Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer heeft nagelaten gesprekken tussen de ouders tot stand te laten komen, de e-mailcorrespondentie is niet gereguleerd, ook is daarin de schijn van partijdigheid gewekt en een schriftelijke aanwijzing is onterecht afgegeven.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw J.A. Pires, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij de gecertificeerde instelling [de GI], locatie [plaatsnaam], hierna te noemen: de GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. L.C. Groen.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde de heer mr. drs. E.M. Hoorenman, werkzaam bij Advocatenkantoor Hoorenman te Zwaag.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J.S.M. Brouwer, werkzaam bij DAS te Amsterdam.

1     Het verloop van de procedure

1.1 Het College heeft kennisgenomen van:
– het opnieuw ingediende klaagschrift ontvangen op 13 september 2018, en de oorspronkelijke bijlagen behorend bij het klaagschrift ontvangen op 23 augustus 2018;
– het verweerschrift ontvangen op 26 oktober 2018, met de bijlagen;
– de aanvulling op het klaagschrift ontvangen op 15 november 2018, en de door het College verzochte nadere toelichting hierop van 23 november 2018;
– de door de gemachtigde van klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde pleitnota.

1.2 De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 13 december 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht haar manager aanwezig geweest.

1.3 Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing over zes weken verstuurd wordt.

2     De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1 Klaagster is de moeder van twee minderjarige kinderen. De zoon is geboren in 2011 en de dochter is geboren in 2014, hierna gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2 De relatie tussen klaagster en haar ex-partner, de vader van de kinderen, hierna te noemen: de vader, is in 2014 verbroken. Tussen klaagster en de vader is sprake van een complexe scheiding. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij klaagster.

2.3 De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 juni 2015 de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Twee collega’s van beklaagde worden belast met de uitvoering hiervan. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd. Beklaagde is van 1 april 2017 tot en met 17 oktober 2017 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

2.4 Ten tijde van het handelen dat beklaagde wordt verweten, is sprake van een opbouw in de zorgregeling tussen de kinderen en de vader. Deze (opbouw van de) zorgregeling is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 24 mei 2017.

2.5 Op 29 juni 2017 wordt door de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin het volgende besluit aan klaagster is medegedeeld: “U dient zich aan het besluit over de zorgregeling die op 24 mei 2017 door de Kinderrechter is afgegeven te houden. Concreet betekent dit dat u wordt verwacht op het eerst volgende omgangsmoment bij vader thuis [adres vader] op 8 juli 2017 om 11:00 uur.” De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 augustus 2017 het verzoek van klaagster toegewezen, inhoudende dat voornoemde schriftelijke aanwijzing vervallen is verklaard.

2.6 Het gerechtshof heeft bij beschikking van 17 oktober 2017 het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen afgewezen. De ondertoezichtstelling van de kinderen is dan ook op die datum geëindigd.

2.7 Na het eindigen van de ondertoezichtstelling is tussen beklaagde en de vader sprake van e-mailcorrespondentie, in ieder geval op 28 oktober 2017, 20 december 2017 en 15 februari 2018.

2.8 Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [registratiedatum] 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ. Sinds [registratiedatum] 2018 is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional geregistreerd.

3     De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1 Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2 Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3 Klaagster heeft zeven klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van uitvoering van de ondertoezichtstelling door beklaagde.

3.1.4 Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen en het verweer besproken en beoordeeld, hetgeen zakelijk (en verkort) wordt weergegeven. Het is het College gebleken dat de geformuleerde klachtonderdelen II, V en VI samenhang en/of overlap hebben, omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op e-mailcorrespondentie en de al dan niet regulerende functie van beklaagde. Om deze reden heeft het College de bespreking en beoordeling van deze klachtonderdelen onder 3.3 tezamen genomen. Klachtonderdelen I, III, IV en VII worden afzonderlijk besproken en beoordeeld. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2 Klachtonderdeel I

3.2.1 Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft nooit een kennismakingsgesprek gevoerd met klaagster terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden. Er hebben nooit gezamenlijke gesprekken plaatsgevonden en beklaagde heeft de kinderen nooit ontmoet.

3.2.2 Toelichting:
Klaagster heeft meermaals om een gezamenlijk gesprek verzocht met de vader, onder leiding van beklaagde, teneinde nader tot elkaar te komen. De vader heeft dit steeds geweigerd vanwege het advies zoals neergelegd in het rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Beklaagde heeft hier nooit op ingespeeld, door bijvoorbeeld een schriftelijke aanwijzing af te geven. Naast dat er geen gezamenlijke gesprekken met de ouders gevoerd zijn, heeft beklaagde gedurende haar betrokkenheid ook de kinderen nooit ontmoet.

