een verzoekschrift ingediend tot vervanging van de GI. Op 29 april 2020 heeft de moeder tevens een verzoekschrift ingediend tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing die op 15 april 2020 aan de moeder was verzonden. Deze twee verzoeken zijn door de kinderrechter gezamenlijk behandeld en afgewezen op 7 mei 2020.

2.14 De machtiging tot uithuisplaatsing is meerdere malen voor korte perioden verlengd totdat de kinderen in augustus 2020 bij de moeder werden terug geplaatst: de oudste dochter op 7 augustus 2020 en de jongste dochter op 14 augustus 2020. De maatregel ondertoezichtstelling is verlengd tot medio oktober 2021.

2.15 De jeugdprofessional stond van [datum] 2013 tot en met [datum] 2018 als jeugdzorgwerker geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Sinds [datum] 2019 staat de jeugdprofessional als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     Het beoordelingskader

3.1 Het College beantwoordt de vraag of een jeugdprofessional met het (beroepsmatig) handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met de professionele standaard (de voor de jeugdprofessional geldende beroepscode, de richtlijnen en de veldnormen) ten tijde van het klachtwaardig handelen. Bij de tuchtrechtelijke toetsing gaat het er niet om of het handelen van een jeugdprofessional beter had gekund.

3.2 Het College toetst het (beroepsmatig) handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

4     De klacht, het verweer en de beoordeling

De klacht onder 20.137Ta bestaat uit zes klachtonderdelen en de klacht onder 20.186Ta bestaat uit vier klachtonderdelen. Omdat deze klaagschriften betrekking hebben op dezelfde partijen en ook inhoudelijk samenhangen, heeft het College besloten de twee klaagschriften (hierna te noemen: het klaagschrift) gevoegd te behandelen. In het kader van de leesbaarheid worden de klachtonderdelen doorgenummerd, waardoor de klachtonderdelen 1 t/m 4 van 20.186Ta worden aangeduid als de klachtonderdelen 7 t/m 10.

In het hierna volgende worden de in totaal tien klachtonderdelen besproken en beoordeeld. Vanwege de overlap en samenhang in een deel van de onderwerpen waarop het verwijt ziet, worden de klachtonderdelen 4 en 6 gezamenlijk behandeld. De overige klachtonderdelen worden afzonderlijk behandeld. Telkens worden zowel de klacht als het verweer samengevat weergegeven, waarna de beoordeling van het College volgt. Daar waar bij de overige klachtonderdelen ook sprake is van enig overlap, wordt verwezen naar het oordeel van het College in het betreffende klachtonderdeel. Aan het einde volgt een samenvatting van de beoordeling in de conclusie.

4.1 Klachtonderdeel 1

4.1.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij in strijd heeft gehandeld met de vereiste deskundigheid door de Richtlijn uithuisplaatsing te negeren.

Toelichting:
Volgens de moeder mag een uithuisplaatsing pas worden ingezet als allerlaatste redmiddel en heeft de jeugdprofessional niet alles in het werk gesteld om een uithuisplaatsing te voorkomen. Zo had de jeugdprofessional bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing kunnen geven. Verder heeft de jeugdprofessional  de moeder te laat geïnformeerd over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing (hierna ook te noemen: de crisisplaatsing). Deze machtiging is door de kinderrechter afgegeven om 11.55 uur, terwijl het e-mailbericht aan de moeder pas om 16.33 uur werd verzonden. Een afschrift van het verzoekschrift ontving de moeder pas om 16.58 uur. In het verzoekschrift stelt de jeugdprofessional dat de moeder eerst moet samenwerken met de GI en andere hulpverlening voordat de kinderen terug kunnen worden geplaatst. Omdat de beide dochters dat weekend bij hun biologische vaders verbleven, wilde de jeugdprofessional hen daar houden. Omdat de moeder hier nog niet van op de hoogte was, zou volgens de jeugdprofessional sprake zijn van spoed. Dit is geen spoed maar een strategie, stelt de moeder. De crisisplaatsing is door de jeugdprofessional niet ingezet als uiterste redmiddel, maar als strategie om de moeder tot een samenwerking te dwingen. Een crisisplaatsing is bedoeld voor situaties waarin sprake is van ‘een zeer ernstige situatie waarin de jeugdige of een gezinslid direct fysiek gevaar loopt’. Volgens de moeder blijkt uit het e-mailbericht dat hiervan geen sprake was. Hierbij is van belang dat de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 door de jeugdprofessional niet is geverifieerd noch zijn de gemelde zorgen met de moeder besproken. Weliswaar heeft de kinderrechter het verzoek toegewezen, maar dit ontslaat de jeugdprofessional niet van haar eigen verantwoordelijkheid. De moeder verwijst hiervoor naar een uitspraak van het College van Toezicht uit 2016 waarin dit is bepaald (15.065T). Afsluitend merkt de moeder op dat de jeugdprofessional heeft nagelaten om alles in het werk te stellen om met de moeder in gesprek te gaan en de moeder verder te informeren over de wijze van samenwerking met de jeugdprofessional en eventuele ambulante hulpverlening. In haar e-mailbericht van 6 april 2020 heeft de moeder een duidelijk voorstel gedaan, waar de jeugdprofessional niet adequaat op heeft gereageerd.

4.1.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Terwijl de kinderen al bijna een half jaar onder toezicht waren gesteld bleef de moeder weigeren toestemming te geven aan de jeugdprofessional om de kinderen te zien en te spreken. Hierdoor had de jeugdprofessional onvoldoende zicht op de opvoedsituatie bij de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kinderrechter met betrekking tot het verlengen van de maatregel ondertoezichtstelling, heeft de moeder laten weten dat zij niet aan de ondertoezichtstelling wil meewerken. Na deze zitting op 31 maart 2020 heeft de moeder opnieuw de kinderen betrokken in de strijd die zij voert met de vaders en hen blootgesteld aan haar onvoorspelbare gedrag. De jeugdprofessional licht toe dat zij op allerlei manieren heeft geprobeerd met de moeder tot een samenwerking te komen en afspraken te maken, maar dat is niet gelukt. Tot aan de zitting bij de kinderrechter van 31 maart 2020 had de jeugdprofessional (nog) geen voornemen voor een uithuisplaatsing, maar na 31 maart 2020 kwam alles in een stroomversnelling en stapelden de zorgen zich op. Omdat geen verandering was te verwachten in de houding van de moeder werden de zorgen over de kinderen zo groot, dat de jeugdprofessional geen andere mogelijkheid meer zag dan het aanvragen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. De jeugdprofessional heeft voorafgaande aan deze beslissing overlegd met de gedragswetenschapper en collega’s tijdens een casuïstiekbespreking. Besloten is tot een crisisplaatsing met als doel om zo snel mogelijk toe te werken naar een thuisplaatsing door het inzetten van de systeemgerichte ambulante hulpverlening van [de instelling] (hierna te noemen: [de instelling]). Het uitgangspunt was dat de kinderen naar de moeder terug kunnen als de moeder voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn neergelegd in de schriftelijke aanwijzing van 15 april 2020. De jeugdprofessional heeft er bewust voor heeft gekozen om de moeder pas in te lichten over de crisisplaatsing zodra de kinderen bij hun vader waren gearriveerd. Omdat de jeugdprofessional de reactie van de moeder als onvoorspelbaar inschatte kon de crisisplaatsing voor de kinderen op deze manier zo rustig mogelijk verlopen.
De jeugdprofessional benadrukt dat de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 door de kinderrechter niet als grondslag is gehanteerd voor de afgegeven spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Verder acht de jeugdprofessional van belang dat [de instelling] in beginsel op 6 april 2020 al in het gezin van de moeder had kunnen starten, waarna de eerste omgangscontacten gelijk hadden kunnen plaatsvinden. Maar de moeder heeft op de schriftelijke aanwijzing gereageerd met een procedure bij de rechtbank. Hierdoor kon de begeleiding door [de instelling] op 6 april 2020 niet starten. De aanmelding verloor daarmee het spoedeisende karakter, waarna de moeder op de gewone wachtlijst van [de instelling] is geplaatst. Door deze ontwikkelingen is de begeleiding door [de instelling] pas twee maanden later gestart.

