Maak een selectie

727 van 727

   

Klacht tegen de onderzoeker van Veilig Thuis dat niet is onderbouwd waarom de zorgen van klager niet werden gedeeld, dat klager als vader en melder niet betrokken is en dat in het Veiligheidsplan staat dat hij schuldig is bevonden aan moord.

Het College van Toezicht, hierna te noemen: het College, heeft in de onderhavige zaak beraadslaagd en beslist in de volgende samenstelling:

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder, voorzitter,
mevrouw M. Grol, lid-beroepsgenoot,
mevrouw N.A. van Lingen, lid-beroepsgenoot,

over de door:

[klager], hierna te noemen: klager, wonende te [woonplaats],

ingediende klacht tegen:

[beklaagde], hierna te noemen: beklaagde, werkzaam als onderzoeker bij Veilig Thuis [regionaam], hierna te noemen: Veilig Thuis.

Als secretaris is opgetreden mevrouw mr. E.C. Abbing.

Beklaagde wordt in deze zaak bijgestaan door haar gemachtigde mevrouw mr. J. Stappaerts-Zijlmans, werkzaam als advocaat te Eindhoven.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het College heeft kennisgenomen van:

– het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 7 mei 2018;

– het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juni 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 15 november 2018 in aanwezigheid van klager, beklaagde en de hiervoor genoemde gemachtigde. Als toehoorder van de zijde van klager is tijdens de mondelinge behandeling van de klacht aanwezig geweest een vertrouwenspersoon. Als toehoorder van de zijde van beklaagde is aanwezig geweest de teammanager van Veilig Thuis.

1.3

Na afloop van de mondelinge behandeling van de klacht heeft de voorzitter aan partijen medegedeeld dat de beslissing, vanwege de kerstdagen, op 20 december 2018 verstuurd wordt.

2 De feiten

Op grond van de stukken en van wat tijdens de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, gaat het College van de volgende feiten uit:

2.1

Klager is vader van een dochter, geboren in 2011, hierna te noemen: de dochter.

2.2

Klager en zijn ex-partner, hierna te noemen: de moeder, gezamenlijk ook aan te duiden als: de ouders, hebben zes-en-een-half jaar een relatie gehad. In april 2016 heeft klager het huis verlaten. De dochter heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder en er is een omgangsregeling met klager. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de dochter.

2.3

De moeder heeft met een eerdere partner een zoon, hierna te noemen: de zoon. De dochter en de zoon worden samen aangeduid als: de kinderen.

2.4

Op 12 mei 2016 heeft klager een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis over de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek bij de moeder. Klager vindt dat hulpverlening noodzakelijk is voor de moeder, terwijl zij dit voortijdig heeft afgebroken.

2.5

Op 13 mei 2016 heeft de frontoffice van Veilig Thuis de triage uitgevoerd en besloten dat er een onderzoek uitgevoerd dient te worden om meer zicht te krijgen op de kinderen.

2.6

Op 10 juni 2016 is beklaagde casusmanager geworden.

2.7

Op 13 juni 2016 heeft beklaagde tijdens een multidisciplinair overleg met de gedragswetenschapper een Plan van Aanpak opgesteld. Daarin staat beschreven met wie er gesproken gaat worden (met de moeder, de eerdere partner van de moeder, tevens de vader van de zoon, met klager en de kinderen), welke informanten (GGD, mogelijk de buitenschoolse opvang, school, huisarts, GGZ, de politie en eventueel andere betrokken hulpverlening) benaderd kunnen worden en welke onderzoeksvragen beantwoord dienen te worden.

2.8

Op 20 juni 2016 heeft beklaagde gesproken met klager en heeft klager zijn visie gegeven op de leefsituatie van de dochter. In dit gesprek is aan klager uitgelegd wie in het kader van het onderzoek benaderd zullen gaan worden.

2.9

Op 24 juni 2016 heeft beklaagde op school gesproken met de dochter. In de avond heeft beklaagde klager hier telefonisch over geïnformeerd.

