Maak een selectie

727 van 727

   

De jeugdbeschermer was niet onafhankelijk genoeg omdat zij collega is geweest van klaagster en de jeugdbeschermer is onvoldoende transparant geweest over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw mr. S.C. van Duijn, lid-jurist,
de heer M.M. Last, lid-beroepsgenoot,
mevrouw U. Hammer, lid-beroepsgenoot,
mevrouw M.L.F. Grijseels, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klaagster], hierna te noemen: klaagster, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming [provincienaam] te [plaatsnaam], hierna te noemen: GI.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. A. Rietveld.

Klaagster wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam bij Zorgbelang [provincienaam] te [plaatsnaam].

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde [gemachtigde], werkzaam als gedragswetenschapper bij de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift ontvangen op 15 juli 2018, met de bijlagen en de aanvulling hierop van 18 juli 2018;

– het verweerschrift ontvangen op 4 september 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 november 2018 in aanwezigheid van klaagster, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigden.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat het streven is dat de beslissing, vanwege de feestdagen, vervroegd en op 20 december 2018 verstuurd zou worden. Op 14 december 2018 heeft het College partijen per e-mail bericht dat de genoemde termijn niet haalbaar is gebleken en dat het College zich genoodzaakt heeft geacht om op grond van artikel 10.1 van het Tuchtreglement de oorspronkelijke termijn van acht weken aan te houden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klaagster is moeder van twee minderjarige zonen, geboren in 2002, hierna te noemen: de oudste zoon en geboren in 2006, hierna te noemen: de jongste zoon, gezamenlijk aan te duiden als: de kinderen.

2.2

Klaagster en de ex-partner, de vader van de kinderen, hierna te noemen: de vader, zijn uit elkaar. Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt gezamenlijk uitgeoefend door klaagster en de vader. De oudste zoon woont vanaf maart 2016 bij de vader. Er is tussen klaagster en de oudste zoon een omgangsregeling; hij verblijft eens per twee weken in het weekend bij klaagster. De jongste zoon woont bij klaagster. Tussen de jongste zoon en de vader is een omgangsregeling.

2.3

In januari 2015 heeft de kinderrechter een ondertoezichtstelling uitgesproken over de kinderen. De GI is sinds het uitspreken van de ondertoezichtstelling belast met de uitvoering hiervan. In het kader van de methodiek ‘complexe echtscheidingen’ heeft de GI twee gezinsvoogden aangesteld.

2.4

Vanaf december 2015 heeft beklaagde, vanwege afwezigheid van één van de voornoemde gezinsvoogden, deze casus overgenomen. Vervolgens is door de GI in december 2015 besloten dat beklaagde de enige gezinsvoogd zal blijven over de kinderen, met als reden dat er geen gezamenlijke gesprekken meer tussen klaagster en de vader plaatsvonden.

2.5

De ondertoezichtstelling van de oudste zoon is vanaf januari 2016 niet verlengd. De ondertoezichtstelling van de jongste zoon is vanaf januari 2016 wel verlengd.

2.6

In februari 2017 heeft klaagster een second opinion aangevraagd bij [instelling], specialistische zorg gericht op psychische problematiek, omdat zij zich afvraagt of de jongste zoon lijdt aan een aan autisme verwante stoornis. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek gestart door [instelling] en is de instelling tot de conclusie gekomen dat bij de jongste zoon sprake is van hechtingsproblematiek. In het najaar van 2017 is de jongste zoon aangemeld bij [instelling1].

2.7

Op 19 december 2017 heeft beklaagde tijdens een gesprek met klaagster en de vader laten weten voornemens te zijn de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Klaagster heeft de jongste zoon naar aanleiding van voornoemd gesprek op 20 december 2017 naar de vader gebracht met het verzoek aan de vader de opvoeding en verzorging van de jongste zoon van haar over te nemen.

2.8

Op 4 januari 2018 heeft klaagster een e-mail aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: RvdK) gestuurd, waarin zij heeft aangegeven het niet eens te zijn met het voornemen tot beëindiging van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon. Op 5 januari 2018 heeft beklaagde deze e-mail ontvangen. Op dezelfde dag heeft beklaagde klaagster geïnformeerd dat zij een verzoek heeft ingediend bij de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling en tevens een verzoek machtiging uithuisplaatsing bij de vader.

2.9

De ondertoezichtstelling van de jongste zoon is in januari 2018 verlengd. De kinderrechter heeft daarnaast een machtiging uithuisplaatsing afgegeven tot en met 25 januari 2019. De jongste zoon woont vanaf 20 december 2017 bij de vader.