4.1.3 Het College overweegt als volgt:
Aan het College ligt de vraag voor of de jeugdprofessional de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming (hierna: de Richtlijn Uithuisplaatsing) al dan niet correct heeft gevolgd. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.
De Richtlijn Uithuisplaatsing geeft een aantal stappen die doorlopen moeten worden bij een verstoorde balans tussen de ontwikkelingsbehoeften van jeugdigen en de opvoedingskwaliteiten van de ouders. Deze Kernoordelen zijn uitgewerkt in werkkaarten. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij bij haar beslissing deze werkkaarten heeft gebruikt. Bij kernoordeel vijf wordt de inzet van intensieve ambulante hulpverlening voorgeschreven, met als doel om een uithuisplaatsing te voorkomen. Op dit punt in het beslismodel heeft de jeugdprofessional ervoor gekozen om systeemgerichte ambulante hulpverlening ([de instelling]) in te zetten, in lijn met de Richtlijn Uithuisplaatsing. Echter, anders dan deze richtlijn voorschrijft heeft de jeugdprofessional [de instelling] niet ingezet om een uithuisplaatsing te voorkómen. Uit het verzoekschrift en de schriftelijke aanwijzing begrijpt het College dat de inzet van [de instelling] is gericht op de thuisplaatsing van de kinderen die met een spoedmachtiging uit huis zijn geplaatst. Ook is met de moeder niet besproken dat uithuisplaatsing een mogelijke interventie zou zijn en/of is haar duidelijk gemaakt hoe zij een uithuisplaatsing kon voorkomen. Hieruit volgt volgens het College dat de jeugdprofessional in beginsel heeft gehandeld in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing, tenzij sprake was van een acuut onveilige situatie waarin direct ingrijpen was geboden.
Om die ‘tenzij’ te kunnen beoordelen is naar het oordeel van het College ook van toepassing de Richtlijn crisisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming (hierna: de Richtlijn Crisisplaatsing). Omdat met een crisisplaatsing wordt ingegrepen in de -onverbrekelijke- band tussen een jeugdige en zijn ouders, dienen dergelijke beslissingen zorgvuldig te worden genomen, zo volgt uit deze richtlijn. Een uithuisplaatsing kan in beginsel alleen worden ingezet als een uiterste redmiddel in die zin dat alle andere mogelijkheden en middelen niet hebben mogen baten om de bedreiging in de ontwikkeling af te wenden. Het College volgt de jeugdprofessional wanneer zij zegt dat de uitvoering van de maatregel uithuisplaatsing rustiger verloopt als het wordt gekoppeld aan de omgangsregeling met de vaders. Maar hiermee is naar het oordeel van het College nog niet duidelijk geworden waarom de inzet van deze maatregel dermate spoedeisend was dat het overleg met de moeder niet kon worden afgewacht. Ook is onduidelijk gebleven waarom geen alternatieve oplossingen zijn overwogen. Dit acht het College met name relevant omdat de jeugdprofessional heeft gesteld dat voorafgaande aan 31 maart 2020 een uithuisplaatsing (nog) niet aan de orde was. Uit de informatie van de jeugdprofessional tijdens de behandeling bleek niet dat er een directe onveilige situatie was voor de kinderen. De problemen speelden immers al langer tijd. Daarbij waren de recente zorgen vanuit Veilig Thuis en de politie niet eerst onderzocht om de veiligheid van de kinderen te beoordelen. In dit verband acht het College tevens relevant dat de jeugdprofessional in het begin van diezelfde maand de veiligheid bij de moeder nog op een zeven scoorde, zoals blijkt uit het plan van aanpak. Hieruit begrijpt het College eveneens dat de mogelijke consequentie van een uithuisplaatsing nog niet door de jeugdprofessional met de moeder was besproken. Dit is in strijd met de Richtlijn Crisisplaatsing die nadrukkelijk voorschrijft dat een uithuisplaatsing niet uit de lucht mag komen vallen. Volgens deze richtlijn dienen de ouders én jeugdigen te worden betrokken in het proces voorafgaand aan de besluitvorming. Tevens moeten de ouders worden voorgelicht en uitleg krijgen over de gevolgen van hun handelen en/of nalaten. In principe volgt de jeugdprofessional bij de besluitvorming de voorkeur van ouders en jeugdige, zo schrijft de Richtlijn Crisisplaatsing voor. Uiteraard dient de veiligheid van de jeugdige de eerste afweging te zijn, en om die reden richt het eerste kernoordeel zich op de inschatting van de veiligheid en de balans draagkracht-draaglast, van zowel de jeugdige als de ouders. Indien de zorgen op 31 maart 2020 zo groot werden dat de jeugdprofessional op dat moment geen andere mogelijkheid meer zag dan het aanvragen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, dan beschrijft de Richtlijn Crisisplaatsing een aantal stappen om de crisis aan te pakken. Die stappen hebben als kern het overleg met de ouders, de jeugdige en het inzetten van het sociale netwerk. Waar mogelijk kan ambulante hulp worden ingezet. Weliswaar begrijpt het College dat  op 31 maart 2020 een situatie was ontstaan die de jeugdprofessional zorgen baarde, maar in de hiervoor geschetste feiten, zorgen en omstandigheden ziet het College geen aanleiding voor de conclusie dat sprake was van een acuut veiligheidsrisico dat direct ingrijpen noodzakelijk maakte. In dit verband merkt het College op dat de moeder de omgangsregeling conform afspraak nakwam en zij de kinderen ook op 3 april 2020 zonder problemen heeft meegegeven aan de vaders. Hieruit volgt volgens het College dat de jeugdprofessional in beginsel heeft gehandeld in strijd met de Richtlijn Crisisplaatsing en daarmee ook met de Richtlijn Uithuisplaatsing, tenzij het inderdaad niet mogelijk was geweest voor de jeugdprofessional om met de moeder in overleg te treden zoals de jeugdprofessional herhaaldelijk heeft gesteld.
Om deze ‘tenzij’ te beoordelen onderzoekt het College of de houding van de moeder heeft veroorzaakt dat de Richtlijn Uithuisplaatsing (en de Richtlijn Crisisplaatsing) op de genoemde punten niet door de jeugdprofessional kon worden gevolgd. Het College heeft daarvoor onvoldoende aanwijzingen gevonden. Uit de stukken is het College gebleken dat in de eerste maanden van de  ondertoezichtstelling meerdere gesprekken met de moeder hebben plaatsgevonden. In de eerste vijf maanden van de ondertoezichtstelling blijken minstens vier gesprekken te zijn geweest. Dit blijkt onder meer uit het e-mailbericht van de moeder van 19 februari 2020, dat onbetwist door de jeugdprofessional als bijlage 7 bij het verweerschrift is overgelegd. Daarnaast bevat het dossier meerdere e-mailberichten waarin de advocaat van de moeder vraagt om de noodzakelijke informatie en afstemming. Tijdens de behandeling  is hierop doorgevraagd. De jeugdprofessional heeft toegelicht dat zij wel zag dat de moeder wilde samenwerken, maar dat het niet lukte om dit een constructieve vorm te geven. Het College begrijpt hieruit dat het de jeugdprofessional niet is gelukt om aan te sluiten bij de vragen en behoeften die speelden aan de zijde van de moeder. Echter, van een jeugdprofessional die werkzaam is binnen het gedwongen kader acht het College het omgaan met weerstanden een wezenlijk onderdeel van de kerntaak van een jeugdprofessional. In dit bestek ziet het College aanleiding om -als overweging ten overvloede- te wijzen op de nieuwe richtlijn “Samen met ouders en jeugdige besluiten over passende hulp” (hierna: de Richtlijn Gedeelde-besluitvorming). Deze richtlijn geeft richting aan een zorgvuldige werkwijze met de focus op gedeelde besluitvorming, wat ook in het gedwongen kader de samenwerkingsrelatie kan bevorderen. Tevens draagt gedeelde besluitvorming bij aan de intrinsieke motivatie en eigen regie van ouders. Deze richtlijn verwijst concreet naar gesprektechnieken en methoden die aansluiting zoeken bij de vraag en behoeften van het gezin. Verder wijst de Richtlijn Gedeelde-besluitvorming erop dat niet te snel gedacht moet worden in termen van ‘weerstand’ maar in ‘we hebben meer gesprek nodig’. Als de jeugdprofessional vreesde dat moeder haar deur gesloten zou houden voor de noodzakelijk geachte hulpverlening door [de instelling], dan volgt het College de moeder in haar stelling dat nog niet alle mogelijkheden waren uitgeput. Met name omdat van een acuut onveilige situatie geen sprake was. Zo had de jeugdprofessional per brief of e-mailbericht de moeder kunnen laten weten welke stappen zij zou willen zetten om de samenwerking te verbeteren. Tevens had de jeugdprofessional de schriftelijke aanwijzing kunnen geven voorafgaande aan het verzoek tot spoedmachtiging uithuisplaatsing, in plaats van erná. Desnoods had de jeugdprofessional het gesprek met de moeder kunnen aangaan met de afgegeven machtiging als stok achter de deur, zonder deze direct ten uitvoer te leggen. Via deze routes had de jeugdprofessional met de moeder het gesprek aan kunnen gaan over de noodzaak van de door haar voorgestelde hulp, en wat de consequenties zouden (kunnen) zijn als de moeder blijft bij haar weigering hieraan mee te werken. Het College overweegt dat een dergelijke route de moeder de kans had gegeven om haar houding bij te stellen. In ieder geval was zij bekend geweest met de consequenties van haar handelen mocht zij anders besluiten, zodat de uithuisplaatsing niet uit de lucht komt vallen.
Op basis van voorgaande overwegingen komt het College tot de volgende conclusie. Alleen als, kort gezegd, sprake is van een laatste redmiddel is een uithuisplaatsing gerechtvaardigd. De jeugdprofessional heeft gekozen voor een crisisplaatsing met als doel terugplaatsing in combinatie met het inzetten van [de instelling]. Op basis van de hiervoor beschreven richtlijnen is het College van oordeel dat de jeugdprofessional in het proces van besluitvorming de volgorde heeft omgedraaid. De schriftelijke aanwijzing en de ambulante hulpverlening zijn door de jeugdprofessional niet ingezet om de uithuisplaatsing te voorkomen. De jeugdprofessional heeft het verzoek voor een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ingezet om zo tot een constructieve samenwerking te komen met de moeder. Hiermee heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College de uithuisplaatsing oneigenlijk ingezet namelijk als strategie en niet als uiterste redmiddel. Dit handelen acht het College in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing, en -ten overvloede- de Richtlijn Crisisplaatsing. Weliswaar heeft de kinderrechter het verzoek toegewezen, maar dit ontslaat de jeugdprofessional niet van haar eigen verantwoordelijkheid zoals het College eerder heeft overwogen en geoordeeld in 2016 (15.065T).
Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional de toetsingskaders niet nageleefd waardoor het College artikel B (Deskundige beroepsuitoefening) van de Beroepscode voor jeugdhulp en jeugdbescherming, hierna: de Beroepscode, geschonden acht. Ook vindt het College dat  de jeugdprofessional zich onvoldoende heeft ingezet om met de moeder een constructief proces op gang te brengen voor de door de jeugdprofessional beoogde hulp- en dienstverlening. Het is van groot belang dat de jeugdprofessional ouders uitnodigt tot samenwerking en hen bij de besluitvorming betrekt. In plaats van een proces van samenwerking op gang te brengen heeft de jeugdprofessional deze hulpverlening geforceerd tot stand willen brengen, en gebracht, door de kinderen uit huis te laten plaatsen zonder dat sprake was van een acuut onveilige opvoedsituatie. Hierdoor acht het College artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) geschonden.