2.10

Op 7 juli 2016 heeft er een afsluitend multidisciplinair overleg plaatsgevonden tussen beklaagde en de gedragswetenschapper en is er een gezamenlijk onderzoeksresultaat bepaald. De uitkomst was dat er geen zorgen waren over acute onveiligheid, echter het werd wel noodzakelijk geacht dat de reeds ingezette hulpverlening aan de moeder door [instelling] voortgezet zou worden, dat de moeder zich zou melden voor een persoonlijkheidsonderzoek en dat er daarna waar nodig passende hulp ingezet zou gaan worden.

2.11

Op 21 juli 2016 is het Veiligheidsplan opgesteld. Daarin zijn zorgen en krachten geconstateerd en er zijn afspraken gemaakt voor de toekomst. Op basis van het onderzoek heeft Veilig Thuis de gemelde zorgen niet kunnen bevestigen. Op dezelfde dag heeft er een eindgesprek plaatsgevonden met de moeder in aanwezigheid van de betrokken generalist van [instelling]. In dit gesprek is het Veiligheidsplan doorgenomen. Tevens heeft beklaagde klager gebeld en aangeboden het Veiligheidsplan met hem te bespreken. Op verzoek van klager is het Veiligheidsplan per post verstuurd en heeft er geen gesprek plaatsgevonden.

2.12

Op 22 juli 2016 is er door beklaagde een brief gestuurd aan klager over het afsluiten van het onderzoek naar de kinderen. Daarin staat vermeld wie geïnformeerd zijn over de uitkomsten van het onderzoek en wanneer de monitoring zal plaatsvinden. De casusregie is overgedragen aan [instelling]. [instelling] is vanaf dat moment het eerste aanspreekpunt geworden en zal controleren of de gemaakte afspraken worden nagekomen.

2.13

Op 2 november 2016 is de eerste monitoring uitgevoerd. Tijdens dat gesprek heeft klager gemeld dat in het Veiligheidsplan ten onrechte ‘moord’ staat geschreven in plaats van ‘doodslag’. Beklaagde heeft voor deze omissie haar excuses aangeboden. Tevens heeft zij het benoemd, zodat het correct in het verslag komt te staan en heeft zij met klager afgesproken hierover een e-mail te sturen aan [instelling] met het verzoek dit woord in het Veiligheidsplan te vervangen.

2.14

Na de monitoring op 2 november 2016 is beklaagde niet meer betrokken geweest bij de casus. De tweede monitoring, een jaar later, is uitgevoerd door een collega van beklaagde.

2.15

Beklaagde is als jeugdzorgwerker sinds 2013 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ).

3 De klacht, het verweer en de beoordeling

3.1

Het College wijst allereerst op het volgende:

3.1.1

Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund. Het gaat om een beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Hierbij wordt rekening gehouden met wat ten tijde van het klachtwaardig handelen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard.

3.1.2

Het College toetst het beroepsmatig handelen van de bij SKJ geregistreerde jeugdprofessional aan de algemene tuchtnorm. Het College is niet bevoegd om klachten over het handelen en nalaten van andere personen of van de instelling te toetsen.

3.1.3

Klager verwijt beklaagde dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde, dat klager als vader en melder niet betrokken is, dan wel geïnformeerd is, dat hij in het Veiligheidsplan is neergezet als dader/risicofactor en niet als betrokken en bezorgde klager en tevens melder en tot slot verwijt klager beklaagde dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat hij een belast verleden heeft en schuldig is bevonden aan moord.

3.1.4

Hierna worden de in het klaagschrift genoemde klachtonderdelen een voor een besproken en beoordeeld. Per klachtonderdeel worden de klacht en het verweer, zakelijk en verkort, weergegeven waarna per klachtonderdeel het oordeel van het College volgt.

3.2

Klachtonderdeel I

3.2.1

Klager verwijt beklaagde dat er geen onderbouwing is gegeven waarom Veilig Thuis de gemelde zorgen van klager niet deelde.