3.2.3 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde heeft pogingen ondernomen om tot een gezamenlijk (kennismakings)gesprek te komen. Gelet op het standpunt van de vader zag beklaagde hiertoe echter geen mogelijkheden. Een schriftelijke aanwijzing was volgens beklaagde niet op zijn plaats, vanwege het duidelijke advies in het NIFP rapport. Beklaagde zag voorts geen meerwaarde in het voorstel van klaagster, om voorafgaand aan een kennismakingsgesprek, eerst een gesprek met haar te voeren, in het bijzijn van een medewerker van het AKJ. De reden hiervan was dat beklaagde eerst afspraken met de vader en klaagster gezamenlijk wilde maken, om miscommunicatie te voorkomen. Beklaagde heeft met klaagster op 3 mei 2017, na het schoolgesprek op die dag, met klaagster gesproken en bij die gelegenheid kennisgemaakt. Op 10 mei 2017 heeft beklaagde, op verzoek van de advocaat van klaagster, na de zitting bij de rechtbank, (nogmaals) een kennismakingsgesprek met klaagster en haar advocaat gevoerd. Het klopt dat beklaagde de kinderen nooit gezien heeft, daar was nooit de gelegenheid voor. Wel heeft zij de zoon een keer op afstand gezien.

3.2.4 Het College overweegt als volgt:
In het geval sprake is van complexe scheiding geeft de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ als een van de uitgangspunten aan dat tijdens de hulpverlening de jeugdprofessional, in het belang van de kinderen, de ouders stimuleert tot het voeren van gezamenlijke gesprekken. Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht erkend dat zij dit uitgangspunt niet gevolgd heeft omdat de vader vanwege het advies in het NIFP rapport niet wilde werken aan het voeren van gesprekken met klaagster. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is namens klaagster gesteld dat het advies voor de ouders vanuit het NIFP rapport als volgt luidde: “Hun beider persoonlijk functioneren en hun geschiedenis samen, maakt direct overleg tussen hen nauwelijks mogelijk, dus zijn zij komende tijd afhankelijk van externe steun en structuur.” Desgevraagd heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht bevestigd dat het NIFP advies deze strekking heeft. In het licht van dit advies en het uitgangspunt in de voornoemde richtlijn had het volgens het College op de weg van beklaagde gelegen om meer inspanningen te verrichten om een (kennismakings)gesprek met en tussen de ouders tot stand te laten komen. Temeer omdat in het NIFP advies staat dat de ouders afhankelijk zijn van externe steun en structuur concludeert het College dat hier nog meer dan anders een rol lag voor de betrokken jeugdprofessional. Beklaagde heeft nagelaten, nadat de vader zijn standpunt kenbaar gemaakt had, de ouders en met name de vader te stimuleren tot het voeren van een gezamenlijk gesprek. Dit acht het College tuchtrechtelijk verwijtbaar. Het College is van oordeel dat het nalaten van beklaagde in strijd is met het voornoemde uitgangspunt van de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ en in strijd is met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, hierna te noemen: de Beroepscode.
Ten aanzien van het niet voeren van een kennismakingsgesprek met de kinderen overweegt het College als volgt. Conform de ‘Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp voor jeugdhulp en jeugdbescherming’ moet elke jeugdprofessional zich per jeugdige en situatie afvragen of het nodig en wenselijk is om met de jeugdige(n) te spreken. Volgens de richtlijn is het uitgangspunt dat met de jeugdige(n) wordt gesproken, tenzij. Naar het oordeel van het College heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling van de klacht voldoende toegelicht waarom zij ervoor gekozen heeft geen gesprekken met de kinderen te voeren. Het voorstel was immers dat een collega van beklaagde, die met het voeren van dit soort gesprekken meer ervaring had, een gesprek met de kinderen zou voeren. Dit aanbod is echter door klaagster afgeslagen, hetgeen klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht niet betwist heeft.

3.2.5 Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond, namelijk voor wat betreft het verwijt dat er geen gezamenlijke (kennismakings)gesprek tussen beklaagde en de ouders tot stand is gekomen.

3.3 Klachtonderdelen II, V en VI

3.3.1 Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft onvoldoende op e-mailberichten (onder meer met vragen van klaagster) gereageerd en zij heeft hierin geen regulerende rol ingenomen.