2.10

Op 16 mei 2018 heeft klaagster een verzoek bij de RvdK ingediend inzake tussentijdse beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing. Op 27 juni 2018 heeft de RvdK klaagster geïnformeerd dat de RvdK akkoord gaat met het beëindigen van de uithuisplaatsing van de jongste zoon bij de vader. Vanaf 25 mei 2018 woont de jongste zoon weer bij klaagster.

2.11

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds [datum] 2013 geregistreerd bij Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). In de periode van [datum] 2013 tot [datum] 2018 als jeugdzorgwerker. Met ingang van [datum] 2018 tot op heden is beklaagde als jeugd- en gezinsprofessional bij SKJ geregistreerd.

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met hetgeen ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde professional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klaagster heeft acht klachtonderdelen ingediend die – samengevat – betrekking hebben op de wijze van de hulpverlening van beklaagde in het kader van de ondertoezichtstelling.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt. Het geheel eindigt met een conclusie.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij had moeten inzien dat zij niet de juiste professional was in deze ondertoezichtstelling, omdat klaagster en beklaagde collega’s zijn geweest.

3.2.2

Toelichting:
Beklaagde heeft een zeer amicale houding jegens klaagster aangenomen. Klaagster heeft aangegeven dat zij dit gezien de complexiteit van de casus niet professioneel vond. Zij is van mening dat beklaagde als professional vooraf had moeten inzien dat partijen vanuit persoonlijk oogpunt een samenwerkingsrelatie binnen het gedwongen kader niet zouden kunnen vormgeven. Zodoende vindt klaagster dat beklaagde geen professionele relatie met klaagster had moeten aangaan.

3.2.3

Beklaagde voert het volgende aan. Het is beklaagde bekend dat klaagster werkzaam is geweest bij de GI. Beklaagde is zelf sinds maart 1995 werkzaam bij de GI. Beklaagde kan zich echter niet goed herinneren wanneer klaagster bij de GI werkzaam is geweest en voor zover beklaagde weet, hebben klaagster en beklaagde ook niet in hetzelfde team gewerkt. Toen beklaagde werd gevraagd om als gezinsvoogd te starten in deze casus, heeft zij intern besproken dat zij klaagster uit het verleden als collega kende. Beklaagde heeft met haar collega’s vervolgens afgesproken dat zij het aan hen kenbaar zou maken indien dit haar werkzaamheden zou belemmeren. Beklaagde heeft in december 2015 een kennismakingsgesprek met klaagster gevoerd, waarbij voornamelijk de echtscheidingsproblematiek ter sprake is gekomen. Beklaagde stelt dat zij van klaagster destijds geen bezwaren heeft vernomen tegen haar komst als gezinsvoogd. In mei 2018 leest beklaagde in de rapportage van de RvdK inzake de toetsing van de beëindiging van de machtiging uithuisplaatsing voor het eerst dat klaagster bezwaren tegen beklaagde heeft vanwege hun voormalige collegiale relatie.

3.2.4

Het College vat de klacht van klaagster aldus op dat beklaagde nimmer als gezinsvoogd in het gezin van klaagster kan optreden, nu zij elkaar – als oud collega’s – kennen. Vast staat voor het College dat klaagster en beklaagde eerder collega’s zijn geweest bij de GI en dat beklaagde vanaf december 2015 gezinsvoogd is geworden van de kinderen van klaagster. Klaagster en beklaagde hebben, zo is het College gebleken uit de klacht en het verweer als ook tijdens de mondelinge behandeling, uiteenlopende opvattingen over hoe het eerste gesprek tussen hen als moeder en gezinsvoogd verlopen is. Volgens klaagster heeft zij direct aan het begin kenbaar gemaakt dat zij een professionele relatie tussen hen niet mogelijk vond. Beklaagde stelt dat er tijdens het kennismakingsgesprek met klaagster geen bezwaren van dien aard naar voren zijn gebracht, althans dat zij zich dat niet kan herinneren. In aanvulling op het verweer heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling ook verklaard dat zij, omdat klaagster gezinsvoogd is geweest, het gevoel heeft gehad in deze professionele relatie op haar tenen te moeten lopen. Daarbij heeft zij tevens aangegeven dit niet bespreekbaar te hebben gemaakt met klaagster, noch intern met collega’s, omdat een opvolgende collega dan mogelijk hetzelfde zou gaan ervaren. Nu beklaagde in haar verweer heeft gesteld dat zij aan het begin van het traject met haar collega’s heeft afgesproken zich te melden als zij zich in haar werkzaamheden belemmerd zou gaan voelen, acht het College het niet navolgbaar dat beklaagde dit op de momenten dat dit zich voordeed (“Ik heb op mijn tenen gelopen/op eieren gelopen.”), heeft nagelaten. Het College overweegt dat op beklaagde een eigen professionele verantwoordelijkheid rust om hierop alert te zijn. Het College is van oordeel dat beklaagde door de samenwerking met klaagster desondanks voort te laten duren niet professioneel heeft gehandeld. Door wat beklaagde naar voren heeft gebracht, kan het College zich niet voorstellen dat zij zich neutraal en onafhankelijk kon opstellen naar klaagster toe en daarmee heeft beklaagde artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker geschonden.