4.1.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 1 gegrond is.

4.2 Klachtonderdeel 2

4.2.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij geen deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek heeft verricht, waarbij zij heeft nagelaten de ontvangen zorgen expliciet met de moeder te delen.

Toelichting:
Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel verwijst de moeder naar de zorgmeldingen bij Veilig Thuis in mei 2019, die na onderzoek als vals alarm werden weerlegd, waarna het onderzoek werd afgesloten. Ten onrechte heeft de jeugdprofessional de weerlegde zorgmeldingen uit 2019 niet in haar plan van aanpak opgenomen, wat volgens de moeder wel had gemoeten in het kader van volledige verslaglegging. De moeder neemt het de jeugdprofessional kwalijk dat zij na de anonieme zorgmelding op 31 maart 2020 niet de moeite heeft genomen om de gemelde zorgen te verifiëren bij een onafhankelijke informant, noch heeft zij de zorgen met de moeder doorgesproken. Toch heeft de jeugdprofessional de anonieme zorgmelding één op één opgenomen in haar verzoekschrift. Hieruit volgt volgens de moeder dat het verzoekschrift van de jeugdprofessional niet is gebaseerd op informatie uit een feitenonderzoek, terwijl de jeugdprofessional dit door middel van simpele vragen wel had kunnen doen. In dit verband verwijst de moeder verwijst naar de vragen die zij de jeugdprofessional heeft gesteld in haar brief van 6 april 2020, waar geen antwoord op is gekomen.

4.2.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Vanaf de start van de maatregel ondertoezichtstelling heeft de jeugdprofessional geen informatie kunnen verkrijgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder, omdat de moeder haar medewerking hieraan weigerde. De pogingen van de jeugdprofessional om met de moeder in gesprek te komen hebben niet tot een samenwerking geleid. Na de anonieme zorgmelding heeft de jeugdprofessional geprobeerd deze met de moeder te bespreken. Maar de moeder was hiervoor niet bereikbaar en zij wilde niet met de jeugdprofessional in gesprek gaan. Er was geen enkele mogelijkheid om deugdelijk onderzoek te doen, terwijl de moeder zich op dat moment onvoorspelbaar gedroeg en zij de kinderen betrok in haar strijd tegen de vaders. De jeugdprofessional vindt juist dat zij met respect voor de moeder heeft gehandeld door het face-to-face contact met de kinderen niet af te dwingen, terwijl zij dit wel had kunnen doen omdat toestemming van de moeder hiervoor niet noodzakelijk is. Verder stelt de jeugdprofessional dat het plan van aanpak een vervolg is op het raadsrapport waar de zorgen uitgebreid worden beschreven. Om deze reden hoeft de jeugdprofessional in de startfase niet alle zorgen opnieuw in kaart te brengen. De zorgen over de kinderen zijn sinds de maatregel ondertoezichtstelling toegenomen omdat er geen zicht kwam op de opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Wat betreft het verwijt dat de anonieme melding is opgenomen in het verzoekschrift, stelt de jeugdprofessional dat de kinderrechter de anonieme zorgmelding niet ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing. Omdat de jeugdprofessional geen extra belastende informatie in het verzoekschrift wilde opnemen, zijn de zorgmeldingen uit 2019 bewust niet opgenomen.

4.2 Het College overweegt als volgt:
Het College begrijpt uit de toelichting bij dit klachtonderdeel dat het verwijt met betrekking tot onvoldoende feitelijk onderzoek zich richt op het ontbreken van enig onderzoek naar de anonieme zorgmelding bij de politie, die deze heeft doorgezet naar Veilig Thuis. Het College stelt vast dat de jeugdprofessional na 31 maart 2020 geen onderzoek heeft gedaan naar de anonieme zorgmelding en dat -tot op de dag van de behandeling- de inhoud van de zorgmelding niet met de moeder is besproken. Het feit dat een eerdere zorgmelding in 2019 als vals is weerlegd acht het College in dit verband relevant, omdat deze informatie de nieuwe anonieme zorgmelding in een breder perspectief plaatst. Toch heeft de jeugdprofessional de anonieme zorgmelding vrijwel integraal opgenomen in het verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing, zonder verwijzing naar de weerlegde zorgmelding in 2019. Dit handelen acht het College in strijd met artikel 3.3. Jeugdwet, waarin de verplichting van de jeugdprofessional staat omschreven om relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit is wetgeving die jeugdzorgwerkers in het kader van een deskundige beroepsuitoefening behoren te kennen. Het College is van oordeel dat het opnemen van een niet geverifieerde anonieme zorgmelding, zonder deze context, aan dit vereiste niet voldoet. Dat de anonieme zorgmelding mogelijk niet ten grondslag heeft gelegen aan de beslissing van de rechtbank is voor dit oordeel van geen belang. De zorgmelding had met de moeder moeten worden besproken. Zoals vastgesteld, dit is niet gebeurd: niet voorafgaand of op de dag van de uithuisplaatsing van 3 april 2020, maar ook niet na de brief van 6 april 2020 waarin de moeder concrete vragen hierover heeft gesteld. Niet alleen handelt de jeugdprofessional hiermee in strijd met de beroepstandaard, maar ook in strijd met het gegeven dat de moeder recht heeft te weten wat over haar is gezegd en wat haar positie is. De anonimiteit van de melder hoeft het delen van de zorgen niet in de weg te staan, omdat dit mogelijk is zonder de identiteit van de melder prijs te geven. In reactie op de vragen van de moeder had de jeugdprofessional eventueel kunnen verwijzen naar Veilig Thuis of een ander regulier meldpunt. Het feit dat de jeugdprofessional in het geheel niet op deze brief van de moeder heeft gereageerd acht het College onzorgvuldig en in strijd met artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode.

4.2.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 2 gegrond is.

4.3 Klachtonderdeel 3

4.3.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: de Meldcode) niet heeft gehanteerd.

Toelichting:
De moeder stelt dat de jeugdprofessional voornamelijk is uitgegaan van signalen terwijl de feitelijkheden hiervan ontbreken. Omdat de jeugdprofessional een ervaren professional is in het werkveld, had van haar mogen worden verwacht dat zij de Richtlijn Uithuisplaatsing en de Meldcode gebruikt om zodoende zorgvuldig en deugdelijk onderzoek te verrichten.

4.3.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional stelt dat zij de 5 stappen van de Meldcode heeft doorlopen alvorens haar beslissing te nemen. Vooreerst (stap 1) heeft zij de signalen in kaart gebracht. Vervolgens (stap 2) heeft de jeugdprofessional deze signalen in het casuïstiekoverleg besproken met een collega en gedragswetenschapper. In dit overleg is het kernbesluit genomen om de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken, om de kinderen tijdelijk bij hun vaders te plaatsen. Tevens heeft de jeugdprofessional contact opgenomen met Veilig Thuis [locatie]. Het overleg met de moeder (stap 3) is niet mogelijk gebleken omdat zij dit bij herhaling heeft geweigerd. Op geen enkele wijze bleek een constructieve samenwerking mogelijk. Ook het bemiddelingsgesprek op 29 januari 2020 heeft hierin geen verbetering gebracht. Bij de weging van de signalen (stap 4) is bij de jeugdprofessional een vermoeden ontstaan van kindermishandeling omdat de kinderen in een structurele vooral emotionele onveiligheid verkeerden. Tenslotte (stap 5) heeft de jeugdprofessional twee beslissingen genomen: melden is noodzakelijk want hulpverlening is tot nu toe niet gelukt vanwege de houding van de moeder, én op deze grondslag heeft de jeugdprofessional besloten de kinderen voorlopig bij hun vaders te laten verblijven.

4.3.3 Het College overweegt als volgt:
In de Meldcode is de norm neergelegd wanneer en op welke wijze moet worden gehandeld bij vermoedens van acute of structurele onveiligheid. De jeugdprofessional heeft toegelicht op welke wijze zij de stappen van de Meldcode heeft gevolgd. De vijfde stap van de Meldcode leidt tot ofwel het organiseren van hulp ofwel een melding bij Veilig Thuis. Echter, in deze situatie verliep het anders omdat reeds een zorgmelding was ontvangen door Veilig Thuis, die deze zorgmelding bij de jeugdprofessional had neergelegd om te onderzoeken. Als de jeugdprofessional vervolgens besluit de kinderen voorlopig bij hun vaders te laten verblijven, en dus besluit tot een crisisplaatsing, dan is naar het oordeel van het College de Richtlijn Uithuisplaatsing hierin leidend. Onder klachtonderdeel 1 is toegelicht waarom het College van oordeel is dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing en de Richtlijn Crisisplaatsing. Hierbij heeft het College overwogen in de houding van de moeder geen grondslag te zien om van deze richtlijnen af te wijken. Omdat in de specifieke omstandigheden voornoemde richtlijnen van toepassing waren, acht het College dit klachtonderdeel ongegrond.

4.3.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 3 ongegrond is.