3.3.2 Toelichting:
In klachtonderdeel II wordt beklaagde verweten dat zij niet heeft gereageerd op verschillende e-mailberichten van klaagster, met aan beklaagde de vraag hoe te handelen in bepaalde situaties. Het verwijt in klachtonderdeel V heeft betrekking op verschillende e-mailberichten van de vader, waarin hij klaagster, ook naar derden toe, diskwalificeert. Beklaagde wordt verweten dat zij hierin een regulerende rol had kunnen spelen. Beklaagde heeft echter tegenover klaagster beweerd dat zij een dergelijke rol niet heeft. Klachtonderdeel VI gaat over een e-mailbericht van de vader van 7 september 2017, waarin hij een dag van tevoren kenbaar maakt dat hij op vakantie gaat. In deze vakantie viel een van zijn omgangsweekenden met de kinderen. Beklaagde had ook hierin volgens klaagster een regulerende rol kunnen spelen, hetgeen niet gebeurd is. Klaagster verwijst ter onderbouwing van haar verwijten in de drie klachtonderdelen naar verschillende overgelegde e-mailberichten.

3.3.3 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde betwist ten aanzien van klachtonderdeel II dat zij niet of onvoldoende gereageerd heeft op de overgelegde e-mailberichten en voert hiervoor samengevat het volgende aan. Beklaagde meent dat zij voldoende gereageerd heeft op de aan haar gerichte e-mailberichten. Daarnaast heeft beklaagde, op de berichten van klaagster waarin zij schrijft dat zij van beklaagde een corrigerende dan wel regulerende rol verwacht, aangegeven niet op elk afzonderlijk e-mailbericht in te gaan. Beklaagde stelt zich bovendien op het standpunt dat het niet haar taak is om als een mediator op te treden. Voor wat betreft klachtonderdeel V herhaalt beklaagde dit standpunt. Voorts kan beklaagde het versturen van de e-mailberichten van de vader aan derden, bijvoorbeeld aan de school van de zoon, niet verbieden. De vader heeft het recht als gezaghebbende ouder contact met de school te hebben. Tot slot voert beklaagde tegen klachtonderdeel VI aan dat zij de e-mailcorrespondentie tussen de ouders, zoals omschreven in dit klachtonderdeel, heeft gevolgd en erop gereageerd heeft op 20 september 2017. Klaagster liet weten dat zij van beklaagde had verwacht dat zij de vader zou corrigeren, hetgeen niet gebeurd is. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat dergelijk handelen niet tot haar taken behoort. Beklaagde wil namelijk voorkomen onderdeel te worden van de discussie die tussen de ouders speelt.