Voor het College is echter niet vast te stellen hoe de professionele relatie tussen klaagster als moeder en beklaagde is begonnen, hoe het eerste gesprek tussen hen verlopen is en of het punt van aandacht is geweest dat klaagster en beklaagde elkaar als collega’s kenden. Klaagster en beklaagde spreken elkaar daarin tegen en uit de voorhanden zijnde stukken komt dit punt evenmin naar voren. Datzelfde geldt voor de opmerking van klaagster dat beklaagde zich amicaal opstelde, waar beklaagde ter zitting heeft verklaard dat dat haar houding is naar cliënten toe en in dit geval niet te maken had met het gegeven dat klaagster een oud collega is. In dit deel van de klacht ziet het College geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

3.2.5

Het College verklaart het klachtonderdeel deels gegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klaagster stelt dat beklaagde onvoldoende heeft gereageerd op de zorgen die klaagster heeft geuit en dat beklaagde klaagster onvoldoende heeft betrokken en geïnformeerd over de veiligheid (risicotaxatie) van de kinderen.

3.3.2

Toelichting:
Naar aanleiding van signalen van de jongste zoon, heeft klaagster haar zorgen over de thuissituatie bij de vader gedeeld met beklaagde. Klaagster heeft beklaagde verzocht een risicotaxatie te maken, maar deze vraag is door beklaagde niet serieus genomen. In maart 2018 vermoedt klaagster dat er sprake is van kindermishandeling, wanneer de jongste zoon het incident van huiselijk geweld door de vader heeft gefilmd en aan klaagster heeft laten zien. Klaagster is van mening dat beklaagde te weinig actie heeft ondernomen naar aanleiding van de signalen die zij heeft afgegeven rondom de vermoedens van kindermishandeling. Klaagster stelt dat zij onvoldoende is betrokken en geïnformeerd door beklaagde over het standpunt van de GI inzake haar vermoeden van kindermishandeling. Klaagster vindt dat zij als moeder volledig buiten spel is gezet.

3.3.3

Beklaagde voert aan dat er wel degelijk gereageerd is op de zorgen van klaagster. Er zijn acties ondernomen op momenten dat de GI dit na beoordeling van de situatie noodzakelijk achtte. De beoordeling van de GI kwam echter niet altijd overeen met wat klaagster nodig vond voor de kinderen. Beklaagde stelt dat klaagster het vaak niet eens was met de handelswijze, alsmede het tempo van handelen door beklaagde en andere hulpverleners van de GI. Beklaagde heeft samen met de gedragsdeskundige geprobeerd consensus met klaagster hierover te bereiken, maar dit is beklaagde niet gelukt. Voor wat betreft het verrichten van de risicotaxatie bij de vader, stelt beklaagde dat zij regelmatig thuis bij de vader is geweest. Beklaagde heeft de thuissituatie bij de vader als ‘veilig’ beoordeeld, maar uiteindelijk is het aan de GI om deze beoordeling te doen. Beklaagde heeft dit samen met de gedragsdeskundige aan klaagster duidelijk proberen te maken, maar klaagster heeft het oordeel van de GI niet willen accepteren.