3.2.2

Beklaagde voert samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan. In de afsluitbrief van 22 juli 2016 aan klager staat: “In het onderzoek heeft Veilig Thuis verschillende zorgen en krachten gesignaleerd en zijn er afspraken gemaakt voor in de toekomst”. Deze zijn vastgelegd in een Veiligheidsplan wat in een gesprek op 21 juli 2016 met de moeder is opgesteld. Er waren wel degelijk zorgen bij beklaagde, maar in mindere mate dan bij de klager. Dit mede gezien het feit dat de moeder ten tijde van het sluiten van het onderzoek al twee maanden intensief werd begeleid door [instelling]. Veilig Thuis heeft bij het afsluiten van het onderzoek minimale eisen gesteld en duidelijk aangegeven wat er zou gebeuren als de afspraken niet zouden worden nagekomen. Uit het Veiligheidsplan volgt derhalve de onderbouwing van de onderzoeksuitkomst, wat een logisch gevolg is van de gesprekken met de ouders, de kinderen en de informanten. Beklaagde heeft dit telefonisch geprobeerd met klager te bespreken, maar klager wilde het plan enkel op schrift ontvangen. Klager heeft na ontvangst van de afsluitbrief en het Veiligheidsplan geen contact meer opgenomen.

3.2.3

Voor het College staat vast dat klager op 12 mei 2016 een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis vanwege zijn zorgen over de belaste voorgeschiedenis van de moeder en het ontbreken van een behandeling die klager voor haar noodzakelijk acht. Op 13 mei 2016 heeft bij Veilig Thuis de triage plaatsgevonden en vervolgens is er een onderzoek gestart. Het College overweegt dat het doel van het onderzoek is te beoordelen of er sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling en welke (onderliggende) problemen er zijn die (ook) moeten worden opgelost om tot duurzame veiligheid en herstel te komen. Conform het VNG-model Handelingsprotocol voor het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (verder: Handelingsprotocol) heeft beklaagde eerst een Plan van Aanpak opgesteld. Daarin wordt beschreven welke informanten benaderd kunnen worden en welke onderzoeksvragen er zijn, waaronder de vraag of er sprake is van enigerlei vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling. Derhalve, overweegt het College, is de melding van klager aanleiding geweest een vervolgtraject in te zetten en heeft beklaagde na het opstellen van het Plan van Aanpak een Veiligheidsplan geschreven. Het College ziet in het Veiligheidsplan terug dat daarin zowel zorgen als krachten zijn gesignaleerd. Voorts leest het College dat er in het plan wel degelijk een onderbouwing is gegeven van de onderzoeksuitkomst. De zorgen zijn voldoende duidelijk omschreven en er zijn minimale eisen opgesteld om de veiligheid te bereiken. Dat beklaagde de zorgen van klager niet deelde, dan wel niet heeft onderbouwd, volgt het College dan ook niet. Beklaagde is naar het oordeel van het College evenwichtig te werk gegaan. Zij heeft klager gehoord, maar ook het verhaal van de moeder meegewogen. Voorts heeft beklaagde betrokkenen en informanten gehoord om het onderzoek zo compleet mogelijk te maken. Beklaagde heeft er kennelijk voor gekozen het netwerk van klager niet op te nemen in het onderzoek. Het College overweegt dat beklaagde dat had kunnen doen, maar daartoe niet verplicht is. Het College ziet in dit klachtonderdeel geen gronden voor een tuchtrechtelijk verwijt aan beklaagde.

3.2.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.3

Klachtonderdeel II

3.3.1

Klager verwijt beklaagde dat het Veiligheidsplan alleen met de moeder en haar vader is besproken. Klager is daar als vader en melder niet bij betrokken. Met andere woorden, Veilig Thuis is niet transparant geweest naar klager over het onderzoek en heeft hiermee het recht van klager geïnformeerd/betrokken te worden, geschonden.