3.3.4 Het College overweegt als volgt:
Zoals al overwogen in klachtonderdeel I staat vast dat gedurende de betrokkenheid van beklaagde de samenwerking tussen zowel de ouders als tussen beklaagde en de ouders per e-mail verliep. Wanneer sprake is van een dergelijke samenwerking dient de jeugdprofessional volgens het College allereerst de afspraken en de verwachtingen over deze wijze van samenwerking voor elk van de betrokkenen helder te maken. Vervolgens dienen de gemaakte afspraken te worden nageleefd en wanneer dat niet het geval is dienen de jeugdprofessional en de betrokkenen elkaar daarop te (kunnen) aanspreken. Uit de door klaagster overgelegde e-mailberichten komt naar voren dat dergelijke afspraken niet gemaakt zijn noch dat beklaagde voor wat betreft de wijze van samenwerking aan verwachtingsmanagement gedaan heeft. Klaagster heeft immers op verschillende momenten naar beklaagde de verwachting geuit dat deze in de e-mailcorrespondentie een regulerende rol zal innemen. Beklaagde daartegenover heeft zich op het standpunt gesteld niet op elk afzonderlijk e-mailbericht in te gaan en dat het niet haar taak is om als mediator op te treden. Het College kan beklaagde volgen dat een jeugdprofessional niet op elk afzonderlijk e-mailbericht van betrokkenen hoeft in te gaan. Dit laat onverlet dat bij onderwerpen die een wezenlijk onderdeel van de ondertoezichtstelling vormen, van de jeugdprofessional verwacht mag worden dat deze een regulerende rol (in de e-mailcorrespondentie) inneemt. Het College is van oordeel dat uit de door klaagster overgelegde e-mailberichten in klachtonderdeel II, V en VI blijkt dat beklaagde een dergelijke rol onvoldoende vervuld heeft. Ten aanzien van klachtonderdeel II wijst het College bijvoorbeeld naar de e-mailcorrespondentie over de overdrachtsmomenten van 26 juli, 27 juli en 27 september 2017, overgelegd als productie negen van het klaagschrift. Over het meenemen van een nieuwe partner naar de overdrachts- en omgangsmomenten, waarover de ouders blijkens de e-mailcorrespondentie van mening verschillen, ziet het College het als taak en bevoegdheid van de jeugdprofessional om hierover samen met de ouders afspraken te maken en zo nodig regulerend op te treden. Dit sluit ook aan bij het hierover door de kinderrechter bepaalde in de beschikking tot verlenging van de ondertoezichtstelling van 10 mei 2017: “De GI zal de zorgregeling weliswaar monitoren, maar zal hierbij als doel hebben te voorkomen dat de minderjarigen worden belast met de strijd tussen de ouders. In dit kader kunnen tussen de ouders in overleg met de jeugd- en gezinsbeschermer, in het belang van [de kinderen], duidelijke en concrete afspraken worden gemaakt, bijvoorbeeld met betrekking tot de overdrachtsmomenten”. In klachtonderdeel V heeft klaagster als productie negentien van het klaagschrift een e-mailcorrespondentie tussen de ouders, school en beklaagde overgelegd. Het College overweegt dat ook hier van beklaagde verwacht had mogen worden regulerend op te treden in de communicatie naar de school. Gebleken is immers dat hetgeen de vader naar de school communiceert over de zorgregeling genuanceerder ligt dan uit zijn e-mailbericht blijkt. Het College volgt klaagster dat beklaagde de vader hierop had moeten aanspreken en samen met de ouders hierover afspraken had moeten maken. Het College volgt beklaagde niet in haar standpunt dat zij geen regulerende functie in dit opzicht heeft. Tot slot klachtonderdeel VI, waarin als productie achttien van het klaagschrift een e-mailcorrespondentie tussen de ouders en beklaagde is overgelegd. Ook deze correspondentie gaat over de zorgregeling tussen de vader en zijn kinderen. Het College herhaalt het oordeel in klachtonderdeel II en acht het de taak en bevoegdheid van beklaagde om samen met de ouders afspraken te maken over de vakanties tijdens de zorgregeling en indien noodzakelijk regulerend op te treden.
Het College concludeert dat in de genoemde klachtonderdelen beklaagde geen regulerende rol heeft ingenomen, waar dit wel van haar verwacht werd. In algemene zin dient een jeugdprofessional, met name in geval van een complexe scheiding en bij verstoorde onderlinge verhoudingen, zich stevig te positioneren, onder meer middels afspraken over de samenwerking en het bewaken van de naleving daarvan. Het is het College onvoldoende gebleken dat beklaagde zich in deze casus als zodanig gepositioneerd heeft. Dit door beklaagde nalaten en niet innemen van een regulerende rol acht het College in strijd met artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode, nu zij haar gezag en de invloed die zij ten opzichte van de cliënten had niet ten positieve heeft benut. Nu voorts afspraken over de wijze van samenwerking (per e-mail) zijn uitgebleven acht het College ook artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode geschonden.

3.3.5 Het College verklaart klachtonderdelen II, V en VI gegrond.

3.4 Klachtonderdeel III

3.4.1 Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De beschikking van de rechtbank van 24 mei 2017 is door beklaagde niet nagekomen. Beklaagde heeft haar eigen mening gesteld boven de uitspraak van de rechtbank. Als gevolg hiervan heeft klaagster onterecht een schriftelijke aanwijzing ontvangen, die uiteindelijk ook door de kinderrechter vervallen is verklaard.

3.4.2 Toelichting:
Terwijl beklaagde zelf de eerste twee stappen uit de beschikking van 24 mei 2017 niet heeft uitgevoerd, is aan klaagster wel een schriftelijke aanwijzing gegeven om de derde stap van de beschikking uit te voeren.

3.4.3 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
De schriftelijke aanwijzing is door de kinderrechter vervallen verklaard, omdat vastgesteld werd dat de GI de eerste twee stappen uit de beschikking van 24 mei 2017 heeft overgeslagen. Beklaagde heeft gemotiveerd weergegeven waarom het de GI niet lukte om de eerste twee stappen uit de beschikking van 24 mei 2017 uit te voeren. Ook heeft beklaagde de jurist van de GI geraadpleegd met de vraag of zij zich concreet aan de beschikking moest houden of dat zij in elk geval geacht werd in de geest van de beschikking te handelen. Tot slot voert beklaagde aan dat zij namens de GI de schriftelijke aanwijzing gegeven heeft, naar aanleiding van een kernbeslissing zoals genomen met haar team en gedragswetenschapper op 15 juni 2017.