3.3.4

Het College begrijpt uit wat uit de voorhanden zijnde stukken en tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, dat er kennelijk een verschil van visie is geweest over de veiligheid van de kinderen, vooral van de jongste zoon, bij de vader. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat er eerder sprake is geweest van een incident, maar dat de omstandigheden daarna gewijzigd zijn, waardoor zij geen vermoedens meer had te veronderstellen dat de situatie bij de vader onveilig zou zijn. Diverse door beklaagde afgelegde huisbezoeken bij de vader hebben dat beeld versterkt. Daarnaast heeft zij de situatie veelvuldig besproken in het basisteam binnen de GI en met de betrokken gedragsdeskundige. De casus is voortdurend tegen het licht gehouden, waarbij steeds de vraag gesteld is: “Wat is er gebeurd bij de vader en wat maakt dat klaagster ongerust is over de situatie bij de vader”? Beklaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat er geen gerichte taxatie-instrumenten worden ingezet wanneer er geen vermoedens zijn van een onveilige situatie. Voorts heeft beklaagde tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij herhaaldelijk in gesprekken geprobeerd heeft hier met klaagster consensus over te bereiken. Het College overweegt dat klaagster geen stukken heeft overgelegd waaruit haar stellingen blijken. Dat maakt dat het College niet heeft kunnen vaststellen dat de zorgen van klaagster door beklaagde niet serieus zijn genomen en dat zij volledig buiten spel zou zijn gezet. Het College overweegt dat beklaagde voldoende en navolgbaar heeft gemotiveerd waarom zij geen risicotaxatie-instrumenten heeft ingezet en dat zij zich daarbij mede heeft mogen baseren op het professionele oordeel van de gedragsdeskundige. Bovendien meent het College dat aan een jeugdprofessional bij het inzetten van onderzoeksmethoden, zoals een risicotaxatie-instrument ook een zekere mate van vrijheid en zelfstandigheid gelaten mag worden. Het College is dan ook van oordeel dat beklaagde ten aanzien van dit klachtonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.3.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Beklaagde heeft naar de mening van klaagster de angsten en de wens van de jongste zoon onvoldoende serieus genomen.

3.4.2

Toelichting:
Het opstarten van de omgangsregeling met de vader verliep moeizaam, omdat de jongste zoon zich tegen de bezoeken aan de vader ging verzetten. De jongste zoon heeft aangegeven dat hij angstig was en niet bij de vader wilde slapen. Eind 2016 gaat de jongste zoon onder de nodige dwang van de GI een week tijdens de kerstvakantie naar de vader. Klaagster maakt zich zorgen over de reacties die de jongste zoon na dit bezoek laat zien en heeft de zorgen hierover gedeeld met onder meer beklaagde in een e-mail van 12 januari 2017. Hierop heeft klaagster geen reactie van beklaagde ontvangen. Beklaagde heeft volgens klaagster onvoldoende op de angsten van de jongste zoon geacteerd.

3.4.3

Beklaagde betwist dat zij de angsten en de wens van de jongste zoon onvoldoende serieus heeft genomen. Beklaagde heeft meerdere malen gesprekken gevoerd met de jongste zoon en daar ook met klaagster en de vader over gesproken. Nadat de jongste zoon had aangegeven niet meer bij de vader te willen slapen, heeft beklaagde hem hierin ook ondersteund. Beklaagde heeft vervolgens een gesprek tussen de jongste zoon en de vader geregeld waarin de jongste zoon, in het bijzijn van beklaagde, zijn angsten kon uiten. Beklaagde betwist de stelling dat zij hem gedwongen heeft om bij de vader te slapen. Wel heeft zij klaagster gevraagd de jongste zoon te stimuleren om in contact te blijven met de vader. Ook heeft beklaagde de jongste zoon gehoord in zijn wens om dit jaar weer bij klaagster te gaan wonen.

3.4.4

Vast is komen te staan dat klaagster in een e-mail van 12 januari 2017, gericht aan de vader en andere betrokkenen waaronder beklaagde, heeft gemeld dat de jongste zoon angstig was en niet bij de vader wilde overnachten. Voorts is het College uit het verweer van beklaagde, als ook uit het gestelde tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat beklaagde naar aanleiding van deze angsten een gesprek met de jongste zoon en de vader heeft gevoerd. Niet is vast komen te staan dat de jongste zoon onder de nodige dwang in de kerstvakantie bij de vader heeft moeten logeren. Beklaagde heeft dat betwist en klaagster heeft nagelaten daar onderbouwende stukken voor aan te dragen. Het College overweegt dat het wenselijk was geweest wanneer beklaagde na het gevoerde gesprek met de jongste zoon nog een vervolggesprek had gevoerd, maar beklaagde heeft hier naar het oordeel van het College geen norm overschreden. Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar of de jeugdprofessional is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Het College ziet in deze klacht dan ook geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt.

3.4.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij klaagster onvoldoende heeft ondersteund bij haar hulpvraag.

3.5.2

Toelichting:
Vanwege het steeds rigider en angstiger wordende gedrag van de jongste zoon vraagt klaagster een second opinion aan bij [instelling], omdat zij een vermoeden heeft dat de jongste zoon lijdt aan een aan autisme verwante stoornis. Klaagster is van mening dat beklaagde haar geen ondersteuning biedt en haar niet het idee geeft achter deze ingezette hulpverlening te staan. Klaagster somt drie voorbeelden op waaruit dit blijkt. Allereerst liet beklaagde klaagster alles zelf regelen ten aanzien van deze hulpvraag. Ten tweede moest klaagster zelf de vader hiervan op de hoogte stellen. Tot slot heeft beklaagde geen contact gezocht met [instelling].