3.3.2

Beklaagde voert aan dat de zorgen van klager over de moeder wel betrokken zijn bij het opstellen van het Veiligheidsplan. Deze zorgen zijn samengevat op pagina 1 van het Veiligheidsplan. Op pagina 2 van het Veiligheidsplan staat wat er moet gebeuren en wat de minimale eisen van Veilig Thuis zijn, waaronder: “[instelling] dient betrokken te blijven bij de moeder als steun in haar emotionele welzijn en in het ventileren van haar emoties. …Veilig Thuis acht het wenselijk dat de moeder zich aan gaat melden voor een persoonlijkheidsonderzoek/passende behandeling om haar belaste verleden op een juiste manier te verwerken zodat zij rust gaat ervaren”. De visie en de wensen van klager zijn derhalve betrokken bij het opstellen van het Veiligheidsplan. Het onderzoek heeft zich vanwege deze zorgen en het feit dat de dochter hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft, voornamelijk gericht op de situatie bij de moeder. Dat is ook de reden dat beklaagde in eerste instantie het eindgesprek heeft gevoerd met de moeder. Daarna heeft zij direct telefonisch contact gezocht met de klager om het Veiligheidsplan en de afspraken met hem te bespreken. Klager wenste het Veiligheidsplan enkel op papier te ontvangen. Na het lezen, kon hij contact opnemen met beklaagde. Bovendien kon klager zich nadien wenden tot [instelling], dat na het sluiten van het onderzoek het aanspreekpunt was.

3.3.3

Voor het College staat vast dat beklaagde direct na de afronding van het Veiligheidsplan op
21 juli 2016 een gesprek heeft gehad met de moeder. Het College kan zich, gezien de aard van de zorgen en het feit dat de dochter bij de moeder haar hoofdverblijfplaats heeft en het onderzoek zich voornamelijk heeft gericht op de situatie bij de moeder, voorstellen dat beklaagde het Veiligheidsplan in eerste instantie met haar heeft besproken. De vader van de moeder, zo heeft het College ter zitting van beklaagde begrepen, is niet gehoord tijdens dat gesprek, maar is als ondersteuner van de moeder aanwezig geweest. Nu beklaagde onweersproken heeft verklaard dat zij direct na het gesprek met de moeder op 21 juli 2016 telefonisch contact heeft opgenomen met klager om het Veiligheidsplan, de gemaakte veiligheidsafspraken en de afspraken, die voor hem gelden, met hem te bespreken, staat ook dit voor het College voldoende vast. Voorts is het College gebleken dat klager op dat moment heeft aangegeven het Veiligheidsplan alleen per post te willen ontvangen en te zullen reageren als hij zich er niet in kan vinden. De hem geboden mogelijkheid om na het lezen van het Veiligheidsplan contact op te nemen met beklaagde, heeft klager vervolgens onbenut gelaten. Het College kan klager dan ook niet volgen dat hij door beklaagde niet geïnformeerd of betrokken is, dan wel dat hem geen mogelijkheid is geboden met beklaagde over het Veiligheidsplan te spreken. Het College is van oordeel dat beklaagde hier zorgvuldig heeft gehandeld.

3.3.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.4

Klachtonderdeel III

3.4.1

Klager verwijt beklaagde dat hij in het Veiligheidsplan is neergezet als dader/risicofactor en niet als betrokken en bezorgde klager, tevens melder. Alles wijst erop dat de beschuldiging van beklaagde in genoemde brief van 22 juli 2016 onder andere de basis was om een Veiligheidsplan op te stellen. Ondanks dat huiselijk geweld in de brief benadrukt is, zijn er geen aanwijsbare zorgen benoemd in het Veiligheidsplan die aan huiselijk geweld gerelateerd zijn. Dit geeft klager het gevoel dat beklaagde niet open en transparant is geweest tegenover hem.

3.4.2

Beklaagde voert aan dat zij klager nergens van beschuldigd heeft. Op basis van de gesprekken met de moeder en de kinderen kan er geconstateerd worden dat er sprake is geweest van enige vorm van huiselijk geweld (verbaal en/of fysiek) en van een ongelijke machtsverdeling (veel angst van de moeder), wat kenmerkend is voor huiselijk geweld. Dit komt ook terug in de gespreksverslagen met de kinderen en in het Veiligheidsplan. In het verslag van het multidisciplinair overleg van 7 juli 2016 staat dat klager huiselijk geweld ontkend heeft en dat hij heeft gezegd dat de moeder juist naar hem toe verbaal agressief is geweest. Er waren derhalve zorgen over de interactie tussen de ouders en daarom is een van de afspraken dat [instelling] de ouders gaat helpen beter met elkaar te communiceren. De melding van klager heeft geleid tot een onderzoek. Dit onderzoek heeft tot gevolg gehad dat er hulpverlening is betrokken en dat Veilig Thuis besloten heeft om een vinger aan de pols te houden en twee keer te monitoren. Uit het Veiligheidsplan blijkt dat klager serieus is genomen als melder en gezien is als een betrokken vader, maar dat hij wel een ongezonde relatie onderhield met de moeder, wat effect had op de kinderen. Klager was echter van mening dat er geen sprake was van huiselijk geweld. Klager had een reactie mogen geven op het Veiligheidsplan maar heeft hier van afgezien.