3.4.4 Het College overweegt als volgt:
Beklaagde is volgens het College door het afgeven van de schriftelijke aanwijzing van 29 juni 2017 aan klaagster over het zetten van de derde stap in de opbouw van de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van de kinderrechter van 24 mei 2017, niet gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College overweegt hiertoe als volgt. Het staat vast dat de GI de eerste twee stappen van voornoemde beschikking niet heeft kunnen uitvoeren. Gezien deze onmogelijkheid tot uitvoeren had het op de weg van beklaagde gelegen om zich onder de gegeven omstandigheden opnieuw tot de kinderrechter te richten en een wijzigingsverzoek van de zorgregeling in te dienen op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek. Het College wijst in de verband naar de overwegingen van de kinderrechter in de beschikking van 23 augustus 2017, waarin bedoelde schriftelijke aanwijzing vervallen is verklaard: “Gebleken is dat de GI (in ieder geval) de hiervoor genoemde eerste twee stappen in het proces heeft overgeslagen dan wel hieraan een andere invulling heeft willen geven. De kinderrechter twijfelt er absoluut niet aan dat de GI met de goede bedoelingen en in het belang van [de kinderen] denkend heeft gehandeld. Dit neemt echter niet weg dat de GI niet conform de beschikking heeft gehandeld. Hierbij wordt voorts overwogen dat voor zover de GI zich niet zou kunnen verenigen met de inhoud van een beschikking zoals voornoemd, al dan niet vanwege het feit dat deze praktisch niet uitvoerbaar is, zij zich desgewenst met een wijzigingsverzoek tot de kinderrechter kan wenden op voet van artikel 1:265g BW. Nu de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven inhoudende dat zij de beschikking onverkort moet naleven, ondanks dat de eerste stappen in het proces niet zijn nagekomen, ziet de kinderrechter zich genoodzaakt de schriftelijke aanwijzing geheel vervallen te verklaren.” Gebleken is dat (schriftelijk) overleg met de ouders geen resultaat opleverde voor wat betreft het uitvoeren van de verschillende stappen zoals vastgelegd in de beschikking van 24 mei 2017. Het bevreemdt het College dat beklaagde vervolgens ervoor heeft gekozen een schriftelijke aanwijzing aan klaagster af te geven in plaats van een wijzigingsverzoek bij de kinderrechter in te dienen. Beklaagde stelt zich op het standpunt dat zij zich heeft doen adviseren door een jurist van de GI. Hiervan zijn echter geen onderbouwende stukken overgelegd. Blijkens het contactjournaal van 15 juni 2017 heeft beklaagde haar beslissing in samenspraak met een gedragswetenschapper genomen. Allereerst constateert het College dat beklaagde zich gebaseerd heeft op een onjuiste rechtsopvatting over de status van een beschikking. Daarnaast doet het feit dat beklaagde zich heeft laten adviseren door derden niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te zijn van wettelijke bepalingen c.q. bevoegdheden die verband houden met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dat beklaagde hiervan niet op de hoogte is geweest, acht het College een schending van artikel B (bevorderen deskundigheid) van de Beroepscode. Voorts acht het College het gegeven dat aan klaagster een schriftelijke aanwijzing is afgegeven, terwijl gebleken is dat de GI de eerste twee stappen van voornoemde beschikking zelf niet is nagekomen, strijdig aan artikel H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode.

3.4.5 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.5 Klachtonderdeel IV

3.5.1 Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
De vader wilde geen toestemming geven voor de vakantie van klaagster met de kinderen. Beklaagde heeft hierin een kans laten liggen door geen rol te spelen. Achteraf bleek dat beklaagde de vader wel geadviseerd had, zonder dat klaagster daar vanaf wist.