4.4 Klachtonderdelen 4 en 6

4.4.1. De moeder verwijt de jeugdprofessional dat de kinderen bij haar zijn weggehaald op grond van één anonieme zorgmelding, zonder dat de jeugdprofessional hierover met de moeder een gesprek heeft gevoerd en zonder nader onderzoek of navraag te hebben gedaan (klachtonderdeel 4, eerste deel). De jeugdprofessional heeft onvoldoende de belangen van de kinderen vooropgesteld, door geen betekenis toe te kennen aan de later overgelegde informanteninformatie (klachtonderdeel 4, tweede deel). Tevens verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij onprofessioneel en vooringenomen heeft gehandeld, door de informatie van de informanten te negeren (klachtonderdeel 6).

Toelichting:
De moeder ziet de uithuisplaatsing van de kinderen als machtsvertoon van de jeugdprofessional. Dit blijkt volgens de moeder uit het feit dat de jeugdprofessional in de e-mailcorrespondentie niet ingaat op de informatie van vier informanten die de moeder heeft overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek om de uithuisplaatsing te beëindigen. De GZ-psycholoog die de oudste dochter sinds december 2019 begeleidt heeft in haar verslag en brief van 6 april 2020 toegelicht hoe traumatisch de uithuisplaatsing voor de oudste dochter kan zijn. Ook het positieve verslag van de school en het verslag van de huisarts geven volgens de moeder geen aanleiding om te vrezen voor verwaarlozing of kindermishandeling. Tenslotte heeft de moeder een verklaring toegevoegd van twee directe buren met wie de moeder en de kinderen veelvuldig contact hebben. Eén buurvrouw is werkzaam als aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling in het kader van de Wet Meldcode. Dat gegeven lijkt de moeder relevant omdat deze buurvrouw vanuit haar ervaring ontvankelijk is voor signalen die duiden op eventuele mishandeling of verwaarlozing: zij verklaart dat haar hiervan niets is gebleken.
Verder verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij de nadruk legt op vermeende psychiatrische problematiek bij de moeder, zonder dat de jeugdprofessional concreet maakt in welke mate de kinderen hierdoor zouden worden bedreigd. Omdat de jeugdprofessional deze vermeende problematiek expliciet ten grondslag heeft gelegd aan haar verzoek voor een machtiging uithuisplaatsing, had het op de weg van de jeugdprofessional gelegen om deze vermeende problematiek nader te onderzoeken. Echter, de jeugdprofessional beschikt volgens de moeder niet over de vereiste deskundigheid om een inschatting te kunnen maken van deze vermeende psychiatrische problematiek. Om die reden had de jeugdprofessional de grenzen van haar expertise moeten onderkennen door gebruik te maken van een externe deskundige. In dit kader verwijst de moeder naar haar voorstel uit het e-mailbericht van 8 april 2020. Hierin biedt de moeder de jeugdprofessional aan om gebruik te maken van de deskundigheid van de GZ-psycholoog die al bij het gezin betrokken is. De moeder vindt dat de jeugdprofessional dit voorstel niet had mogen negeren door in haar e-mailbericht van 9 april 2020 te stellen dat het de GI is die de voorwaarden stelt. Volgens de moeder blijkt uit deze reactie dat de jeugdprofessional in haar handelen wordt geleid door een machtsstrijd en niet door het belang van de kinderen.

4.4.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional betwist dat er sprake zou zijn geweest van machtsvertoon, omdat zij juist een politie-ingrijpen heeft kunnen voorkomen door de uithuisplaatsing te laten plaatsvinden op het moment dat de kinderen in het kader van de omgang bij hun vaders verbleven. De jeugdprofessional is zich ervan bewust dat een uithuisplaatsing ingrijpend is voor de kinderen, maar zij zag op dat moment geen andere keus. De inspanningen van de jeugdprofessional om met de moeder in gesprek te komen heeft de jeugdprofessional onder de vorige klachtonderdelen uitvoerig toegelicht, maar die hebben niet geleid tot een samenwerking. Na de anonieme zorgmelding heeft de jeugdprofessional geprobeerd deze met de moeder te bespreken, maar de moeder was hiervoor niet bereikbaar. Verder stelt de jeugdprofessional dat de school een neutrale en objectieve rol heeft, waaruit volgt dat de school niets inhoudelijks kan zeggen over de omgang of thuissituatie bij de moeder. Wat betreft de informatie van de huisarts stelt de jeugdprofessional dat uit het aantal huisbezoeken niet kan worden afgeleid of er al dan niet sprake is van mishandeling of verwaarlozing. Het beroep van de buurvrouw acht de jeugdprofessional van geen belang. Daarbij merkt de jeugdprofessional op dat de informatie van de buren en de psychologe pas heeft ontvangen ná de uithuisplaatsing. Wél erkent de jeugdprofessional de visie van de psycholoog dat een uithuisplaatsing voor de oudste dochter traumatisch kan zijn.
Met betrekking tot de vermeende psychiatrische problematiek bij de moeder benadrukt de jeugdprofessional dat zij geen diagnose heeft gesteld. De jeugdprofessional had graag met de moeder in gesprek gewild over de vermoedelijke problematiek om de wenselijkheid te bespreken van een onderzoek. Echter, dit overleg is er niet gekomen door de aanhoudende weigering van de moeder om in gesprek te gaan. Dat er geen gebruik is gemaakt van externe deskundigheid valt dan ook niet de jeugdprofessional te verwijten. De informatie van de psycholoog die al bij het gezin is betrokken heeft de jeugdprofessional pas na de uithuisplaatsing ontvangen, ondanks het feit dat de jeugdprofessional hier eerder al om had gevraagd.

4.4.3 Het College overweegt als volgt:
Wat betreft het eerste deel van klachtonderdeel 4 is het College uit de stukken gebleken dat de jeugdprofessional vooral bezorgd was over onvoorspelbaar gedrag van moeder, mogelijk psychiatrische problematiek en mogelijk alcoholgebruik. Ook blijkt uit de stukken dat de anonieme melding een belangrijke rol heeft gespeeld bij het verzoek van de jeugdprofessional voor de machtiging tot uithuisplaatsing. Desondanks heeft de behandelend kinderrechter in de wrakingsprocedure verklaard dat hij deze anonieme zorgmelding niet aan de afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing ten grondslag heeft gelegd. Ook in de beschikking van de kinderrechter van 16 april 2020 is de anonieme zorgmelding niet opgenomen als grondslag voor de verlengde machtiging tot uithuisplaatsing. Op basis hiervan kan naar het oordeel van het College niet worden vastgesteld dat de kinderen bij de moeder zijn weggehaald op grond van één anonieme melding.
Voor zover de moeder de jeugdprofessional verwijt dat zij over de anonieme zorgmelding met haar geen gesprek heeft gevoerd en zij geen nader onderzoek heeft gedaan, verwijst het College naar de overwegingen onder klachtonderdeel 1 en klachtonderdeel 8 omdat daarover reeds is geoordeeld. De beoordeling van dit verwijt wordt derhalve in dit klachtonderdeel buiten beschouwing gelaten.
Het College merkt op dat de toelichting onder klachtonderdeel 4 zich richt op de (vermeende) psychische problematiek van de moeder en haar voorstel om een bij name genoemde externe deskundige te betrekken. Omdat hierover geen klachtonderdeel is geformuleerd laat het College dit onderwerp verder buiten beschouwing. Het College wijst in dit verband naar wat het College van Beroep op 12 april 2018 heeft overwogen in beslissing 17.028B onder overweging 3.3.10.
Het tweede deel van klachtonderdeel 4 en klachtonderdeel 6 richten zich kortgezegd op het verwijt dat de jeugdprofessional de informatie van informanten heeft genegeerd althans daar geen betekenis aan heeft toegekend. Het College acht deze klachtonderdelen gegrond en overweegt daartoe als volgt. Na de uithuisplaatsing heeft de moeder op 6 april 2020 de informatie van vier informanten aan de jeugdprofessional overgelegd ter onderbouwing van haar verzoek om de uithuisplaatsing te beëindigen. Vervolgens heeft de moeder in het e-mailbericht van 8 april 2020 zes voorstellen aan de jeugdprofessional voorgelegd om te komen tot een spoedige thuisplaatsing. De jeugdprofessional heeft op 9 april 2020 dit verzoek beantwoord met: “Ons standpunt wat betreft de uithuisplaatsing is onveranderd”, zonder nadere motivering. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional haar reactie toegelicht met de vaststelling dat ze de machtiging uithuisplaatsing niet meer ongedaan kon maken, omdat ze de brief van de psycholoog pas ná de uithuisplaatsing van 3 april 2020 had ontvangen. ‘Het kwaad was al geschied’, aldus de jeugdprofessional. Echter, het College is van oordeel dat bij een tijdelijke maatregel als een crisisuithuisplaatsing sprake is van een proces van voortdurende beweging. Kinderen en gezinnen zijn dynamische structuren in ontwikkeling. Binnen een tijdelijke maatregel als een crisisuithuisplaatsing mag van de jeugdprofessional een flexibele houding worden verwacht, waarin de jeugdprofessional blijft reageren op nieuwe informatie. Nieuwe informatie dient iedere keer weer een aanleiding te zijn om bijstelling van de genomen beslissing te overwegen. Met name de verklaring van de psycholoog van de oudste dochter acht het College hierin relevant, omdat de jeugdprofessional zowel in haar verweerschrift onder randnummer 31 als tijdens de behandeling heeft erkend dat de uithuisplaatsing (voor de oudste dochter) traumatisch kan zijn. Aan de jeugdprofessional is het dan de taak om inzichtelijk te maken op welke wijze de informatie is meegewogen in haar beslissing. Echter, het College heeft bij de jeugdprofessional geen bereidheid gezien om op basis van nieuwe informatie eventueel tot een andere afweging te komen. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional onvoldoende aandacht besteedt aan de door moeder overgelegde informatie van informanten. Door geen betekenis toe te kennen aan deze informanteninformatie heeft de jeugdprofessional onvoldoende de belangen van de kinderen vooropgesteld. Het negeren van deze informatie is daarmee naar het oordeel van het College onprofessioneel. Dit handelen van de jeugdprofessional levert naar het oordeel van het College een schending op van artikel E (Respect) van de Beroepscode. Of deze houding van de jeugdprofessional al dan niet voortkomt uit vooringenomenheid kan het College niet beoordelen, op grond waarvan dit deel van klachtonderdeel 6 ongegrond wordt geacht.