Beklaagde is altijd open en transparant geweest. Zij heeft op 20 juni 2016 met klager gesproken. Vervolgens heeft beklaagde op 24 juni 2016 met klager gebeld en het kindgesprek met de dochter naar hem teruggekoppeld. Dat is ook schriftelijk vastgelegd. Ouders en andere melders krijgen overigens geen kopie van afsluitbrieven aan de betrokken instanties tenzij zij een kopie van het dossier opvragen. Klager heeft een kopie van de afsluitbrief aan [instelling] ontvangen van [instelling], overigens zonder toestemming dan wel medeweten van Veilig Thuis.

3.4.3

Het College heeft niet vast kunnen stellen dat klager in het Veiligheidsplan is neergezet als dader/risicofactor en niet als betrokken vader en melder. Het College heeft in het Veiligheidsplan de zorgen teruggezien van klager over de moeder. Tegelijkertijd is er ook gekeken naar het -belaste- verleden van de klager zelf. Het College overweegt dat dat hoort bij het doel van het onderzoek van Veilig Thuis, zoals staat beschreven in hoofdstuk 8 ‘Onderzoeken’ van het Handelingsprotocol en reeds onder 3.2.3 is verwoord. In het Veiligheidsplan ziet het College ook dat er een omgangsregeling is tussen de kinderen en klager en dat de kinderen zich zowel bij de moeder als bij klager op hun gemak voelen. Het College overweegt dat klager daarmee wel als betrokken vader is neergezet.

In de door klager bedoelde brief van 22 juli 2016, gericht aan [instelling], leest het College een korte verwijzing naar de aanwezigheid van huiselijk geweld in de periode dat klager nog bij de moeder en de kinderen woonde. Naar het oordeel van het College is dit niet de basis geweest om een Veiligheidsplan op te stellen. De melding van klager is juist de aanleiding geweest een onderzoek te starten. Uit de gesprekken die vervolgens in dat kader gevoerd zijn met de moeder en met de kinderen is huiselijk geweld genoemd en is dat opgenomen in het Veiligheidsplan. Het College heeft er begrip voor dat klager zich niet kon vinden in bepaalde passages in het Veiligheidsplan. Dat wil echter niet zeggen dat beklaagde niet zorgvuldig gehandeld heeft, dan wel niet open/transparant is geweest naar klager toe. Beklaagde heeft naar het oordeel voldoende getracht met klager in gesprek te komen. Dat klager zelf meerdere contactmomenten onbenut heeft gelaten, kan beklaagde niet tuchtrechtelijk verweten worden.

3.4.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.5

Klachtonderdeel IV

3.5.1

Klager verwijt beklaagde dat in het Veiligheidsplan vermeld staat dat hij een belast verleden heeft en schuldig is bevonden aan moord. Feitelijk is dat onjuist nu klager schuldig is bevonden aan doodslag. Klager is bovendien van mening dat dit gegeven gebruikt wordt om het verhaal van de moeder omtrent huiselijk geweld jegens klager geloofwaardig te maken. Veilig Thuis/beklaagde heeft deze beschuldiging klakkeloos overgenomen. Klager was er niet eens van op de hoogte dat de moeder hem hiervan heeft beschuldigd. Klager vindt daarom dat Veilig Thuis niet transparant en bevooroordeeld is geweest.