3.5.2 Toelichting:
Op 10 mei 2017 heeft klaagster aan de vader toestemming verzocht voor de vakantie met de kinderen in de zomervakantie. De vader reageerde hierop dat hij de beschikking zou afwachten en hierop nog terug zou komen. Per e-mailbericht van 3 augustus 2017 laat de vader weten dat hij geen toestemming verleent. Klaagster stuurt hierop een e-mailbericht aan beklaagde met de vraag wat zij hierin kon betekenen. Op dit e-mailbericht krijgt klaagster echter een automatisch antwoord dat beklaagde met vakantie is, terwijl beklaagde in de ochtend nog aanwezig was voor een zitting bij de rechtbank. Beklaagde had van haar afwezigheid geen melding gemaakt. Vervolgens reageert beklaagde op 21 augustus 2017 onder meer als volgt: “De vraag is of ik wat had kunnen doen.”. Volgens klaagster had zij hierin wel degelijk wat kunnen doen en heeft beklaagde hier een kans laten liggen. Klaagster heeft niets anders kunnen doen dan een kort geding procedure te starten voor vervangende toestemming van de rechtbank, welke zij gekregen heeft. Tot slot bleek achteraf dat beklaagde, zonder dat klaagster daarvan op de hoogte is geweest, een adviserende rol richting de vader had aangenomen. In haar e-mailbericht van 25 juli 2017 heeft zij naar de vader namelijk het volgende geschreven: “Volgende week dient de zitting verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing. Ik zou als ik jou was die zitting afwachten, wellicht is de uitspraak zodanig dat er wel omgang zal zijn. Ik kan nl aantonen dat ik er alles aan heb gedaan om conform beschikking, of op zijn minst in de geest van de beschikking de dingen te doen die in de opbouw nodig waren. M.b.t. vakantie naar het buitenland. Ik zou de zitting afwachten.”

3.5.3 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Het advies, dat beklaagde in haar mail van 25 juli 2017 heeft gegeven, leek haar op dat moment het beste wat zij kon doen. Beklaagde heeft klaagster inderdaad niet in de cc van dit bericht meegenomen, waarvan zij achteraf concludeert dat het beter was geweest wanneer zij dit wel gedaan had. De intentie was niet om achter de rug van klaagster met de vader te communiceren, zoals gesuggereerd wordt.

3.5.4 Het College overweegt als volgt:
Het College beperkt zich in dit klachtonderdeel tot het e-mailbericht van beklaagde van 25 juli 2017.  Inzake het e-mailbericht van klaagster van 3 augustus 2017 heeft beklaagde namelijk volgens het College geen rol kunnen spelen nu zij die dag vanaf 14:00 uur afwezig was vanwege vakantie. Het door beklaagde in haar e-mailbericht van 25 juli 2017 aan de vader gegeven advies om al dan niet toestemming te verlenen voor de vakantie van de moeder en de kinderen, zoals weergegeven onder 3.5.2 van deze beslissing, acht het College niet constructief voor het verbeteren van de onderlinge verhoudingen tussen de ouders. Ook acht het College het onzorgvuldig en niet transparant van beklaagde dat zij klaagster niet in de cc van deze berichtgeving heeft meegenomen. Daar komt bij dat het strijdig is aan wat beklaagde zelf meermaals aan klaagster in de e-mailberichten verzocht heeft, inhoudende dat de correspondentie met beklaagde in het kader van de transparantie via de beide ouders verloopt. Het College kan niet anders concluderen dan dat beklaagde met haar e-mailbericht van 25 juli 2017 voor klaagster de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het e-mailbericht en het daarin door beklaagde geschreven advies aan de vader, is naar het oordeel van het College in strijd met artikel G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) en H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) van de Beroepscode.

3.5.5 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.6 Klachtonderdeel VII

3.6.1 Klaagster verwijt beklaagde samengevat en zakelijk weergegeven het volgende:
Beklaagde heeft, na het eindigen van de ondertoezichtstelling, nog contact gehad met de vader. In dit contact adviseert beklaagde de vader nog steeds, zonder dat klaagster hier vanaf weet. Klaagster acht dit een zeer onprofessionele opstelling en een onwenselijke situatie.