3.5.3

Beklaagde stelt dat er diverse vormen van hulpverlening zijn ingezet, zowel op initiatief van de GI als op initiatief van klaagster. Over het hulpverleningstraject hebben beklaagde en klaagster over het algemeen overeenstemming kunnen bereiken. Sinds augustus 2015 is psychomotorische therapie en Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) therapie ingezet bij [instelling]. Vervolgens is in de zomer van 2016, in overleg tussen [instelling] en de GI, de behandeling Intensieve Psychiatrische Gezinsondersteuning ingezet. Klaagster had zelf het vermoeden dat er mogelijk sprake zou zijn van PDD-NOS bij de jongste zoon, waarna zij dit vermoeden heeft neergelegd bij [instelling]. De GI stond niet achter nóg een onderzoek bij de jongste zoon, maar heeft klaagster hiervan ook niet proberen te weerhouden.

3.5.4

Het College stelt vast dat er ten behoeve van de zorgbehoefte van de jongste zoon diverse vormen van hulpverlening zijn ingezet. De klacht van klaagster ziet echter specifiek toe op de second opinion die zij wilde aanvragen bij [instelling], waarbij zij zich kennelijk door beklaagde niet gesteund heeft gevoeld. Het College overweegt dat er in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten zijn gevonden waaruit blijkt dat beklaagde klaagster hierin onvoldoende heeft ondersteund. Het College verwijst in dit verband naar een e-mailbericht van 21 september 2017 van klaagster aan [instelling], waaruit blijkt dat klaagster de e-mail in overleg met beklaagde heeft gestuurd. Tevens staat in het e-mailbericht dat beklaagde klaagster ondersteunt in haar dringende verzoek aan [instelling] de aanvraag te bespoedigen. Onder deze omstandigheden kan het College niet vaststellen of de stelling van klaagster dat zij zich onvoldoende gesteund heeft gevoeld juist is. In gevallen als deze is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster niet gegrond kan worden bevonden nu het College niet de feiten kan vaststellen die ten grondslag liggen aan dit verwijt.

3.5.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6

Klachtonderdeel V

3.6.1

Beklaagde heeft volgens klaagster onvoldoende de beslissing van de beëindiging van de ondertoezichtstelling van de oudste zoon onderbouwd. Ditzelfde geldt voor het voornemen tot beëindiging van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon.

3.6.2

Toelichting:
Klaagster stelt dat er ruim een half jaar geen contact is geweest tussen beklaagde en klaagster en de oudste zoon, waarna zij in januari 2016 besluit de ondertoezichtstelling van de oudste zoon te beëindigen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de oudste zoon op dat moment bij de vader woont en er geen gronden meer zijn om de ondertoezichtstelling te verlengen. Klaagster is van mening dat zij en de oudste zoon vooraf onvoldoende betrokken zijn bij deze beslissing.

Voor wat betreft het voornemen om de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen, is klaagster van mening dat hierin niet al haar zorgen zijn meegenomen. Tijdens het gesprek op 19 december 2017 werd het klaagster duidelijk dat de GI voornemens was de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Beklaagde heeft als reden hiervoor aangevoerd dat de GI getracht heeft de communicatie tussen klaagster en de vader op gang te helpen, maar dat dat onvoldoende heeft geleid tot het gewenste resultaat. Klaagster heeft tijdens dit gesprek geprobeerd te onderbouwen waarom de ondertoezichtstelling van de jongste zoon wel verlengd moest worden. Tevens heeft klaagster tijdens dit gesprek nogmaals gevraagd waarom er geen gehoor is gegeven aan haar verzoek tot het verrichten van een risicotaxatie bij de vader. Nadat beklaagde en de gedragswetenschapper dit lachend hadden weggewuifd, is klaagster weggelopen uit het gesprek.

3.6.3

Beklaagde voert aan dat de oudste zoon vanaf maart 2016 bij de vader woont. Hierdoor is het contact tussen de oudste zoon en de vader geïntensiveerd en is het contact tussen de oudste zoon en klaagster verminderd. Beklaagde geeft aan dat zij klaagster en de vader gestimuleerd heeft de zaken met betrekking tot de oudste zoon zelf te regelen, onder andere door middel van een ouderschapsplan. De GI heeft de beslissing de ondertoezichtstelling van de oudste zoon te beëindigen ter toetsing voorgelegd aan de RvdK. Op 29 december 2016 heeft de RvdK verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voorgenomen beëindiging.