4.4.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 4 deels gegrond is, zover deze ziet op het verwijt dat de jeugdprofessional onvoldoende de belangen van de kinderen voorop heeft gesteld door geen betekenis toe te kennen aan de later overgelegde informanteninformatie. Tevens is het College van oordeel dat klachtonderdeel 6 deels gegrond is, zover deze ziet op het verwijt dat de jeugdprofessional onprofessioneel heeft gehandeld door informatie van informanten te negeren.

4.5 Klachtonderdeel 5

4.5.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij het dossier niet zorgvuldig heeft bijgehouden, en het dossier ook niet aan de moeder ter beschikking heeft gesteld.

Toelichting:
In een e-mailbericht van 22 februari 2020 heeft de moeder aan de jeugdprofessional gevraagd om haar een kopie van het dossier toe te zenden. De moeder vindt dat de jeugdprofessional niet adequaat en niet tijdig op haar verzoek heeft gereageerd, door pas op 3 maart 2020 te reageren met een toezegging dat het plan van aanpak zal worden toegezonden. In voornoemd e-mailbericht van
3 maart 2020 geeft de jeugdprofessional aan dat zij geen overzicht van contacten bijhoudt waar de moeder op 22 februari 2020 expliciet om heeft gevraagd. Als de GI een nieuw beleid heeft ingevoerd wat maakt dat jeugdprofessionals geen contactjournaals meer hoeven bij te houden, dan acht de moeder dit in strijd met de Beroepscode. Immers, hoe kan de moeder volgen welke contacten de jeugdprofessional heeft onderhouden als deze contacten door de jeugdprofessional niet transparant worden bijgehouden. In dit kader merkt de moeder op dat uit het verzoekschrift tot spoedmachtiging uithuisplaatsing blijkt dat de jeugdprofessional wél een (schaduw)dossier bijhoudt als het gaat om contacten voor haar eigen belang. De moeder concludeert hieruit dat de jeugdprofessional in haar e-mailbericht van 3 maart 2020 niet de waarheid heeft gesproken. Verder heeft de moeder op 6 april 2020 aan de jeugdprofessional gevraagd om informatie te verstrekken over de anonieme zorgmelding. De moeder vindt dat de jeugdprofessional dit verzoek niet had mogen negeren. De jeugdprofessional heeft deze anonieme zorgmelding op 2 april 2020 van Veilig Thuis ontvangen, om welke reden deze zorgmelding onderdeel uitmaakt van het dossier. Tevens speelde de verontrustende zorgmelding een rol bij het verzoek van een machtiging uithuisplaatsing. Volgens de moeder had de jeugdprofessional op zijn minst moeten toelichten op grond waarvan zij geen nadere informatie kan verstrekken over de anonieme zorgmelding.

4.5.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Wat betreft de contactjournaals stelt de jeugdprofessional dat zij niet is gehouden een overzicht van de contacten bij te houden, en dat zij evenmin gespreksverslagen hoeft te maken als hiervoor geen reden is. Een schaduwdossier wordt niet door haar bijgehouden, evenmin houdt de jeugdprofessional alleen voor haar eigen belang de contacten bij. De jeugdprofessional neemt in haar e-mailcontact de betrokkenen mee in de CC als het gaat om informatie die hen aangaan of in het belang van de kinderen is. De vraag van de moeder om informatie over de anonieme melding heeft de jeugdprofessional niet genegeerd, maar het is de moeder zelf die de jeugdprofessional niet in de gelegenheid heeft gesteld om de anonieme zorgmelding met de moeder te bespreken.

4.5.3 Het College overweegt als volgt:
Op basis van artikel 7.3.10 Jeugdwet verstrekt de jeugdprofessional aan de betrokkene desgevraagd inzage in en een afschrift van de gegevens uit het dossier. Dit volgt ook uit artikel 11 van het Privacyreglement Gecertificeerde Instelling 4.0 uit 2020 (hierna te noemen: het Privacyreglement) waarin een maand als redelijke termijn is opgenomen. Aanvankelijk betwiste de jeugdprofessional dat sprake was van een uitgebreid dossier, maar tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional erkend dat het dossier omvangrijk is en bestaat uit e-mailcorrespondentie, verslagen, beschikkingen, verzoekschriften en kernbeslissingen. Contactjournaals worden tegenwoordig niet meer standaard bijgehouden. Kortom, het dossier bestaat uit alle beschikbare informatie die de jeugdprofessional meeneemt in haar besluitvorming. Tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional erkend dat afgifte van het dossier had moeten gebeuren, maar zij zegt zich niet meer te kunnen herinneren of die afgifte al dan niet heeft plaatsgevonden. Op basis van voorgaande omstandigheden overweegt het College dat de jeugdprofessional onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de moeder inzage in en een afschrift van het dossier heeft gegeven. Met dit handelen acht het College artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden, en ook artikel 7.3.10 van de Jeugdwet en artikel 11 van het Privacyreglement.
Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional het dossier niet zorgvuldig heeft bijgehouden, overweegt het College dat in het werkveld geen eenduidige norm bestaat die bepaalt hoe het dossier er uit moet zien. Hoewel hierdoor een jeugdprofessional vrijheid toekomt is het wel zo dat een dossier volgens het Privacyreglement die stukken bevat waarin persoonsgegevens over de cliënt zijn verwerkt. Uit de toelichting van artikel 11 van het Privacyreglement blijkt dat
informatie die de GI van een derde ontvangt onderdeel wordt van het clientdossier en valt onder de privacyregels van de GI. Verder blijkt uit de toelichting onder de algemene bepalingen van 1.h van het Privacyreglement dat in het dossier alleen persoonsgegevens worden opgenomen die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, jeugdreclassering of inzet in vrijwillig kader. Ook rapportages van de GI of andere hulpverleners, (gezins)plannen en uitspraken van de rechter worden in het dossier opgenomen. Als met contactjournaals wordt gewerkt zijn die ook onderdeel van het dossier. Tenslotte kunnen ook elektronische berichten zoals e-mails en WhatsApp-berichten deel uitmaken van het dossier. Echter, op basis van het dossier en de behandeling kan door het College niet worden vastgesteld of de jeugdprofessional al dan niet het dossier zorgvuldig heeft bijgehouden. Naar het oordeel van het College volgt hieruit dat dit deel van het klachtonderdeel ongegrond is.

4.5.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 5 deels gegrond is, zover het klachtonderdeel ziet op het verwijt dat het dossier niet aan de moeder ter beschikking is gesteld.

4.6 Klachtonderdeel 7

4.6.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van de ondertoezichtstelling, de uithuisplaatsing en de ouderlijke gezagsuitoefening.

Toelichting:
De moeder heeft het eenhoofdige gezag over de oudste dochter, en zij is gezamenlijk met vader A. belast met het gezag over de jongste dochter. Desondanks heeft de jeugdprofessional de kinderen op een andere school (doen) laten inschrijven, zonder overleg met de moeder en zonder haar toestemming. De moeder vindt dat de jeugdprofessional hiermee heeft gehandeld in strijd met de wettelijke bepalingen ten aanzien van het ouderlijk gezag.
Verder verwijt de moeder de jeugdprofessional dat zij het onderwijs van de kinderen niet op tijd heeft geregeld. Terwijl het kabinet al op 21 april 2020 bekend had gemaakt dat de scholen op 11 mei 2020 weer open zouden gaan, kwam de jeugdprofessional pas in actie toen de moeder op 10 mei de regie hierin nam. Omdat de oorspronkelijke school aangaf dat het voor de kinderen mogelijk was om daar afstandsonderwijs te blijven volgen, heeft de moeder geen toestemming gegeven voor het overschrijven naar een andere school. Tijdens de correspondentie met de jeugdprofessional wordt het de moeder duidelijk dat de kinderen al op andere scholen staan ingeschreven zonder dat dit met de moeder was besproken. Pas op 14 mei 2020 denkt de jeugdprofessional eraan dat zij de toestemming van de moeder nodig heeft om de kinderen op een andere school in te schrijven en stuurt de moeder hierover een e-mailbericht. De verzochte toestemming heeft de moeder niet gegeven.

4.6.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional verwijst naar haar verweer onder klachtonderdeel 1. Wat betreft de inschrijving op de nieuwe scholen wijst de jeugdprofessional erop dat dit door de vaders is verzorgd. Dat de jeugdprofessional zich niet voldoende zou hebben ingespannen om het onderwijs op tijd te regelen wordt door de jeugdprofessional betwist. Het was juist de moeder die het proces heeft vertraagd door zich niet te houden aan de voorwaarden zoals opgenomen in de schriftelijke aanwijzing. Op 14 mei 2020 heeft de jeugdprofessional de moeder om toestemming gevraagd voor (tijdelijke) in- en uitschrijving op de scholen. De jeugdprofessional heeft overwogen om zich tot de rechter te wenden voor het verkrijgen van vervangende toestemming, maar heeft dit na overleg met de jurist van de GI niet gedaan. In eerste instantie vond jeugdprofessional dit een zaak waar de ouders onderling uit moeten komen. Tevens achtte de jeugdprofessional een procedure niet in het belang van de kinderen wenselijk vanwege de vertraging die hierdoor ontstaat. Vervolgens heeft de jeugdprofessional advies gevraagd aan de gemeente en de leerplichtambtenaar.
De jeugdprofessional beaamt dat de overschrijvingen naar de andere scholen in strijd is met de wet. Echter, in het geval van de jongste dochter is er sprake van gezamenlijk gezag en vader A. heeft wél toestemming gegeven. Weliswaar heeft vader B. geen gezag, maar er is sprake van een machtiging uithuisplaatsing op het adres van de vaders. De jeugdprofessional heeft in haar verweer uitvoerig toegelicht op grond van welke overwegingen een wisseling van school voor de kinderen noodzakelijk was. De jeugdprofessional benadrukt dat zij de beslissing niet alleen heeft genomen op basis van de afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing, maar ook in het belang van de kinderen. Immers, als de vaders in de directe omgeving hadden gewoond dan was de inschrijving op een andere school niet nodig geweest.