3.6.2 Toelichting:
In de beschikking van het gerechtshof van 17 oktober 2017 wordt onder meer het volgende overwogen: “tot slot geldt dat in dezen voor een verlenging van een ondertoezichtstelling te minder grond bestaat nu de ondertoezichtstelling in de strijd tussen de ouders slechts tot een verdere polarisatie en escalatie lijkt te leiden. Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep komt het beeld naar voren dat de betrokkenheid van de GI meebrengt dat de strijd tussen de ouders ook over de band van de GI wordt gespeeld. Hierdoor is de ondertoezichtstelling tot onderdeel van de strijd tussen de ouders verworden en heeft het de omvang van de strijd, en daarmee de spanningen waaraan de kinderen worden blootgesteld, enkel doen toenemen.” Volgens klaagster spreekt deze rechtsoverweging voor zich. Ook na het eindigen van de ondertoezichtstelling is echter nog tussen beklaagde en de vader contact geweest. Klaagster verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar drie overgelegde e-mailcorrespondenties. Klaagster meent dat de manier van reageren van beklaagde volstrekt onprofessioneel is en zij daarmee het principe van hoor- en wederhoor heeft geschonden. Met deze gedragingen bevestigt beklaagde haar partijdigheid en vooringenomenheid.

3.6.3 Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan:
Beklaagde erkent dat zij met de vader na het eindigen van de ondertoezichtstelling contact heeft gehad. De vader uitte zijn zorgen over de kinderen en heeft zich een aantal keren met een concrete vraag tot beklaagde gewend. Beklaagde heeft de vader geantwoord dat zij niets kon doen en dat hij zich moest wenden tot het wijkteam of Veilig Thuis. Omdat de ondertoezichtstelling was geëindigd, heeft beklaagde gemeend klaagster niet te informeren.

3.6.4 Het College overweegt als volgt:
Het College volgt beklaagde niet in haar verweer dat zij op de e-mailberichten van de vader, nadat de ondertoezichtstelling geëindigd was, slechts geantwoord heeft dat zij niets kon doen en dat hij zich moest wenden tot het wijkteam of Veilig Thuis. In de overgelegde e-mailcorrespondentie van 28 oktober 2017 schrijft beklaagde immers met betrekking tot een omgangsmoment onder meer het volgende: “Begrijp ik nu goed dat de kindjes bij jou zijn? Ik heb echt respect dat je dit aan durft ik hoop dat het goed is gegaan, jullie een fijne tijd hebben met elkaar en dat het een vervolg krijgt.” In een e-mailbericht van 20 december 2017 antwoordt beklaagde voorts op de vraag van de vader of beklaagde een wijziging van de hoofdverblijfplaats wil steunen het volgende: “Wanneer in de zitting aan mij wordt gevraagd of er een bezwaar is of wat ik er van vind dan zal ik zeker aangegeven dat die er niet is en dat ik er alle vertrouwen in heb dat je goed in staat bent om voor de kinderen te zorgen.” Tot slot reageert beklaagde op 15 februari 2018 op een e-mailbericht met zorgen van de vader over de kinderen: “Ik schrik hiervan [naam vader]. Ik hoop voor jou dat het serieus wordt genomen.” En tot slot schrijft beklaagde in een volgende reactie die dag op het e-mailbericht van de vader waarin hij schrijft dat het meer dan verschrikkelijk is wat de kinderen moeten meemaken: “Inderdaad vreselijk”. Ook met deze wijze van reageren heeft beklaagde de schijn van partijdigheid gewekt. Nadat de ondertoezichtstelling geëindigd is en zij dus geen formele betrokkenheid meer heeft bij het gezin doet beklaagde volgens het College in haar e-mailberichten positieve uitspraken over de opvoedsituatie bij de vader en laat zij zich (indirect) negatief uit over de opvoedsituatie bij klaagster. Het College acht dit handelen jegens klaagster allereerst in strijd met artikel C (bereid iedere cliënt te helpen) en artikel E (respect) van de Beroepscode. Voorts acht het College artikel I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode geschonden. De toelichting op dit artikel geeft onder meer aan dat onder een ‘zorgvuldige afsluiting van de hulpverlening’ wordt verstaan: “dat hij [de jeugdprofessional] er op toeziet dat de cliënt met voldoende eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid tot zijn recht kan komen (zie artikel A)” en “dat de jeugdzorgwerker vanuit vakmatig of persoonlijk oogpunt de grenzen van zijn mogelijkheden bewaakt in relatie tot datgene wat de cliënt vraagt of nodig heeft”. Omdat de ondertoezichtstelling al geëindigd was, had beklaagde volgens het College aan de vader duidelijk moeten maken dat zij aan zijn hulpvraag niet meer kon voldoen en had zij hem op de zelfredzaamheid van haar voormalige cliënten moeten wijzen. Te meer gelet op de overweging van het gerechtshof in de beschikking van 17 oktober 2017, zoals weergegeven onder 3.6.2 van deze beslissing.