3.6.4

Vast staat voor het College dat de ondertoezichtstelling van de oudste zoon in januari 2016 is beëindigd en dat de GI deze beslissing heeft laten toetsen door de RvdK. Tevens staat vast dat beklaagde eind 2015 is aangetreden als gezinsvoogd. De opmerking van klaagster dat zij zelf, beklaagde en de oudste zoon voor het besluit van beklaagde de ondertoezichtstelling te beëindigen een half jaar geen contact hebben gehad, kan het College dan ook niet volgen. Het College mist hier, zowel in de voorhanden zijnde stukken als in de mondelinge toelichting, van klaagster een onderbouwing wat zij hiermee bedoelt. Het College overweegt dat beklaagde op het moment van de beëindiging van de ondertoezichtstelling van de oudste zoon relatief kort betrokken was en dat – mede ook – daarom niet is vast te stellen wat de rol van beklaagde is geweest. Derhalve kan beklaagde hier naar het oordeel van het College niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor worden gesteld.

Ten aanzien van de gang van zaken rondom de ondertoezichtstelling van de jongste zoon overweegt het College als volgt. Ook onder klachtonderdeel VI stelt klaagster de ondertoezichtstelling van de jongste zoon aan de orde. Bij dat klachtonderdeel heeft beklaagde zich hier tegen verweerd, terwijl beklaagde bij het onderhavige klachtonderdeel alleen ingaat op de ondertoezichtstelling van de oudste zoon. Nu klachtonderdeel V en VI ten aanzien van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon verweven zijn, zal het College zijn oordeel over dat deel van de klacht, meenemen onder klachtonderdeel VI.

3.6.5

Het College verklaart het deel van de klacht dat gaat over de ondertoezichtstelling van de oudste zoon ongegrond.

3.7

Klachtonderdeel VI

3.7.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij niet transparant is geweest over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van de jongste zoon.

3.7.2

Toelichting:
Ondanks de signalen van de jongste zoon en de zorgen die klaagster met beklaagde heeft gedeeld, heeft beklaagde tijdens een gesprek met klaagster op 19 december 2017 laten weten voornemens te zijn de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Klaagster ziet dit als een bevestiging dat beklaagde de jongste zoon ‘opgeeft’. Klaagster heeft de RvdK op 4 januari 2018 per e-mailbericht laten weten het niet eens te zijn met dit voornemen. Klaagster heeft dit e-mailbericht op 5 januari 2018 aan beklaagde gestuurd. Beklaagde heeft vervolgens op 5 januari 2018 klaagster geïnformeerd dat zij een verzoek heeft ingediend bij de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de jongste zoon en tevens een verzoek machtiging uithuisplaatsing. Klaagster neemt het beklaagde kwalijk dat zij van dit voornemen niet op de hoogte is gesteld door beklaagde.

3.7.3

Beklaagde bevestigt dat er tussen haar, de vader en klaagster op 19 december 2017 een gesprek heeft plaatsgevonden. Beklaagde heeft klaagster en de vader tijdens dit gesprek geïnformeerd over het voornemen van de GI om de ondertoezichtstelling te beëindigen, omdat het behandeltraject bij [instelling1] ingezet zou gaan worden. Weliswaar verliep de omgangsregeling met de vader nog steeds niet goed, maar de GI had niet de verwachting hier nog verandering in aan te kunnen brengen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling bood voor de vader daarom ook geen meerwaarde. Klaagster is tijdens dit gesprek zodanig geëmotioneerd geraakt dat ze aankondigde de jongste zoon bij de vader te zullen brengen en uit het gesprek is weggelopen. Klaagster heeft de jongste zoon de volgende dag bij de vader gebracht. Op grond van deze eenzijdige handelswijze van klaagster heeft beklaagde, namens de GI, op 5 januari 2018 besloten een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in te dienen en om een machtiging uithuisplaatsing te vragen. Beklaagde erkent dat zij klaagster niet heeft meegenomen in het besluitvormingsproces. De reden hiervoor was gelegen in het feit dat de situatie hectisch was en er veel moest gebeuren om het wonen van de jongste zoon bij de vader mogelijk te maken. Hierop lag op dat moment de focus.