3.5.2

Beklaagde voert aan dat het verleden van klager in eerste instantie per abuis niet helemaal juist is weergegeven. Echter klager heeft pas tijdens de eerste monitoring op 2 november 2016, dat wil zeggen drie maanden na het sluiten van het onderzoek, laten weten dat er ten onrechte ‘moord’ in het Veiligheidsplan stond in plaats van ‘doodslag’. Toen dit bleek, heeft beklaagde hier tijdens de monitoring haar excuses voor aangeboden en dit direct rechtgezet bij [instelling]. Beklaagde heeft hier niet de conclusie uit getrokken dat er sprake was van huiselijk geweld van klager richting de moeder. Dit volgt ook niet uit het Veiligheidsplan of anderszins uit het dossier en is een aanname van de klager. De conclusie van huiselijk geweld is getrokken uit gesprekken met klager, de moeder, de informanten en voornamelijk de kinderen. Zowel ten aanzien van het verleden van de klager als de relatie tussen de ouders geldt dat Veilig Thuis geen uitgebreid onderzoek doet naar de waarheid. Veilig Thuis dient in enkele weken een inschatting te maken van de veiligheidsrisico’s en acties in gang te zetten om eventuele onveiligheid weg te nemen. Vervolgens draagt Veilig Thuis, indien zij de zorgen van de melder deelt, de zaak over aan een hulpverleningsinstantie of aan de Raad voor de Kinderbescherming, die een uitgebreider onderzoek gaat doen.

3.5.3

Voor het College staat vast dat in het Veiligheidsplan van 21 juli 2016 gesproken is over ‘moord’. Beklaagde heeft ook erkend dat het verleden van de klager in eerste instantie niet correct is weergegeven. Doordat klager echter niet met beklaagde in gesprek is gegaan over het Veiligheidsplan, heeft hij beklaagde pas drie maanden na afronding van het onderzoek, tijdens de eerste monitoring op 2 november 2016, gewezen op deze omissie. Uit het verweer van beklaagde is het College gebleken dat beklaagde direct op 3 november 2016 aan [instelling] heeft gevraagd de term ‘moord’ in het Veiligheidsplan te wijzigen in ‘doodslag’. Beklaagde heeft klager hiervoor bovendien, zowel in het schriftelijke verweer als tijdens de hoorzitting haar excuses aangeboden. Het College begrijpt dat de term ‘moord’ in het Veiligheidsplan klager onaangenaam heeft verrast, maar begrijpt daarom niet dat klager drie maanden heeft gewacht om hier op te reageren. Nu beklaagde direct nadat zij van deze omissie op de hoogte is gebracht alles in het werk heeft gesteld het mogelijke nadeel voor klager te keren en haar excuses aan klager heeft aangeboden, is het College van oordeel dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

3.5.4

Het College verklaart het klachtonderdeel ongegrond.

3.6

Conclusie

Het College concludeert als volgt. Volgens klager zijn artikel D (Bevorderen van het vertrouwen in de jeugdzorg), artikel F (Informatievoorziening over de hulp- en dienstverlening),
M (Verslaglegging/dossiervorming) en artikel N (Samenwerking in de hulp- en dienstverlening) uit de Beroepscode voor de Jeugdzorgwerker, en artikel 3 uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, geschonden. Het College heeft echter geconcludeerd dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn en dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, dan wel in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind heeft gehandeld.
Het College merkt hier nog op dat zij van mening is dat klager relatief lang heeft gewacht met het indienen van zijn tuchtklacht bij SKJ. Tussen 2016, de periode waarin de melding, het opstellen van het Veiligheidsplan en de overdracht aan [instelling] heeft plaatsgevonden, en 7 mei 2018, de datum waarop klager zijn tuchtklacht heeft ingediend, zit bijna twee jaar. Het College kan zich voorstellen dat dat voor beklaagde en het feit zij zich dient te verweren, een complicerende factor is geweest.

4 De beslissing

Dit alles overwegende komt het College tot de volgende beslissing:

– alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

Aldus gedaan door het College en op 20 december 2018 aan partijen toegezonden.

mevrouw mr. drs. L.C. Mulder mevrouw mr. E.C. Abbing
Voorzitter Secretaris