3.6.5 Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.7 Conclusie

3.7.1 Het College concludeert dat beklaagde met betrekking tot alle klachtonderdelen tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. Beklaagde heeft allereerst nagelaten de ouders te stimuleren tot het voeren van een gezamenlijk (kennismakings)gesprek. Gelet op het advies uit het NIFP rapport lag het  op de weg van beklaagde om zich, nog meer dan anders, hiervoor in te spannen. Ten tweede heeft beklaagde in de e-mailcorrespondentie, waarin onderwerpen naar voren kwamen die als essentieel onderdeel van de ondertoezichtstelling kunnen worden beschouwd, onvoldoende een regulerende rol ingenomen. Zij heeft zich zelfs op het standpunt gesteld dat zij een dergelijke rol niet heeft. Ten derde heeft beklaagde aan klaagster een schriftelijke aanwijzing afgegeven, terwijl onder de gegeven omstandigheden het geijkte middel zou zijn geweest dat aan de kinderrechter verzocht zou worden de vastgestelde (opbouw in de) zorgregeling te wijzigen. Tot slot heeft beklaagde in bepaalde e-mailberichten de schijn van partijdigheid gewekt. Zo heeft beklaagde over de vakantie van klaagster met de kinderen een niet constructief advies aan de vader gegeven en heeft zij nagelaten klaagster mee te nemen in deze e-mailcorrespondentie. Ook heeft beklaagde, nadat haar formele betrokkenheid geëindigd was, meermaals met de vader gecommuniceerd waarin zij zich naar het oordeel van het College positief uitlaat over de opvoedsituatie bij de vader en zich (indirect) negatief uitlaat over die bij klaagster. Het handelen van beklaagde ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen levert volgens het College een schending op van artikelen B (bevorderen deskundigheid), C (bereid iedere cliënt te helpen), E (respect), G (overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening), H (macht en afhankelijkheid in de professionele relatie) en I (beëindiging van de professionele relatie) van de Beroepscode en een schending van een van de uitgangspunten van de ‘Richtlijn Scheiding en problemen van jeugdigen voor jeugdhulp en jeugdbescherming’.

3.7.2 Het College legt aan beklaagde de maatregel van voorwaardelijke schorsing op en overweegt hiertoe als volgt. Allereerst wordt waarde gehecht aan de wijze waarop een beklaagde reflecteert op haar handelen. In het verweer van beklaagde noch tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft beklaagde er onvoldoende blijk van gegeven in te zien dat zij met haar handelen in deze casus, op meerdere punten, ernstig tekortgeschoten is. Voorts neemt het College in overweging dat beklaagde geruime ervaring heeft binnen de jeugdhulpverlening, hetgeen maakt dat het verwijtbaar handelen haar zwaarder wordt aangerekend. Onder deze omstandigheden en gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van alle klachtonderdelen acht het College het passend en geboden dat beklaagde een supervisietraject volgt. Het College acht het aangewezen dat beklaagde middels gerichte sturing en intensieve begeleiding kan werken aan de bewustwording en het toepassen van haar beroepsnormen die behulpzaam worden geacht in de verdere uitoefening van haar werkzaamheden. Daarbij acht het College het van belang dat gemonitord kan worden of beklaagde dit traject met goed gevolg aflegt. Beklaagde kan de schorsing voorkomen door het volgen en het goed afleggen van een gecertificeerd supervisietraject van 10 bijeenkomsten van 1 tot 2,5 uur bij de Landelijke Vereniging Supervisie en Coaching (LVSC) met in ieder geval de volgende onderwerpen: ‘positie en positioneren als jeugdprofessional in het gedwongen kader’, ‘samenwerking met en tussen cliënten bestendigen’ en ‘meerzijdige partijdigheid’. De schorsing treedt in werking wanneer beklaagde niet binnen een jaar nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden aan het bestuur van SKJ een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname aan het supervisietraject overlegt.

4     De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

  • verklaart klachtonderdeel I deels gegrond;
  • verklaart klachtonderdelen II, III, IV, V, VI en VII gegrond;
  • legt aan beklaagde op de maatregel van voorwaardelijke schorsing.

Deze schorsing treedt in werking en duurt één jaar als beklaagde nalaat een supervisietraject te volgen en nalaat om binnen een jaar na het onherroepelijk worden van deze beslissing een LVSC-gecertificeerd bewijs van deelname te overleggen aan het bestuur van SKJ.

Aldus gedaan door het College en op 24 januari 2019 aan partijen toegezonden.

Mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter
mevrouw mr. L.C. Groen, secretaris