3.7.4

Het College overweegt als volgt. Vast staat dat klaagster tijdens eerdergenoemd gesprek op
19 december 2017 kenbaar heeft gemaakt het niet eens te zijn met het aldaar geuite voornemen de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te beëindigen. Onweersproken is voorts dat klaagster in dit gesprek heeft aangekondigd de jongste zoon in dat geval bij de vader te zullen brengen en zij het gesprek daarna verlaten heeft. Het College overweegt dat noch uit de onderbouwing van de klacht, noch uit het verweer van beklaagde en de verklaringen ter zitting voldoende duidelijk is geworden of beklaagde klaagster eerder heeft meegenomen in het voornemen de ondertoezichtstelling van de jongste zoon te willen beëindigen. Wel staat vast dat beklaagde klaagster op 5 januari 2018 heeft gemaild met de mededeling dat, gezien de gewijzigde omstandigheden, de GI alsnog een verzoek indient ter verlenging van de ondertoezichtstelling en tevens een machtiging uithuisplaatsing zal vragen. Tussen het gesprek op 19 december 2017 en het bericht van beklaagde aan klaagster op
5 januari 2018 zit een periode van twee weken en voor het College is het onnavolgbaar waarom beklaagde klaagster hierover in het ongewisse heeft gelaten. Het verweer van beklaagde dat de periode hectisch was, doet volgens het College niet aan af aan de plicht van beklaagde klaagster mee te nemen in een dergelijke beslissing. Het College is van oordeel dat beklaagde na 19 december 2018 onvoldoende overeenstemming, dan wel instemming heeft gezocht met klaagster en dat zij daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg heeft geschonden.

Voorts overweegt het College over dat deel van de klacht van klaagster dat beklaagde niet transparant is geweest in de beslissing een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken het volgende. Beklaagde heeft in haar verweer als ook tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht dat met het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing de plek van de jongste zoon bij de vader veilig gesteld diende te worden en dat bij conflicten over de verblijfplaats van een jeugdige cliënt altijd om een machtiging uithuisplaatsing wordt verzocht. Tevens heeft het College van beklaagde begrepen dat zij erkent dat zij, als gevolg van de hectische situatie die toen ontstond en er veel moest gebeuren om het wonen van de jongste zoon bij de vader mogelijk te maken, klaagster niet heeft meegenomen in het besluitvormingsproces. Net als onder paragraaf 3.7.4 van het onderhavige klachtonderdeel is het College van oordeel dat hectiek nimmer reden mag zijn een ouder met gezag bij een dergelijke ingrijpende beslissing niet mee te nemen/te informeren. Ook hier is het College van oordeel dat beklaagde onvoldoende de overeenstemming, dan wel instemming heeft gezocht met klaagster en dat zij daarmee het vertrouwen in de jeugdzorg heeft geschonden.

Beklaagde heeft in strijd gehandeld met artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (Overeenstemming/instemming omtrent hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker. Niet alleen de Beroepscode, doch ook de richtlijnen ‘Samen beslissen over passende hulp’ en ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’ zijn op het professionele handelen van beklaagde van toepassing. Op grond van de voornoemde richtlijnen is het de verantwoordelijkheid van de jeugdprofessional om met de (gescheiden) ouders gezamenlijk te beslissen over passende hulpverlening, waarbij de ingezette hulpverlening ook gezamenlijk met de ouders geëvalueerd wordt. Vervolgens beslist de jeugdprofessional met de ouders of de hulpverlening wordt vervolgd dan wel wordt beëindigd.

3.7.5

Het College verklaart het klachtonderdeel gegrond.

3.8

Klachtonderdeel VII

3.8.1

Beklaagde komt volgens klaagster de afspraken niet na en reageert te laat op e-mails van klaagster.

3.8.2

Toelichting:
Beklaagde heeft klaagster op 8 januari 2018 gebeld met de vraag of klaagster aan de jongste zoon kan bevestigen dat klaagster wil dat de jongste zoon bij de vader blijft wonen. Klaagster geeft hierop aan dat zij hier niet aan mee wil werken, maar dat zij zich gedwongen voelt gezien het voornemen van de GI om de ondertoezichtstelling van de jongste zoon niet te verlengen. Beklaagde heeft hierop geantwoord dat zij de jongste zoon direct naar klaagster zou brengen. Daarop heeft klaagster contact opgenomen met de school van de jongste zoon omdat hij al voor de derde dag thuis gehouden werd door de vader. Klaagster heeft vervolgens van de leerplichtambtenaar begrepen dat beklaagde niet voornemens was de jongste zoon naar klaagster te brengen. Toen klaagster beklaagde hiermee confronteerde, heeft beklaagde per e-mail op 8 januari 2018 laten weten dat zij dit in een impulsieve reactie heeft gezegd.