4.6.3 Het College overweegt als volgt:
Het verwijt van de moeder dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van de maatregel ondertoezichtstelling is niet nader door de moeder toegelicht. Het College is van oordeel dat zij onvoldoende informatie heeft om dit verwijt te kunnen beoordelen en acht om die reden het eerste deel van het klachtonderdeel ongegrond.
Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van de uithuisplaatsing verwijst het College naar haar oordeel en motivering onder klachtonderdeel 1. Onder 4.1.3 heeft het College gemotiveerd waarom zij van oordeel is dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing (en de Richtlijn Crisisplaatsing). Vanwege de overlap met klachtonderdeel 1 laat het College het tweede deel van dit klachtonderdeel buiten beschouwing, omdat daarover reeds is geoordeeld.
Wat betreft het verwijt dat de jeugdprofessional heeft gehandeld in strijd met de juridische kaders van het ouderlijk gezag, heeft de jeugdprofessional tijdens de behandeling van de klacht erkend dat zij de toestemming nodig heeft van de moeder om de kinderen op een andere school te kunnen plaatsen. In de situatie dat die toestemming ontbreekt heeft de jeugdprofessional de mogelijkheid de kinderrechter om vervangende toestemming te vragen. Zonder deze (vervangende) toestemming heeft de jeugdprofessional gehandeld in strijd met de juridische kaders van de ouderlijke gezagsuitoefening. Dit derde deel van de klacht acht het College daarom gegrond. Op basis hiervan is het College van oordeel dat de jeugdprofessional haar beroep onvoldoende deskundig heeft uitgeoefend op basis van actuele kennis en in nauwe aansluiting op ontwikkelingen in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Dit levert een schending op van artikel B (Deskundige beroepsuitoefening) van de Beroepscode.

4.6.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 7 deels gegrond is, voor zover het klachtonderdeel betrekking heeft op het handelen in strijd met de juridische kaders van de ouderlijke gezagsuitoefening.

4.7 Klachtonderdeel 8

4.7.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij sinds 3 april 2020 geen feitenonderzoek meer heeft gedaan naar de informatie van de anonieme zorgmelding. De expliciete verzoeken van de moeder om de anonieme melding bij de rechtbank in te trekken heeft de jeugdprofessional afgewezen.

Toelichting:
De jeugdprofessional heeft zonder deugdelijk onderzoek een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing aangevraagd. Tijdens de mondelinge behandeling bij de kinderrechter op 16 april 2020 heeft de jeugdprofessional verklaard dat zij de anonieme zorgmelding niet bij de besluitvorming van 3 april 2020 zou hebben betrokken. Deze verklaring is opgenomen in het proces-verbaal van de zitting. Voor de moeder is het belangrijk dat schriftelijk wordt vastgesteld dat de anonieme melding niet is betrokken in de beslissingen van de kinderrechter op 3 en 16 april 2020. De moeder heeft belang bij deze rectificatie omdat valse aantijgingen in het dossier zullen blijven opspelen. Mede om die reden heeft de moeder meermaals verzocht om de anonieme melding in te trekken, waaronder tijdens de mondelinge behandeling bij de kinderrechter op 7 mei 2020. Tot heden heeft jeugdprofessional dat niet gedaan. Evenmin doet de jeugdprofessional nader onderzoek naar de anonieme melding. De moeder wijst op de wettelijke verplichting van de jeugdprofessional om feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, en stelt dat het opnemen van de niet geverifieerde anonieme melding strijd oplevert met de beroepsstandaarden. Tevens acht zij de weigering om aanpassingen door te voeren tuchtrechtelijk verwijtbaar omdat de moeder hiermee in haar belangen wordt geschaad. Desondanks houdt de jeugdprofessional halsstarrig vast aan wat eenmaal in het dossier is genoteerd.

4.7.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
De jeugdprofessional benadrukt dat de rechter de anonieme melding niet heeft betrokken in haar beslissing van 31 maart 2020. De uithuisplaatsing is gebaseerd op de zorgen die er zijn over het onvoorspelbare gedrag van de moeder en de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De anonieme zorgmelding heeft de jeugdprofessional niet ingetrokken omdat deze zorgen wel serieus worden genomen, omdat die van dezelfde strekking is als de zorgsignalen zoals die naar voren kwamen tijdens het raadsonderzoek. Door de weigering van de moeder om in gesprek te gaan heeft de jeugdprofessional nog steeds niet de gelegenheid gekregen om de anonieme zorgmelding met haar te bespreken. Na de uithuisplaatsing heeft de jeugdprofessional zich gericht op het tot stand brengen van een werkende samenwerking met de moeder om terugplaatsing van de kinderen te realiseren. Op het moment dat er een samenwerking tot stand is gekomen zal de jeugdprofessional haar focus verleggen naar het verifiëren van de anonieme zorgmelding. Op dit moment zet de jeugdprofessional in op de opbouw naar een rustige terugplaatsing bij de moeder, met de hulpverlening die daarvoor is ingezet.

4.7.3 Het College overweegt als volgt:
Het College heeft onder klachtonderdeel 2 vastgesteld dat de jeugdprofessional na de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 geen deugdelijk en voldoende feitelijk onderzoek heeft verricht respectievelijk heeft laten verrichten. Het College stelt verder vast dat de jeugdprofessional na 3 april 2020 de anonieme zorgmelding van 31 maart 2020 nog steeds niet heeft onderzocht. Het College overweegt dat Veilig Thuis in beginsel ‘eigenaar’ is van de zorgmelding, maar de regie ligt bij de jeugdprofessional vanaf het moment dat de zorgmelding bij haar is neergelegd. In dit kader overweegt het College dat onduidelijkheid in de taakverdeling is op te lossen door eenduidige werkafspraken te maken, waarbij helder is wie welke verantwoordelijkheid draagt. Eventueel had de jeugdprofessional de zorgmelding ook weer terug kunnen leggen bij Veilig Thuis, zodat zij wellicht een ingang konden vinden om met de moeder tot samenwerking te komen. Naar het oordeel van het College heeft de jeugdprofessional onvoldoende haar verantwoordelijkheid genomen om de anonieme zorgmelding tot een afronding te brengen. Het (laten) doen van deugdelijk onderzoek en het uitvoeren van een grondige risicotaxatie is nodig, ofwel omdat de gemelde zorg aanleiding vormt voor interventie, ofwel om de zorgen als vals te weerleggen. Het College acht het klachtonderdeel gegrond voor zover deze betrekking heeft op het verwijt dat de jeugdprofessional na 3 april 2020 geen feitenonderzoek meer heeft gedaan naar de  anonieme zorgmelding. Met dit handelen acht het College artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.
Het tweede deel van dit klachtonderdeel gaat over het expliciete verzoek van de moeder aan de jeugdprofessional om de anonieme zorgmelding bij de rechtbank in te trekken, en de weigering terzake van de jeugdprofessional. Zoals het College onder klachtonderdeel 2 heeft overwogen is de jeugdprofessional niet in de positie om een zorgmelding in te trekken die door Veilig Thuis is ontvangen. Evenmin ziet het College een grondslag voor de jeugdprofessional om een anonieme zorgmelding bij de rechtbank in te trekken. Om die reden acht het College dit deel van het klachtonderdeel ongegrond. Echter, als overweging ten overvloede merkt het College op dat zij het verzoek van de moeder wel begrijpt omdat de anonieme zorgmelding tot heden ook niet op een andere wijze is afgerond of weerlegd. Naar het oordeel van het College is opname van niet geverifieerde feiten in het verzoekschrift -onder deze omstandigheden- in strijd met (het onder klachtonderdeel 2 al genoemde) artikel 3.3. van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de relevante feiten volledig en naar waarheid worden aangevoerd. Het verzoek van de moeder acht het College met name begrijpelijk omdat de moeder tijdens de behandeling onweersproken heeft gesteld dat zij recentelijk een nieuwe schriftelijke aanwijzing heeft ontvangen, die is gebaseerd op deze niet geverifieerde zorgmelding van 31 maart 2020. Hiermee heeft de moeder een aantoonbaar belang dat hierover spoedig duidelijkheid komt. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional toegezegd dat zij de afronding van de anonieme zorgmelding zal verzorgen.

4.7.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 8 deels gegrond is, voor zover deze betrekking heeft op het verwijt dat de jeugdprofessional na 3 april 2020 geen feitenonderzoek meer heeft gedaan naar de anonieme zorgmelding.

4.8 Klachtonderdeel 9

4.8.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij na de uithuisplaatsing geen omgangsregeling heeft vastgesteld tussen de kinderen en de moeder.

Toelichting:
De kinderen van de moeder zijn op 3 april 2020 uithuisgeplaatst. Sindsdien heeft de jeugdprofessional geen moeite gedaan om een omgangsregeling met de kinderen te organiseren. Volgens de moeder is dit in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing waaruit volgt dat bij een beslissing tot een uithuisplaatsing direct een omgangsregeling wordt vastgesteld. Volgens de moeder is dit niet anders wanneer er sprake is van een verstoorde relatie tussen de moeder en de jeugdprofessional. Op 12 mei 2020 heeft de moeder verzocht om zo snel mogelijk de omgang tussen haar en de kinderen op te starten. Hierop heeft de jeugdprofessional alleen een belmoment georganiseerd, waarvan zij de begeleiding aan de vaders heeft overgelaten. Dit handelen van de jeugdprofessional heeft tot gevolg dat de vaders een vrij contact tussen de kinderen en de moeder niet hebben toegestaan. Zo werd bijvoorbeeld de telefoonverbinding verbroken wanneer de vaders het niet goed vonden. Om deze reden heeft de moeder noodgedwongen afgezien van de belcontacten en heeft zij zich in het contact met de kinderen beperkt tot het versturen van kaartjes en spraakberichtjes.

4.8.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
Drie dagen na de uithuisplaatsing had de hulpverlening door [de instelling] al op 6 april 2020 kunnen starten. Echter, het was de moeder die haar medewerking hieraan weigerde. In de plaats daarvan is de moeder een procedure gestart en heeft zij de rechtbank verzocht de schriftelijke aanwijzing als vervallen te verklaren. Pas ter zitting op de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling op 7 mei 2020 had de moeder geen andere keus meer dan mee te werken, omdat haar verzoeken werden afgewezen. Daarop heeft de jeugdprofessional op 11 mei 2020 weer contact opgenomen met [de instelling] die de omgangscontacten zou gaan begeleiden. Echter, vanwege de houding van de moeder kon de hulp niet gelijk op 6 april 2020 starten en dit had tot gevolg dat de spoedaanvraag werd omgezet in een reguliere aanvraag met een wachttijd van 3 tot 4 weken. De intake heeft om die reden pas op 17 juni 2020 plaatsgevonden. Verder is van belang dat de jeugdprofessional direct na de uithuisplaatsing de moeder heeft laten weten dat zij altijd mag bellen met haar kinderen. Wel heeft de jeugdprofessional als voorwaarde gesteld dat de vaders deze belmomenten begeleiden om te voorkomen dat de kinderen door de moeder worden belast met volwassen problemen. Op het moment dat de moeder de kinderen tijdens het belmoment ging ‘bevragen’ hebben de vaders zich genoodzaakt gezien om de gesprekken te beëindigen. Vervolgens is het de moeder geweest die de belafspraak heeft gestaakt, terwijl de vaders wel openstaan voor het voortzetten ervan. De jeugdprofessional heeft geen aanleiding om te vrezen dat de vaders de belmomenten niet zelf zouden kunnen begeleiden, en van treiteren is de jeugdprofessional niets gebleken.

4.8.3 Het College overweegt als volgt:
Op basis van het dossier en wat tijdens de behandeling is besproken, is het College van oordeel dat de jeugdprofessional ná de uithuisplaatsing niet tijdig op een zorgvuldige wijze vorm heeft gegeven aan de omgang tussen de moeder en de kinderen. Het College komt tot dit oordeel op grond van de volgende overwegingen.
Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional aangegeven dat het haar bedoeling was de kinderen zo snel mogelijk weer in contact te brengen met de moeder. Toch heeft het twee maanden geduurd voordat het eerste omgangsmoment plaats vond. Omdat kinderen na de uithuisplaatsing belang hebben bij een spoedig contact met de moeder als hun belangrijke hechtingsfiguur, is deze  periode van twee maanden te lang. Dit geldt voor de beide kinderen, maar met name voor de oudste dochter die zonder haar zusje was, en verbleef bij een relatief onbekende vader. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional toegelicht dat de omgang direct kon worden gestart op maandag 6 april 2020, maar dat de moeder hieraan haar medewerking weigerde. Dit zou staan opgenomen in het e-mailbericht van 3 april 2020. Op verzoek van de moeder heeft de jeugdprofessional dit e-mailbericht na afloop van de behandeling in de procedure overgelegd. Echter, anders dan de jeugdprofessional stelt verwijst zij in dit e-mailbericht naar de aankondiging schriftelijke aanwijzing waarin met name staat dat de moeder dient mee te werken met de (ambulante) hulpverlening die maandag 6 april 2020 een startgesprek kan inplannen. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College niet dat de afspraak van 6 april 2020 ten doel had om een spoedige omgangscontact te realiseren in het kader van de uithuisplaatsing noch dat het voor de moeder begrijpelijk had moeten zijn dat de jeugdprofessional dat had bedoeld.
Tijdens de behandeling van de klacht heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij wachtte op de start van de hulpverlening van [de instelling]. Het College is van oordeel dat de jeugdprofessional actief naar alternatieven had moeten zoeken op het moment dat duidelijk werd dat de inzet van [de instelling] nog enkele maanden op zich zou laten wachten. Met name in een situatie als deze, waarin geen acuut gevaar dreigde voor de kinderen, vindt het College moeilijk te begrijpen waarom de jeugdprofessional niet direct binnen een week een begeleid omgangsmoment heeft ingepland. Dat past binnen de Richtlijn Uithuisplaatsing. Ter zitting heeft de jeugdprofessional toegelicht dat zij wel heeft overwogen om de omgang zelf te begeleiden, maar dat zij heeft besloten dat dit niet wenselijk was in verband met de spanningen in de samenwerking met de moeder. Echter, de jeugdprofessional heeft deze afweging niet bespreekbaar gemaakt met de moeder. Evenmin heeft de jeugdprofessional inhoudelijk gereageerd op de e-mailberichten van de moeder waarin zij met klem verzoekt om de omgang vorm te geven. Het College overweegt dat een door de jeugdprofessional begeleid omgangsmoment een goede gelegenheid was geweest voor de jeugdprofessional om de informatie te vergaren die zij noodzakelijk achtte om meer zicht te krijgen op de opvoedingssituatie van de kinderen. Met name omdat dit doel de onderliggende grondslag vormt voor de maatregel ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Tevens is het College van oordeel dat van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij in een situatie als deze de belmomenten zelf begeleidt. Wat betreft de techniek is tegenwoordig veel mogelijk. De jeugdprofessional heeft de verantwoordelijkheid voor het contact tussen de moeder en de kinderen volledig bij de vaders neergelegd, in een situatie waarin bekend is dat er ernstige spanningen spelen tussen de ouders in verband met een slepende scheidingsproblematiek. Ook is tijdens de behandeling gebleken dat de jeugdprofessional over de belafspraak enkel overleg heeft gevoerd met de vaders. Het College acht het onzorgvuldig en in strijd met de Richtlijn Uithuisplaatsing dat de moeder door de jeugdprofessional niet is betrokken bij deze belafspraak.
Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional toegelicht dat in haar visie geen contact met de moeder mogelijk was. Het College heeft in haar beoordeling oog gehad voor de moeizame samenwerking. Onder klachtonderdeel 1 staat het College uitvoerig stil bij de taak en verantwoordelijkheid die de jeugdprofessional heeft in het tot stand brengen van een passende communicatie. In dit verband stelt het College vast dat het dossier meerdere e-mailberichten bevat van de advocaat van de moeder waarin wordt verzocht om afstemming en overleg, waaronder een concreet verzoek om de omgang tot stand te brengen. Naar het oordeel van het College is er onvoldoende grond voor de stelling van de jeugdprofessional dat geen contact met de moeder mogelijk was. Tevens is het College van oordeel dat het de taak is van de jeugdprofessional om
-ondanks weerstanden bij de moeder of een moeizame samenwerking- het contact tussen ouders en kinderen te bevorderen. Het lag op de weg van de jeugdprofessional om met een voorstel te komen. Tenslotte stond naar het oordeel van het College de jeugdprofessional niets in de weg om de gemaakte belafspraken tussen de moeder en de kinderen schriftelijk aan de moeder per
e-mailbericht te bevestigen, maar dat heeft de jeugdprofessional niet gedaan.
Op grond van voorgaande overwegingen is het College van oordeel dat de jeugdprofessional verwijtbaar heeft gehandeld door na de uithuisplaatsing te lang te wachten met het organiseren van een omgangsregeling tussen de kinderen en de moeder. Tevens heeft de jeugdprofessional verzuimd de moeder te betrekken bij de te maken belafspraken. Naar het oordeel van het College is dit in strijd met artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en de Richtlijn Uithuisplaatsing.

4.8.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 9 gegrond is.

4.9 Klachtonderdeel 10

4.9.1 De moeder verwijt de jeugdprofessional dat zij de vertrouwelijkheid van de informatie-uitwisseling heeft geschonden.

Toelichting:
Op 18 mei 2020 heeft de jeugdprofessional een e-mailbericht gestuurd aan meerdere personen waarin zij de moeder een standje gaf over het feit dat zij zich negatief uitliet over vader B. De moeder vindt dat de jeugdprofessional hiermee vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met anderen zonder haar toestemming, waarbij zij in een kwaad daglicht werd gesteld. In een situatie als deze had de jeugdprofessional zich in een afzonderlijk e-mailbericht tot de moeder moeten wenden.

4.9.2 De jeugdprofessional voert het volgende aan:
In haar e-mailbericht had de moeder zich negatief uitgelaten over vader B, waarop de jeugdprofessional heeft aangegeven dat zij dit betreurt. Volgens de jeugdprofessional gaat het hier niet om privacygevoelige informatie. De jeugdprofessional benadrukt dat zij het e-mailbericht heeft beantwoord en verzonden aan alle personen als tot wie de moeder zich ook had gewend in haar e-mailbericht.