3.8.3

Beklaagde stelt dat het verwijt betreffende het niet nakomen van afspraken iedere grond mist. Het is voor beklaagde niet helder waar klaagster precies op doelt. Voor wat betreft het verwijt dat beklaagde te laat reageert op e-mails van klaagster, stelt beklaagde dat zij klaagster heeft laten weten alleen op e-mails te reageren indien haar een directe vraag wordt gesteld. Beklaagde heeft klaagster verzocht expliciet in haar e-mailbericht aan te geven wanneer klaagster een reactie van beklaagde verlangt. Volgens beklaagde verwachtte klaagster direct actie, terwijl beklaagde juist tijd nodig had om de situatie eerst intern, dan wel extern te bespreken alvorens een weloverwogen advies te kunnen geven. Beklaagde herkent zich dan ook niet in dit verwijt.

3.8.4

Het College ziet een algemeen gestelde klacht, dat beklaagde afspraken niet nakomt en te laat reageert op e-mailberichten. Het College overweegt dat klaagster geen stukken heeft overgelegd waaruit haar stellingen blijken. In de toelichting noemt klaagster slechts één specifiek voorbeeld, dat verband houdt met het contact tussen klaagster en beklaagde op 8 januari 2018. Uit het
e-mailbericht van 8 januari 2018 kan het College echter niet opmaken wat er precies heeft plaatsgevonden tussen klaagster en beklaagde. In zo’n geval is het vaste jurisprudentie dat het verwijt van klaagster aan beklaagde niet gegrond kan worden bevonden, nu het College de feiten die daaraan te grondslag liggen niet heeft kunnen vaststellen.

3.8.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.9

Klachtonderdeel VIII

3.9.1

Klaagster verwijt beklaagde dat zij informatie aan de rechtbank heeft verstrekt zonder hier vooraf met klaagster over te spreken.

3.9.2

Toelichting:
Klaagster stelt dat zij ter zitting bij de kinderrechter eind januari 2018 door beklaagde met een aantal zaken is geconfronteerd, die beklaagde eerder niet aan klaagster kenbaar heeft gemaakt. Klaagster kon zich door de nieuwe feiten moeilijk verdedigen. Klaagster voelde zich uit het veld geslagen door de leugens die beklaagde ter zitting deelde.

3.9.3

Beklaagde voert aan dat het haar niet bekend is om welke informatie dit zou gaan en betwist dan ook dat zij enige informatie, die niet vooraf bij klaagster bekend zou zijn geweest, aan de rechtbank heeft verstrekt.

3.9.4

Het College overweegt dat klaagster heeft nagelaten dit klachtonderdeel nader te onderbouwen met relevante stukken. Voor beklaagde is het kennelijk niet bekend om welke informatie het zou gaan. Zij heeft onweersproken betwist dat zij informatie, die niet bij klaagster bekend zou zijn geweest, aan de rechtbank heeft verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft beklaagde desgevraagd aangegeven dat er tijdens de zitting bij de rechtbank vragen zijn gesteld waar zij antwoord op heeft gegeven en dat klaagster mogelijk daarop doelt. Het College constateert dat, nu er in de voorhanden zijnde stukken en tijdens de mondelinge behandeling geen aanknopingspunten zijn gevonden die de stelling van klaagster onderbouwen, deze niet is komen vast te staan. Het College ziet in dit klachtonderdeel dan ook geen gronden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

3.9.5

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.10

Conclusie

3.10.1

Het College komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat beklaagde met betrekking tot de klachtonderdelen I en VI een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De artikelen

D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg) en G (Overeenstemming/instemming omtrent de hulp- en dienstverlening) van de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker zijn geschonden. Voorts heeft beklaagde in strijd gehandeld met de richtlijnen ‘Samen beslissen over passende hulp’ en ‘Scheiding en problemen van jeugdigen’. Beklaagde is volgens het College dan ook op meerdere punten verwijtbaar tekortgeschoten. Het College heeft voorts bij beklaagde weinig tot geen reflectie gezien in antwoord op de vragen die haar tijdens de mondelinge behandeling van de klacht door het College zijn gesteld. Gelet op het verwijtbare handelen ten aanzien van meerdere klachtonderdelen, het onvoldoende reflectief vermogen van beklaagde, maar anderzijds de beperkte gevolgen van het handelen van beklaagde, acht het College het passend en geboden om aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op te leggen.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– verklaart klachtonderdeel I (deels) en VI gegrond;

– verklaart de klachtonderdelen II, III, IV, V, VII en VIII ongegrond;

– legt aan beklaagde op de maatregel van een waarschuwing.

Aldus gedaan door het College en op 10 januari 2019 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder mevrouw mr. A. Rietveld
voorzitter secretaris