4.9.3 Het College overweegt als volgt:
In het e-mailbericht waar het hier om gaat had de moeder aangegeven dat ze niet begreep dat de oudste dochter geplaatst is bij de vader B. De moeder lichtte haar zorg toe door te vermelden dat vader B. bekend is met een verleden van agressie en drugs. Tijdens de behandeling heeft de jeugdprofessional erkend dat het niet zorgvuldig is geweest om een normatief oordeel uit te spreken jegens de moeder in een e-mailbericht dat is gericht aan anderen dan de betrokken ouders. Ter zitting heeft de jeugdprofessional erkend dat zij dit niet goed heeft gedaan, en dat zij bij de feiten had moeten blijven. De jeugdprofessional heeft toegelicht dat sprake was van complex
e-mailverkeer. Omdat de moeder deze derden in haar bericht had meegenomen heeft de jeugdprofessional dat ook gedaan. Echter, de Jeugdwet bepaalt in artikel 7.3.11 dat alleen na expliciete toestemming vertrouwelijke informatie gedeeld mag worden met betrokkenen. Met betrokkenen wordt in de Jeugdwet bedoeld: ouders en kinderen. De jeugdprofessional heeft deze kring van personen ruimer ingeschat omdat de moeder zelf deze personen had aangeschreven. Maar dat is niet juist, zo beseft ook de jeugdprofessional. De jeugdprofessional heeft tijdens de behandeling aangegeven dat zij ziet dat de klacht op dit punt gegrond is. Het College spreekt haar waardering uit voor deze heldere reflectie van de jeugdprofessional. Door een bericht met vertrouwelijke inhoud te sturen naar andere personen dan betrokkenen heeft de jeugdprofessional de vertrouwelijkheid jegens de moeder geschonden. Hiermee heeft zij gehandeld in strijd met artikel J (Vertrouwelijkheid) van de Beroepscode en in strijd met artikel 7.3.11 van de Jeugdwet. Als overweging ten overvloede benadrukt het College het belang om bij ieder e-mailbericht kritisch te blijven beoordelen voor wie het is bestemd en wie er al dan niet in de CC worden meegenomen.

4.9.4 Het College is van oordeel dat klachtonderdeel 10 gegrond is.

4.10 Conclusie

4.10.1 Het College komt op grond van het vorengaande tot de slotsom dat de jeugdprofessional met betrekking tot klachtonderdelen 1, 2, 9 en 10 tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, en de klachtonderdelen 4, 5, 6, 7 en 8 acht het College op delen gegrond. Samengevat heeft de jeugdprofessional het toetsingskader opzij gezet, en heeft zij gehandeld in strijd met de van toepassing zijnde richtlijnen en in strijd met de juridische kaders van het ouderlijk gezag. De jeugdprofessional heeft zich een oordeel gevormd in een situatie waarin onvoldoende zicht was. Zij heeft ingegrepen in het gezinsleven van de moeder terwijl er geen aanwijzingen waren voor een acuut onveilige situatie. De uithuisplaatsing lijkt door de jeugdprofessional strategisch ingezet om de moeder tot een vorm van hulpverlening te bewegen, waarover nog onvoldoende met de moeder was gesproken. Dit in een situatie waarin de kinderen kwetsbaar waren. In het proces van besluitvorming heeft de jeugdprofessional onvoldoende de mogelijke alternatieven meegewogen. De anonieme zorgmelding is door de jeugdprofessional vrijwel integraal opgenomen in het verzoekschrift tot machtiging uithuisplaatsing, zonder hierover met de moeder in overleg te treden, zonder hier voldoende onderzoek naar te doen, zonder aan te geven waarom een dergelijk onderzoek (redelijkerwijs) niet mogelijk was en zonder de melding in een breder context te plaatsen zoals de verwijzing naar de weerlegde zorgmelding in 2019. Hiermee heeft de jeugdprofessional de feiten niet volledig en niet naar waarheid in de processtukken opgenomen. Verder heeft de jeugdprofessional onvoldoende bereidheid getoond om haar afwegingen te herzien op basis van nieuwe informatie van informanten. Ook niet in de situatie dat het risico op een trauma (bij de oudste dochter) door de betrokken kinderpsycholoog als reëel werd ingeschat en de jeugdprofessional dit risico erkende. Door geen betekenis toe te kennen aan deze informanteninformatie heeft de jeugdprofessional onvoldoende de belangen van de kinderen vooropgesteld. Het negeren van deze informatie is daarmee onprofessioneel. Verder heeft de jeugdprofessional nagelaten om na de uithuisplaatsing direct omgang tussen de kinderen en moeder tot stand te brengen, waardoor de kinderen de eerste twee maanden hun moeder niet hebben gezien. Ook heeft de jeugdprofessional de kinderen doen laten overschrijven naar een andere school, zonder de hiervoor vereiste (vervangende) toestemming. Brieven van de moeder met concrete vragen bleven onbeantwoord. Door een bericht met vertrouwelijke inhoud te sturen naar andere personen dan betrokkenen heeft de jeugdprofessional de vertrouwelijkheid jegens de moeder geschonden. De jeugdprofessional heeft geweigerd de moeder een afschrift te geven van het dossier. Tenslotte heeft de jeugdprofessional geen regie genomen over de anonieme zorgmelding die hierdoor na negen maanden nog steeds niet tot een afronding is gekomen. Evenmin is de anonieme zorgmelding op een andere wijze afgerond, ingetrokken of weerlegd.
Met dit handelen heeft de jeugdprofessional naar het oordeel van het College geschonden de volgende artikelen van de Beroepscode: artikel B (Deskundige beroepsuitoefening); artikel E (Respect); artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening); artikel G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening); artikel H (Macht en afhankelijkheid in de professionele relatie);  artikel J (Vertrouwelijkheid). Tevens is er sprake van schending van de Richtlijn Uithuisplaatsing, de Richtlijn Crisisuithuisplaatsing, artikel 11 van het Privacyreglement, en van de artikelen 3.3 en 7.3.10 en 7.3.11 van de Jeugdwet.

4.10.2 Het College legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berisping met openbaarmaking. Het College is van oordeel dat in deze klacht sprake is van een overschrijding van meerdere normen op essentiële onderdelen waarbij de jeugdprofessional gedurende een langere periode tekort is geschoten. Het College begrijpt dat de samenwerking met de moeder door de jeugdprofessional als moeizaam werd ervaren, maar van een professional die werkzaam is in het gedwongen kader mag worden verwacht dat zij actief naar mogelijkheden zoekt om tot een werkende samenwerking te komen. Het College heeft in het dossier geen aanleiding gezien voor het standpunt van de jeugdprofessional dat met de moeder geen contact mogelijk is. Uit de stukken en hetgeen tijdens de behandeling is gebleken zijn er aanwijsbaar en voldoende momenten geweest waar de jeugdprofessional de samenwerking met de moeder weer vlot had kunnen trekken. In dit verband overweegt het College dat de jeugdprofessional haar grenzen van haar taken en verantwoordelijkheden had moeten inzien, bijvoorbeeld door de zaak voor te leggen aan de kinderrechter of een oordeel van een deskundige te betrekken. Het College neemt in haar overwegingen mee dat van de jeugdprofessional mag worden verwacht dat zij haar invloed ten positieve aanwendt. Het handelen van de jeugdprofessional heeft tot gevolg gehad dat de kinderen voor een periode van circa twee maanden hun moeder niet hebben gezien. Het College kan zich voorstellen dat dit voor de kinderen een onbegrijpelijke situatie moet zijn geweest, en het is een feit van algemene bekendheid dat een ervaring als deze bij jonge kinderen sporen kan nalaten. Tevens neemt het College in haar oordeel mee dat het vertrouwen van de moeder in de hulpverlening is beschadigd. Desondanks heeft het College ter zitting weinig reflectie bij de jeugdprofessional gezien waaruit blijkt dat de jeugdprofessional -terugkijkend- zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de impact dat haar handelen op het leven van de kinderen heeft gehad. De moeder heeft de jeugdprofessional tijdens de behandeling verzocht om een passende reflectie. In dit verband heeft de moeder toegelicht dat haar doel van de klacht is dat het stopt, voor haar en de kinderen. Het College vindt het spijtig dat de jeugdprofessional deze handreiking van de moeder op herstel van de relatie aan haar voorbij heeft laten gaan. Om die reden is het College van oordeel dat het de taak is van het Tuchtrecht om aan de moeder het vertrouwen in de hulpverlening terug te geven, voor zover dat mogelijk is. Als het misgaat als hier het geval is, dan acht het College deze maatregel op zijn plaats. Hierbij geeft het College een dringend advies mee aan de jeugdprofessional dat zij zich laat bijscholen op het gebied van juridische- en normatieve toetsingskaders. Het College denkt dan aan bijscholing op het gebied van de Jeugdwet en de richtlijnen. Verder denkt het College aan bijscholing gericht op samenwerken met ouders in het gedwongen kader. Het College verwacht dat dit helpend zal zijn voor de jeugdprofessional om zich richting ouders nadrukkelijk meerzijdig partijdig op te stellen, met name in een situatie waarin de ouders na hun echtscheiding nog geen nieuw evenwicht hebben gevonden.

5     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdelen 1, 2, 9, 10 gegrond;
  • verklaart de klachtonderdelen 4, 5, 6, 7, 8 deels gegrond;
  • verklaart klachtonderdeel 3 ongegrond;
  • legt aan de jeugdprofessional op de maatregel van berispring met openbaarmaking.

Aldus gedaan door het College en op 26 februari 2021 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. A.M. van Riemsdijk                                             mevrouw mr. M.M. Haverkort

voorzitter                                                                                        secretaris